Bericht van de cramping (5): familiale gastro-enteritis.

Cramperen is leren onaangenaamheden te negeren, schreef ik eerder, maar dat wordt een opgave zodra het hele gezin kotsend en spuitkakkend het tenthuisje uitvliegt, zoals dit weekend het geval was. Het begon met een comfortabel etentje op het strand. Het eindigde met een rampnacht, eindeloze tochten naar de washokken en een dieet van droog brood en thee. 'Moet ik het restaurant bellen?' vroeg ik de volgende dag aan lieftallige. Zij vond van wel. Ik kreeg de manager aan de lijn. 'Wij hebben fish & chips bij u gegeten. Ik vrees dat we daar allemaal ziek van zijn geworden.' Hij nam het sportief op, ging het uitzoeken, zou me terugbellen. Maar inmiddels is mijn hypothese over de oorzaak van de familiale gastro-enteritis een andere, aangezien de buren, ook met crêche-gaande kinderen, eveneens bleken te zijn getroffen. Een norovirus-uitbraakje dus, daar lijkt het nog het meest op. Het seizoen is weer begonnen.

Hoarder

Een belangrijk verschil tussen de onderkant en de bovenkant van de samenleving is dat het drama aan de onderkant beter zichtbaar is. In een scharrige straat in Oud Zuid staat een klein roestig autootje tot de rand toe gevuld met spullen. Alleen de passagiersstoel is nog vrij; daar zit de automobilist, een vermoeid ogende man van middelbare leeftijd die bezig is enkele boodschappen, zoals boterhamvlees en goedkope koeken, vanaf de berg troep naast hem uit de auto op straat neer te leggen. Een hoarder, denk ik eerst. Daarna denk ik: die is recentelijk, of niet zo recentelijk, uit zijn huis gezet. Als dat zo is, moet hij misschien nog steeds als een hoarder worden aangemerkt.
'Gaat het?' vraagt de man, als hij ziet hoe ik mij met mijn dwerggazelle langs zijn autootje probeer te manoeuvreren.
'Dat kan ik beter aan u vragen.'
Stilte. 'Moeilijk, het gaat moeilijk...'
Ik sta nu voor het dilemma verder te vragen, of door te gaan met mijn ronde. Als ik verder vraag, gaat dit mij enige tijd kosten, mogelijk een kwartier, afhankelijk van zijn verhaal, wellicht zelfs een half uur, en het is niet dat ik me niet voor zijn verhaal interesseer, ik interesseer me juist wel voor zijn verhaal, maar het komt me niet uit, mijn hoofd staat er niet naar, of ik ben gewoon lui, en dus ik laat hem achter.

Verrassing

Grote dag vandaag en niet alleen voor mij, want ik heb het nieuws van mijn dagboek gebroken aan de depothouder, die er een niet geringe rol in speelt. Hij reageerde voor zijn doen enthousiast. 'Wat een verrassing,' zei hij, met een brede glimlach, toen ik hem het omslag van mijn boek liet zien. En dat was het ook wel. Voor hem. Op de hoogte worden gesteld over de publicatie van een boek van een collega die daar drie jaar over heeft gezwegen is toch zoiets als uit de jungle komen en horen dat de oorlog al een tijdje voorbij is. Prompt kwamen twee andere hoofdrolspelers uit mijn boek het depot binnengezeild: Hotpants, en de oud-depothouder, die ik in het boek Govert heb gedoopt. Hotpants deed zijn naam eer aan. Ze waren van flink gerafelde spijkerstof dit keer. Verder droeg hij een afgeknipt topje, dat zijn gebronzeerde sixpack met tattoeage en navelpiercing vrij liet.
HP en Govert heb ik nog maar even niet op de hoogte gesteld van de aanstaande publicatie. Dat zou wat veel van het goede zijn, maar binnenkort moet het toch wel gebeuren. Ik wil dat ze het van mij horen en niet van iemand anders. I want to face the music and dance.

Verlangen

Tenminste één iemand kan niet wachten dat ik volgende week weer aan het werk ga – als er volgende week tenminste nog zoiets als papieren post bestaat, maar daar ga ik gemakshalve maar even van uit, PostNL ook trouwens, want die heeft me ingeroosterd – en die iemand is Xaviera Hollander. Ze bestookt me al dagen met emails waar ik toch uithang, dat     die  v e r d o m d e  vakantie toch zo langzamerhand eens afgelopen moet zijn ("kinderen moeten toch naar school, of niet soms?!" in kapitalen) en  z o  leuk kan het toch niet zijn op de cramping... Welnu, ik kan zelf ook niet wachten. Een mens is toch het meest in zijn element als hij zich op enigerlei wijze nuttig kan maken. Ledigheid is ook niet alles.

Hoedje

De geplande, lang verlangde vakantie in eigen stad – een paar uur kinderloos in de Jordaan – ging moeizaam van start, niet alleen omdat we in een Mexican standoff raakten over het definitieve vertrek ('Ga jij maar eerst.' 'Nee, jij.' 'Ik moet nog wat doen.' 'Ik ook.' Enzovoorts tot in de eeuwigheid amen), maar ook omdat mijn fiets lek bleek, en toen ik, toch wel schoorvoetend, op mijn dwerggazelle sprong, voorzien van verkleurde, met elastieken gevulde PostNL fietstassen, de achterband daarvan het eveneens begaf, maar het kwam allemaal goed in de Jordaan, want de Jordaan maakt alles goed. Lieftallige leek zich zelfs te hebben verzoend met mijn hoedje, dat ik op had om mijn Verschrikkelijke Kapsel te verbergen. Wie een hoedje draagt, en niet kaal is, stelt zich enigermate aan, maar, zoals lieftallige opmerkte, nadat ze me van alle kanten had gefotografeerd op het zonovergoten terrasje van 't Smalle: het is weer eens wat anders, en dat is ook iets waard.

Duurkoop = duurkoop

Toen ik eindelijk tijd had gevonden om mijn vogelnest grondig te laten verwijderen bij de dure kapper – bij de goedkope kapper zaten drie mensen op het wachtbankje; bij de dure was het leeg en gingen de kapsters met een plumeau de lampenkappen te lijf – wilde lieftallige me eerst niet aankijken. (Ze is nogal visueel ingesteld.) Daarna zei ze: 'Wat ben je weer keurig... Ik vind je wild leuker... En wat ben je  g r i j s !' Dat laatste was mij ook opgevallen, nooit geweten dat je grijzer kon worden van een knipbeurt, maar met deze kwalificatie kon ik leven. 's Avonds echter luidde haar oordeel: 'Ik weet niet of ik zo wel met je naar bed wil. Misschien met mijn ogen dicht.' Vanochtend was ze nog niet klaar met mijn nieuwe haar. 'Vreselijk. Je bent nog nooit zo slecht geknipt. Ga volgende keer maar weer naar die goedkope kapper.'

Collega

'Kijk pappa, een collega!' riep mijn zevenjarige geestdriftig, wijzend op, inderdaad, een collega op het trottoir, die zijn routine even onderbrak om mij welwillend toe te knikken; meewarig misschien toch ook wel. Ik knikte terug. De collega was mij al eerder opgevallen, in het park: een vermoeide man van middelbare leeftijd. Wat deed hij in het park? De enige reden die ik kon bedenken was dat hij van het park hield, maar zo bewoog hij zich niet voort. Hij duwde zijn postboy zoals een dakloze een boodschappenwagentje met junk. Hij hield zijn armen gestrekt, zijn blik op de grond gericht. Veel plezier leek hij aan deze gratis walk in the park niet te beleven, maar een shortcut kon het vanwege de kronkelende weg ook niet zijn. Ik wilde hem aanspreken, deze collega, maar wat had ik tegen hem moeten zeggen? 'Hallo, ik heb vakantie?' Dat klonk tamelijk debiel. Dus ik zweeg en liep verder. Nog net zag ik hoe hij bijna werd aangereden door een haastig Deliveroo-wichtje.

Bericht van de cramping (4): Privacy

Het is niet zozeer dat je midden in de nacht een vrouw hoort kreunen en je afvraagt: 'Wat is dat voor vogel?' En ook niet dat je burenruzies, echtelijke ruzies en vakantieruzies van je achter-achterburen zodanig meebeleeft (en vice versa) dat je de campingpolitie in wilt schakelen. Het is meer dat je zit te ontbijten, lunchen of dineren – buiten, natuurlijk, of, in ons geval achter de vele vensters van je tenthuisje – en dat je nolens volens je buren op tien, twaalf en twee uur bespiedt, en dat je zeker weet dat zij ook jou in de gaten houden. 'Ze eten Cornflakes vandaag. Gister aten ze nog pannenkoeken.' Of: 'Gaan ze op pad? Waarheen dan? Toch niet naar het strand? Nu al?' En: 'Ah, ze hebben bezoek. Leuke mensen, wel. Maar ik groet ze niet hoor, op weg naar de afwas. Kun je aan de gang blijven.' Of: 'Die heeft een wijntje teveel op, dat zie je. Wat stelt die zich aan zeg. Zo leuk is het echt allemaal niet.' Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen. Cramperen is zien en gezien worden, maar dan anders.

Bericht van de cramping (3): De drol

Toen ik mijn gymnasiast, met wie ik naar de cramping was gefietst, helemaal vanuit de Grote Stad A., vertelde dat er een drol in de douche lag, zei hij: 'Wat had je anders verwacht, dit is toch een camping?' Zeker, een deel van de beschaving wordt thuisgelaten wanneer men gaat cramperen, en zulks lijkt ook het doel van de hele exercitie, maar ik kan me niet herinneren ooit eerder een drol in de douche te hebben aangetroffen, op deze of welke camping dan ook. Ik kan me wel herinneren eens een Vieze Substantie te hebben gevonden in het doucheputje, een substantie zo vies dat ik niet eens wilde beginnen aan het determineren ervan, maar een versgedraaide drol? Was dit een grap of een noodgeval? Als het een noodgeval was, dan getuigde het van minimale beschaving, thuis of waar dan ook, dat de noodpoeper niet even de moeite had genomen om zijn noodpoep op te ruimen. Als het een grap was, dan was het zeker een praktische grap, maar was het een g o e d e  praktische grap? Daarvoor is kennis benodigd van de voorgeschiedenis, en van de dader en het beoogde slachtoffer, en die had ik niet. Ik wilde alleen maar douchen. Uiteindelijk heb ik een lege luier uit de prullenbak gevist, heb die over de drol gedrapeerd en ben toen met mijn rug gekeerd naar de drol onder de douche gaan staan. Cramperen is leren onaangenaamheden te negeren.

Bericht van de cramping (2): gewoon gezellig

Ik sta af te wassen – voor mijn gevoel sta ik de hele dag af te wassen, maar ik sta slechts de halve dag af te wassen; echter ik klaag niet want ik hou van het anonieme, eindige geklets onder de afwassende vaders –; achter mij weet ik dat mijn bijna-driejarige de glijbaan niet afkan omdat een hangjongere op de glijbaan ligt, met zijn ogen dicht, terwijl hij een wat lijkt op een drukpuntmassage ondergaat van een tweede hangjongere.
'Zeg, zouden jullie dat even ergens anders willen gaan doen,' probeer ik, over mijn schouder richting hangjeugd, 'dat meisje daarboven probeert naar beneden te glijden.'
Er gebeurt niets.
Dan bemoeit een roodharige moeder zich ermee. 'Hé, rot op, joh! Die meneer vroeg je wat! Dan luister je toch zeker?'
'Dat hoeft nu ook weer niet,' mompel ik tegen mijn sopje. Ik wil niet dat dit uit de hand loopt.
De jongen opent zijn ogen, komt overeind, maar hangt nog steeds dusdanig tegen de glijbaan dat mijn bijna-driejarige er niet langskan.
Nu bemoeit de afwassende vader naast mij – sportschooltype, maak daarvan type eigenaar kickboksschool – zich er mee. Hij gaat voor de hangjongere staan, hun neuzen raken elkaar zowat. De hangjongere geeft geen krimp. Moet ik nog zeggen dat de hangjongere bruin is en het sportschooltype wit? Is dat relevant? Ik heb het al gedaan. De afwasvader brult: 'Wat is dat nou toch hè? Doe effe gewoon gezellig!' Dan verwijdert de hangjongere zich eindelijk voldoende zodat mijn bijna-driejarige de zwaartekracht zijn werk kan laten doen. Ik ben klaar met afwassen. Het afdrogen kan beginnen.