Jullie belastingcenten

Joehoe, deze postbezorgende scribent kan, dankzij het Nederlands Letterenfonds, weer brood kopen. Weliswaar is de subsidie die ik bij dit fonds in mei aanvroeg en zojuist op mijn rekening heb gekregen niet bedoeld om brood van te kopen, maar toch, vanochtend kon ik weer pinnen bij de bakker. Wat was ik ook alweer van plan met jullie belastingcenten?

Lunchbox

Vakantie. Wat doe je eraan? Mijn zevenjarige bood zich aan als hulppostbode. Ik heb even overwogen hem mee te nemen, maar uiteindelijk besloot ik toch maar alleen te gaan. Vlak voordat ik wegging kwam hij met zijn eigen lunchbox aanzetten, met boterhammen erin, voor mij. Een met kaas, een met pindakaas. Hij redeneerde waarschijnlijk: die man maakt normaal gesproken boterhammen voor mij, laat ik eens wat terugdoen. Een bijzonder genereuze en toch ook wel ontroerende geste.
'Kijk,' zei ik tegen de oud-depothouder, die zoals altijd kaarsrecht, met zijn buik vooruit, op zijn krukje zat op depot tijdens de lunchpauze, 'deze boterhammen heeft mijn zoon voor mij gesmeerd.'
'O, nou, als hij daar aardigheid in heeft,' luidde het antwoord. Hij snoof. Daarna schakelde hij snel over naar zijn aanstaande fietsvakantie, die door Zuid-Holland, Zeeland, Vlaanderen en Limburg voert. 'Ik ga ook naar een vriendin in Nuenen.'
'Nuenen? Daar had ik ook een vriendin zitten, lang geleden. Twee zelfs. En een vriend... Is dat een ex van je?'
'Nee, ik ben nooit getrouwd. Zij wilde wel, maar ik was er nog niet aan toe. Uiteindelijk is ze met een kinderarts getrouwd. Veel beter voor haar. Ze was heel christelijk. Die hebben zo'n geheimtaaltje, ik kon daar weinig mee.'

Nieuwe vormen van vernedering

Ik was weer op straat – ik ben een straatwerker – maar nu in de avond; denkende dat straatwerk in de avond minder heet is dan straatwerk overdag. Nu ik dit opschrijf valt dat nog te bezien, maar ik heb me niet misdragen, ook al was het volle maan op maandag, en wekte ik de indruk, in mijn korte broek, overal voor in te zijn.
Het vrijelijk rondfolderen voor het culturele doel, zo bleek weer, brengt nieuwe vormen van vernedering met zich mee. Zoals: een bewoonster die gezellig haar voortuintje staat te verzorgen, ik maak er een complimenteuze opmerking over; zij knikt, maar steekt haar hand op in de zin van STOP als ik wil bezorgen. 'Het gaat over een culturele instelling bij u in de buurt.' 'Weet ik.' 'Wilt u niet weten wat daar te doen is?' 'Ik weet al wat daar te doen is.'
Of: mooie jongen op geveltrap naar twee NEE/NEE-stickerloze voordeuren zit uitgebreid te bellen. Schudt driftig nee als ik betreffende trap wil bestijgen. 'Die deuren zijn allebei van mij,' voegt hij mij toe. Als ik sip kijk, zegt hij: 'Geef me er dan toch maar een.' Om vervolgens mijn prachtfolder gevoelloos naast zich neer te leggen.
Ik ben een handelsreiziger in overbodigheden. Gratis overbodigheden weliswaar, maar dat maakt die overbodigheden er voor de meesten niet aantrekkelijker op. Daarom duwde ik de folder stilletjes bij velen toch door de bus, ook al leken zij er niet van gediend.
'Het houdt je wel bescheiden,' zei ik toen ik thuiskwam tegen lieftallige. 'Geen enkele keer denk je tijdens dit werk: ik ben king of the world.'
Dat was geen nieuws voor haar.

Kleine anekdote uit het sorteercentrum

Een hoog oplopend meningsverschil tussen een mannelijke en een vrouwelijke collega ontaardde in de verontwaardigde vraag van de laatste aan de eerste: 'Ben  j i j  nou een vent?'
Hierop liet de mannelijke collega zijn broek zakken.
Hij werd een week geschorst.

Professor in de wiskunde

Het verhaal ging, of althans: werd in de wereld gebracht door mijn breedsprakige collega en oud-depothouder, dat er een professor in de wiskunde rondliep op depot. Goed, hij was professor in de wiskunde in Irak geweest, jaren geleden, maar wiskunde blijft wiskunde. Toen ik de betreffende Iraakse collega op depot voorbij zag suizen, hij houdt er een pijlsnelle manier van werken op na, riep ik: 'Jij bent toch professor in de wiskunde?'
'Ja ja,' zei hij in het voorbijgaan, het zweet van zijn voorhoofd wissend, 'inderdaad.'
'Kun je me dan misschien helpen met de oplossing van mijn handelsreizigersprobleem?' Ik had namelijk met mijn verspreiding van de culturele folder in het centrum van de stad wel degelijk een probleem van het type: hoe de kortste route te kiezen tussen een x aantal, onregelmatig verdeelde punten. De Irakees knikte hevig dat hij wist waar ik het over had maar ging er verder niet op in. Toen vroeg ik hem: 'Wat is de stelling van Pythagoras?' Hij begon te lachen, bleef heel onrustig rondlopen, onderwijl verklarend dat hij 'alleen theorie deed', als professor in de wiskunde in Irak, dat het al zestien jaar geleden was dat hij die theorieën had bestudeerd. Ik schudde mijn hoofd. 'Je gelooft hem niet?' vroeg de breedsprakige oud-depothouder aan mij. 'Het kan niet dat hij de stelling van Pythagoras niet kent. Niet als hij professor in de wiskunde is. Luister, je hoeft voor mij geen professor in de wiskunde te zijn, maar als je er wel een bent, vind ik dat wel interessant.' Toen iedereen weer weg was, en ik mijn loop deed, vroeg ik me af of ik niet al te drammerig was geweest, en misschien zelfs ethnocentristisch. Misschien bestond er een wiskunde waar ik niets van afwist.

Eh...

Mijn nieuwe favoriete weduwe – laat ik haar Ava noemen –, voor wie ik eindelijk weer eens wat post had, waaronder een verdwaalde Privé, deed open zonder broek aan. Ik ben inmiddels gewend dat weduwen bij wie ik bezorg geen broeken dragen, en waarom zou je ook, als je de hele dag in je eentje door het huis sjouwt, ik draag ook nauwelijks kleren als ik alleen thuis ben, maar ik was toch wel ietwat verrast om haar in haar ondergoed in de gang aan te treffen.
Ze maande me alvast in de zitkamer plaats te nemen terwijl ze iets aan haar blootheid deed. Vervolgens kwam ze in haar peignoir binnen, ging in haar vaste stoel zitten bij het verduisterde raam en zei: 'Vind je het vies als ik een sigaret opsteek?' Ik schudde van nee.
Ze haalde haar hand door haar sluike, zilvergrijze haar. Ik keek naar haar lange roodgelakte nagels. Voor haar, op haar rollator, lag een pasfotootje van haar man. Ze had net haar drieëntachtigste verjaardag gevierd. Hij was nog niet zo lang dood.
Ik merkte dat ze na elke zin 'eh...' zei, een langgerekte 'eh...', en toen besefte ik dat ze 'eh...' zei om te voorkomen dat ik tussenbeide zou komen, of dat er een stilte viel, die ik bijvoorbeeld zou kunnen vullen met de mededeling dat ik moest gaan. Ik liet veel 'eh...'s' passeren, totdat ik echt moest gaan. Toen ik ging vroeg ik me af hoe lang ik had kunnen blijven zitten als ik haar niet had onderbroken.

The Poetry Review

Kate, de Britse, die helemaal de deur komt opendoen voor The Poetry Review, vraag ik naar haar mening over Prime Minister May.
Die May gaat wel, zegt ze, maar die Johnson! Dat die erin geslaagd is in het kabinet te komen! Vreselijk... Kate wordt emotioneel. Gaat ze huilen? Dat niet, maar het scheelt niet veel, ze lijkt steun te zoeken in het trappenhuis. 'And I am not even allowed to vote.'
Wat blijkt, ze woont te lang in Nederland om in het Verenigd Koninkrijk te mogen stemmen, en te kort in Nederland om in Nederland te mogen stemmen. 'I am allowed to pay taxes, but I'm not allowed to vote.'
Unfair, indeed. 'Are you a poet?' probeer ik het over een vrolijkere boeg te gooien.
'My husband,' zegt ze, tikkend op het tijdschrift dat ik haar heb overhandigd.
'Has he been published?'
'O yeah, here and there... Luckily, he is also an engineer.'

Blauwtje

'Zullen we anders... een keer... naar de film?' vroeg ik aan de collega die inmiddels in ruime mate had bewezen over dezelfde smaak in films te beschikken als deze postbezorger, toen er een film ter sprake kwam die we allebei wilden zien. Tuurlijk, dan hoef je nog steeds niet naar de film te gaan met je collega, je kunt jaren achter elkaar vaststellen dat je dezelfde filmsmaak hebt, je kunt jarenlang favoriete DVD's uitwisselen, er eindeloos op depot over discussiëren, maar wat ook mogelijk is, is een invitatie doen uitgaan aan de collega in kwestie, of niet eens een invitatie, meer een suggestie. Dus dat deed ik. 'Nee, kan niet,' mompelde hij.

Blauwtje

'Zullen we anders... een keer... naar de film?' vroeg ik aan de collega die inmiddels in ruime mate had bewezen over dezelfde smaak in films te beschikken als deze postbezorger, toen er een film ter sprake kwam die we allebei wilden zien. Tuurlijk, dan hoef je nog steeds niet naar de film te gaan met je collega, je kunt jaren achter elkaar vaststellen dat je dezelfde filmsmaak hebt, je kunt jarenlang favoriete DVD's uitwisselen, er eindeloos op depot over discussiëren, maar wat ook mogelijk is, is een invitatie doen uitgaan aan de collega in kwestie, of niet eens een invitatie, meer een suggestie. Dus dat deed ik. 'Nee, kan niet,' mompelde hij.

Kapmouwtjes

Na weken eenzame arbeid, lijkt het, kom je opeens iedereen tegelijk tegen. Niet alleen de bijna-gepensioneerde ex-depothouder, die drie weken met een vriend gaat fietsen, vertelt hij, en dan bij thuiskomst 'lekker wassen'; de alcoholische collega die met zijn lijzige bariton staat te bomen over niets (zoals alleen alcoholici dat kunnen); de aardige saaierd die aankondigt een maand lang naar de Drôme op vakantie te gaan en afscheid neemt met 'Nou, tot over een maand dan, hè!', waarop nauwelijks tot geen reactie komt; maar vooral ook de huidige depothouder, die by far de grootste bezienswaardigheid blijft. Vandaag draagt hij zijn gepatenteerde ultrakort afgeknipte jeans, boven zwarte kistjes, maar hij heeft ook, en dat heb ik nog nooit eerder bij hem gezien, een heuse PostNL-polo. Bij nadere inspectie klopt er iets niet aan die polo: het design is verstoord. Wacht eens even, ik zie het pas als ik bijna klaar ben met mijn lunch-peer: hij heeft de mouwtjes afgeknipt, zodat er kapmouwtjes ontstaan.
'Heb jij die mouwtjes afgeknipt?' vraag ik tenslotte maar naar de bekende weg. Als je niets weet te vragen, kun je maar het best naar de bekende weg vragen.
'Een kleine aanpassing,' glimlacht hij, ietwat betrapt, en fietst vlug het depot uit.