Zelfmarketing


Johnny the Selfkicker: Het is tijd om dronken te worden

Als somethingseller-auteur in het huidige tijdgewricht ben je genoodzaakt het voor jezelf op te nemen. Tuurlijk, je uitgever stelt alles in het werk om jouw werk onder de aandacht te brengen, maar die belofte wordt gedaan aan iedere auteur, en met name ingelost aan bestseller-auteurs. Het valt die uitgever, onder het laat-kapitalistiese gesternte, niet kwalijk te nemen. Een uitgever is, in het licht van de oorlog om aandacht (mede veroorzaakt door een teveel aan titels, maar dat is een ander verhaal), genoodzaakt tot een efficiënte allocatie van zijn reserves, en duwtjes geven aan een roman die vorige herfst verscheen hoort daar niet bij.
Alvorens ik verderga, waarom duwtjes geven, waarom nu? Wel, het geval wil dat het gros der Nederlezers hun consumptie van romans uitstellen tot een tijdvak waarin het van overheidswege is toegestaan: de Grote Vakantie. En omdat die eraan dreigt te komen, ben ik eindelijk gezwicht voor de marketing van Google (die al zo lang op de deur klopt als ik leef) om een Google Ad Words Campagne te runnen – u weet wel, u typt in lekker leesboek in de zoekbalk en KLABAM! rechtsboven op uw scherm verschijnt HET DISPUUT. HET IDEALE ZOMERBOEK.
De resultaten zijn tot dusver – ik ben nu een week bezig – niet bemoedigend. Daarom ben ik vanochtend maar ingegaan op het aanbod van Google om Gratis Advies in te winnen per Telefoon. Samen met een alleraardigste jongeman, Robin geheten, gewapend met een grinnikende lach à la Beavis & Butthead, ging ik nog eens door mijn campagne. 'Je ziet dat je zoekwoorden gebruikt die nul procent relevantie hebben,' zei Robin, 'zoals zuipen.' (Nul procent relevantie betekent dat van alle mensen die mijn advertentie zien, er 0 % klikt op de advertentie.)
Robin overtuigde mij dat mensen die geïnteresseerd zijn in zuipen niet in de eerste plaats geïnteresseerd zijn in een Nederlandstalige roman, zelfs niet als zuipen hierin een niet onbelangrijke rol speelt. 'Spannend' daarentegen is een zoekwoord dat het heel, heel erg goed doet, maar ik moet niet te vroeg juichen, bovendien is mijn roman geen 'triller'. Met een budget van 1 euro per dag moet ik misschien het juichen helemaal achterwege laten.

De geschiedenis van mijn aquarium

Related image
Jan van Kessel


Er waren eens drie vissen in een bak die ik voor de verjaardag van de toen nog achtjarige had gekocht omdat zijn beste vriend er ook een had. Dat was twee maanden geleden. Het aquarium, compleet met pomp, steentjes etc. had ik via marktplaats in Amsterdam Noord bemachtigd à €20. Bij nadere inspectie bleken er tussen die steentjes nog vissenkarkasjes te liggen, maar een kniesoor die daarop let.
Onze goudvissen, Lotte, Tommy en een vis wiens naam mij ontschoten is, werden alras vergast op een appelslak van de buurvrouw. Gezellig. Deze migrant evenwel, die door het leven ging als the big fat blob, vrat alles wat hij tegenkwam, dus ook waterplanten inclusief tak en stam.
Op internet las ik dat het probleem van vissen houden niet zozeer te weinig voer is, als wel teveel uitwerpselen. Ik verdacht de BFB van overmatige giflozing, maar ook de goudvissen persten kwistig slierten uit hun cloaca.
Stikken in uitwerpselen is een thema dat me bekend voorkomt, maar ik was er niet op uit, dus ik ververste het water ruim en veelvuldig. Toch niet ruim en veelvuldig genoeg, of ik had een schadelijke factor over het hoofd gezien, want een sluierstaart, ik meen Lotte, ging eerst schuin zwemmen, daarna in een hoekje zitten en kwam ten slotte buikelings bovendrijven. In het diepste geheim werd de sluierstaart vervangen. Navraag bij de dierenwinkel over de onverklaarbare vissensterfte bood geen soelaas, want ook nummertje twee en niet lang daarna nummertje drie, de nieuweling, koos de weg van alle vlees.
Mijn theorie was: sluierstaarten zijn te zwak in deze toxische omgeving, maar gewone goudvissen kunnen tegen een stootje. Tommy, the last fish swimming, zwom niettemin met duidelijk minder geestdrift dan voorheen. Het was, met andere woorden, een kwestie van aftellen voordat ook hij het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde.
De BFB, die ik onsterfelijk achtte, bezweek tenslotte eveneens.
Waarom, O God, rukt U deze weinig aaibare maar grappig beweeglijke schepsels weg uit het leven van mij en mijn kinderen?
Gisteren, bij de marktplaatstransactie, was de cirkel rond.
Een forse, rondbuikige man in een hawaïshirt stoof het huis binnen zonder zijn zonnebril af te zetten, laadde het aquarium in zijn meegebrachte boodschappentas en verklaarde luidkeels: 'Ik verzamel aquariums voor mijn kleinkinderen die door de dood van mijn dochter plotseling bij mij in huis zijn komen wonen.'
Toch nog rechtvaardigheid, dacht ik. Hij had die bak harder nodig. Ik had mijn €20 terug. God heeft het goed gezien.

Drie diploma's



Drie kinderen, drie diploma's. De eerste diploma-uitreiking geschiedde in het lokaal van de gediplomeerde, hier hoefde geen ouder bij te zijn. Winst dus op twee fronten, zou je zeggen. Trots beende de negenjarige het huis in, wapperend met zijn Tafeldiploma, waar hij al zo lang op had gewacht. Tafel van 1: krulletje, tafel van 2: krulletje, enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen. Heeft dat tafels oefenen op de fiets naar school toch nog zin gehad.
Het glansrijk behaalde diploma voor de vierjarige had geen naam, ik wist alleen dat ik 7 euro in een envelop moest stoppen met haar naam erop. De uitreiking was kort maar krachtig, en ik weet nu om welk diploma het gaat: Rode Slip. Dat moet dan Rode Slip numero 2 zijn want ze had al een rode slip. Hoewel ze van judo af wil om te gaan dansen net zoals haar hartsvriendin, was ze toch apetrots. Natuurlijk, iedereen die een schouderklop krijgt is trots, ook al heeft hij er niets voor hoeven doen.
Mijn favoriete gymnasiast ondertussen, is gymnasiast af, maar niet dan nadat hij zich dinsdag op het podium van het Fons Vitae Lyceum had laten schofferen door zijn mentor en scheikundelerares, mevrouw Lipman. Die noemde hem een calculerende leerling die 'opging in het meubilair', terwijl hij een 10 had voor zijn profielwerkstuk (en daarvoor ook nog een PWS-prijs won). Bedankt, mevrouw Lipman!

Cadeautjes



Terwijl de Grote Roerganger op (snoep)reis is naar de Egeïsche zee, druppelen de pakjes binnen. Ik tel er een stuk of acht, en stapel ze keurig netjes op in de gang. 'Cadeautjes!' gilt de vierjarige, haar grijpgrage handjes in de aanslag. 'Misschien,' sus ik, 'maar niet voor ons. Wachten tot mamma thuis is. En trouwens, je hebt al een cadeautje.' En inderdaad, ze had rolletjes smarties achtergelaten, voor elk kind een. Toen ik die zag liggen, had ik ze meteen opgeborgen, omdat ik er niet tegen kan als mensen over hun graf heen regeren (en al helemaal niet met snoep – het Grote Kwaad), maar daarna had ik ze natuurlijk toch weer teruggelegd. Ik was benieuwd welk van de twee het verstandigst met zijn/haar smarties om zou gaan. De dochter, zo bleek. Die hield er nog een over om aan mamma te geven.
Als de Grote Roerganger thuis komt, heeft ze drie cadeautjes per kind meegebracht, plus een tasje om ze in te doen. Dat is mooi. Voor mij heeft ze een doosje Turks Fruit.
De pakjes in de gang blijken ook cadeautjes voor de kinderen te bevatten. En een voor mij: een klikteller, zo'n mechaniekje waarmee je handmatig kunt tellen. Ik had ooit de wens kenbaar gemaakt om, puur uit wetenschappelijke belangstelling, het aantal keren dat ik in één dag met 'pappa' werd aangeroepen te turven.
Ik haal het ding uit de Bol.com-doos. 'Chick counter' staat erop. 'Keep a running total of the chicks you attract.'
'Oké, die sturen we terug,' zegt ze.

Zesentwintigste werkdag

George Moore door Walter Richard Sickert

Het voordeel van bezoeken brengen met lange tussenpozen is dat de verschillen je opvallen en je in theorie ergens over te praten hebt. Het nadeel is, nou ja, dat de tussenpozen zo lang zijn. Zo hield ik, spontaan naar haar huis toe fietsend, ernstig rekening met de dood van de oud-bibliothecaresse, maar ze is springlevend, en ze weet, als ik haar een beetje op weg help ('we hebben samen met de auto die cassette van Casanova gekocht'), nog mijn naam.
'Viktor! Ik dacht dat je nooit meer zou komen.'
'Dat dacht ik ook, maar ik ben er.'
Ze zit in haar vaste stoel en kauwt op een bruine boterham, maar ze kauwt op die speciale manier, die nogal omslachtige, herkauwende manier van, nou ja, herkauwers, en mensen zonder gebit.
'Wat is er met je tanden gebeurd?'
Haar boventanden blijken te zijn uitgevallen. Ze heeft een setje prachtige nieuwe tanden aangemeten gekregen maar die vindt ze niet lekker zitten, dus kauwt ze maar zo. Het geeft haar uitdrukking iets simpels, maar ze is niet simpel. Ze is wel een beetje aangekomen zie ik, dat beschouw ik als goed nieuws; ze rookt volgens mij minder, of in elk geval minder fanatiek; ook dat is goed nieuws. Minder goed nieuws is dat ze stiller is geworden. Als ik niets zeg, zegt zij ook niets.
Ik haal een boek uit haar rijk gesorteerde kast en lees een stuk voor. Dit keer Home sickness van George Moore uit een bundel Irish Short Stories, zo klein stevig, handzaam boekje dat je overal mee naar toe zou kunnen nemen om te lezen als je even wat te lezen nodig hebt. Het is een mooi, traag verteld verhaal, over een man, Bryden, die dertien jaar geleden naar New York is geëmigreerd, maar nu terugkeert naar zijn oude dorp bij Cork. Hij wordt somber van de armoede en kleingeestigheid op het platteland, maar voelt zich toch thuis in het landschap. Hij vist op snoeken in the Small Lake en rijgt daarvoor een kikker aan de haak van zijn hengel. 'Wat gemeen,' zegt de oud-bibliothecaresse. Aan het einde verlooft Bryden zich met een locale schone maar weet nog net aan een huwelijk te ontkomen door een leugen: hij moet onmiddellijk terug naar Amerika.
Het brengt mij op een idee voor een eigen kort verhaal.
Het is weer stil in de netjes opgeruimde kamer (hulde aan het zorgteam).
Ik ga maar weer.
'Volgende keer drinken we weer een biertje op een terras,' stel ik voor.
'Of wiet roken,' stoot ze opeens uit, alsof ze een slijmprop omhoog hoest die al een tijdje dwars zit.
'Wiet roken? Wil je dat?'
'Dat heb ik nog nooit gedaan.'
'Dan doen we dat. Ik neem volgende keer een joint mee.'

Coda: Niets is echt, alles is toegestaan



'Assassin' heeft niets met Latijn te maken – ook niet met Grieks trouwens –, maar wel van alles met de Assassijnen, een Middeleeuws volkje lees ik, dankzij een link van Mikkel, op Wikipedia, dat nogal moordlustig was. Vandaar de semantische connectie met het woord dat wel tot het Engels en het Frans is doorgedrongen, maar niet tot ons mooie taaltje.
Die naam Assassijnen schijnt dan weer af te stammen van het woord voor hasjiesj-liefhebbers, dit omdat de Assassijnen behalve van moorden ook van blowen hielden (of hoe ze in die tijd ook hasj tot zich namen, mogelijk trokken ze er thee van). Er is ook een saaiere uitleg van de etymologie van de Assassijnen maar daarmee zal ik niemand vervelen.
Die kill+dope-connectie verklaart trouwens wellicht waarom game-makers op deze obscure geschiedenis een computerspel hebben gebaseerd: Assassin's Creed.
En dat verklaart weer waarom Mikkel er van af wist, want die is een fervent Assassin's Creed-adept. Als hij minder dan zes uur Assassin's Creed speelt op een dag, dan heeft hij naar eigen zeggen, 'nauwelijks gespeeld', en 'helemaal geen kans gekregen er behoorlijk in te komen'.
Enfin, ik ben niet van plan dat spel te gaan spelen, hoewel ik daar nu alle tijd voor zou hebben. Ik heb daarentegen wel Enna op pad gestuurd om Alamut te kopen, van de mij volstrekt onbekende Vladimir Bartol – kennelijk, en alweer volgens WP, het hoogtepunt uit de Sloveense literatuur. Dit boek was opgedragen aan niemand minder dan Mussolini. Moraal van het verhaal: 'Niets is echt, alles is toegestaan.' Dat wordt mijn nieuwe credo.

28. Pijnstillers (slot)



Inderdaad: aan die titelloze geschiedenis (wie er een weet, melde zich) moest maar eens een eind komen. Men kon niet blijven rekken, actiescènes aan elkaar plakken, ontknopingen uitstellen, brokjes informatie nieuw en oud rondstrooien, ook al heette dit schrijven. Zeker, een verhaal dat zich elke dag stukje bij beetje ontrolde was  b i j n a  even verrassend voor de auteur als voor de lecteur, maar hoe zat het met de clou? Was alles één groot complot? Nee, die fijne boodschap kon niet worden afgegeven. Het ware 'leuk' geweest als Into M. Geniets kapitaalkracht fictief of illegaal bleek te zijn geweest, maar dat was zij niet.
Er werd een beroep op gedaan door de advocaat die namens Bettina een schadeclaim indiende (de Katalla was total loss en de verzekering weigerde uit te keren). Dat 'staartje' werd tamelijk onverkwikkelijk, Enna's vriendschap met Bettina kwam erdoor onder druk te staan. Geniet was helemaal niet te beroerd om een en ander te vergoeden, zij het niet de 1,75 miljoen die Bettina's advocaat in gedachten had, waarvan vier ton wegens emotionele schade; hij dacht meer aan de helft.
'Ik mocht blij zijn dat ik nog leefde.' Dat zei Geniet niet, dat zei ik niet, dat waren ironische aanhalingstekens. Met ironie kon je niet ironieloos genoeg omspringen heden ten dage. Maar 'het was dus wel zo': ik lag in het OLVG en keek tv. Zonder been, wachtend op een prothese (een klik-prothese die hij bij het Radboud in Nijmegen had besteld). Want 'wat was er ook al weer gebeurd' (oké: genoeg)? Niet veel dat ik me kon herinneren, maar ik moest een tijdje door het vrachtschip dat de Katalla midscheeps had geramd en tot zinken had gebracht door het IJ zijn meegesleurd, aangezien Tim (ook in het OLVG, maar geen tv, want in coma) een stuk touw aan mijn been had gebonden en de stootwil aan het andere eind verstrikt raakte in... nou ja, vul zelf maar aan. Gebruik je fantasie.
Ik had van het poot-afrukken weinig gevoeld. De artsen dachten dat ik vlak voor het afrukken een Grote Flauwte had gehad. De mens lijdt zeker niet het meest aan het lijden dat hij vreest, maar er zijn goede pijnstillers. Voordat ik bijkwam van mijn onvrijwillige onderwatersport was ik per helikopter naar het ziekenhuis overgebracht en volgespoten met morfine. Goed spul, morfine. Leuke verpleegster ook, laten we haar Rana noemen. Nee, laten we dat niet doen.
Enna toonde zich sportief. Daarom hield ik van haar (of had ik dat al gezegd)? Ze was niet zo gelukkig dat Doctor Proctors speelse zij het fatale behandeling van Stig de masochistische sterrenkundestudent op straat was komen te liggen (Het Parool was thans doende de hele kwestie nog eens op te rakelen), maar bij een fles Sancerre kon ze er ook wel weer om lachen. Een heel klein beetje: zo'n minieme lachkrul om haar lippen. Ze had een morbide gevoel voor humor, Enna. Ook daarom hield ik van haar. Misschien werd het tijd wat meer op haar instinct af te gaan.

Note to self: Mikkel met rust laten.

27. Agonie




Het idee van het kielhalen begreep ik. Kennelijk moest de agonie die de Deense sterrenkundestudent- met-een-voorliefde-voor-bijna-dood-ervaringen S. destijds had doorgemaakt in mijn behandelkamer worden gewroken door zijn behandelaar nu eenzelfde soort agonie te laten doormaken. Helemaal parallel was het niet, de agonie van S. destijds en die van mij thans, op de Katalla. Ten eerste stief S. in eenzaamheid. Daar kon Dr. Proctor niets aan doen; het sterven was niet inbegrepen bij de behandeling. De eenzaamheid wel, maar alle eenzaamheid is relatief. Ik ging mij, op dit moment aangekomen in mijn leven, niet meer verdedigen voor acties zeven jaar geleden, ik probeerde ze niet eens meer te begrijpen. Het enige wat ik nu nog kon doen was mij zo goed mogelijk weren tegen de consequenties.
Kielhalen onder een woonboot door bleek makkelijker gedreigd dan gedaan. Het eerste obstakel bij de tenuitvoerlegging, waar we op stuitten, was hoe het touw dat Tom had gevonden, en waarmee het slachtoffer onder water moest worden getrokken, van de ene patrijspoort naar de tegenoverliggende te krijgen 'onderde kyel doir', om het in Middelnederlands uit te drukken. Het leek een bijna paradoxaal probleem: voordat een mens kon worden gekielhaald, moest het touw waaraan hij voort werd getrokken worden gekielhaald. Tim had de oplossing: hij zou een stootwil aan het eind van het touw binden, en die overboord gooien, waarop Tom over het touw heen zou moeten varen, waarna Tim het touw aan de andere kant weer uit het water zou kunnen vissen. Maar ging dit lukken voordat de Amsterdamse politie, die denkelijk doende was 'groot materieel' uit te laten rukken in de vorm van helikopters en politie te water, bij de Katalla was aangekomen?
Tim begon 'alvast' een stuk touw aan mijn enkel te binden. Ik verheugde me niet op mijn tocht onderlangs. Ik was weliswaar een meester in de agonie, maar toch vooral in het toebrengen ervan. Het ondergaan van de agonie was niet mijn fort.
Zoals altijd kwam het nieuws van de andere kant. Meer in het bijzonder van de kant van het Amsterdam Rijnkanaal. Met een enorme noodgang, leek het, of in elk geval meer dan twee knopen, spoot een vrachtschip, zo een met onduidelijke lading, de rand van het schip kwam nauwelijks boven het water, luid claxonnerend in onze richting.

26. We gingen.



Een langzame en pijnlijke dood, zo luidde de opdracht, die Tim en Tom van bureau Kill Your Darlings hadden gekregen, zoveel kwam ik nog wel te weten, maar over de te volgen procedure tastte ik voorlopig in het duister.
Waar gingen we naar toe? Of maakte dat niet uit?
Toen we een meter of dertig van de kade waren afgedreven – Tom had de motor van de woonark nog niet aangekregen, maar beloofde (vloekend) beterschap – zag ik eerst Enna en Bettina aan de wal naar ons wuiven, geen moment te vroeg, en daarna de Amsterdamse politie. Die was dit keer niet te fiets, maar met de motor, de auto, de bus, wat niet al, ze waren in grote getale komen opdagen, maar daar had ik 'dus' niet zo veel aan, of ze moesten ons tactisch opwachten op een brug die wij zouden passeren.
Schieten had geen zin – als schieten ooit zin had gehad.
Ik gebaarde nog HELP, naar zowel Enna, als Bettina als de Amsterdamse politie, maar ik geloof niet dat mijn gebaren werden verstaan.
Ondertussen dreven we, bijna gezellig, richting Binnen-IJ. Ik maakte me zorgen over de leidingen die ik aan de zijkant van de ark los in het water zag hangen: de riolering, waarschijnlijk, de waterleiding, en de gasleiding of zo.
Opeens schudde de motor aan, alsof de woonboot was wakkergeschud uit een diepe slaap, en in no time bromden we en gromden we over het Binnen-IJ. Het was leuk geweest als Enna, of de Amsterdamse politie, ons bij Hannekes Boom op stond te wachten, maar niemand stond ons op te wachten. Wel werden we aangegaapt door halfdronken hipsters met speciaalbiertjes, hun benen bungelend boven het water.
Het was ook een vreemd gezicht, je zou niet denken dat er beweging was te krijgen in dit gevaarte, dat er kennelijk een voor- en achterkant was, dat het, met andere woorden, een vaartuig was, een pleziervaartuig misschien zelfs. Goed, we gingen een knoop of twee (ik heb geen verstand van knopen, maar meer dan twee kunnen het niet geweest zijn), maar we gingen.
Op het IJ stond een windje, zag ik aan het water, en ik voelde het ook, toen Tim een patrijspoort opende, en zijn hoofd naar buiten stak. Toen hij weer naar binnen kwam zei hij: 'Now we will kielhaal you. You must be familiar with this typically Dutch form of torture?'

25. Het verlies

Asger Jorn

De anonieme dreigbrief kwam van de moeder. Zij zat hierachter. Misschien was de vader inmiddels overleden, of waren ze gescheiden; iets had de moeder doen besluiten om, vanuit Denemarken, alsnog wraak te nemen op Doctor Proctor, de beul uit Amsterdam, die er zeven jaar geleden veel te gemakkelijk vanaf was gekomen. Dat laatste klopte. Ik was vrijuit gegaan. Er was niet eens een zaak geweest. Afgezien van de opportunity costs, zat ik met mijn knagende geweten. Het was een akelig ongeluk, en een ongeluk met een drieëntwintigjarige, akelig of niet, is een tragedie. A.F.Th. van der Heijden had zeshonderdveertig pagina's nodig om zijn zoon te begraven, maar die lijdt, net als ik vrees ik, aan logorroe.
Ik zie de moeder nog staan op het vliegveld van Kopenhagen, in haar off white Chanel-jurkje. Geen tranen. Een koude blik. Ik heb haar gecondoleerd en heb de volgende vlucht terug genomen. Wat kon ik anders doen? Ieder detail, net als bij overspel, zou de zaak alleen nog maar verakeligen.
Ik kende geen moeders. Die van mij was er jong tussenuit gepiept. De moeder van Enna, een verschrompeld dametje, woonde in Osaka en sprak geen woord Engels. Enna was zelf ook geen moeder; ik zei al dat we vergeten waren om kinderen te krijgen. De waarheid was dat ik geen enkele behoefte had om van Enna een moeder te maken. Zij ook niet, gelukkig.
Destijds had ik er niet of in elk geval te weinig bij stil gestaan dat die jongen, laten we hem S. noemen, een moeder had. Hij was volwassen, had in volle tegenwoordigheid van geest zijn keuze gemaakt om zich door mij te laten behandelen. We hadden een contract, nota bene. Een contract, geheel en al doortimmerd door mijn advocaat...! Zoiets als het contract dat de moeder denkelijk had met het agentschap voor huurmoordenaars dat ze had ingeschakeld om mijn leven te ruïneren.
'Executions in this town are rarely this elaborate,' hinnikte ik nerveus, toen mijn gedoodverfde levensbeëindigers en ik van onze chai thee nipten. Het had mij aan de moed ontbroken om het kokende water tegen ze in te zetten; misschien maar goed ook, voor het geval ik de deur naar buiten niet op tijd zou hebben bereikt of niet had kunnen openen. 'Amsterdam assassinations go more like bam bam bam.'
'Bam bam bam?' vroeg Tom. De frons op zijn gezicht kreukelde nog wat dieper dan normaal.
'And quite often they shoot the wrong person.'
Tim gebaarde naar zijn handlanger dat het hoogste tijd was om af te meren.