Project Kansloos

'De doden hebben het goed voor mekaar,' verzuchtte ik.
'Hoezo dat dan?' wilde lieftallige weten.
'Die hoeven niet te leven.'
Reden voor mijn moedeloosheid was het project dat ik onderhanden had genomen: het vervangen van de vertiefte spiegeldeurtjes van het badkamerkastje. Het demonteren was tot daaraan toe, maar toen ik al te voortvarend met mijn zojuist aangeschafte glassnijder te keer ging in het door mijn schoonouders royaal ter beschikking gestelde spiegelglas, ging de boel aan diggelen. Symbolisch?
Kan wezen, maar ik moest naar de Jamma voor nieuwe spiegels. Thuis maakte ik met een glasboor (waarvan ik het bestaan tot dan toe niet afwist, maar ik het met terugwerkende kracht wel kon vermoeden) een gaatje van 5 mm voor het kastdeurknopje.
Pang! daar barstte de spiegel van het linkerdeurtje, die ik tot mijn eigen verbazing zo mooi op maat had weten te snijden. Ik vloek niet vaak, maar hier was het terecht. Ik besloot de Jamma te ontwijken, en deze barst te accepteren. (Leven is barsten accepteren.) Ik begon de barst zelfs charmant te vinden, jeugdig, inspirerend.
Een nieuwe vloekpartij galmde door de badkamer toen bij de montage bleek dat ik een van de deurknopjes diametraal verkeerd had gesitueerd: rechtsboven in plaats van linksonder.
Dit foutieve, nutteloze kastdeurknopje zou de gebruiker van de spiegel steeds opnieuw herinneren aan de onhandigheid van de monteur.
Soit!
Pas toen de spiegel van het andere deurtje ook barstte tijdens het, tot nieuwe vloekpartijen aanleiding gevende vastschroeven, kon niet langer van een doe het zelf klus, maar alleen nog van een not so ready made kunstwerk worden gesproken.
De vraag die mij alleen nog bezighield was hoeveel stomende douchebeurten de lijm aan zou kunnen, waarmee de spiegels aan de deurtjes waren bevestigd. De tijd gaf hier uitkomst.
'Dit  k a n  jij gewoon niet!' luidde het lieftallige commentaar toen ik haar had uitgenodigd een kijkje te komen nemen. 'Dat is niet erg, maar  d o e  het dan ook niet!'



Bestelling

Als schrijver kom ik graag bij de mensen thuis. Een bestelling van DVEP via mijn webshop bracht me naar Eyckestein, Amstelveen – 38 minuten fietsen. Googlemaps stuurde me dwars door het Amsterdamse Bos; ik ontdekte delen, waar je je nog helemaal alleen kan wanen. (Niet iedereen is daarnaar op zoek.) Ik fantaseerde over de vrouw die mijn boek had besteld – woonde ze in een villa? Had ze kleren aan? – de wedergeboorte, kortom, van Eduard P. Restante. Alsof de duivel ermee speelde bereikte ik mijn doel, een vreugdeloos flatgebouw, tegelijk met de postbezorger van dienst. Ik zei niks. Hij had oortjes. Tijdens de lift naar boven dacht ik: ze trekt me naar binnen en slaat me dood met een tosti-ijzer. Of ze dwingt me mijn boek voor te lezen en elke voorgelezen bladzijde op te eten. Maar niets van dat alles. Ik kreeg cola, zij rookte een sigaret. Mijn aandacht werd getrokken door een stoffige sanseveria in de vensterbank, met roze punten.

Dialoog

Sport verbroedert, hoewel slechts ten dele en op onvermoede manieren. Vanochtend zat ik op een bank in de zon op de voetbalclub naast de vader van, zo bleek, de topscorer van de tegenpartij van mijn zevenjarige. De man droeg een casual jasje, had een pleister om zijn vinger en een soul patch onder zijn onderlip. Als u hieruit afleidt dat hij een Nederlander is met een migratie-achtergrond, dan heeft u goed gegokt. Ik gokte verkeerd door een gesprek aan te knopen met: 'En, voor Erdogan gestemd?'
'Ik ben van Marokkaanse afkomst,' antwoordde de man, terwijl hij ging staan om het eerste doelpunt van zijn zoon te bejubelen.
Ik putte me uit in excuses over mijn blunder, maar hij wuifde die weg, en begon aan een mini-college over het Ottomaanse rijk, dat damals strekte tot aan Marokko, en daarna over het Moorse rijk, dat zo'n beetje de hele Maghreb besloeg en nog tot in de middeleeuwen de baas mocht spelen over de Spanjaarden. 'Daaruit is het huidige Marokko ontstaan,' vatte hij vergenoegd samen.
Stiekem hoopte ik dat hij geen moslim was. Maar hij was wel moslim, zij het een verlicht moslim, werd hij niet moe uit te leggen.
Ik wilde hem geloven.
'Bent u christen?' vroeg hij mij. Ik antwoordde dat het weinig zin had te ontkennen dat ik dat was, dat de vraag of ik wel of niet gelovig ben, er nauwelijks toe doet, omdat ik de normen en waarden van de christelijke cultuur alleen al door mijn opvoeding heb geïnternaliseerd. Dat antwoord beviel hem.
Toen zijn zoon drie keer had gescoord, en zijn team onverslaanbaar bleek, stond hij op en zei: 'Mooi, nu kan ik koffie halen.' Hij bood niet aan ook voor mij te halen. Ik vroeg me af of dit een kwestie was van opvoeding, cultuur, karakter of toeval.

Derde werkdag

Mijn derde werkdag op de zolderkamer verliep rimpelloos, als je de verrassingsbezoekjes van zich half verontschuldigende makelaars met potentiële kopers voor het onderhavige investeringsobject niet meetelt.
'Ik ga er niet uit hoor, ik blijf hier wonen!' zei de oud-bibliothecaresse hoofdschuddend.
Vannacht had ze mijn boek uitgelezen, vertelde ze me met grote ogen. 'Heel goed. Heel interessant. Heel amusant.' Ik was gestreeld door het compliment, maar nog meer door het idee dat ik haar slapeloosheid iets dragelijker had gemaakt.
We maakten een wandelingetje. Toen we langs het terras kwamen van Het bruine paard, waar bier werd gedronken, stelde ze voor even te gaan zitten.
'Wil je ook een biertje?' vroeg ik.
'Ja,' antwoordde ze. 'Dat ben ik al de hele tijd van plan.'
Ik bestelde twee bier, ook al wist ik dat haar mentor haar eigenlijk op advies van de huisarts geheel nuchter wil houden. Ik zag verzachtende omstandigheden. Ze genoot ervan, vanonder de fleece-deken die ik over haar heen had gedrapeerd.
'Kijk, Bas Heijne,' zei ik, wijzend op de publicist, die druk pratend voorbij kwam. 'Ach, die heb ik nou nog nooit gezien,' zei de oud-bibliothecaresse. Wat ze ook nog nooit had gezien: zes toeristen die langs zeilden op Segway's. Dat was een nog groter spektakel. 'Nu kun je sterven,' schertste ik, maar misschien was dat teveel scherts.
Thuis warmde ze zich bij de kachel. Haar mentor kwam binnen en maakte koffie. Ik zei dat we stout waren geweest en bier hadden gedronken. De mentor nam het sportief op.
'Jij bent toch nooit getrouwd omdat je geen kinderen wilde?' vroeg de mentor, toen de oud-bibliothecaresse haar sigaretje had gerold.
'Nee.' Ze wees op een kleine, versleten teddybeer in zijn eigen schommelstoeltje naast de kachel. 'Dat is Beerie. Man en kind ineen.'

Ik wachtte op mijn vernedering, maar die bleek mee te vallen.

Hangende mijn sollicitatie bij de pojisie ben ik mijn licht gaan opsteken bij Uber, want ik heb inderdaad altijd al gedroomd van een bestaan als taxichauffeur. Die droom werd enigszins bevuild door krantenberichten over Ubers die zich als snorders gedragen op Schiphol om extra ritjes bij elkaar te harken, maar voor de rest wilde ik maar wat graag deelnemen in de brave nieuwe wereld die Travis Kalanick voor ons, freelancers in de gig-economie, bezig is te creëren.
Je downloadt een appje voor chauffeurs en KLABANG! de afspraak voor de 'informatie-bijeenkomst' is gemaakt. Onwillekeurig of niet zo onwillekeurig moest ik terugdenken aan de groepssollicitatie bij PostNL waarover ik schreef in mijn dagboek.
Ik liep de receptie binnen van het bedrijfsverzamelgebouw aan de Vijzelstraat en vroeg naar Uber. Vierde verdieping wist een dame. Ik naar de vierde. Daar kreeg ik van weer een dame te horen: 'Informatiebijeenkomst? Derde.' Ik naar de derde. Ik betrad een frisse ruimte met een groot UBER-logo waar de radio hard aanstond op een populaire zender, en, opmerkelijker wellicht, een half dozijn personen die mijn kinderen (kleinkinderen bijna) hadden kunnen zijn, zitten op idioot hoge bureaustoelen achter, u raadt het al, idioot hoge bureau's, met daarop idioot grote Apple-beeldschermen. Ik wachtte op mijn vernedering, maar die bleek mee te vallen. Ik mocht meekomen naar een klein kamertje. Daar kreeg ik alleszins redelijke en interessante informatie. Uberen blijkt bij drukte €30 en bij luwte €25 per uur op te kunnen opleveren. De catch? Uber verlangt dat ik 2 mille investeer in mijn chauffeursdroom, en ik heb geen 2 mille.

Kijkdoos

Hoewel ik van plan was mijn kinderen categorisch de toegang te ontzeggen tot mijn werktempel in de tuin, moet ik mijn zevenjarige wel binnenlaten omdat hij een doos bij zich heeft, een hele grote doos, een doos voor mij, roept hij, pappa.
Ik doe de deur open en laat hem binnen.
De doos, groot genoeg om een keukenmachine in te verpakken, is een kijkdoos, legt hij uit. Op de tuintafel nodigt hij me uit een kijkje te nemen door het kijkgat in de bovenkant. Dit is nieuw voor mij, ik kom nog uit de tijd dat kijkdozen een kijkgat van voren hadden, maar goed, dat is bijzaak. Ik kijk naar binnen en zie een poppetje bungelen aan wat toch onmiskenbaar een touw is, boven iets wat op een soort vuur lijkt.
'Ben ik dat?' vraag ik.
'Da's een skalet!' roept hij. Geen antwoord op de vraag, maar ik laat de kwestie rusten.
Uit zichzelf somt hij de klasgenootjes op, met wie hij de kijkdoos gemaakt heeft. Maar de ophanging was van hem.

Afscheid van Haarlem

Op mijn laatste dag in Haarlem passeer ik voor de Hema een kalende man in een regenjas die een boekje op de grond laat vallen. Ik raap het op. Het boekje heeft een gele kaft en op die kaft staat 'Het marktplaatsmeisje'. Ik overhandig het boekje aan de Haarlemmer, die me wat besmuikt, of moet ik zeggen beschaamd, toeknikt.
Als u nu denkt, is dat alles, dan kan ik u verzekeren van niet. Want er is ook nog een 'gevonden fiets'. Dit moet ik uitleggen. Op mijn eerste dag in Haarlem vond ik voor de deur van mijn pied à terre een fiets met 21 versnellingen. Dat leken mij 21 versnellingen teveel, maar hij stond niet op slot. Dit vatte ik op als een teken van de God van Haarlem. Ik stalde hem op het balkon. Gisteren maak ik dan eindelijk een rondje. Blijkt het zadel los te zitten, de rem nauwelijks te werken en de ketting te ratelen. Ik besluit de fiets terug te schenken aan Haarlem.
Daarna volgt het Echte Afscheid, te weten het stofzuigen van het appartement en het aanschaffen ener attentie voor de vriendelijke eigenares. Eerst denk ik: stofzuigen? Hoeveel kruimels verspreidt een eenling? Maar er blijkt wel degelijk wat te zuigen, en omdat ik daarmee te vroeg begin, blijf ik aan de gang, omdat ik telkens nieuwe kruimels maak. Tenslotte de attentie. Voor mij is dit appartement priceless, zoals dat heet, maar voor de eigenares waren de kosten van mijn verblijf te overzien. Wat te doneren? Ik kies voor een fles tawny port, met name vanwege dat woord, tawny. Zo voel ik me ook.

Gebruikte postzegel

In een verhaal van Tsjechov getiteld Een ambtenaarsexamen moet een postbode voor zijn promotie tot 'college registrator' een examen afleggen in allerlei vakken, maar met name in de Wetenschap der postboden, namelijk aardrijkskunde. Maar de aardrijkskundeleraar, Galkin, heeft de pik op hem, weet de postbode zeker, omdat hij hem een keer zijn plaats wees in het postkantoor.
Op zich een weinig opzienbarend negentiende eeuws verhaal, behalve dan die heerlijke toevoegingen, zoals dat Galkin, toen hij dronken was, met zijn biljartkeu uit het raam hing van een café en naar de postbode riep: 'Kijk eens heren naar die gebruikte postzegel, daar gaat-ie.'
Ook geestig is het aardrijkskunde-examen zelf, waarvoor hij dus zogenaamd moet zakken. Eerste vraag: 'Wat voor regering is er in Turkije?' Antwoord van de postbode: 'Een Turkse.' (Fout. Moet zijn: 'een constitutionele'. ) Tweede vraag: 'Welke bijrivieren heeft de Ganges?' Antwoord: 'De Ganges, dat is een rivier ergens in India, die uitmondt in de oceaan...' 'Dat vraag ik u niet. Welke bijrivieren heeft de Ganges?' Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen. Natuurlijk zet de postbode het op een huilen: dit kunnen ze hem niet aandoen, hij gaat bijna met pensioen, hij heeft de speciale pet voor de gepensioneerde al besteld... En hij zakt ook niet voor zijn examen, omdat het louter een formaliteit is. Tsjechov is genadeloos voor zijn personages, maar nooit onnodig cru.

Gijzeling

'We gijzelen elkaar,' liet ik mij ontvallen, tijdens het Paasweekend. Dit was geen gezellige opmerking, maar hij was wel waar.
'Hoezo?' vroeg lieftallige. 'Wie gijzelt jou dan?'
'De kinderen. Jij.'
Dat ik door de kinderen werd gegijzeld was evident. Als de een niet op mijn krant sprong en mijn kin haar richting op trok, ging de ander wel aan mijn nek hangen of greep me in mijn kruis. Vaak, gebiedt de eerlijkheid me te zeggen, vroeg ik er ook om.
De gijzeling door de echtgenote geschiedde subtieler, maar had daarom niet minder effect.
Misschien is dat wel de definitie van liefhebben: gijzelen. Wie niet gegijzeld wordt, is waarschijnlijk niet geliefd. En wie niet gijzelt, heeft waarschijnlijk niet lief. Maar vermoeiend is het wel.

Tweede werkdag



Niet zomaar naar binnenstormen, na het kloppen even wachten, anders schrikt de oud-bibliothecaresse zich een ongeluk, luidt de instructie, en geef haar de tijd om naar de deur te komen, dus dat doe ik. Maar er gebeurt niks en ik hoor niks, dus ik open de deur. Een lege stoel bij de kachel. Is ‘mevrouw’ op pad, even naar buiten? Onwaarschijnlijk. Ik zie een onaangeroerde kop koffie op tafel staan en een gepeld, hardgekookt ei ernaast, op een schoteltje. De koffie is nog warm. Ik voel me een inbreker, daarna een privé detective. Maar na een tijdje komt de mantelzorger in mij naar boven. Is mevrouw, eh… dood? schiet het door me heen, maar ook dat is onwaarschijnlijk. Waarschijnlijker is, mede gezien de kwalijke geuren die ik bespeur, dat ze op de WC zit. Maar het waarschijnlijkst is dat ze in bed ligt, ook al is het in de middag. Ik bel de mentor en vraag wat ik moet doen. ‘Gewoon aankloppen op de slaapkamerdeur en jezelf aankondigen,’ antwoordt deze. Als ik dit doe, klinkt een zacht ‘ja’. Ik open de deur. Mevrouw ligt inderdaad in bed, de gordijnen dicht, met een lamp aan. Ze lijkt begraven onder de spullen. ‘Weet u nog wie ik ben?’ ‘Ja,’ antwoordt ze, glimlachend, meen ik, ‘die man met die hoed.’ Ik kan weer naar huis, mijn werk voor vandaag zit erop.