Een mooie, weggegooide dag

Je was bezig met een schutting voor je tuinhuisje omdat je niet wil dat iedereen zomaar kan zien wat jij daar allemaal uitvoert, en nu had je je zinnen gezet op een haag van bamboe. Veel beter, eleganter ook, dan een slap hekje van nephout, bijvoorbeeld. Je had je al een paar weken, maanden misschien, verdiept in de ins en outs van bamboe, en dat waren er nogal wat; zo ontdekte je bijvoorbeeld dat er zoiets bestaat als een bamboe-plaag, maar die wetenschap was niet relevant voor dit project. Toen hoorde je dat iemand in zijn nieuwe huis buiten de stad bamboe in de tuin had staan en daar vanaf wilde. Ha, zei jij, als ik die bij jou mag weghalen, dan ben jij van je bamboe af en heb ik een schutting voor mijn tuinhuisje. Je superhandige en dito bereidwillige schoonvader ging mee. Het was een mooie dag. Jullie togen aan het werk met een schop, een bijl en zagen, maar er was een probleem: de bamboeplant wilde niet mee. Hij liet zich niet uitgraven. Hij had zich diep, heel diep vastgegrepen met zijn lange, lenige wortels in de Hollandse bodem en op geen enkele wijze zou hij zich laten bevrijden. Zeer tegen de gewoonte van de schoonvader in moesten jullie na een paar uur opgeven. De bamboe bleef waar hij was en jullie gingen met lege handen naar huis. Op de terugweg belandde je in de file.

Literair experiment

'Ik heb nou toch iets gelezen,' zegt mijn moeder over de telefoon, 'een roman bestaande uit een zin. Eén zin! Titel: Nu ik. Geschreven door Rutger Pontzen. Wel eens van gehoord? Thomas Rosenboom heeft het aangeprezen. Zei dat het op meesterlijke wijze toewerkt naar een apotheose of zoiets. Maar ik vond het niets. Vreselijk! Eén zin. Dat is toch niks?'
Ik zeg tegen mijn moeder dat ik alleen al het idee toejuich dat een schrijver iets anders probeert dan altijd maar weer hetzelfde, en dat de moderne Nederlandse literatuur opvallend conservatief is. Ook al bevat Ulysses veel, zo niet alle literaire fratsen die je zou willen uithalen, dan betekent dat nog niet dat er alleen maar naturalistische romans geschreven zouden moeten worden.
'Ja, maar één zin! Ik heb een stukje geprobeerd, maar het was niet vol te houden. Ik heb het boek meteen weer naar de bibliotheek teruggebracht.'
Het is inderdaad moeilijk vol te houden, zo'n experiment, zowel voor de lezer als voor de schrijver. Ik doe het ook wel eens, maar dan in korte stukjes. Ik geloof dat het langste verhaal uit één zin een tirade tegen vakantie was voor het 'Vakantiedoeboek' van Hans Ubbink, maar daar heb ik nooit ook maar een reactie op gekregen, ook niet van mijn moeder.
Pontzens roman in één zin doet me denken aan The Interrogative Mood: A Novel?, een roman bestaande uit alleen maar vragen. Ook gewaagd. En vermoeiend.
Opnieuw neem ik me voor vaker het experiment op te zoeken, al was het alleen maar om mijn moeder op de kast te krijgen.

Schriftsteller

'We hebben gehoord dat je Schriftsteller bent. Zijn er boeken van je vertaald in het Duits of in het Engels? Zo ja, kun je ons vertellen bij welke boekhandelaar we je boeken kunnen kopen?'
Een jong stel uit Hamburg. Geen 'intelluelen'. Maar wel lezers, dus. Zij, fitness-trainer, en hij leraar muziek. ('Je bent dus muzikant,' zei ik in mijn Schwere Wörter-Duits omdat ik weiger Engels te spreken met Duitsers. [Engels spreken met Duitsers is zoiets als wortels bestellen voor een konijn in een driesterrenrestaurant.] En daarnaast geef je les.' Hij knikte, glunderde.)
Ik hoorde mezelf uitleggen dat nee, mijn boeken niet vertaald zijn, noch in het Duits, noch in het Tuvalees, for that matter.
'Maar we hebben wel een stuk over je laatste boek gelezen in Die Welt. Lukt het met de sollicitaties bij de Polizei?'
Nu was het mijn beurt om te knikken.
Zij glunderen. Ik glunderen.
'We hopen dat je boeken gauw worden vertaald.'
Knikken. Glunderen.
Ik memoreerde nog een New Yorkse kennis die, toen hij een internationale bestseller had, de ene na de andere vertaalde editie kreeg opgestuurd, uit alle hoeken van de wereld. 'Dat is iets om heel erg jaloers op te zijn,' zei ik.
De Duitsers knikten. Het werd tijd om afscheid te nemen.

Bericht van de cramping II: faits divers

1. Als we van de overvolle stad naar de overvolle cramping zijn gereden, moeten we van de overvolle cramping naar het overvolle strand en als we eenmaal op het overvolle strand zijn, moeten we stoelen bij de overvolle strandtent bezetten om daar te kunnen eten, 'anders is het vakantiegevoel niet compleet'. 'Ga jij die stoelen maar bezetten, als je dat zo graag wilt, voor mij hoeft het niet. Ik lig hier prima.' 'Ik heb alles geregeld, wil jij dat dan niet even doen? Dat is toch een kleine moeite?' 'Dat geeft me nieuwe stress, ik kom juist om te de-stressen.' Enzovoort, enzoverder tot in de eeuwigheid amen. Uiteindelijk zitten we natuurlijk toch in de felbegeerde stoelen, en land ik met een hand in de zoetzure saus.

2. Een blond jochie zegt tegen zijn zus: 'De volgende keer sla ik je een bloedneus.' De moeder probeert te sussen. Lukt niet. Later probeert de vader het. Zelfde type. Verloren zaak.

3. Een yogalerares uit Stuttgart beweert om morele redenen niet op Facebook te zitten. Die kende ik nog niet.

4. Alle kippen, en de meeste konijnenjongen in de cramping-kinderboerderij zijn in een paar nachten door een vos en een boommarter kapotgebeten. Een kalkoen hebben ze ook meegenomen. Dat was jammer, want die broedde net op een stel eieren.

5. Een man doemt ineens halfnaakt uit de duinen op vraagt om een vuurtje.

6. Een meisje op de fiets draagt een T-shirt met natte plekken.

7. Uit de dennenbomen daalt stuifmeel neer. Bosvreugd!

Uitzitten

Een vriend die ik al lang niet meer heb gesproken belt opeens. Ik vraag hoe het met hem gaat. Hij klaagt dat zijn vrouw haar onzekerheid vertaalt in woede, en dat hij daar hoorndol van wordt. 'Iemand wees me daarop. Ik had haar gedrag zelf nog nooit zo geanalyseerd, maar het is waar. Ik word gek van die woede. Het enige wat ik wil is af en toe de liefde bedrijven en een goed gesprek. Wat ik nu krijg is dag in dag uit toorn... Zij belaagt me met haar argumenten... Ze wil in alles gelijk hebben... Ik krijg natuurlijk de volle laag... Wij passen gewoon totaal niet bij elkaar. Dat wist ik al vanaf het begin, maar goed, we hebben de kinderen... Als we het nog een paar jaar uithouden met elkaar... Als. Ik weet niet eens of we dat wel redden...' Ik vertel hem over een andere vriend, net zoals hij getrouwd met kinderen, die het polyamoureuze experiment aan is gegaan. De klagende vriend zucht diep. 'Wauw. Nou. Ik weet niet. Dat staat allemaal ver af van me. Ik moet dit huwelijk uitzitten, ben ik bang, en dan hopen dat er tegen die tijd nog een nieuw hoofdstuk voor mij in zit.'

Massale opsluiting + paniek = de hel

De hel zoals ik me die voorstel – toegegeven, er zijn meerdere varianten, maar dit is een die telkens terugkeert: – een grote ruimte, gevuld met duizenden mensen die in paniek raken en die, in hun ijver om te ontsnappen, elkaar vertrappen. De eerste keer dat ik me goed van dit scenario bewust werd, was bij de ramp in het Heizel-voetbalstadion in 1985. Ik kijk nooit naar voetbal, maar toen was ik aan het beeld gekluisterd. Je kon live zien hoe mensen werden verdrukt.
Ik zag een filmpje langskomen van twintig seconden uit Manchester. Gillende mensen. Een vrouw die eerder was vertrokken, las ik in The Guardian, zag lichaamsdelen rondvliegen en vond later bloedspatten in haar haar. Er zullen meer films zijn. Ik hoef ze niet te zien.
Elk mens is tot op zekere hoogte claustrofobisch, maar zoekt tegelijkertijd afgesloten ruimten op – Middas Dekkers muntte die laatste neiging thigmofilie – en wil sociaal zijn. Bij mij wint de claustrofobie het dikwijls van de andere neigingen.
Het is moeilijk, maar niet onmogelijk, om je een toekomst voor te stellen waarin populaire gelegenheden alleen nog virtueel kunnen worden bijgewoond. Ook een hel.

Uit

We gingen uit. Dat wil zeggen, ik had blind kaartjes gekocht voor een concert van Torgeir Waldemar in Cinetol, waarop we ons wegens tijdnood, en gebrek aan voorkennis, nauwelijks konden verheugen, maar toen het concert zou beginnen zat ik in de kinderkamer met het handje van een driejarige aan mij vastgeklampt. Ik stelde mezelf gerust met de gedachte dat rockconcerten nooit op tijd beginnen, maar misschien was dat ook allang achterhaald.
'Ga jij maar alvast,' zei lieftallige, 'laat maar weten of het iets is.'
Twee minuten later was ik ter plaatse. Niet alleen wordt alles persoonlijk, alles wordt ook lokaal – of is dat allang, maar dit was er voor mij nog een bewijs van.
Het concert was in volle gang. Torgeir Waldemar bleek een Herman Brusselmans-lookalike, met lange baard, die extreem luid en traag gitaar speelde en zong (toch wel een heel klein beetje vals maar misschien was dat de bedoeling). Ik had geen gehoorbescherming in. Ik stond tegen de bar geleund, de geur van het eten van de barjuffrouw achter mij drong mijn neusgaten in.
'Best leuk,' berichtte ik aan lieftallige. 'Kom maar.'
Lieftallige arriveerde. 'Ik voel me niet zo lekker,' zei ze. Speelde Torgeir Waldemar ineens minder luid, en gevoeliger,  een mooi liedje, of leek dat maar zo? 'Hoe vind je dat nou,' zei ik, 'zo'n Noorse band die enorm zijn best doet om Texaans te klinken, en daar ook behoorlijk goed in slaagt?'
'Jammer dat hij niet één liedje in het Noors doet,' zei ze.
Torgeir begon weer luider te spelen. 'Als ik nu niet wat frisse lucht krijg, val ik flauw,' zei lieftallige.
We gingen buiten op het terras zitten. In de verte klonk de gedempte muziek van de Noorse Texaan.
Niet veel later waren we weer thuis. Maar we waren uit geweest, dat kon niemand ons meer afnemen.

Zesde werkdag

Ik ben aan het spijbelen. Ik was gisteren ook al aan het spijbelen. En eigenlijk is mijn aanwezigheid op kantoor ernstig gewenst, ben ik zo onbescheiden om te denken. De oud-bibliothecaresse verkeert in shock. Nou ja, shock, haar is verstaan gegeven dat ze haar huis uit moet, en daarop heeft zij gezinspeeld op zelfdoding.
Die zelfdoding houdt me bezig. Hoe zou ze dat doen, gesteld dat ze het deed, zonder Pil van Drion? Moest ik haar helpen? Hoe zou mijn werkdag er dan uit zien? Moest ik voor haar op internet een Chinese Pil van Drion bestellen? Maar gezien haar aversie tegen pillen slikte ze die waarschijnlijk ook niet, als puntje bij paaltje kwam. En trouwens, waar bemoei ik me mee?
Ik heb het antwoord op deze vragen voor me uitgeschoven door niet naar kantoor te gaan en thuis te werken. Spijbelen is ook laf, maar het is lafheid van een andere orde.
Inmiddels geloof/hoop ik dat er van die shock niet zo veel meer over is, als ik haar weer zie. Een van de voordelen van lichte Alzheimer. Ik heb zo'n gevoel dat ze wel nog precies weet waar we zijn gebleven in Gogol's Dagboek van een krankzinnige. Anders ik wel.

The Girl from Nova Scotia

One could say a few things about the girl from Nova Scotia.
First of all, that she was by herself, and not restless.
Further, that she was petite, except for her shoes, her gums and her mammalian protuberances (carefully wrapped in a tight dress). She wore no make up to speak of.
Also, that she was talkative, both in French, and in English, although she spoke softly and never felt the need to interrupt. Her French sounded peculiar, perhaps a bit sloppy, as if she was drunk or stoned, or both, but she was neither. She hadn't gone shopping coffee, and she did not drink much wine.
Her English – New Scottish? – was interesting, especially at the end of words. Her slight accent was apparent in the pronunciation, for instance, of 'out'. The 'ou' didn't sound like American or English, and the 't' didn't cut off the word, but extended it a little. If this sounds coquettish, it wasn't.
She did have a sense of humor, although, like with some women, you had to feed it.
On a map she pointed out her habitat and explained that driving to her parents took her eight hours. She also showed pictures, of what I thought was her house, but turned out to be the view from her window.
The place looked desolate.
She seemed perfectly fine with it.

Royalty

De snelste manier om een schrijver uit zijn schrijversbubbel te halen is hem zijn royalty-overzicht te sturen.
Toen ik nog bij Meulenhoff zat, kreeg ik jaarlijks mijn royalty-afschrift in een brief die zodanig was gevouwen dat het totaalbedrag niet in één oogopslag zichtbaar werd. Ik moest eerst nog een flapje terugduwen, voordat de waarheid zich in al haar getalsmatigheid aan mij openbaarde.
Waarschijnlijk was de gedachte van de uitgever dat de waarheid op deze manier minder hard bij de royalty-houder aankwam. De royalty-houder had een paar seconden extra tijd gekregen om te beseffen dat ook zijn laatste meesterwerk geen bestseller was. Dat wist hij natuurlijk allang, of hij had het kunnen vermoeden, maar beseffen is iets anders dan weten.
Tegenwoordig stuurt mijn agent me een lieve email met mijn royalty-overzicht. De zalvende woorden in het bijgaande briefje zeggen genoeg. Dan hoef ik al niet meer te kijken. Als ik flink zou verkopen, zijn zalvende woorden niet nodig, in zekere zin misplaatst.
Ik kijk toch. Mijn nieuwsgierigheid, gedreven door hoop (wat anders?) is groter dan mijn angst voor teleurstelling.
Ik word niet teleurgesteld in mijn teleurstelling.
Een dag later zit ik op de fiets en goochel in gedachten met mijn verkoopcijfers en denk: hm, nog helemaal zo slecht nog niet. En: er zit een stijgende lijn in.
Een schrijver is net een hondje.