19. Iets kraakte ergens



Het was voor het eerst dat ik wakker werd op een woonboot. Om zes uur 's ochtends helaas, en met een groggy mond van de oude, koude sushi die ik bij aankomst nog even snel voor de ijskast naar binnen had gewerkt,  maar toch. Het kan zijn dat de ongebruikelijke keten van gebeurtenissen van de afgelopen 20 uur me bijzonder had uitgeput, of dat het kwam door het zachtjes, heel zachtjes wiegen op het water (wellicht ingebeeld, want het schip lag met dikke kabels vastgesjord), of het vriendelijke gedoe der eenden vlak naast me aan de andere kant van de patrijspoort, maar voor mijn gevoel had ik nog nooit zo diep geslapen. Toch een wonderlijke afspraak in het complex der menselijke beschaving: een derde dagdeel of daaromtrent de stekker eruit en daarna vrolijk weer door alsof er niets gebeurd is. De stad kan zijn platgebrand, ouders kunnen zijn gestorven, vrienden geëmigreerd, maar de slaper slaapt. Lekker rustig, inderdaad.
Hoewel, zo lekker rustig was het nu ook weer niet. Iets kraakte ergens op Katalla (zo heette Bettina's boot), en ik kon het niet thuis brengen. Ik heb de deuren gecheckt. Die zaten op slot, maar je kon ze met enige goede wil wel zo intrappen. De dakluiken idem dito. Alleen de patrijspoorten, die kreeg je met geen mogelijkheid open.
Misschien was ik vannacht toch nog een keer wakker geworden, meende ik me nu te herinneren, van het gedroomde idee dat de romp waarin ik me thans bevond, langzaam volliep met grachtwater. Ik draaide me om op Bettina's twijfelaar, die ze helemaal achterin in een kleine bedstee had laten bouwen, en droomde dat het langzaam nat werd onder me, en dat ik die bedstee niet meer uit kon. Dat Titanic-scenario behoorde tot mijn netflix van nachtmerries. Niet het verzuipen, niet het opgesloten zitten, maar de combinatie.

18. Vluchtauto + onderduikadres



Ik tippelde soepeltjes binnendoor naar de parkeerkelder, stapte in mijn Jaguar en scheurde de straat uit. Nee, dat zeg ik verkeerd. Ik tippelde binnendoor naar de parkeerkelder, kwam via de alternatieve gang in de wijnkelder uit en stapte met een fles sancerre de keuken binnen, waar ik werd opgewacht door een giebelende want reeds ruimschoots aan de sancerre zittende Enna en Bettina. (Het keffertje liet zichzelf uit in de achtertuin.)
'Je gelooft niet wat er net is gebeurd,' zei ik, het restje van Enna achteroverslaand. Al dat gedoe in mijn bureau had me dorstig gemaakt. Naar alcohol, vooral, dat laatste bastion voor de verdoving zoekende bourgeois.
'God daalde neer op je laptop,' antwoordde Enna, zonder een moment na te denken. 'O nee, je hebt geen laptop, jij doet alles op je telefoon die je niet hebt.'
'Ja, omdat –... bijna. Nog eens?'
'De duivel trekt baantjes in Mastenbroeks zwembad,' probeerde Bettina.
'Fout. Fouter, eigenlijk. Mikkel heeft me gered met die drone van hem.'
Enna joeg een hand door haar haar. 'Is ook een briljante jongeling.' En tegen Bettina: 'Ik wou –'
'Ik kan helaas niet lang blijven,' kwam ik tussenbeide.
Daar had je het al: gehoest op de overloop, gestommel in de gang, beginnend traplopen in het trappenhuis – het openbare trappenhuis – dat onmiskenbaar zijn natuurlijk einde zou krijgen in de keuken, waar het allemaal was begonnen.
'Neem je de Jag?' vroeg Enna.
'Nee, jouw Birò, als je het goedvindt. Kan ik tegen het verkeer in, over de stoep, enzovoorts. In jouw birootje voel ik me een James Bondje.'
Bettina produceerde uit haar handtas een bos sleutels. 'Ik weet niet wat hier allemaal aan de hand is, en hoe jullie huwelijk precies in elkaar zit, maar je bent van harte welkom om even te schuilen in mijn woonboot.'
Dat was het mooie van Bettina, weliswaar reed ze tegen je op als ze praatte, en bleef ze overal waar ze was te lang plakken, maar ze deed ook niet moeilijk over het afstaan van haar heiligdom.
Aan de sleutelhanger bevond zich een doodshoofdje, zag ik, hetgeen niet verbazingwekkend was, want waar zag je tegenwoordig géén doodshoofd? De hele wereld was een doodshoofd geworden.

17. Deus ex machina



'Vindt u het ook niet vreemd, heer Wouters en heer Kamal, – laat u die kunstvoorwerpen even met rust, dank u vriendelijk – om mij te ondervragen en lastig te vallen en ter verantwoording te roepen, terwijl ik, of althans mijn vrouw, u heeft gebeld vanwege twee grote kale mannen die zich in ons huis bevinden, terwijl wij liever zouden hebben dat ze zich hier niet bevinden?'
Wouters snoof. Mijn oog viel op zijn misvormde oorlel. Hij had één misvormde oorlel, de andere was niet misvormd. Waarschijnlijk niet genetisch maar aangeboren. Of een ongeluk. Mogelijk een uit- of afgerukte oorbel, of, dat kon ook nog, was die lel door een kogel doorboord.
Kamal was twee stappen van de wandkast af gaan staan. Geen van beide agenten leek mij heel erg alert op enige onverwachte beweging van Tim of Tom, die nog altijd hun mobieltjes bepotelden. De mobiele verpozing, waaraan ik zelf uiteraard ook ten prooi viel (mits ik een telefoon had), kreeg bij hen iets infantiels, alsof ze een zuigfles beethielden.
Wouters borg zijn opschrijfboekje op. 'Heer, wij proberen de boel duidelijk te krijgen, dat is alles. Medewerking van uw kant wordt hierbij zeer op prijs gesteld.'
Toen gebeurde er dus weer iets waarvan je zou kunnen zeggen: kan niet, mag niet (volgens de wetten der vertelkunst), volstrekt onwaarschijnlijk, enzovoorts, 'en toch gebeurde het': door het openstaande raam vloog een drone mijn kantoor binnen. Hij zoemde kleine, beheerste rondjes onder het hoge plafond. Ik herkende er de hand in van Mikkel, de buurjongen, die ik wel eerder met zo'n ding in de weer had gezien, maar ik zei niets. Vijf volwassen mannen, twee met open mond (dat waren Tim en Tom, die zich hierdoor wel wat lieten kennen), staarden naar de drone als naar een wespachtige UFO.
De drone hing stil onder het hoge plafond, wierp een rookbom af en verdween weer door het raam. In no time vulde de hele ruimte zich met dikke rook. Dit was geen rookgordijn meer, maar een rook-donzen dekbed. Tim en Tom brulden door elkaar heen; iemand, ik dacht Kamal, hoestte. Dit alles gaf mij de gelegenheid om rustig door de geheime deur naast de open haard, zo een waar je een klein duwtje tegen moet geven om hem te openen, te ontsnappen naar het alternatieve trappenhuis.





16. Second Wife

Image result for semenov illustrator
Anton Semenov


'Het zat zo, beste Wouters, dat ik, om mijn eerste leven, namelijk dat van gearriveerde, binnengelopen ondernemer wat meer kruid te geven, wat meer jeu, of joie zo men wilt, er een tweede leven op nahield, en het zou zo maar kunnen dat deze twee heren, die zich voordoen als bonafide Belgen, maar dat zegt niets, optreden namens een derde partij die met mij nog een appeltje te schillen heeft.'
De agent had routineus zijn opschrijfboekje erbij gepakt en schreef nu, in ontroerende blokletters, zag ik, 'appeltje'. Ik wist niet dat de politie nog met zulke hulpmiddelen misdrijven trachtte op te lossen, maar misschien golden andere regels voor de politie te fiets; misschien mocht alleen de gemotoriseerde politie bijvoorbeeld zijn aantekeningen maken op een tablet of iets dergelijks.
Ik was eigenlijk wel gecharmeerd van dat opschrijfboekje.
Wouters keek naar mij op als een boer naar een koe die opgehouden is met melk geven. Zijn collega Kamal neusde ondertussen in mijn verzameling art macabre.
'U was actief op Second Wife, of zoiets? Zo'n site waar getrouwde mannen, hoe zal ik het zeggen...'
Ik begon hard te lachen. Het was een strategische lach, om aan Tim en Tom te laten zien dat ik mijn angst weer onder controle had, maar het was ook een gemeende lach. Ik had wel eens gelezen over Second Wife, en Bettina had ons eens smakelijk verteld dat ze al jaren plezier beleefde dankzij die website met ene Jan uit Overijssel, maar de premisse was zo bespottelijk dat ik er nooit een klik aan had vuilgemaakt. Wie een tweede leven leidt doet dat niet om op potsierlijke wijze de poten onder zijn eerste leven uit te zagen, of de zorgen uit dat eerste leven te verdubbelen, maar om er juist een verdieping aan te geven, om dat eerste leven te onderkelderen, om in makelaars-terminologie te blijven, opdat het eerste leven weer wat van zijn oorspronkelijke glans terugkrijgt.
'Wat moet ik me dan bij uw tweede leven voorstellen, meneer?' ging Wouters, toen ik was uitgelachen, bloedserieus door. Nu vond Kamal het tijd om weer iets te zeggen. 'Meer in het bijzonder meneer, acht u de vijanden die u daar heeft gemaakt vijandig genoeg om u een kopje kleiner te willen maken?'


15. Dubbellevens

MC. Escher, Viervlakplanetoïde


Het werd zo langzamerhand tijd om iets over mijn dubbelleven aan de wereld prijs te geven, om wat duidelijkheid te verschaffen over het achterhuis van mijn bestaan.
Iedereen heeft een dubbelleven, maar sommige mensen hebben een interessanter, dubbeler dubbelleven dan anderen, zijn ook beter in het compartmentaliseren (alweer zo'n nuttig anglicisme), het organiseren van het dubbelleven, het scheiden der boedels zogezegd. Enna is ervan op de hoogte dat er een ruimte is, een theater of arena, waar zij geen toegang toe heeft; zij heeft zelf ook zo'n arena, geloof ik. Het is met wederzijdse instemming dat wij elkaar in die arena's met rust laten, no questions asked, maar de komst van Tim en Tom, en daarna de politie te fiets, dwong mij om een kleine deur open te zetten naar dat andere leven, een deur die ik uiteraard liever had dichtgelaten.
Gelukkig bleef Enna beneden bij Bettina (die er een handje van had haar welkom te overstayen), dus van total information awareness hoefde nog geen sprake te zijn.
'Heeft u deze twee Belgen eerder gezien?' vroeg Wouters. De agenten stonden voor mijn bureau alsof ze voor me werkten – niet alsof ik voor hen werkte, wat misschien dichter bij de waarheid was.
'Ik heb geen flauw idee waar ze vandaan komen. Ik wist niet eens dat ze Belgen waren. Eerlijk gezegd zien ze er niet uit als Belgen.'
'Belgen kunnen er op allerlei manieren uitzien,' zei Kamal, de andere agent. Het was voor het eerst dat hij iets zei. 'Er is niet een manier waarop een Belg eruit ziet,' ging hij verder, om, ten overvloede, te besluiten met: 'Er zijn verschillende soorten Belgen.'
Wouters stak zijn hand omhoog, als om een einde te maken aan het betoog. 'Hebt u vijanden, meneer?'
'Wie heeft geen vijanden? Of,' ik stond op en ging voor het raam staan,' laat ik het zo zeggen: wie geen vijanden heeft, heeft niet geleefd. Ik heb hard geleefd, zoals dat heet, in het diepste geheim, onder een andere naam, om mijn reputatie niet te beschadigen, en het zou best kunnen dat daar ooit iets mis is gegaan.'

14. Paspoortcontrole


Image result for pistol artwork

De politie kwam eerder dan verwacht. Ik had graag geschreven dat de politie heel lang op zich liet wachten, dat het typisch zo’n geval was van: heb je ze niet nodig dan staan ze voor je neus en loop je levensgevaar, dan zijn ze in geen heinde en verre te bekennen, maar dat was 'gewoon' niet zo. Wouters en Kamal, zo stelden ze zichzelf voor. Van die frisse jongens. De een magere melkwit, de ander latte macchiato bruin. Op een of andere manier deden ze me erg denken aan Tim en Tom, maar dan in een jongere, beter verzorgde versie. En ze droegen wapens. Dat was het meest in het oog springende verschil. De politie is, buiten het leger, de enige instantie die ‘we’ bewapend hebben, aan wie we een geweldsmonopolie hebben toegekend. Ik ben altijd weer onder de indruk als ik die pistolen zie. Ik kan me zo slecht voorstellen dat ze worden gebruikt, maar misschien zou daar spoedig verandering in komen.
Wouters en Kamal waren voor komen rijden op fietsen. Als ik de politie te fiets zie moet ik soms lachen, denken aan slapstick, maar in Amsterdam is het misschien een goed idee. Enna had opengedaan, ik had boven gewacht. Tim en Tom hadden geen enkele aanstalten gemaakt om hun hielen te lichten. Ze leken zelfs niet nerveus, bepotelden nog steeds hun mobieltjes.
‘Mag ik weten wie u bent,’ vroeg Wouters, wijzend met zijn neus. ‘Heeft u misschien legitimatie?’
‘These gentlemen would like to see some identification,’ vertaalde ik vanachter mijn bureau. Enna was wijselijk beneden gebleven, ik hoorde haar giebelen met Bettina.
Tim en tom schoven van de ene bil op de andere in de clubfauteuils om uit hun kontzak de benodigde documenten te halen. Belgische paspoorten, dacht ik.
‘So you are… Tim Vandenhoven?’ vroeg Wouters aan Tim, de man met de sik, van wie ik dacht dat het de leider was. Je hebt altijd een leider in een groep, zelfs een groep bestaande uit twee leden; het is psychologisch onmogelijk om geen leider te hebben. Dus dat maakte ‘Tom Eerkens’ tot een onderdaan.
Wonderlijke namen, vond ik, maar, inderdaad, die van mij is wonderlijker. Het is maar wat je gewend bent.
‘What are you doing in this house,’ vroeg Wouters, zo nerveus dat hij de paspoorten uit zijn handen liet vallen. Hij raapte ze weer op. Tom glimlachte een geluidloze verkreukelde glimlach.
‘We were invited,’ zei Tim, terwijl hij recht ging zitten. ‘By Into M. Geniet. The man behind the desk.’
‘Is dat waar?’ vroeg Wouters. ‘Zijn ze hier op uitnodiging?’
‘Ja en nee,’ antwoordde ik.




13. Telefoontjes


Insigne de Police insigne de police – cliparts vectoriels et plus d'images de bouclier anti-émeute libre de droits

‘In that case I am going to call the police.’ Enna pakte meteen haar telefoon.
Mijn vrouw had onder een bepaalde werkhypothese gehandeld, en nu die hypothese onjuist bleek te zijn, paste ze met een jaloersmakende veerkracht haar handelingen aan. Ze verkwistte geen tijd aan verbazing, onderzoek of kritiek, maar kwam meteen in actie; daarom hield ik van haar.
Het woord politie maakte iets los in mij. Ik had natuurlijk eerder met de politie moeten dreigen. Waarom had ik niet naar Enna geluisterd en de politie gebeld toen dat autootje voor de deur stond? En waarom had ik ooit mijn vaste telefoon opgezegd, want daarnaar had ik nu, bij gebrek aan mobiele telefoon, kunnen grijpen.
‘Yes darling, why don’t you,’ zei ik, een hand op haar schouder leggend. En, voor het geval het explosieve woord niet goed was doorgekomen: ‘You just go ahead and call the police.’
Ik was benieuwd naar de reactie van de twee mannen in de clubfauteuils. Tim bleef verdiept in zijn telefoontje. Ik sluit niet uit dat hij een spelletje deed. Hij had zijn koekje al op, slurpte aan zijn thee. Tom nam muizenhapjes van zijn koekje, en die muizenhapjes verdwenen akelig traag in zijn verkreukelde mond, terwijl hij zijn ogen niet van Enna afhield, hij bleef haar volgen met zijn verkreukelde oogopslag. 
Zelf had ik die koekjes niet aangeraakt uit angst dat ze vergiftigd waren. Nee, ik  h o o p t e  dat ze vergiftigd waren en dat het gif zich een weg zou banen door Tims en Toms spijsverteringskanaal, om van daaruit een voor een hun vitale organen uit te schakelen, maar voorzover ik kon overzien waren die koekjes niet vergiftigd. Dat was misschien maar goed ook, anders had ik, of Enna, of Bettina, nog wel wat uit te leggen aan de politie, als die ooit kwam.



12. In de ban van de Grote Flauwtes


Related image


Na een kort driftig klopje ging de deur van mijn kantoor open. Enna, met thee. Enna is zo’n vrouw die op cruciale momenten ingrijpt in de geschiedenis, dikwijls zonder het te weten. Haar lange haar, dat achter haar aan golfde, had een troostrijke uitwerking op me.
‘In? Waarom reageer je niet op mijn appjes?’ Ze schoof het dienblad op mijn bureau en begon meteen in te schenken in het flinterdunne, porseleinen Lomonosov servies.
‘Tea?’ vroeg ze aan Tim en Tom, zonder ze aan te kijken. ‘With homemade cookies? My friend made them. Aren't they awesome?’
Tegen mij: ‘Misschien kun je ze vragen wat ze rekenen voor de reparatie van het dak in Ramatuelle… Ik denk echt dat het goedkoper is, In, en in elk geval beter, om deze flex-migranten subito naar de Côte te sturen… ik word gek van die Franse aannemer… hij krijgt het niet klaargespeeld maar wil het niet toegeven… en het moet echt gebeuren voor de herfst… je weet dat vorig jaar het dorp half is weggespoeld door de regenbuien… In? Luister je wel naar wat ik zeg?’
Ze zette een kop bloedhete thee voor mijn neus.
‘Wat is er met jou aan de hand, je ziet helemaal bleek. Ga je weer flauwvallen?’ Het had gekund, de laatste maanden was ik in de ban van de Grote Flauwtes. Ik kon op de vreemdste momenten ineens ter aarde storten. Dan stond ik een half uurtje later op om vrolijk door te leven, maar ik was wel helemaal weg geweest. Black out. Ik ben bij drie dokters geweest. De eerste zei dat ik aan een vorm van epilepsie leed waaraan hij helaas niets kon doen, afgezien van wat onderdrukkende medicijnen met nare bijwerkingen. De tweede zei dat ik oververmoeid was, hetgeen ik aantoonbaar niet ben, of kan zijn...  De derde dacht dat het in mijn voeding zat en heeft me op een sapdieet gezet dat ik precies één dag heb volgehouden.
‘En…’ zei ik. ‘Lieverd...’
‘Wat is er?’
‘Deze mannen zijn niet uit op home improvement. Niet in Amsterdam en al helemaal niet aan de Côte.’
‘Wat komen ze dan doen?’
Ze draaide zich naar mijn gedoodverfde terminators, een puntje van haar gitzwarte lokken streek als een penseel langs mijn gezicht.
Ze waren weer gaan zitten in de club fauteuils, Tim en Tom, met een kop thee en een koekje, en speelden met hun telefoons.

11. Tims dansje

Image result for dynamic pricing artwork
Daniela Schweinsberg, Raspberry dream


Terwijl O-been, hij leek me toch wel de helper, en niet de leider, van het tweekoppige moordcommando, de scherven van mijn telefoon opraapte en in de prullenbak wierp, zo netjes was hij dan weer wel, deed Sik een soort van huppeldansje naar het midden van mijn inderdaad kolossale werkkamer, en sprak met een zangerige intonatie die me niet eerder was opgevallen: ‘Dear Sir, we are only doing our job… As you may understand, we cannot divulge our taskmaster… our taskmaster, differently put, doesn’t want to be known, he would like to stay in the background. I’m sure you would too, if you were in his – or her – position. I suppose you will now object that you are going to be assassinated anyway, and, reasoning from our viewpoint, why not give you the small pleasure, in the last quarter of your life, to be informed of the precise circumstances and facts surrounding our assignment, but unfortunately we cannot help you in this regard, because we are unknowing of those circumstances and facts ourselves… we work for an agency… we are flexworkers in a gig economy… I can however disclose for the sake of your curiosity that our names are Tim and Tom – I am Tim and my friend here with the permanently astonished look on his face is Tom –, I agree, not very believable names, names that could easily have been made up, right here and now… but wouldn’t you say that is the case also of your own name, mister Into M. Geniet?’ Hier pauseerde hij even, om op adem te komen, de riedel had hem vermoeid, maar hij had er zo te zien ook plezier in, hij was nog niet klaar, hij had nog niet alle puntjes aangetikt, zoals dat heet. Tom ondertussen was naast Tim komen staan, met zijn armen over elkaar en zijn O-benen wijd. ‘As far as our price, to use your not so subtle terminology, is concerned… but of course, we could name you a price… everything has a price, has it not, mister Geniet, and the thing about pricing is, you can always make it dynamic… and I like dynamic pricing… but that is a different matter. I don’t know about you, mister Geniet, but even if we could get to a point where demand and supply are satisfied so to say in the marketplace of your office, there still remains a not so small problem we have to take care of…’
‘And that is,’ viel ik Tim in de rede, gewoon om in de rede te vallen, ik had aandachtig naar hem geluisterd, en me verbaasd over zijn precieze, bijna lawyerly manier van formuleren, maar zo langzamerhand vond ik dat er tenminste ook uit mijn mond geluid moest komen dat als een taalhandeling kon worden opgevat.
‘The body.’
‘What about it, mister Tim?’
‘We need to have a body.’ Hij kuchte. ‘Your body, to be exact.’

10. Homo phonus was niet meer.

brancusi sculture
Brancusi


Ik stond op, en stak mijn hand uit, om mijn woorden meer kracht bij te zetten. 'Could I have my phone back, please?'
Het was inderdaad een verzoek, maar een waarvan de niet-inwilligbaarheid ongeveer tegelijkertijd met het doen ervan tot uiting kwam.
Nu stond O-been ook op, we stonden alledrie, het parket kraakte, maar alleen ik had mijn hand nog steeds in de lucht hangen.
O-been haalde mijn telefoon uit zijn broekzak, opnieuw viel me de grootte ervan op, bekeek het apparaat kort en wierp hem toen op de vloer, niet zozeer mijn kant op, maar meer voor zijn voeten, als een leeg sigarettenpakje waar hij vanaf wilde. De telefoon overleefde de val met gemak. Niet alleen was hij zelf state of the art, zo ook de rubberhoes – ik herinner me dat ik er twee honderd euro voor had betaald. Maar wat hij niet overleefde, was de hak die O-been in mijn telefoon plantte. O-been had, misschien vanwege zijn O-benen, geen teenslippers aan, zoals Sik, maar echte schoenen, lelijke schoenen, maar wel echte, en op die schoenen zaten hakken, echte hakken, en die lieten zich niet eenvoudig, maar met een beetje doorzetten, toch wel door het scherm van mijn telefoon heen werken.
De telefoon leek het wonderwel nog te doen, dacht ik te kunnen zien, vanachter mijn bureau, totdat Sik zijn compagnon te hulp schoot met een stenen beeldje van Brancusi dat hij in de wandkast had gevonden. Kort maar hevig hamerde hij het beeldje in mijn telefoon, totdat het licht doofde.
Homo phonus was niet meer.
In een reflex draaide ik mij om en opende het grote raam dat uitzag op de binnentuinen en hapte naar lucht. Met geen mogelijkheid zag ik mezelf door dat raam naar buiten vluchten, daarvoor was ik niet lenig genoeg, en trouwens, de kans dat ik een beeld van Brancusi of iets anders achter me aan zou krijgen, was niet denkbeeldig.
'Who sent you? What's your price? Why are you doing this to me?'
Drie vragen, in de onlogische volgorde van de homo panicus, vragen die geen van drieën tot de categorie last requests konden worden gerekend, maar die toch moesten worden gesteld.