De Heiland in het weiland


O Vaderlandje wat lig je er mooi bij, zo om zeven uur in de ochtend op een hete augustusdag, wanneer ik met mijn slaperige gezinnetje, zelf houd ik de ogen ook amper open, vanonder bij je naar binnen rijd! De zon, die langzaam tevoorschijn floept, als een gigantische eidooier, tegen een heiïg-blauwe lucht, maar vooral ook die dauw die in je weilanden ligt! Nee, niet de dauw, die dauw geloof ik wel, dat is gratis irrigatie, het gaat me om de mist, dat filmische spektakel, die laagbijdegrondse mist van je, misschien is dat toch je voornaamste karaktertrek Vaderlandje, dat je op zulke momenten (misschien wel elke ochtend om zeven uur op een hete dag in augustus, ik zal het niet weten), een toppop-effect verzorgt, een Ad Visser-Macbeth-Hitchcock-sfeerelement. Waarom? Gewoon, omdat het kan, Vaderlandje! En wat je daarmee bereikt: alle geheimen waarmee je je zompige gronden al eeuwen bedekt blijven heerlijk onzichtbaar, niemand hoeft er iets mee! Je verwacht op zo'n moment de Heiland, die als een jaren-zeventig discoster, een Bobby Farrell, met vetbehaarde blote borst en wijde pijpen, over het weiland langs de A27 komt aangeschoven (want je ziet niet dat hij loopt, zijn voeten zijn ondergedompeld in de nevel), maar wat is dat, hij struikelt over een anti-antistikstofbord van een of andere boze boer... We moeten nog even wachten op de Heiland; hij komt wel, maar niet vandaag, Vaderlandje, vandaag zijn de omstandigheden kennelijk nog steeds niet ideaal, maar het decor is er wel al, het veelbelovende decor... en wat heb je het schitterend opgetuigd, voor mijn terugkeer toch niet Vaderlandje? Had je verwacht dat ik het was die door die laagbijdegrondse mist zou komen aangebonjourd in mijn korte broek op een elektrische step? Dan moet ik je teleurstellen, ik wil maar een ding en dat is naar bed, het loket van mijn waarneming is aan het sluiten, de koffie waarmee ik mezelf de afgelopen uren heb wakker gehouden is uitgewerkt... maar als ik hier tegen de reling te pletter sla, wat die voornoemde Heiland, zo Hij heeft opgelet, verhoede, – want ik heb de Toekomst op de achterbank, Vaderlandje, dat kan Hij niet maken –, maar goed, mocht het toch gebeuren want ik vraag er zelf om Vaderlandje, zo gaat het nu eenmaal, je vraagt er altijd zelf om, dan is 'dus' mijn laatste beeld dat wat ik hierboven schets, inclusief ongeïdentificeerde landbouwmachine, en wat kan ik anders dan Je daarvoor eeuwig dankbaar zijn?

Kippen op vakantie

Suzette


Een huis met kippen. Daar hadden we voor getekend. En sapristi, bij aankomst zagen we twee eitjes liggen, bovenop het kippengaas-dak van het kippenhok. Een wat vreemde plek, maar misschien betrof het hier een lokaal gebruik. Toen ik ze raapte: ah, plastic. Fopeitjes. Deco-eitjes. Misschien om de kippen op een idee te brengen?
De rode heette Sécottine, de zwartgrijze Suzette en de zwart-rode Falbala. Meteen al vatten de kinderen een bepaalde aversie op, je zou ook kunnen zeggen vrees, voor Suzette. Racisme! Black Chicks Matter! Wat bleek, Suzette was even aaibaar als de anderen, sterker het meest aaibaar van allemaal.
De volgende ochtend vonden we op de plek die daarvoor was aangewezen, in de 'legkamer' van het hok, drie eitjes. Dat kwam goed uit, want dit familie-construct telt drie ei-liefhebbers. Gratis eten! Het wonder der agrarische reproductie.
Maar daarna werd het 'dus' stil.
Geen eitjes meer. Niet de dag erna, niet twee dagen erna, de hele week niet meer.
Lag het aan het voer? Camille, de propriétaire van het huis, een kinderboek-illustratrice die van briefjes met instructies houdt (die vind je overal in het huis), instrueerde dat kippen veel lusten, maar dat ze ook dood kunnen gaan van bijvoorbeeld chocola, en heel ziek worden van ui. Dat wist ik niet.
Maar we hadden ze geen chocola of ui gegeven. Alleen af en toe wat brood, en, dit blijf ik eigenaardig vinden, eierschalen van eerder legsel. 'Dit lijkt op ons nagelbijten,' trachtte ik deze vorm van ovofagie te disneyficeren.
Waren ze van de leg? Waren Sécottine, Suzette en Falbala zo geschrokken van ons, van onze stadse manieren, wellicht van het continu checken of er al eieren waren?
Hoewel ze af en toe blij kakelden, wat kan wijzen op vers legsel, vonden we nog steeds geen eitjes –  Teleurstelling alom. Wat nu? A., die zich nooit voor een gat gevangen houdt, kocht eitjes en legde ze stiekem in de legkamer. Trots kwamen de kinderen gisterochtend hun buit laten zien. 'Ze zijn nog warm, pap!' Toen keken ze wat beter. 'Wacht eens even, er staat een stempel op!'
'Dat heb ik gedaan,' probeerde A. zich er vergeefs uit te redden.
De elfjarige was zijn emoties maar net de baas.
Vandaag kwam de sympathieke vader van de propriétaire in korte broek langs om de CV te fixen. 'Verder nog iets?' vroeg hij.
'Eh... les poules ne donnent rien.'
Fluks sprong de gepensioneerde de kippenren in, stortte zich op zijn knieën en graaide in een struik. Eén ei. Twee eieren. Nog twee. Enzovoorts, tot hij er dertien geraapt had. Dertien eitjes! 'Hun geheime plekje,' verontschuldigde hij zich.


Moord in de Morvan (slot)



Het was vrijdagochtend, ik zat met mijn laatste Lucky Strike (de lokale Tabac verkocht mijn merk niet) in mijn onderbroek (of zelfs dat eigenlijk niet) achter mijn vooroorlogse laptop en probeerde te schrijven, maar waarover? 'Omtrekkende bewegingen' leek me een potsierlijk irrelevant werkje, een geval van navelstaarderij en strikt persoonlijke beslommeringen, waar, zoals dat zo treffend heette, 'niemand op zat te wachten'.
De zaak Van Lommeren dan? Ik had wat gemist. Ik had allereerst het dossier niet goed doorgenomen, of daarin op de verkeerde dingen gelet. Ik moest denken aan Herman Melville, die in zijn uitputtende, schoolse maar ook rebelse beschrijving van de potvis, de bruinvis en de blauwe vinvis en noem ze maar op, die wonderlijke walvisachtigen, tussen de bedrijven van het altijd weer meeslepende verhaal van Moby Dick door, één ding over het hoofd had gezien: zijn, of haar, gezang. Melville raakt niet uitgepraat over de anatomie, over de blubber, de olie, de balein enzovoorts, en zelfs aan de stank van een rottende walvis besteedt hij aandacht, maar geen woord over de muziek. Zou hij die nooit hebben gehoord? Ik heb die ook nooit gehoord. Wat je nooit hebt gehoord bestaat niet. (Sinds ik een zekere Kamal had ontdekt die van whalesong meditatieve muziek maakt, luisterde ik trouwens naar niets anders meer.)
Ségolène was overgebracht naar het ziekenhuis van Dijon met een schotwond in haar bovenbeen. Bert en Bart, de homootjes van de catering, lagen in kritieke toestand op de intensive care, maar ze waren nog niet opgegeven, nog lang niet. De bloedjes, en hun Nepalese omaatje/gratis nanny, die, slapende in het bijgebouw, helemaal niets van het geweld hadden meegekregen, waren zolang het onderzoek van de Europese tak van de FBI (die er zich mee bemoeide) duurde, overgebracht naar een hotel in Parijs.
Waar Suni was, wist niemand. Beveiligingscamera's en gps en wat niet hadden haar het laatst in een van de kasteeltorens gelokaliseerd, maar daarna was ze verdwenen. Haar hooghartige blik en dat ene glinsterende zal ik niet snel vergeten.
De hele vorige dag had ik op bureau doorgebracht, eerst met de pukkels van Daniëlle Hérault, daarna met een reeks andere agenten, steeds mannelijkere, steeds belangrijkere. Keer op keer gaf ik hetzelfde feitenrelaas. Voor een schrijver is het aantrekkelijk om te liegen, te verfraaien, te verdraaien, maar dit keer had ik er belang bij om iedere verdenking bij me weg te houden. 'Waarom heeft u de waarschuwingen en aanwijzingen van Arnold van Lommeren in de wind geslagen?' was een vraag die me nog lang achtervolgde. Omdat ik hem een connard vond, was het antwoord, maar dat zei ik niet. Een vraag die me op de lachspieren werkte, maar niet de rechercheurs belast met deze zaak, luidde of ik in drugs handelde. In een van de vleugels van het kasteel was namelijk een ketaminelab aangetroffen.
'Even samenvatten, monsieur Paul,' lachte mijn bevriende advocaat toen ik hem opbelde om verslag te doen van mijn bevindingen. (Als hij me bij mijn naam noemt weet ik dat er iets vileins aankomt.) 'Je hebt alles gemist.'
'Ik kan er niet om lachen.'
'Ik kan altijd lachen,' zei hij. 'Schreef jouw Melville niet, there is an esthetics in everything? Wel, er is ook hilariteit in alles. Je moet er alleen oog en distantie voor hebben.'

 

Moord in de Morvan (30)



Pas toen het weer helemaal stil was geworden, en de blauwige rook van de motoren was weggetrokken, durfde ik een sigaret op te steken. Dat doe ik vaker als ik iets van plan ben, en wil voorkomen dat ik prematuur in actie kom. Het is, weet ik inmiddels met mijn vierenveertig jaar levenswijsheid, beter te laat, dan te vroeg terug te keren naar een geschiedenis waarvan je eigenlijk geen deel wenst uit te maken.
In de verte luidde iemand een kerkklok. Dit hele grand guignol had waarschijnlijk nog geen vijf minuten geduurd. Een halve minuut van de poort naar het kasteel. Drie minuten top-top-top. Anderhalve minuut checken of je iedereen gehad hebt. Een halve minuut voor de aftocht.
Moest ik onmiddellijk 112 bellen?
Ik stapte in een rozentak die op de grond lag, een doorn werkte zich pijnlijk in mijn voetzool. Gelukkig werkte ik hem er gemakkelijk weer uit, maar er kwam een druppel bloed mee. Dat was de enige fysieke schade die ik zou overhouden.
Als om mijn onwillekeurige bezichtiging mogelijk te maken, floepte de zwembadverlichting aan. Ik greep naar mijn fluwelen jasje en wurmde mijn voeten in mijn tennisschoenen. Ik probeerde niet om me heen te kijken.
De beide broers dobberden nog steeds in het zwembad, maar nu zonder cocktail en genoegzame glimlach. Salman was verstrengeld met de hals van een leeggelopen eenhoorn. Karim hing over de rand van het zwembad, zijn ene arm leek zich uit te strekken naar zijn cello twee meter verderop, die geheel was doorboord. Niet alleen dat, er was over zijn strijkstok heen gereden.
'Aidez-moi.' Ik schrok zo van de stem die uit de richting kwam van de keuken van het kasteel, dat ik bijna in het zwembad kukelde. 'Aidez moi.' Nee, dit was Suni niet, dit moest Ségolène zijn, de sommelier, of een andere Francofoonse die ik had gemist. Ik sloop naar de keukendeur die wijd openstond, en wierp een snelle blik naar binnen. Een reusachtige, helverlichte keuken. Een enorme homp vlees op het aanrecht met een hakmes ernaast. Twee gemillimeterde mannen in hippe kookschorten (daaronder harige benen) met de opdruk Bouillabaisse. Een lag languit op de vloer, misschien was hij achterover gevallen, uit zijn stekeltjeshaar sijpelde een vloeistof die iets weghad van kersensiroop. De ander op zijn zij, alsof hij op de keukenvloer probeerde te slapen. Dit moesten de twee 'homootjes' zijn, zoals Ingrid de Waal ze noemde, Bert en Bart, die voor de catering waren ingehuurd.
'Ségolène?' fluisterde ik in de richting van de keldertrap. 'C'est moi, Paul Krom. Vous pouvez émerger.'









Moord in de Morvan (29)



Ik zag ze als eerste komen, denk ik, maar we moesten ze allemaal hebben gehoord. De crossmotoren die met een noodgang de toegangspoort van het kasteel penetreerden. De een maakte een wheelie, de ander had iemand achterop met iets langwerpigs in zijn of haar hand. Ik had er een slecht voorgevoel over. Ik wilde nog een kwinkslag maken, zoals ik zo vaak, ook op de meest onhandige momenten, kwinkslagen heb gemaakt, of heb willen maken, van: Karim, met dit achtergrondkoortje wordt het met dat cello concert van je nog lastig, of speel je iets van Stockhausen? en toen ik opstond om mij te verwijderen, mij definitief te verwijderen uit dit verhaal, wilde ik nog iets anders, namelijk zo vlug mogelijk uitvinden waar Suni was, waar ze toch bleef, wat was ze allemaal aan het doen, het was al laat op de avond, we hadden nog niets gegeten, de schemering viel al in, het moet dus tenminste een uur of half tien zijn geweest, de wind was eindelijk gaan liggen, de roodblauwe, met wattige slierten versierde lucht kreeg een onheilspellende connotatie (maar kreeg die alleen in het licht van wat er stond te gebeuren natuurlijk), maar goed, waar het om gaat – ik kom nauwelijks meer behoorlijk uit mijn woorden –: ik had Suni 'dus' graag mee willen nemen in mijn vlucht, ik had haar uit de torenkamer (de niet ingestorte, want daar bleek ze te zijn) aan haar bovenarm als een kind willen meeslepen, haar over de schouder gooien desnoods, want ze zou, haar kennende – maar hoe goed kende ik haar eigenlijk – zeker tegenstribbelen, maar daarvoor was het te laat. Ik werd geacht aan mezelf te denken. Niet dat ik daar niet al aan dacht, mogelijk te veel (het kon verklaren waarom ik tot dusver alleen was gebleven). Er was geen tijd om mijn jasje, dat ik net had uitgetrokken, mee te nemen. Ik begon 'gewoon' als een waanzinnige op mijn blote voeten (ik had mijn tennisschoenen familiaal uitgedaan met het oog op pootjebaden) te rennen in de richting van het bos. Ik kon met dat doel elke kant op rennen, maar mijn overlevingsinstinct stuurde me, dat zult u me vergeven, in tegengestelde richting van waaruit ik dacht dat de crossmotoren kwamen, die inmiddels door de weide reden. Ik koerste dwars door een bloemenperk en struikelde bijna over een speelgoedtractor die midden op het gras stond, maar wist de beschutting van de bomen te bereiken.
In het dichtbegroeide bos durfde ik mij niet om te draaien om te zien waarvoor ik wegrende, wat er aan de hand was bij het kasteel, wat ik hoorde zei me genoeg. Het gejank van de motoren, het slippen, het opnieuw optrekken, het gedempte top-top-top. Geen ontkurkte champagnekurken of iets uit een oorlog, maar het geluid van een ouderwetse fietspomp, daar deed het me nog het meest aan denken, die bij elke duw tegen de zuiger aan het eind van de buis tot stilstand komt. Werd er geschreeuwd? Niet door mij in elk geval, of ik heb het niet gehoord.
Met het zweet druppend in mijn ogen klom ik over een dikke boomstam. Hier voelde ik mij veilig, al kon het een schijnveiligheid zijn. Hoe dan ook moest ik bijkomen; ik heb een buik en een waardeloze conditie. Ik probeerde de hoestbui waarin ik uitbarstte te smoren in mijn elleboog, de tranen sprongen in mijn ogen, maar ik geloof niet dat ik mezelf daarmee heb verraden. Ik geloof niet dat iemand me heeft gezien. Waarschijnlijk hebben ze wel gezien dat iemand van het terras wegglipte, misschien zagen ze met behulp van een nachtkijker of verrekijker ingebouwd in hun integraalhelm (ik weet dat ze bestaan) zelfs mijn slappe vlinderdas, of voor mijn apart het litteken in mijn gezicht, mogelijk was dat mijn marker, maar als dat al dat al zo was, hebben ze me God en Allah zij gedankt laten gaan.

Moord in de Morvan (28)



Ik had mij teruggetrokken in de salle de bain van het kasteel, een vijf meter hoog kamertje met een piepklein raam, zogenaamd omdat er iets in mijn oog zat dat ik eruit wilde spoelen, maar in werkelijkheid was het weer eens tijd voor Paul Krom om te proberen zijn darmen in beweging te zetten. Sinds mijn missie in Frankrijk had ik een keer gepoept, maar men kon gevoeglijk aannemen dat dat nog Hollandse poep was. Ik was geobstipeerd, ongetwijfeld door de stokbroden die ik tot me had genomen, maar ook mijn verhaal zat muurvast. Mijn roman, 'Omtrekkende bewegingen', daarover waren weer ernstige twijfels gerezen, ik overwoog zelfs alles wat ik had te deleten, heen te zenden naar het digitale hiernamaals, maar dat was allemaal academisch, want ik had geen uitgever, laat staan een redacteur, dus daarmee was niets gewonnen of verloren. Veel nijpender deed mijn obstipatie in de affaire Van Lommeren zich gevoelen. Was er wel een affaire? Waarom liet ik mij zo gemakkelijk inpalmen? Wat wil de weduwe? Was het niet erg dom om zonder secondant op het diner te verschijnen – had ik niet desnoods Ingrid de Waal mee moeten nemen, of de politie, kom hoe heette ze, moeten verwittigen?
Ik perste wat harder.
Zut, het was al weinig chic van me om meteen al na het eerste glas champagne naar de wc te vluchten; er ook nog veel langer te blijven dan in alle redelijkheid mag worden aangenomen nodig te zijn, was gênant.
lk boog voorover. Met mijn kin op mijn fluwelen knie dacht ik verder aan wat Suni net nog gezegd had. Ze had voor het eerst over 'mijn man' gesproken, dat was opmerkelijk. Of niet? Ze had drie gasten aangekondigd, die de zaak alleen maar compliceerden, en die ik helemaal niet wenste te ontmoeten. Ze had meteen al Murat, mijn maat, aangeduid met de koosnaam Watson, dat had me al meteen moeten alarmeren. Hoe wist ze dat? Had ik dat haar verteld? Goed, ik had me voorgenomen open kaart te spelen, maar dat betekende niet dat ik als een hondje op mijn rug moest gaan liggen.
Ik stond op en keek naar mijn productie: twee keiharde keutels, ter grootte van een walnoot. Hm. Het enige voordeel was dat ik dan ook niet hoefde af te vegen, want er viel niets af te vegen.
Ik waste mijn handen grondig. Toen ik daarmee klaar was, wilde ik wat aantekeningen maken in een piepklein boekje, maar mijn vulpen bleek opgedroogd of gewoon leeg. Ik keek op mijn telefoon: drie berichten, voorzien van talrijke uitroeptekens, van Arnold van Lommeren.
Toen ik terugkwam, bleek Suni te zijn verdwenen. Salman en Karim, de broers, dobberden met cocktails in hun hand op opblaasbare beesten in het zwembad en keken mij aan als was ik een buitenaards wezen.

Moord in de Morvan (27)



'Waar is je Watson? Ik dacht dat je met je mede-researcher zou komen, voor de ahum broodnodige klankbordsessies?' Suni van Lommeren-Mahal zag er ravissant uit in haar crêpe changeant zwart-gouden lange jurk – met niets eronder dacht ik – en, vooral dat, haar korte koppie. Ze bleek rigoureus haar haar te hebben afgeknipt. Ik herkende haar bijna niet. Ze had iets van de jonge Isabella Rossellini.
'Covid-19,' zei ik. 'Milde klachten. Vooral hoofdpijn. Maar het leek hem, tweede golf enzovoorts, verstandiger thuis te blijven.'
'Heel verstandig,' lachte Suni, terwijl ze me voorging naar de hal. 'Heel verstandig! Ik was van plan in plaats van mondkapjes maskers uit te delen vanavond, dat leek me wel aardig, maar alleen als het gesprek doodvalt en we ons vervelen.' Op haar blote voeten trippelde ze over het natuurstenen pad door de reusachtige tuin, die er, droogte of geen droogte, buitengewoon weelderig bij stond. De kleuren en geuren waren zo overweldigend dat je dacht dat de schepper overdreef, dit kon heus een tandje minder. 'We drinken wat bij het zwembad, would you care to join us?'
Ik had opnieuw mijn fluwelen pak aangetrokken, deze keer was het vers gestoomd, en ik had er een bruine vlinderdas bij gevonden bij een vide grenier in Autun – zo'n slappe. In mijn binnenzak brandde mijn dodelijke vulpen, daar was het allemaal om te doen.
'Paul, old chap.' Salman kwam uit het niets op me afgelopen, strak in het pak. Zijn outfit deed hem op een financiële man lijken, maar dat was geen financiële man, hij was anesthesioloog, wist ik. (Misschien was hij beide.) 'Wil je meekijken hoe ik het wild prepareer? Of vind je het leuk om zelf te hakken? Ze hangt in de garage.'
'Sal, alsjeblieft, laat die man met rust,' zei Suni. Ze greep een wortel uit een grote bak rauwkost en beet er nogal luidruchtig een stuk af.
Ik streek langs mijn gladgeschoren kaak. 'Ik vind het heel interessant om te zien. Wie niet tegen de slacht kan, moet ook geen vlees eten.'
'Quite right!' gilde Salman. Zijn stem sloeg over van enthousiasme.
'Niets daarvan, Monsieur Krom blijft bij mij. Eerst wat drinken. Bovendien zou Karim een mopje cello spelen.' De kasteelvrouwe knipoogde naar me; ik vroeg me af of wie ze bespotte.
'Je vraagt je misschien af wie er nog meer komen,' ging ze verder, toen ik tegenover haar plaats had genomen en Salman was verdwenen. 'Wel, drie mensen die belangrijk zijn geweest in het leven van mijn man: zijn psychiater, zijn zakenpartner en zijn personal assistent.' Ze keek richting de keuken en floot onwaarschijnlijk luid op haar vingers. 'Waar blijft de sommelier? Ik heb speciaal uit Beaune een sommelier laten overkomen, die had zich allang moeten melden.'
Niet veel later schreed er een ebonietkleurige vrouw gekleed in een mantelpakje de tuin in. Ze stelde zich voor als Ségolène en zette een champagneglas voor mijn neus. Er klonk een uiterst beschaafde plop. Ze schonk me iets in uit een fles waarvan ik het etiket niet bij machte was te ontcijferen.


Moord in de Morvan (26)



Salman Mahal aan de telefoon. Of ik aanwezig wilde zijn bij het schieten van het wild. Welk wild? Het wild dat zou worden geserveerd overmorgen. Waarom zou ik daarbij aanwezig willen zijn, vroeg ik me af, maar ik stelde de vraag niet. Kennelijk was het voor Salman belangrijk mij te betrekken bij deze versheidsgarantie waarvan ik het bestaan niet afwist, noch had ik stilgestaan bij de noodzaak om wild te laten besterven. Ja, voegde hij nog toe, de jacht wordt een makkie want het graast sinds de lockdown vrolijk in de kasteelweide.
'Nee? Dan stuur ik wel een filmpje.' Hij had alweer opgehangen. Vanaf dat moment wachtte ik bij mijn laptop als een meisje bij haar telefoon. Terwijl ik het helemaal niet wilde zien, ik heb geen talent voor gruwelijkheden, ik bedoel het ondergaan ervan, het bezichtigen, het tot in detail waarnemen van het gruwelijke, het bloedige, het plastische. Ik heb het ook nooit willen beschrijven. Tegelijk word ik er door aangetrokken; weet ik, voel ik, dat dit ook een deel van het leven is, misschien wel het wezenlijke deel. Ook het stoere principe dat sommige carnivoren huldigen, namelijk dat ze alleen dieren eten die ze zelf hebben gedood zou ik kunnen verdedigen, hoewel ik te zwak ben om het ook toe te passen. Bij het doodklappen van een mot voel ik al iets van schuld en schaamte. Waarom hem niet galant naar buiten begeleid?
Murat schudde woest zijn hoofd en zei dat hij een stukje ging wandelen. Hij was geen vegetarier, Murat, nooit geweest ook, maar hij bleef, zoals de meeste van ons, liever verstoken van het geweld, industrieel of ambachtelijk, dat bij de vleesproduktie kwam kijken.
Door het hotelraam zag ik hoe hij over het plein liep met zijn handen in zijn zakken. Murat had al dagen dezelfde kleren aan, dat maakte hem niets uit, en mij ook niet, maar Ingrid de Waal had erop gestaan dat hij een pak aantrok uit haar kledingkast, en zijn baard enigszins fatsoeneerde. Dat vond hij allemaal best.
Even na middernacht, Murat was nog steeds niet terug, kwam de 'pling'. Met een vreemde opwinding, alsof ik iets illegaals deed, opende ik Salmans mail, 'KILL KILL KILL', klikte op het filmpje (met het geluid uit). Ik meende het bos rondom Chateau Prébendier te herkennen. Ik zag een hert in de verte snuffelen en daarna door zijn (of haar) benen gaan. (De lafheid van het pistoolschot.) De schutter kwam dichterbij en loste nog twee schoten, een in de borst van het dier, dat daarna schudde, alsof het rilde van de kou, en nog een genadeschot door het voorhoofd. Er was geen druppel bloed vergoten.

Moord in de Morvan (25)



Maar, heren,
een gek spaarde de man die moordenaar wilde worden voor de bloedige daad die hij in de zin had. Toch kreeg hij volledige wraak, en zonder zelf de wreker te zijn. Want door een geheimzinnige lotsbeschikking scheen de hemel zelfs tussenbeide te komen om de verdoemende daad die hij had willen verrichten uit zijn handen in de eigen handen te nemen.
'Zouden we niet een plan de campagne uitstippelen,' vroeg Murat verveeld. Hij lag op bed te duimdraaien; ik lag op bed te lezen, en het leek alsof alles in orde was, maar dit was beslist geen gekke vraag. Ik was zo verguld met de uitnodiging van de kasteelvrouwe, ik had nog nooit een uitnodiging mogen ontvangen, dat ik me steeds slechter kon concentreren op de 'task at hand'. Ik legde Melville weg, stond op en keek uit het raam. Was het mogelijk dat Arnold van Lommeren mij bespiedde, vanaf het pleintje hier voor het hotel, om te checken wat ik deed, of ik mijn werk wel deed? Zolang we te lang op onze hotelkamer bleven somberen, er, met andere woorden, te weinig 'actie' was van mijn kant, zou hij de geldkraan die hij via mijn bevriende advocaat had opengezet, stellig dichtdraaien. Ik zag een nogal sjofele man zitten aan een tafeltje. Hij zat een bord onduidelijke pasta te eten met zijn rugzak nog om. Voor hem lag zijn telefoon, waarop hij, zelfs dat kon ik vanaf hier zien, een spelletje deed. Was dit de zoon van de overledene? De man die vereeuwigd was door niemand minder dan Lucian Freud? Ik had dat schilderij noch de zoon zelf mogen bewonderen, dus ik tastte in het duister. Misschien moest ik zo langzamerhand maar eens de emails gaan beantwoorden.
'Wat is er over van je Trojaanse plan?' vroeg Murat. 'Je zou me toch laten bezorgen bij het chateau in een niet open te maken doos, van waaruit ik vervolgens de hele familie Mahal voor zolang het duurde zou afluisteren?'
Ik trok hard aan mijn sigaret en blies de rook het raam uit, richting de vermeende Arnold van Lommeren. 'Te bewerkelijk. We zitten niet in een of andere James Bondfilm. Het moet leuk blijven, dat wil zeggen, literair. Begrijp je dat?'
Murat voelde met zijn vingertop aan zijn bloedlip. De zwelling begon al af te nemen. Dat kwam goed uit, want als gast bij een diner verschijnen met een bloedlip, zou een verkeerde indruk wekken.
'Luister, Watson,' – Murat had er steeds minder bezwaar tegen om als Watson te worden aangeduid – 'ons plan is dat we geen plan hebben. We gaan dineren op het chateau, nemen alles op wat we zien, en rapporteren een en ander subito aan onze opdrachtgever.'
Murat lachte geluidloos. Hij streek door zijn baard. 'Als er dan nog iets te rapporteren valt.'

Moord in de Morvan (24)



Op de terugweg naar het hotel werd ik weer bijna van de weg gehaald door een gendarme. Niet zozeer omdat ik slingerde of zo, maar omdat ik er zo zonder helm en met mijn paarse pak uitzag als iemand die van de weg gehaald wilde worden. Eenmaal in mijn hotelhokje, een hokje met uitzicht op het centrale plein van Autun, het was een genot om eindeloos naar passanten te kijken, ging ik achter mijn laptop zitten, negeerde drie emails met onderwerpen in kapitalen van Arnold van Lommeren, en tikte als een bezetene aan mijn roman. Waar kwam die inspiratie vandaan? Ergens voelde ik dat ik al mijn bevindingen in het dossier Van Lommeren zou moeten boekstaven, maar in plaats daarvan vloeide de ene na de andere scène uit mijn vingers die misschien wel goed genoeg was om verbatim te worden opgenomen in 'Omtrekkende bewegingen' – de titel van mijn boek, mocht hij ooit verschijnen.
Nadat ik als enige eter in het hotelrestaurant een bord slappe friet had verorberd met een taai stuk vlees en iets dat voor groente moest doorgaan, gelukkig had ik niet bezuinigd op de wijn, liet ik mij uitgeput op bed vallen. Ik vroeg me af of ik mijn kamergenoot moest bellen om hem te redden uit de armen van de Nederlandse vertaalster, Ingrid de Waal. Nog voordat ik iets had besloten, viel ik in slaap. De volgende ochtend zat ik nog voordat ik was aangekleed alweer te tikken. Het leek of iemand me aan de hand meenam tijdens het schrijven, ik kende dat gevoel van lang geleden, toen ik nog 'succes' had, of wat daarvoor door moest gaan (succes betekende vooral dat je je allerlei vernederingen moest laten welgevallen ten bate van de marketing; alleen wie geen boeken verkocht, zoals ik, kon zich prettig blijven concentreren op het schrijven zelf).
'Waar ben je, wat doe je, amuseer je je nog.' Dat waren de vragen voor Murat, toen ik hem eindelijk aan de telefoon had. In plaats van antwoord te geven, sommeerde hij me in alle talen hem beschikbaar hem onmiddellijk te komen ophalen. Ik sprong op mijn motorfiets. Murat stond te zwaaien langs de weg. Hij had striemen op zijn armen, een zuigzoen in zijn hals en een bloedlip. Zijn haren en zelfs zijn baard zaten door de war, en zijn kleren leken in de alle haast aangetrokken. Ik hielp hem in het zijspan.
'Wat heb je tegen cette femme gezegd?' brulde hij. 'Waarom heb je me bedrogen, Paul Krom? Ik dacht dat ik je kon vertrouwen, maar je hebt me uitgeleverd aan de duivel!'
Ik had geen flauw idee waar hij het over had, maar iets in me zei dat het zinloos was om hem tegen te spreken. Dus ik zweeg en startte de motor. In het hotel, toen hij weer wat was bijgekomen, bracht ik hem het goede nieuws.
'Vriend,' noemde ik hem (en ik meende het), 'we zijn uitgenodigd bij de weduwe op het kasteel voor een diner ter gelegenheid van de sterfdag van Sweder van Lommeren.'
Hij keek me aan alsof ik hem een versnipperd honderd euro-biljet had overhandigd.