De laatste vlieg en de alleenheerser



De laatste vlieg landt op de luie kin van de alleenheerser, die in bed Aesopus ligt te lezen. De alleenheerser beweegt zijn hand naar zijn kin, de vlieg vlucht en landt op zijn filtrum. De alleenheerser beweegt zijn hand naar zijn filtrum, de vlieg vlucht, en landt op zijn linker neusvleugel. De alleenheerser brengt zijn rechter wijsvinger naar zijn linker neusvleugel, de vlieg vlucht, en landt op zijn kin. Dit gaat zo een tijdje door; de alleenheerser is voldoende geboeid door Aesopus om door te blijven lezen, totdat hij ineens woest om zich heen slaat, eerst met zijn handen, daarna met Aesopus, Aeschylus, dan nog met Adriaan van Dis, en als dat allemaal niets uithaalt, roept hij de opperbevelhebber van het land bij zich met de opdracht alle vliegen te verdelgen. De opperbevelhebber informeert nog naar het budget ('zonder plafond'), mompelt dat het seizoen voor vliegen eigenlijk voorbij is en gaat aan het werk. In no time meldt hij met gepaste trots dat alle vliegen van het land zijn verdelgd. De prijs hiervoor is vrij hoog: het land is onvruchtbaar geworden en alle bebouwing, afgezien van het verblijf van de alleenheerser, is weggevaagd. Alleen de opperbevelhebber en een handvol wijze vrouwen zijn gespaard gebleven. Voldaan neemt de alleenheerser Aesopus ter hand en leest verder. De laatste vlieg die in een hoekje op sterven ligt, zegt: 'En ik wilde u alleen maar kussen.'

Twee paarden



Twee paarden draven door de woestijn. Ze krijgen dorst. Bij een teleurstellende oase drinken ze wat lauwwarme zanderige troep en vervolgen hun weg. Dat gaat goed, ze genieten van de wijde nietsigheid, totdat de dorst in alle hevigheid terugkeert. Moeten ze omkeren naar de teleurstellende oase, of doordraven, in de hoop een bevredigende oase aan te treffen met koeler, helderder water? De paarden willen graag hopen en draven door maar hun optimisme is al tanende. Ze draven alsof hun leven ervan afhangt, en in nogal letterlijke zin is dit ook zo, maar hoe harder ze draven, hoe groter de dorst. 'Wat denk jij,' vraagt het ene paard, de strot kurkdroog, de kop omlaag tegen de moordende zon, 'zullen we niet toch omkeren?' Het andere paard schudt zijn hoofd. 'Als we nu omkeren, halen we die oase niet meer. We moeten door.' 'Ik keer om,' zegt het ene paard. 'Ik wist het wel,' schuimbekt opeens het andere paard, 'ik had nooit met jou op pad moeten gaan!' Het ene paard schudt zijn hoofd. 'Jij ook altijd met onmogelijke ideeën!' Het paard dat omkeert komt om door uitdroging, het paard dat doordraaft wordt gevangen genomen door een passerende karavaan. 'Wat doe jij hier in je eentje?' vraagt een kameel. 'Ik had een vriend,' zegt het paard, 'maar die heeft me verlaten.' 's Avonds, bij de oase, wordt het paard aan stukken gesneden en opgegeten.

Huishoudelijke mededeling



'O. ' en 'Geheim' zijn twee stukjes van mijn hand (oude stukjes, ook nog) die meedingen naar de A.L. Snijdersprijs 2014. Ze staan inmiddels beiden op de longlist. De publieksprijs gaat naar het stukje dat de meeste klikjes krijgt.

Imres talent



Hoewel meisjes vaker dingen inslikken, slikte dit meisje, Imre (niet haar echte naam), spijkers in. Geen roestige. Nieuwe. Ze kocht ze op internet, omdat ze zich niet in een ijzerhandel wilde vertonen. Niet zo vaak althans – met dezelfde bestelling. Ze slikte ze langzaam en behoedzaam in. Een voor een, een heel doosje achter elkaar, alsof ze kettingrookte. Zonder water of olie gleden de scherpe artefacten toch nog opmerkelijk soepeltjes haar spijsverteringskanaal in. De mond was welcoming. Ze kauwde niet of nauwelijks. Niet omdat ze niet wilde kauwen, of omdat het zinloos was om te kauwen (als je zo begon), maar omdat ze de spijkers met enige spoed door haar lijf wilde drijven. Eenmaal ingeslikt was de spijker, in haar perceptie, gewonnen, en verloren. Haar slokdarm was aan zet, haar maag, haar darmstelsel. Imres talent, als het dat mocht worden genoemd, bestond eruit dat de spijkers vrijwel ongedeerd haar vrijwel ongedeerde lijf verlieten. Er kleefde hooguit wat slijm aan; vooralsnog leek het er niet op dat Imre haar lichaam van binnenuit perforeerde. Dit was ook niet haar doel; evenmin had ze de ambitie om in het circus op te treden, op popfestivals, in het alternatieve theatercircuit of voor de altijd weer hongerige groepjes spijkerfetisjisten waarvan men het bestaan wel vermoedt, maar zelden bevestigd wil zien. Imre slikte spijkers in en poepte ze weer uit. Daarmee was alles gezegd. Er was, in die zin, ook geen verhaal. Imre was het verhaal.

Minimal music



Drie mannen en een piano in een lege winkel. Eentje speelde de blues. Eentje keek van de bovenkant in de klankkast. Eentje hield de lage bes in de gaten. Als hij vond dat de blues een lage bes nodig had, drukte hij de betreffende toets in. Meestal kort, maar soms liet hij hem ook lang aan, alsof hij een uitgebreider punt wilde maken. De bluesspeler zag het door de vingers, hij zat in zijn spel. Dat veranderde, als de man die van bovenaf de klankkast in keek aan de snaren krabde voor het effect – een horror-effect dat hem aan zijn kinderjaren in Hamburg deed denken als hij op de mat werd gegooid bij judo en genoot van de nederlaag. De bluesspeler stond dan op, en duwde de klep van de klankkast bovenop de arm van de snarenkrabber – zo stevig, dat diens bovenarm half verlamd raakte; nochtans gaf hij geen krimp. Wel hield hij op waar hij mee bezig was, in die zin was het een effectieve ingreep. De bluespianist opende de klep weer, viste de arm, waar weinig leven meer in zat, uit de klankkast, overhandigde deze aan de rechtmatige eigenaar en speelde verder. Het was een vrij lange blues, een blues in meerdere delen, een blues-suite zou je ook kunnen zeggen, als dat niet zo pretentieus klonk, maar er werd niet of nauwelijks geïmproviseerd. De bluesspeler hield niet van improvisatie, hij beschouwde de blues als minimal music, die op doodernstige wijze moest worden uitgevoerd, en anders niet. De verkoper maakte er een einde aan.

De mier die op stel en sprong vertrok naar Mantsjoerije



De mier die op stel en sprong vertrok naar Mantsjoerije kon aan de leden van zijn kolonie niet goed uitleggen a)waarom hij zo nodig weg moest, en b)waarom op stel en sprong. Waarom naar Mantsjoerije kon hij wel goed uitleggen. Dat was namelijk omdat hij daar een tante had wonen – eigenlijk een oudtante – die in haar eentje in een groot huis woonde, met een fantastische kruidentuin eromheen, en hem ooit had uitgenodigd om te komen blijven logeren zo lang hij maar wilde. De mier had de uitnodiging afgeslagen, hij zou haar maar tot last zijn, wat moest hij met haar in dat grote huis, die fantastische kruidentuin, maar nu dan werd hij overvallen door het idee dat de enige juiste plek op aarde in Mantsjoerije was, bij zijn oudtante. Alleen daar en nergens anders, had hij zichzelf wijsgemaakt, zou hij aarden en gedijen. Het was niet zo dat hij in zijn huidige woonplaats, Minsk, hoge belastingschulden had, dreigde te worden uitgemoord of alsnog opgeroepen voor militaire dienst (hij had eerder geweigerd wegens gewetensbezwaren) in de voortdurende strijd tegen opstandige rebellen. Eigenlijk was zijn bestaan 'niet onprettig', en toch werd hij gedreven door een innerlijk vuur in de richting van zijn oud-tante, anders wist hij het ook niet. Van een innerlijk vuur hadden de leden van de kolonie nog nooit gehoord; ze maakten zich, om eerlijk te zijn, een beetje zorgen over hem. Toch was er niemand die hem tegenhield. De mier vertrok en kwam dankzij gunstige verbindingen vroeg in Mantsjoerije aan. Maar de oud-tante herkende hem niet meer en hield alle gaten dicht. De mier verstopte zich tussen de marjolein. Toen de oud-tante stierf, trok de mier in het huis, maar hij aardde niet en gedijde niet. Niet veel later meldde hij zich weer in Minsk – met hangende pootjes, inderdaad – en wierp zich op een oude hobby, morse.