Gebruikt

Uwe Wenzel: Rollator

Ik ben boos op M. Waarom ben ik boos op M.? Wacht, ik ben niet boos, je kunt niet boos zijn op een vriendin van negentig. Ik ben enigszins ontstemd. Teleurgesteld, zeg je dan geloof ik. Of moet ik zeggen dat de grenzen van de participatiemaatschappij zijn bereikt?
Vanochtend had ik haar aan de telefoon, en gisteren en eergisteren, voor de zoveelste keer had ze me gebeld met een verhaal over haar telefoon die het niet deed. Dit vond ik ongeloofwaardig. Ten eerste als je telefoon het niet doet, hoe kan het dan dat je belt? Ten tweede: koop een nieuwe telefoon, ik ben geen telefoonwinkel. Ik kreeg sterk de indruk dat het haar helemaal niet om die telefoon te doen was, maar om mij. Ze zocht naar een smoes om mij zo snel mogelijk naar haar appartement te dirigeren. Terwijl ik daar net was geweest, samen met mijn partner in crime, Bonnie, om haar bed te verschonen. Ik had namelijk unilateraal bepaald dat dat hoognodig moest gebeuren, en dat kon ook net even, omdat ze uit logeren was.
'Je gebruikt me,' zei ik. Ik schrok zelf van de formulering, ik geloof niet dat ik dit ooit tegen iemand heb gezegd (tegen mij is het daarentegen wel vaak gezegd, dacht ik).
'Ik jou gebruiken? Neeeeeeee.'
'Zo voel ik het. En dat gevoel is onbetwistbaar.' Ik klonk inmiddels als een bakvis in een driestuiverroman. 'We hebben je bed verschoond en geloof me, dat was geen overbodige luxe, en je hebt niet eens de moeite genomen ons daarvoor te bedanken. Dat vind ik niet correct.'
Stilte.
'O. Nou. Ja, maar er was ook zoveel aan de hand, ik kwam hier thuis in een enorme toestand, en...'
'Ja. Maar ik kom wel zo snel als ik kan je telefoon repareren hoor,' haastte ik mij toe te voegen en verbrak de verbinding.

Directe democratie



Ik wou dat ik ORDER zou kunnen uitspreken zoals die speaker of the house of commons, John Bercow. Hij spreekt wel luid, dus vandaar de kapitalen, maar hij roept het niet uit, vandaar geen uitroepteken. Hij spreekt het uit als een vader tegen zijn kinderen aan tafel die kletsen terwijl hij probeert uit te leggen hoe zwaar hij het heeft gehad op kantoor. Dat lijkt me het wezenlijke verschil tussen de Britse en, voor zover ik weet, enige andere democratie op deze wereld: de interactie tussen spreker en gehoor die misschien, en dit vind ik verrassend, nog het meest doet denken aan de call en response in een gospel-kerk. Het verlevendigt in elk geval de proceedings, en niet alleen dat, het heeft ook een functie: de spreker weet waar zij aan toe is, of wat zij te berde brengt enig hout snijdt, dan wel totaal uit de lucht gegrepen is. Het is een vorm van directe democratie, van onmiddellijke inspraak. (May bleek haar hoofd dus niet op het hakblok te hebben gelegd; of beter: ze deed dat wel, maar haar kop zit er nog aan.)
Die Britse manier van politiek bedrijven doet me trouwens nog aan iets anders denken: de vergaderingen bij het studentendispuut waar ik lid van was. Kennelijk hebben Nederlanders alcohol nodig om te durven hun stem massaal te verheffen in gezelschap, en trouwens, in dat dispuut was de teneur van de interrupties vrijwel steeds afbrekend. Bijval – dat deed je niet. Afbreken was zoveel leuker, daar scoorde je mee. In het lagerhuis is dat waarschijnlijk ook zo, maar ik begrijp de afbrekingen vaak niet (afgezien van sneren als 'stupid woman').
De rol van de speaker werd bij de vergaderingen van weleer in mijn dispuut ingenomen door de praeses. Dus in plaats van 'mr. speaker', de aanhef die mevrouw May en elk Lagerhuislid telkens weer gebruikt, zeiden wij: 'Meneer de praeses.'
Gôh, ik geloof dat ik dat gedoetje toch een beetje mis.

Creatieve havisten

Genadeloos?

Mijn poging om drie HAVO 4-klassen gisterochtend te verleiden Zalig uiteinde, dat door de sectie Nederlands op hun literatuurlijst was geplaatst, ook daadwerkelijk te  l e z e n , bevatte behalve verwijzingen naar 'literaire rapper' Fresku (tevens uit Eindje), een mini cursus creative writing, bestaande uit deze opdracht: schrijf één zin die a)schaamteloos is; b)genadeloos (niet hetzelfde), c) ironisch en d) origineel, onder het motto 'alles mag'.
De tekst mocht anoniem blijven, en dat was ook wel nodig, want schaamteloos zijn met je naam eronder is toch wat anders dan schaamteloos zijn zonder naam. Als ik de cursus nog eens mag overdoen met gymnasiasten eis ik op zijn minst een pseudoniem. De anonimiteit had ik trouwens gewaarborgd door ze hun tekst op een klein papiertje te laten schrijven, dat op te vouwen en in mijn vrijheidshoed te deponeren.
Dit hele systeem kon ze wel amuseren, en mij ook wel om eerlijk te zijn, en toen ik hun bijdragen aan het eind van de les in willekeurige volgorde voorlas waren de hilarische explosies cq. het geschamper en hoongelach niet van de lucht (ook en vooral bij bovenstaand tekstje).
Niet verwonderlijk hadden de adolescenten het meeste moeite met c) en d), hoewel genadeloosheid moeilijker is dan menigeen denkt. De bijdragen à la '... is kut' hadden de overhand, maar er waren toch ook wel interessante bij. 'Absent gemeld worden terwijl je gewoon aanwezig bent,' bijvoorbeeld.
Leuk, in al zijn eenvoud, vond ik: 'Mijn kat is dood en ik ben blij.'
'Deze lokalen stinken en de wc's mogen schoner.' Die was het origineelst, en indien ironisch: meesterlijk.


Zorgfunctie

Image result for chinees baby bos haar



Maandagochtend, first thing, belt M., mijn 90-jarige vriendin, maar het weekend is net achter de rug en ik heb even geen zin in een zorgfunctie, ik heb zin om egofiel met eigen werk bezig te zijn, dus ik neem niet op. Meteen daarna gaat de telefoon weer, nu een anoniem nummer, en als mijn huis- en kantoorgenoot dat wil wegdrukken – zij heeft  n o g  minder zin in mijn zorgfunctie – wint mijn medemenselijkheid het van mijn egofilie. 'Misschien ligt ze wel te creperen.'
Het OLVG aan de lijn. Ze ligt niet te creperen, integendeel, maar of ik M. wil komen ophalen van de spoedeisende hulp, waar zij vannacht per ambulance heen is gebracht, hoewel er weinig aan de hand was (een terugkerend patroon).
Natuurlijk doe ik dat. Nooit is mijn egofiele bezigheid van groter belang dan dat van een medemens met een hulpvraag.
Bovendien ben ik vergeten hoe de spoedeisende hulp van het OLVG eruit ziet.
'Ik kom eraan als ik mijn koffie op heb.'
Bij de spoedeisende hulp van het OLVG word ik door opmerkelijk opgewekte mensen naar een bed verwezen waarop M. in haar zwartfluwelen leefpak zit te kletsen met een opmerkelijk opgewekte verpleegster.
'Dat is snel!' zegt de laatste.
'We moeten opschieten, want ik verlang naar mijn tweede kopje koffie.'
Ik rijd M. in de rolstoel naar de auto, en laad haar in. 'Koud!' zegt ze. Ze trilt ook, en ademt in van die korte pufjes.
Ik zet klassieke muziek op om M.'s gedachten om te buigen, af te leiden. Afleiding is een van mijn beproefde zorgtechnieken. (Veel meer dan dat kan ik ook niet, trouwens. Het wordt tijd dat ik een EHBO-cursus volg.)
Thuis plant ik haar in haar bedje, dat wel eens verschoond zou mogen worden, denk ik en dat spreek ik ook uit, maar daar ga ik niet over. Bejaarden zonder kinderen zijn at the end of the day aan de goden overgeleverd.
Als ik haar Telegraaf uit de brievenbus heb gevist en haar wijs op een berichtje op de voorpagina: een Chinese baby met een enorme bos haar, kan er toch weer een glimlach vanaf. Haar gebrek aan make up staat haar goed.
'Viktor,' zegt ze ten afscheid, 'zul je af en toe toch nog eens aan me denken en me opbellen om te vragen hoe het met me gaat?'



Stepping out of fear

Image result for el capitan alex honnold













There are, in my mind, some similarities between free soloing and writing fiction. Both should be practised, preferably, in solitude. Other people are at best redundant, and at worst a major distraction. Both require focus, calmness and discipline. Both are completely useless (as in: there is no demand for it, the world is indifferent to it, nobody asked for it). And, here is the most interesting similarity, I think: both the soloist on the big wall and the writer facing the empty page must 'step out of fear' – in the expression of Alex Honnold in Free solo, a documentary about his ascend, without ropes or helpers, of El Capitan, a 900 meter high block of granite in Yosemite Park, California. It took him just short of 4 hours, and although I knew he would make it – I secretly betted my life on it – I felt a pit in my stomach when I saw him trying to traverse the euphemistically called 'Boulder Problem' near the end of the climb by way of the so called 'karate kick' (if he went for the jump, I would have left the movie theatre).
It's not a matter of overcoming fear, Honnold insists. It is a matter of stepping out of it, not letting it get into your consciousness. (It helps that this climber's brain hardly has a amygdala to speak of, as is shown in a MRI-scan, so emotions tend not so much to interfere with his behavior.)
The fear writers of fiction have to deal with is not a mortal fear (except maybe in the case of Salman Rushdie), but a fear of their own demons, deepest insecurities, which may lead to a fear of madness, perhaps (at least in my case).
Free soloists are in search of perfection, actually, their lives depend on it, and in a way, this is true of (true) writers. It is not so much the margin of error (which is of course infinite in the case of writers), but in a way, if a fiction writer is taking his fiction writing seriously, he is fighting himself, just like a climber is fighting himself. Every word is a 'crimp', every sentence a ridge, every chapter a stop on the route to the top.

Robocalyps

Image result for robots artist

De vraag is niet of de robots het gaan overnemen maar of ze het winnen van de Chinezen en of het verschil te merken zal zijn.
Leven we in de Eindtijd – een andere dan die de christenen voor ogen hadden, maar toch met hetzelfde resultaat, namelijk dat we ten dode zijn opgeschreven, dan wel overgeleverd aan machines die ons kapot zullen maken, of, dit lijkt waarschijnlijker, ons langzaam zullen laten verpieteren?
Of wordt de Eindtijd een Begintijd als de robots de planeet redden of andere planeten voor Chinezen te bouwen of bewoonbaar te maken?
Ik werd weer eens ontroerd door de Informaticus, die, min of meer uit het niets zei: 'Pap, ik denk dat het zo gaat: eerst gaat het helemaal mis met die robots, ze richten een slachting aan. Een massamoord. Vervolgens worden ze getweaked en gefinetuned, en dan kunnen we ze weer voor ons grotere heil inzetten.'
Hij zei het natuurlijk anders, niet in deze bewoordingen, de bewoordingen zijn van mij, de vader, de robotvrezende vader, die nog gelooft in boeken en typmachines.
Het woord massamoord gebruikte hij wel, maar ik denk niet dat hij daarmee een massamoord van holocaustachtige proporties bedoelde. Meer enkele tientallen slachtoffers of daaromtrent.
We zullen zien. Dat wil zeggen: hij en zijn Chinese vrienden zullen het zien. Ik denk niet dat ik het nog ga meemaken. Dat heeft ook wel weer iets geruststellends, voor alle betrokkenen.

Brief aan mijn aambei

Image result for rosebud painting abstract
Oksana Tanasiv


'Leuk' dat je er weer bent, dat was toch wel een tijdje geleden, dat we elkaar 'zagen'; dat wil zeggen, ik zie je niet (tenzij ik een anale selfie zou maken, waar ik nu geen zin in heb), ik  v o e l   je alleen, en niet zo'n beetje. Je bent weer 'lekker' aanwezig. De vraag die mij bezighoudt is wel, wanneer ga je weer weg. Neem dit alsjeblieft niet persoonlijk. Het gaat me niet om jou als zodanig, meer om jouw soort, de subcategorie van bloedvatuitstulpingen op krappe plekken. Nu zou je me kunnen betichten van, ja, van wat eigenlijk, nou ja, zoek maar uit, verzin maar iets, er is vast wel iets dat eindigt op -isme waar ik me aan schuldig maak, uitstulpisme, het wordt langzamerhand lastig zo niet onmogelijk om een uitspraak te doen waar niemand aan zich aan stoort, waar niemand zich gekwetst door zou kunnen voelen en die toch iets betekent, meer dan een tautologie als 'druk leidt tot uitstulping'. Ik heb het idee, maar corrigeer me als ik verkeerd zit, dat je dit keer wat feller de kop op steekt dan normaal, alsof je een punt wilt maken, alsof je me wilt wijzen op iets dat ik zelf over het hoofd heb gezien. Als dat zo is, geachte aambei, wat? Kun je specifieker zijn? Nee, natuurlijk. Je speelt je spel in stilte, achter mijn rug om, veilig uit het zicht. Wat dat betreft ben je een prachtig voorbeeld van passieve agressie. Gefeliciteerd daarmee. Tot zelden in de toekomst,

Je gastheer

Non, il probablement ne regrette rien

Marvel Harris

Zonder het te weten is Marvel Harris bezig te veranderen in een oude vriend van mij zoals ik hem mij herinner van veertig jaar geleden of daaromtrent. De overeenkomst is opmerkelijk. Nu was die vriend van mij van veertig jaar geleden, J., al enigszins androgyn, zoals wij allemaal androgyn waren destijds, – ja, waar is onze androgynie gebleven? – maar hij was toch echt wel een jongen, dat weet ik zeker, dat heb ik gecheckt. Meer een jongen dan ik, zelfs. Zo had hij eerder de baard in de keel, eerder 'haartjes' en eerder spierballen en wat dies meer zij. Ik weet niet hoever Marvel is met haar transitie, of moet ik zeggen zijn transitie, maar ik vraag me met terugwerkende kracht af of ik me destijds had kunnen voorstellen dat vriend J. transgender was, of genderdysforisch of iets dergelijks. Ik kan het me nu wel voorstellen, maar kon ik het me toen voorstellen? Wist ik ervan af? Misschien een vaag besef. Wat als J., de vriend van toen, sinds ik hem niet meer gezien heb, bezig is een transitie de andere kant op? Dan zijn de genders weer in evenwicht. Er zijn ook transgenders met spijt, wist mijn moeder me te vertellen. Dit had ze gelezen. Dat er transgenders zijn met spijt wil ik best geloven. Van iedere beslissing kun je spijt hebben, dus ook van een sex change, alleen lijkt me het rechtzetten hiervan iets bewerkelijker. Zoals je laser shops hebt om tattoeages weg te werken, krijg je straks sex shops om je sex change terug te draaien. Met de groeten uit Nashville. Maar Marvel ziet er niet uit dat hij spijt heeft. Integendeel. Gelukkig maar.

Tweeëndertigste werkdag




Wonderen bestaan nog: op 4 januari jongstleden is de oud-bibliothecaresse verhuisd van haar stoffige, donkere, brandgevaarlijke huisje in de Jordaan naar een frisse, lichte, veilige kamer in een zorgcentrum in Amsterdam Zuid... oost. Het zorgteam dat de verhuizing begeleidde stuurt foto’s waarop de oud-bibliothecaresse vanuit verschillende standpunten valt te bewonderen op haar nieuwe plek, met de armen over elkaar en de ogen dicht.
Uiteindelijk maakt het niet zo gek veel uit  w a a r  je zit met je armen over elkaar en je ogen dicht, zolang het warm en droog is.
Verheugd stel ik vast dat er een goedgevuld boekenkastje is meeverhuisd. Een oud-bibliothecaresse, ook een dementerende, veroordelen tot een woning zonder boekenkast is zoiets als een kind zijn knuffels afpakken. Over knuffels gesproken: op een van de foto’s zie ik Beer, in zijn vaste leunstoel, op het dressoir, dus ook aan hem is gedacht.
Moet ik me schuldig voelen omdat ik de oud-bibliothecaresse ooit heb beloofd dat ze bij mij kon onderduiken als ze ooit zou worden gedwongen haar huisje te verlaten?
Als Maarten Biesheuvel ook nog kwam logeren, hadden ze elkaar prima kunnen bezighouden, bedenk ik me, maar de uitgever van Bies reageert niet op mijn email, en de oud-bibliothecaresse is mijn belofte denkelijk (hopelijk) vergeten.
Zorg voor dementerenden en psychotici kun je misschien ook maar beter aan professionals overlaten.
Niettemin wil ik gehoor geven aan mijn toezegging om de oud-bibliothecaresse nog eens mee te nemen met de auto voor de bezichtiging van een zonsondergang, bij voorkeur in Bloemendaal aan Zee.
Misschien niet te lang mee wachten.
Eerst maar eens zon.

Dierindrukken opgedaan op het Friese platteland

Bruno Pontiroli
Bruno Pontiroli

Een haas die rent voor zijn leven terwijl hij achterna wordt gezeten door een middelgrote jachthond. Ik had nog nooit een haas zo hard zien rennen, herstel: ik had nog nooit een haas zien rennen, en begrijp nu waar de uitdrukkingen hoe de hazen lopen, het hazepad kiezen en zo bang zijn als een haas vandaan komen. Waarom bleef haas alsmaar volledig in het zicht van zijn belager, die op pakweg dertig meter volgde? Pas op het allerlaatst dook hij wijselijk het riet in naast de sloot. De jachthond hield het niet droog.
Een rat gevangen in een val. Een ex-rat, om precies te zijn. Een rat die is opgehouden te bestaan. Een rat op bezoek bij zijn schepper.
Een kreupele koe, net volautomatisch gemolken in de lokale melkveehouderij, probeert haar weg te vinden door de stalen poortjes naar de jeukmachine (niet ongelijk de borstels in een autowasstraat), waar zij zich de streling zonder emotie laat welgevallen. In het voorbijgaan had ze naar mij, stadse pottenkijker, omhoog gekeken en haar niet onwelriekende adem gewasemd. Misschien wordt het tijd ook zuivel te vermijden.