Haarlem = Parijs

Vanochtend, toen ik mijn ochtendwandeling maakte over de natgespoten kasseien rondom de Bavo Kerk in het poppenstadje Haarlem, en de terrassen met de koffiedrinkende klasse passeerde, dacht ik aan Parijs. Niet zozeer vanwege de zonnige omstandigheden, natte kasseien en voorgenoemde terrassen maar omdat ik alleen was, en ogenschijnlijk op zakenreis, en ik op zakenreis in Parijs ook nooit iemand spreek. Het maakt niet zo gek veel uit waar je bent als schrijvende eenling. Je komt om te schrijven, en niet om te spreken, dus dat treft. Lezen, wandelen – zulks is heilzaam  –, maar dat is het wel zo'n beetje. Daarom geloof ik ook niet in kostbare schrijfvakanties onder leiding van Arthur Japin en andere inspirerende literaire grootheden. Daar wordt heel wat afgeluld, en dat is heerlijk en goed, vooral voor de organisatie, maar schrijven is een eenzaam beroep. Dat moet het ook zijn. If you can't stand the silence start a restaurant.

Dead rat paparazzo

Saturday night we are welcomed at our house by a dead rat. It is lying in the middle of the road, on its side, as if lounging, its tail spectacularly long. 'Don't park here,' my wife says. 'I don't want to see it.' I park a little further down the street. Meanwhile, a man with an explosion of grey hair is getting out of his car, leaving the door open and lights on, walks toward the dead rat and starts taking pictures. As my wife tries to unsee the dead rat, to think it away, on her way to our front door, I cannot resist saying to the dead rat paparazzo: 'Thanks for taking it off the street, sir.' His reply: 'It's a dead rat!' 'Yep. Thanks for cleaning it up.' Later I feel obliged to clean it up myself, so I take a spade and go back into the night. The dead rat paparazzo is gone. The dead rat is not – its body lifeless but beautifully intact. I scoop it up carefully, still somehow expecting it to wake up and run off, and shove it in the dumpster. A proper rat burial, I suppose.

Geen bal/ In bad.

Aanvang 2016 stuurde ik mijn uitgever een smeekbede verpakt in een koele email, behelzende dat ik met graagte mijn kaartje voor het Boekenbal opgaf, als ik in 2017 lieftallige zou mogen meetronen, onder het motto dansen met jezelf is lekker, maar samen delicieus. Mijn uitgever antwoordde vriendelijk dat hij niets kon beloven, maar dat hij zijn best voor me zou doen. Wat bleek, er was überhaupt in 2016 geen kaartje voor me. Vorige week kreeg ik bericht dat er 1 balkaartje voor me klaar lag. Nu had ik wel bargaining power. Ik ben op mijn hoofd gaan staan – op een gegeven moment hoorde ik mezelf aanbieden voor het auteursdiner op de uitgeverij voorafgaand aan het bal iets klaar te maken; het antwoord luidde reuze lief aangeboden, maar er komen 100 mensen – edoch: geen tweede kaartje. Toen zijn we maar in bad gegaan. Ik vermoed dat wij meer sterren zagen.

Dynamisch debat

Na afloop van Fortress Europe, de opera die mijn gesprekspartner sinds 1983 had gekozen als uitje voor mijn vijftigste verjaardag, vond een dynamisch debat plaats. We werden door een vlotte presentator met oorbellen en een vage hanekam uitgenodigd iets te beweren over Europa en de vluchtelingencrisis. Wie het eens was met wat er gezegd werd ging bij de spreker staan, wie het juist niet eens was, liep bij de spreker weg. Maar je mocht ook van mening veranderen, op en neer lopen of op je hoofd gaan staan. Doel was, denk ik, om de boel een beetje in beweging te krijgen. Ik vond het een origineel concept, en het ging ook goed, dat wil zeggen iedereen hield zich aan de regels en er werd zowaar af en toe boompje verwisseld tussen de optimisten en de pessimisten (hoewel minder dan je zou verwachten), en het is een interessante ervaring om weg te lopen van een vriend om wat hij beweert, en vervolgens weer bij hem terug te keren, maar er was alleen een probleem: de anderen waren er niet. Dat wil zeggen, er waren geen vluchtelingen. En ook geen Europahaters, islamo- of xenofoben. Dan mag het debat noch zo dynamisch zijn, het blijft een zinledig ritueel.

Nutteloze mannen

Ik zie een enorm koffietafelboek voor me, van Taschen bijvoorbeeld (met bijbehorend opzettafeltje), getiteld Nutteloze mannen. Prachtige spreads van nutteloze mannen, met een korte toelichting van hun nutteloosheid. Misschien achterin nog wat info, waarin de vraag wordt beantwoord of en zo ja wanneer de nutteloze man in kwestie nog enig nut leek te hebben, maar de meeste nutteloze mannen weten niet beter. Verder vooral veel aandacht voor hun schitterende lijven (met geurpagina's), hun wonderlijke kleren, hun baardjes, hun make up (welke nutteloze man draagt heden ten dage geen make up?), en dan uiteraard goed in beeld brengen de gereedschappen waarmee de nutteloze man in het huidige tijdperk zijn nutteloosheid vormgeeft. Mannen kunnen niet zonder gereedschap, dat zit in hun genen. Vroeger richtten zij daar nog wel eens iets mee uit, dat nuttig zou kunnen worden genoemd, maar die tijd ligt ver achter ons. Nu zijn hun gereedschappen ultieme speeltjes geworden – net zoals zijzelf.

Voorlezen



Een van de grote voordelen van optreden in het Bruggehuisje is dat bij een opkomst van nul procent de zaal toch nog voor pakweg 10 procent gevuld is. Maar de opkomst gisteravond was geen nul procent maar pakweg 50 procent. Hier en daar zag je nog wat lege plekken, ook op het balkon, maar daar staat tegenover dat er publiek op de grond zat (nl. managing director van het Bruggehuisje, Mark van Duijn). En er was quiche, Armeense walnoten-carameltaart en rosé.
Het Bruggehuisje wil een verteltheater zijn maar ik ben geen verteller, verontschuldigde ik me al bij binnenkomst; ik kwam een verhaal voorlezen. Het voorlezen van een verhaal is economischer, en minder economisch, dan het vertellen van een verhaal. De pauzes tussen de woorden en zinnen zijn korter, maar daar staat tegenover dat een schrijver wellicht meer woorden en zinnen nodig heeft om hetzelfde te zeggen.
'Het deed me denken aan Remco Campert,' zei een blinde luisteraar na afloop. Zulks beschouw ik als een compliment, vooral van een blinde.

Foto bereikte mij vandaag courtesy of Xaviera Hollander, die een Russische spion in de zaal bleek te hebben zitten.

Derde vraaggesprek

Man 1: Waarom draagt u een hoed?
Man 2: Ik wilde al lang een hoed geloof ik, maar ik wist niet waar ik er een kon kopen/ik was te lui om dat uit te zoeken. Toen stuitte ik bij toeval in een dumpshop op een hoed van €10, die eigenlijk ook iets te klein was, maar dat weerhield dit hoofddeksel er dus niet van om van de Oosterdokskade het water in te waaien.
Man 1: Waarom draagt u een hoed?
Man 2: Daarna heb ik voor mijn gevoel lang zonder gezeten. Het voelde wel ongeveer terecht, symbolisch en zo, dat ik mijn hoed was kwijtgeraakt. Ik kon trouwens ook geen nieuwe hoed vinden die paste. Ik ben behept met een groot hoofd.
Man 1: Waarom draagt u een hoed?
Man 2: Een vintage hoedenwinkel mailde me af en toe foto's van hoeden die me wel zouden passen, vooral van jagershoeden en ik ben geen jager. Ik ben verzamelaar. Voor mijn vijftigste verjaardag ben ik een hoed gaan passen in een deftige hoedenwinkel. Daar vond ik een majestueuze, perfect passende Borsalino, maar men was het erover eens dat ik die Borsalino niet had verdiend. Ikzelf eigenlijk ook.
Man 1: Waarom draagt u een hoed?
Man 2: Nu heb ik een nep-Borsalino. Een nep-Borsalino is ook een hoed.
Man 1: Waarom draagt u een hoed?
Man 2 zet zijn hoed op het kale hoofd van man 1 en trekt hem hard naar beneden, om zo het zicht aan hemzelf en de rest van de wereld te onttrekken.

Tweede vraaggesprek

Man 1: Waar is uw paraplu?
Man 2: Ik heb twee paraplu's. Een witte en een bruine. Ze zijn allebei kapot, maar ze doen het nog wel.
Man 1: Waar is uw paraplu?
Man 2: De witte paraplu heeft een knik in een van de ribben, bij de bruine doet de schuif het niet meer.
Man 1: Waar is uw paraplu?
Man 2: Meestal neem ik de witte, maar hij is eigenlijk te groot voor op de fiets. Hij vangt teveel wind. De last van de wind weegt dan niet meer op tegen de baten van de droogte. Ik weet wel dat er van die speciale paraplu's zijn voor op de fiets, van die aerodynamische, maar die heb ik niet. Daar heb ik eigenlijk ook geen geld voor over, voor zulke innovaties. Dan weegt het aerodynamische weer niet op tegen de prijs.
Man 1: Waar is uw paraplu?
Man 2 trekt de paraplu van Man 1 uit zijn hand, en loopt weg. Prompt houdt het op met regenen.

Vraaggesprek

Man 1: Waarom draagt u een regenjas?
Man 2: Ik heb twee jassen. Een dikke en een dunne. De dikke draag ik als het koud is.
Man 1: Waarom draagt u een regenjas?
Man 2: Het is niet meer koud, dus ik draag de dunne. De dikke heb ik opgeborgen. Alleen als het ineens weer koud wordt, zal ik hem weer tevoorschijn moeten halen.
Man 1: Waarom draagt u een regenjas?
Man 2: Mijn dunne jas is een regenjas.
Man 1: Waarom draagt u een regenjas?
Man 2: Ik heb geen dunne jas die geen regenjas is.
Man 1: Waarom draagt u een regenjas?
Man 2 trekt zijn regenjas uit en loopt weg. Prompt begint het te regenen.

Kleine overwinning

Die avond reed ik naar Haarlem met een lege tank. Althans, de wijzer stond in het rood maar het lampje brandde niet. Ik was aan de late kant, dus ik dacht: ik tank op de terugweg. En inderdaad, op de terugweg, de wereld was donker en leeg, vond ik een onbemande tank. Toen ik voorbereidingen trof om te tanken – me verheugend over de lage benzineprijs – bleek ik mijn beursje niet bij me te hebben. Geërgerd vertrok ik weer. Een mede-weggebruiker zwaaide dat ik het klepje van de benzinetank had opengelaten. Wacht even, dat betekende dat de benzinedop, die ik op het dak had gelegd... het ruime sop had gekozen. Ik stopte bij een bemand tankstation en sprokkelde alle munten die ik in het dashboardkastje vinden kon bij elkaar. Winst: twee liter benzine. De man in het station gaf me attent een emmer mee met tankdoppen achtergelaten door slordige tankers als ik om uit te proberen op mijn tank. Ze pasten niet. De man verzekerde me dat de dop waarschijnlijk nog in de buurt van de onbemande tank zou liggen. Nu denkt u: hij vond hem terug en ziedaar de kleine overwinning, maar zo makkelijk is het niet. Zo makkelijk is het nooit. Ik kon de onbemande tank niet terugvinden, terwijl het tanklampje wel ging branden. Naar huis dus. De volgende dag naar de sloop aan de Amstel. De man in het kantoortje – blinkende steen in de oorlel en op de onderarm een CHANTAL-tatoeage –, stopte met het ordenen van met balpen beschreven kartonnetjes. Ik wilde hem volgen het autokerkhof op, maar hij gebaarde dat ik moest wachten. Ik zag hoe hij als een hagedis tussen de wrakken verdween en opmerkelijk snel terugkeerde met mijn dop in zijn hand.