13. Honza's kromte

Zsuzsanna Györgyövics
Honza bleek een figuur van achter in de zeventig, met een trenchcoat aan en een hoedje op, die met een wandelstok door het appartment stiefelde, omdat hij zo krom was als een banaan. Nee, als een treurwilg eigenlijk. Daar leek zijn silhouet nog het meeste op. Men vroeg zich bij Honza's kromte af: als zijn rug met geweld rechtop getrokken werd, van achter aan de schouders, met een knie tegen het ruggemerg, zouden er dan een paar wervels breken? Het was een vraag die maar beter even onbeantwoord kon blijven. Toen Jitka Honza voorstelde aan Radek, had de oude niets gezegd. Hij had Radek niet eens aangekeken; dit hoefde niet van vijandigheid te getuigen, misschien kostte aankijken hem teveel moeite. Hij keek strak naar de grond, en maakte snurkgeluiden, hoewel hij vrijwel zeker wakker was. 'Radek, mijn lieve Honza,' legde Jitka opgewekt uit, - was er een mens in haar leven die zij niet met 'lieve' aanduidde? - 'is mijn nieuwe project. Gisteren vers van de Karelsbrug geplukt. Veel trekken was daar niet voor nodig, hè, hè. Maar ik heb hem wel grondig moeten reinigen.' Honza deed zijn hoedje af, stiefelde Radek voorbij, en liet zich in een fauteuil vallen. 'Doe je jas nou eens uit, jochie!' riep Jitka, hakkenklakkend achter hem aan. En tegen Radek: 'Dat doet hij altijd. Komt een dagdeel te laat, zonder iets van zich te laten horen, mist het hele schouwspel, het gefoezel enzovoort, en als hij dan eindelijk thuis is, ploft hij in zijn luie stoel zonder zijn jas uit te doen. O, wat heb ik daar een hekel aan. Maar probeer zo'n oudje nog maar eens te veranderen. Ik geef het je te doen.'

Geen opmerkingen:

Een reactie posten