Negentiende werkdag

Benieuwd of de elektrische deken die ik twee weken geleden inbracht bij de oud-bibliothecaresse haar kwaliteit van leven heeft opgeschroefd, zoals de bedoeling was, of toch de weg naar de hel heeft geplaveid, wat ook zomaar zou kunnen, en waaraan ik in gedachten al menig nachtmerriescenario heb gewijd. Als ik haar groet vraag ik of er recent nog iemand langs is geweest. Nee, zegt ze, verbaasd, hoezo? En hoe gaat het met de elektrische deken? Goed. Heel goed. Potje scrabbelen?
Typisch hoe het korte termijn geheugen van deze vrouw wordt gewist als krijt van een schoolbord, want even later komt de dienstdoende mantelzorger met de naam waar een hertachtige in is verwerkt terug van boodschappen doen, en zij weet te melden dat 'die deken van mij' naar de gallemiezen is. Iemand was zo schrander om hem onder in de stoel bij de kachel te plaatsen, waar hij vervolgens op de grond viel, tegen de kachel aan; tot overmaat van ramp (maar dit was eigenlijk een blessing in disguise) was 'mevrouw' de deur uitgegaan in haar verkeerde jas, waar dus geen huissleutel in zat. Welnu, het liep, zoals wel vaker gelukkig, af met een sisser. De deken belandde in de vuilnisbak, maar iemand heeft hem daar weer uitgevist. Tot zover de kwaliteit van leven.
HELDER legt de oud-bibliothecaresse, met de R op 3 x woordwaarde: 48 punten in totaal. Een mooi woord. Ze dreigt te gaan winnen, zoals vorige keer met dammen. Dan staat ze op, op zoek naar haar tabak, en laat ze een lange, reutelende ruft.
Ik kijk om me heen, naar het plafond, de muur, in geveinsde verbazing à la 'next week you'll hear doctor bob say'. Daar moet ze kort en hard om lachen.
'Stinken jouw scheten?' Ik tuur naar de letters op mijn balkje, waar ik tot dusver niet veel soeps uit heb weten te destilleren.
'Nee,' zegt ze, resoluut, haar shagje dichtlikkend. Voor zover ik kan nagaan heeft ze gelijk. Een van de voordelen van het vegetarisme.

Knippen met twintig scharen

Saro, onze knuffelkoerd, die zich sinds twee jaar Nederlander mag noemen, is een virtuoos visagist en haarkunstenaar, zoals op zijn Instagram-account te zien is, en in die laatste functie was hij gevraagd het gezin onder handen te nemen. De ooit door haar hartsvriendin gemaltraiteerde pony van de vierjarige werd gefatsoeneerd, en de achtjarige kon na zijn knipbeurt zo door naar Eton. Toen ik aan de beurt was, om mijn vogelnest te reduceren, gaf hij mij het Guinness Book of Records 2012 terug, dat ik hem kennelijk had uitgeleend. Zijn pogingen om de langste haar-extensie te creëren heeft hij opgegeven, maar nu stelt hij zich ten doel om het record knippen met de meeste scharen te breken. Dat staat op 16 scharen. Saro mikt op twintig. Om te laten zien dat het hem menens is, schuift hij alvast vier scharen over drie vingers en knipt in de lucht. Hij wil trouwens ook een YouTube celebrity worden. En hij is aardig op weg gezien de duizenden volgers die hij nu al heeft. 'De oprichter van Kentucky Fried Chicken begon ook klein, en hij was niet meer de jongste,' redeneert hij, in zijn, er is geen ander woord voor, charmante gebroken Nederlands. 'Toen Coca Cola op de markt kwam, wilde niemand het drinken, in het eerste jaar zijn er maar een twintig flessen verkocht of zo. En nu...' Hij wil maar zeggen. 'Alles is mogelijk,' voegt hij er nog, ten overvloede, aan toe. Ik knik. Als hij klaar is met me en de losse haartjes uit mijn oren stofzuigt, zegt hij: 'Iedereen zegt: je moet niet naast je schoenen lopen. Wat betekent dat eigenlijk?'

Kleine boom

'Nog even over de boom die jullie gaan kopen,' sprak lieftallige aan de ontbijttafel met gezag, als er iemand gezag heeft op dit vlak, dan zij, 'laten we dit jaar een –'
'K l e i n e   boom kopen!' gilde ik. 'Mijn idee!' Ik hamer al zolang ik kerstbomen koop op het belang van een kleine boom. Wie klein woont moet geen grote boom kopen. Die moet eigenlijk helemaal geen boom kopen, maar dat is onbespreekbaar, en bovendien, geen boom grenst aan kindermishandeling.
'Dat dacht ik ook. Een boom niet groter dan...'
'De vierjarige!' gilde ik nogmaals.
Lieftallige knikte. We waren het een keer eens over de grootte van de aan te schaffen boom. Dat mocht in de krant.
De vierjarige straalde. De achtjarige, die net zijn pannenkoek had weg gekauwd, verbleekte. Daarna trok hij een pruillip. Toen rolde, als kaarsvet in een overlopende kaars, een traan uit zijn ooghoek. Ik streelde hem zacht met de rug van mijn vingers over zijn wang, en bedacht hoe prachtig hij kon huilen.
'Maar...' protesteerde hij, 'dan kunnen de ballen er niet in!'
'Welke ballen?'
'Die mooie ballen!'
'Jawel,' suste lieftallige, 'die passen er prima in. Wacht maar.'
Die middag togen de achtjarige, de vierjarige en ikzelf door de natte sneeuw naar de hoek van de straat, om daar bij de bloemist, die voor de gelegenheid zijn baard had laten staan, een boom aan te schaffen. Hij had alleen maar bomen ter grootte van de achtjarige (of, als je de piek meerekende, van de vijftigjarige), dus die namen we, tot groot genoegen van de achtjarige. In deze boom, wist hij, zouden al zijn ballen een plaats krijgen.
'Timmer er maar een kruis onder,' zei ik tegen de zoon van de bloemist, die de helpende hand bood. Eerst boorde hij een gat in de versgezaagde stam, daarna zette hij er een houten X tegenaan, waarin al een ongeveer tien centimeter lange spijker zat, – hetgeen me nogal lang toescheen, maar ik heb er geen verstand van. Tenstlotte begon hij met een vierkante moker keihard op die lange spijker te beuken. Niet vier keer, maar veertig keer.
'Au,' zei ik voor de boom, met plaatsvervangende pijn.
Mijn achtjarige keek naar me op. Hij begreep me.

Enough about bitcoin, let's talk about bitcoin

'Laat mij maar betalen,' zei Nieuwe Vriend P. vannacht in het biercafé. 'In de tijd dat wij hier hebben gezeten zijn mijn bitcoins zevenhonderd euro meer waard geworden.' Hij keek op zijn iPhone. 'Achthonderd.'*
Ik liet hem betalen en voelde me opnieuw, of nog steeds, een greater fool. Hoe langer ik wachtte mijn zuurverdiende eurootjes om te zetten in bitcoins, hoe minder profijt ik zou trekken van de bitcoinbubbel, tenzij dit nog maar het begin is, en de koers, die nu rond de 15.000 ligt, exponentieel richting de 100.000 gaat – iets waarvan Nieuwe Vriend P. overtuigd is. 'Mijn broer zegt dat als dit zo doorgaat hij binnenkort met pensioen kan.'
'En dan? Wat gaat ie dan doen? Het probleem is dat er straks geen werk meer is. Voor niemand niet, nergens, nooit meer.' Ik nam een slok van mijn Brugse Zot.
Nieuwe Vriend P. had zijn eerste bitcoin-bijeenkomst in de Oosterkerk bijgewoond en sprak met nog meer vuur over zijn speeltje dan voorheen. Toen ik het woord 'pyramide-spel' liet vallen, reageerde hij als door een wesp gestoken. 'Alleen mensen die er niets van begrijpen denken dat het een pyramide-spel is.' Bij het woord 'bubbel' zei hij: 'Is het een bubbel? Huizen zijn een bubbel. Facebook is een bubbel. De vraag is dus eigenlijk: wat is géén bubbel?' En: 'We zitten midden in een revolutie. Bitcoin gaat de wereld overnemen. Het minen kost nu al meer energie dan heel Nieuw Zeeland verbruikt, maar over de impact die dat heeft op het milieu hoor je niemand... Trouwens, jouw gymnasiast heeft toch IOTA's gekocht? Die zijn met 400 % gestegen.'
'Ja, maar daarna, althans volgens mijn gymnasiast, heeft er een correctie plaatsgevonden.'
Die hele handel in bitcoins, IOTA's en andere cryptomunten begint op gokverslaving te lijken, en de community eromheen op een sekte. NVP was het niet helemaal met me oneens. 'Een vent in Griekenland die veel voor bitcoin heeft gedaan, schreef een verhaal op Reddit dat hij zo goed als blut was en dat hij zo dom was geweest niets in bitcoin te investeren. Toen een stel bitcoiners dit lazen hebben ze meteen een miljoen op zijn rekening gestort. Cool, toch?'
Bitcoiners willen van ouderwets geld af, ze willen van banken af, en, als ze toch bezig zijn, willen ze van overheden af. 'Anarchie!' riep NVP goedkeurend uit, nippend van zijn Charbon.
Ik had nog wel een puntje, zoals ik over alles wel een puntje heb, en mijn puntje hield uiteraard verband met het feit dat ik 0 bitcoins in mijn wallet heb zitten – ook al geef ik, zoals ik zelf graag volhoud, niks om geld. 'Is het niet pervers dat bitcoiners niet uitgepraat raken over de waardestijging van hun speeltje uitgedrukt in een munt die ze zeggen overbodig te willen maken?'
NVP knikte. Hij had alle argumenten al een keer gehoord. Mijn informatie was hopeloos verouderd. Ik speelde een achterhoedegevecht. 'Hard core bitcoiners en whales zijn er niet op uit om te cashen. Dat is veel te makkelijk... Lui als Bill Gates en Jeff Bezos zitten er mega in... De gebroeders Winklevoss, die claimen dat Mark Zuckerberg er met hun idee vandoor is gegaan, kunnen binnenkort Facebook terugkopen... Virtueel dan, hè?'
'Ja, behalve als de boel morgen, of vannacht nog, crasht omdat iemand de stekker eruit trekt.'
'Je kunt de stekker er niet uittrekken, want alles is gedecentraliseerd!'
We probeerden het over iets anders te hebben, maar het lukte niet.

*Een dag later is er van zijn 700/800 euro winst weinig meer over. Het lijkt nu meer op 2500 verlies. Virtueel dan hè?


De beschaving van een vierjarige

Vanochtend, bij het aankleden, houdt de vierjarige – vier jaar plus drie maanden oude, om precies te zijn – ineens haar handjes voor haar kruisje. 'Mag je niet zien, mijn poesje,' verklaart ze plechtig. 'Dat is mijn vagina.'
'Vulva zal je bedoelen,' zeg ik, in het midden van mijn ochtendgymnastiek.
'Vagina. Heb ik geleerd van Eva.'
Dit was nieuw voor mij. Dit gedrag bedoel ik, bij haar. Ze had het al eerder over haar vagina gehad, dankzij haar vriendin Eva, wier moeder ik verdenk van anatomisch correct-spreken (hoewel incorrect, want niet vagina maar vulva; de vagina blijft vooralsnog bij de meeste meisjes en vrouwen onzichtbaar, tenzij ze hun lippen uit elkaar houden).
Ik maak een mentale notitie: het begin van de beschaving. Van de schaamte. Van de cultuur. Beschaving en cultuur beginnen met het onderscheid maken tussen publiek en privé. Daarom hebben dieren geen cultuur. (Dieren kennen wel schaamte; schaamte, lieve lezers, is dus een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde voor beschaving).
De kortste definitie die ik ken van beschaving, ik geloof van socioloog Norbert Elias, luidt: het ophouden van de eigen behoefte. Het bedekken van de edele delen zal daarmee wellicht verband houden. Ik hecht ook wel aan tafelmanieren, trouwens.
Ik herinner me nu dat ik zelf ook met mijn handjes voor mijn kruis stond, in de gang van het huis waar ik ben geboren, voor mijn moeder (en ik geloof mijn zuster), die daar toen wel een beetje om moesten giechelen. Maar ik was toen volgens mij twee keer zo oud als mijn dochter nu. Betekent dat dat we beschaafder zijn geworden?

Tante piano in memoriam



Ik rouw om tante piano. Volgens mijn berekeningen de eerste Frölke in ruim twintig jaar die het loodje legt, de jongste zus van mijn vader: Marijke. Toen ze twee of drie jaar geleden een kamer in het Rosa Spierhuis kreeg, na tien jaar een prachtig maar onherbergzaam huis in de Hérault te hebben bewoond, nam ik me voor om haar op te gaan zoeken*. Niet alleen uit nieuwsgierigheid, omdat ik nog nooit in dat fameuze tehuis was geweest, maar ook omdat ik 'iets' met haar had. Ze was pianiste, om te beginnen (ik speel ook, een beetje; haar moeder en tante pianeerden trouwens eveneens, meer dan een beetje). Marijke liet me kennis maken (en de rest van de familie, vermoed ik) met Ivo Pogorelich, de jonge god die met Chopin aan de haal ging in de jaren tachtig. Dat maakte indruk. Maar zelf heb ik haar 'dus' nooit horen spelen. Er moeten musici zijn die niet gehoord willen worden, maar misschien hield ze de klep selectief dicht, hoewel mij überhaupt geen uitvoeringen van haar bekend zijn. Ieder mens is fundamenteel onkenbaar, maar volgens mij kampte ze met faalangst of overmatige zelfkritiek, hetgeen misschien op hetzelfde neerkomt. Ze zeilde over de Egeïsche zee. Had een veel jongere vriend. Woonde jarenlang in een jaloersmakend pakhuis in de Jordaan, gevuld met vleugels, waar ze les gaf. Maar er was meer. Op onze Franse bruiloft hield ze zich als een van de enigen aan de dress code (hoedje), en overnachtte in de kasteeltuin in een tentje met de banier Vive les mariés, hoewel ze, als gescheiden, alleenstaande vrouw, waarschijnlijk een broertje dood had aan dat instituut. Ze lachte niet vaak, maar als ze lachte, schaterde ze. Ze had lak aan, nou ja, veel. Ze was vrij, vermoed ik.

* Dat lukte uiteindelijk ook, maar toen lag ze te slapen.

Printer à €10

'Ik zie op Facebook een printer voorbijkomen voor €10,' zei lieftallige vanachter haar laptop. 'Doen?'
'Ja, doe maar,' had ik geantwoord, gedachteloos. Het was waar, we hadden een printer nodig, omdat de vorige printer een kadaverlucht verspreidde. Aanvankelijk had ik gedacht, niet voor het eerst trouwens, dat het tijdperk van het Paperless Office eindelijk was aangebroken, maar niet dus. Trouwens, een schrijver die verlangt naar het paperless tijdperk kan beter meteen in een kist gaan liggen.
'Je kunt hem nu ophalen op de Keizersgracht,' zei ze, een paar dagen later.
Ik sprong in mijn volvo, en bedacht onderweg dat het grensde aan waanzin om een printer te kopen à €10, en tevens, om er eentje à €10 te willen v e r k o p e n  – vooral als je woonachtig bent aan de Keizersgracht, trouwens.
Toen ik aanbelde kwam een kleine vrouw naar beneden met het apparaat. Een steenpuist van een ding. 'Doet hij het?' vroeg ik, omdat ik niets beters wist te vragen.
'Nee,' antwoordde de vrouw, ironisch kennelijk, maar ik kon er niet om lachen. Om er, niet geheel samenhangend, aan toe te voegen: 'Alleen de snoertjes zijn al €2,50 waard.' Ik denk dat zij ook niet wist wat te zeggen. Tijdens de overdracht van een printer à €10 is communicatie van ondergeschikt belang.
Thuisgekomen downloadde ik de laatste driver-software, sloot het ding aan, en... paper jam. Maar er zat geen papier in, ook niet vast, en volgens mij hield zich ook niet een klein knaagdier, of zijn stoffelijk overschot, verborgen in de machinerie.
'Zeg maar tegen die vrouw dat ie het niet doet,' zei ik tegen lieftallige, die de boodschap overbriefde. Retour kwam de mededeling dat de printer het bij haar wel deed, en dat ze hem heus wel weer terugnam, als ik hem langsbracht. 'Neem dan wel de goede mee,' grapte ze nog.
Tot twee keer toe meldde ik me, in de regen, op de Keizersgracht, tot twee keer toe gaf de verkoopster niet thuis. Uiteindelijk duwde ik snoertjes en manual en opstartschijf door de bus, en plaatste de printer pontificaal tegen haar voordeur, met een briefje erbij: 'Hier, je printer terug. €10,-!'
Hoofdschuddend over mijn eigen idiotie, en mijn nog te aardige boodschap op het briefje, aanvaardde ik, printerloos en €10 armer, de terugtocht.

Pistoolschot in de buik

Na vele hele en halve pogingen om Loving Vincent te gaan zien met mijn achtjarige, zitten we dan eindelijk in de bioscoop, op de tweede rij, als niet lang na de openingsbeelden ('Mooi geschilderd!') het woord zelfmoord valt. Ik had het me eigenlijk nog niet afgevraagd, maar zou dit de eerste keer zijn dat hij ervan hoort? Ik was enigszins voorbijgegaan aan dit biografische feit, zo onder de indruk als we waren geweest van de al die bewegende Van Gogh-achtige schilderijen. Dat andere biografische feit – schilder snijdt zijn oor af en geeft het aan zijn favoriete prostituée – is wellicht ook wat rauw, maar het is ook te bizar om lang bij stil te staan. Dat iemand, zo'n groot kunstenaar!, zichzelf in de buik schiet met een pistool, ja… daar heeft de achtjarige nog wel een vraag over. Hardop, in de bioscoopzaal. W a a r o m  doet hij dat, pappa? Ik mompel wat terug over ziekte en gekte. Later wordt in de film een variant op de vraag op forensisch-plastische wijze gesteld: als Van Gogh zichzelf wilde doden, waarom stak hij de loop van zijn pistool dan niet in de mond – de 'beproefde methode' –, om door het dak van het verhemelte zijn bewustzijn uit te schakelen? Het antwoord op die vraag: omdat hij het eigenlijk niet wilde, ligt zo voor de hand, zelfs voor een achtjarige, dat de filmmakers het vergeten te geven.

Achttiende werkdag

Er waren twee noviteiten gisteren bij de oud-bibliothecaresse in de Jordaan, en ik heb zelf gezorgd voor een derde. De vrouw met de krullen en de wonderlijke voornaam (waarin een hertachtige zat verwerkt; wie hem raadt maakt kans op een netje mandarijnen*), die deel uitmaakte van het nieuwe zorgteam, was de eerste noviteit. De tweede, dat zij met de oud-bibliothecaresse zat te dammen. 'Ik ga weer,' zei ik, maar de vrouw met de krullen zei dat haar dienst erop zat, en dat ik haar dampartij mocht overnemen. Zij – en daarmee ik, stond op verlies. 'Wil je van plek ruilen?' vroeg de oud-bibliothecaresse. Zo zeker was ze van haar winst. Toen ik dacht een goede zet te hebben gedaan, met meervoudige slagen, waardoor ik voorkwam dat ze een dam haalde, stond ze op en ging bij de kachel staan. Ik wist dat ze een koukleum was, en had deze wetenschap ook al gecombineerd met de dalende temperaturen, dus ik zei, out of the blue: 'Wil je een elektrische deken?' 'Een elektrische deken? Ja, die wil ik wel.' Ik belde de mentor, en die gaf me haar fiat, maar ze belde even later, toen ik al voor een vitrine met elektrische dekens in de Kijkshop stond, terug. 'Is het wel zo'n goed idee, gezien haar bedplassen? We willen niet dat ze geëlektrocuteerd wordt.' 'Nee,' zei ik. Ik googlede incontinentie en elektrische deken en zag dat het goed was. Vanmiddag even bellen om te vragen hoe het is bevallen, of ze hem überhaupt aan de praat heeft gekregen. Misschien heb ik haar onbewust nog een reden gegeven om in bed te blijven liggen.

 *Melande gokt Eelco. Hij is warm. Eelco's tweede gok: Elande. Nog warmer.

Tijl Uylenspiegel

Ik chauffeer mijn blinde buurman naar het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis, waar hij voor de laatste keer bloed zal prikken. Het hoeft niet meer, omdat zijn behandeling voor longkanker erop zit. Hij is 'genezen' verklaard. Hij rookt ook weer – of eigenlijk, nog steeds. (Maar wel minder. Of althans, dat probeert hij.) Hij heeft ontzettende mazzel gehad dat de nivolumab bij hem wel aansloeg (en bijvoorbeeld bij Eberhard en Cruyff niet). Met zijn blindheid (veroorzaakt door een zeldzame ziekte) had hij weer wat minder mazzel.
We staan voor de receptie van de bloedafname en hij meldt trots dat hij voor het laatst bloed komt prikken.
'O, maar dat is prachtig nieuws,' zegt de receptioniste.
'Ja, ik ben net Tijl Uylenspiegel die op het koord danst,' kraait hij, waarop hij in een hoestbui uitbarst. Als die voorbij is, mompelt hij: 'Dat hoesten is niet zo mooi, maar goed.'
Ik gids hem naar bloedaftapbalie 6, hoewel dat niet nodig is, hij weet waar hij moet zijn, hij is er eerder geweest. Een besproette jonge vrouw van wie de kapotte spijkerbroekknieën onder haar witte jas uitpiepen, tapt vijf, zes buisjes bloed af. Het kleurt donkerbruin. Ik had het roder verwacht. 'Alle bloed heeft precies dezelfde kleur,' zegt de verpleegster.
Ieder mens is uniek, iedere tumor ook, lees ik als we weer naar buiten stiefelen op de muur in de gang van het ziekenhuis. Een weinig hoopgevende slogan. Er had ook bij mogen staan wat mij betreft, dat de oorlog tegen kanker soms op verrassende wijze wordt gewonnen.