De man die niet wegging


De man had het kind gebracht, en was zoals altijd nog even blijven zitten, met zijn hygiënische oversloffen aan, op de lipstickrode IKEA-bank, en zag tot zijn vreugde dat het kind er zin in had vanochtend, het ging er meteen vandoor, stortte zich op de andere kinderen, begeleiding van zijn kant was niet nodig, noch het zachte op weg helpen noch het daaropvolgende, wrede lostrekken – maar dat hoefde ook niet, want hij ging niet. Hij merkte dat hij bleef. Eerst leek de leidster dit nog wel op prijs te stellen, alle kinderen waren binnen, maar zij was nog bezig met de fruithapjes, en kon zo niet iedereen in de gaten houden; het zou nog even duren voordat de tweede leidster kwam. Maar ook toen de fruithapjes klaar waren en de kinderen aan tafel zaten, vertrok de man niet stilletjes, of niet zo stilletjes, met uitzwaaien enzovoorts, geruststellen dat de dag 'eindig' was, zoals hij dikwijls zei, maar bleef zitten op de lipstickrode IKEA-bank, op dezelfde plek, bij het raam, hoewel daar niets te zien was. Hij zat en keek naar de verorbering, voorzover daarvan sprake was, van het fruithapje, bestudeerde zijn ene hygiënische overslof die boven de grond bungelde, zijn telefoon bleef onaangeroerd. De leidster keek even op naar de man op de bank, beschaamd, ze durfde niets te zeggen, wist ook niet wat te zeggen; wilt u ook een fruithapje zou absurd zijn. De tweede leidster kwam, de man zat nog steeds op de bank, groette beleefd, de leidsters smiespelden, wisten niet wat te doen. Toen werd de directeur erbij gehaald. Hij zeilde de ruimte binnen en posteerde zich met benen wijd en armen over elkaar bij de knuffelkast. 'Mag ik vragen wat u hier doet?' 'Niets,' zei de man. 'Wat bent u van plan?' 'Ook niets.' 'Dan lijkt het me het beste om naar uw werk te gaan.' 'Ik ben op mijn werk,' zei de man. 'Ik kan me niet herinneren dat ik u heb aangenomen, ik heb nog nooit een man aangenomen, ik ben de enige man die hier werkt,' sprak de directeur, de leidsters een voor een aankijkend. 'Is er een wet of huisregel tegen mijn aanwezigheid?' Nee, dat moest de directeur toegeven, er was geen wet of huisregel tegen de aanwezigheid van de man, maar toch, als hij niet ging, dreigde hij, belde hij de policie. De directeur verdween, geërgerd, verwensingen mompelend. De leidsters haalden de kindjes uit hun stoeltjes en probeerden de man op de bank te negeren, maar dat viel niet mee, omdat de kinderen hem niet negeerden. De telefoon ging, een van de leidsters nam op, de directeur informeerde of de man er nog was. Even later belde hij nog eens, maar toen hield het op. De policie kwam ook niet. Het was niet meer nodig.

Verlaat zeer kort kerstverhaal



Iwan werd door Ron, in wiens huis hij vier lange weken in het middelpunt van de belangstelling had gestaan, op straat gegooid met de woorden: 'Zo, weg met die smerige naaldentroep, o gottegod wat ben ik blij dat het allemaal weer voorbij is.' Iwan was een van de laatste afgedankte bomen op straat, de meeste waren al opgehaald en ritueel verbrand. Nee, een rituele verbranding zat er voor Iwan niet meer in, maar het was ook niet zo dat hij zich daarop had verheugd. Hij wilde best worden gecremeerd, maar niet perse en masse, en bovendien, mocht hij misschien zelf het moment bepalen? Hij baalde ervan dat hij geen kluit had. Dat Ron het echt nodig had gevonden, of beter gezegd: de bloemist waar Ron kwam, om zijn voet af te hakken en er een kruis voor in de plaats te timmeren, anders had hij nog terug kunnen worden geplant, in een parkje of zo, door een meisje met een hart en groene vingers. De ironie! – voor wie er nog gevoelig voor was – hij, Iwan, was gekruisigd – zagen de mensen dat dan niet? Maar goed, zijn hoogtepunt lag achter hem, hij lag op zijn zij en was stervende. Het was een kwestie van tijd voor hij op de vuilstort belandde, en dan, tsjideng, in de houtversnipperaar. Maar zie, vlak voor de officiële grofvuilophaaldag ging het sneeuwen. Iwan raakte ondergesneeuwd. Hij genoot. Ongesneeuwd worden was iets verrukkelijks, hij leefde weer helemaal op. Toen het al snel weer begon te dooien, besefte hij dat het stervensproces door de sneeuw alleen maar was stilgezet, of niet eens stilgezet, vertraagd. Het werd warm, en hoewel het regende, verloor hij al zijn naalden. Hij verdorde. Een Volvo parkeerde bovenop hem, Ron stapte uit. Alles kraakte. Iwan verlangde naar het woud.

Mededeling



Tot onze spijt moeten wij u meedelen dat in uw afwezigheid uw huis is afgebroken. We hebben enkele waarschuwingen naar u gezonden, waarschuwingen die uitmondden in dreigementen, maar daar kwam geen antwoord op, dus toen begon de sloop. We hadden geen keus. Gelukkig is het besluit om uw huis af te breken geheel unaniem genomen. Er waren geen mensen tegen. Niemand heeft geprotesteerd. Toen de sloop echt goed op gang begon te komen, zo tegen de middag, kwamen wat buren kijken, maar die stelden geen vragen. Althans geen vragen die erop duidden dat zij het oneens waren met de gang van zaken. Sommige toeschouwers klapten toen de voorgevel explodeerde, hoewel, dat hoeven we u niet te vertellen, die voorgevel historische waarde vertegenwoordigt, maar aangezien we niemand konden vinden die de historische gevel wilde redden, hebben we ons fiat gegeven. Zo tegen de avondschemering zat het erop. Er was niets meer over van uw huis. Niet alleen was elke steen, elke dakpan, elk raam, elke steunbalk vernietigd, maar ook al het puin was geruimd. Aan het eind van de werkdag – als we destructie werk mogen noemen! – leek het alsof uw huis nooit had bestaan. Dat was een, wat men wel noemt, vreemde ervaring. Als u interesse heeft in de beelden van de destructie, dan verwijs ik u naar een van uw overburen, of moet ik zeggen, voormalige overburen, de heer Stoorvogel, die het hele proces van begin tot eind heeft vastgelegd. Dankzij de wonderen der hedendaagse technologie is dit ook mogelijk, zoiets zou vroeger niet mogelijk zijn. Wij willen u bedanken voor de in ons getoonde interesse en wensen u, hoewel wellicht wat aan de late kant, alle goeds voor het nieuwe jaar.

Waarneming

Johann Hauser


Het was avond, ik stond voor Thomas Rosenbooms deur, de deur ging open, er brandde geen licht in zijn huis, de gang was geheel verduisterd, ik liep op de tast naar binnen, noemde zijn naam, maar hij zei niets, ik meende hem waar te nemen in de hoek van de zitkamer, althans: een rustig smeulende sigaret zweefde door de ruimte, dus daar liep ik op af, ik hoorde iemand ademhalen, ik stak mijn hand uit, maar die bleef in de lucht hangen – niet zo vreemd, dacht ik, want hij kon hem niet zien – de door mij waargenomen ademhalende gestalte bewoog zich naar een andere kant van de kamer achter de rustig smeulende sigaret aan, hij leek met een boog om mij heen te lopen, wellicht waren zijn ogen gewend aan de duisternis, voor mij was alles om mij heen nog steeds duister, ik was opgehouden zijn naam te noemen, ik was er nu zeker van dat hij zich in mijn nabijheid bevond, kennelijk had hij besloten dat hij niets ging zeggen, wat vreemd was, want we hadden een schaakafspraak, dacht ik, en het was nog niet eerder voorgekomen dat hij een spel met mij speelde, althans niet zo'n spel, hoewel ik daartoe wellicht uitnodig, mijn aanwezigheid nodigt uit tot spel, heb ik gemerkt, nochtans speel ik niet, ik ben er alleen om vragen te beantwoorden, indien nodig, maar er kwamen geen vragen, niet van Thomas Rosenboom, of misschien was hij het wel helemaal niet, was die ademende, bewegende gestalte met rustig smeulende sigaret die ik meende waar te nemen iemand anders, Thomas Rosenbooms dubbelganger misschien, dat zou interessant zijn geweest, met een nog lichter baardje, van een ander merk rokend, ook met Thomas Rosenbooms dubbelganger had ik graag geschaakt, blind desnoods, maar net toen ik wou vragen wie is daar, raakte mijn vooruitgestoken hand een naakte, bezwete borst.

De ruil van de huid



Een afstotelijk meisje met een scheef gezicht, en in het bezit van buste, lippen noch wimpers, leefde samen met een bejaarde van sublieme elegantie en schoonheid in een vervallen strandhuis in Baja California in de jaren 70 van de 20e eeuw. Het scheve meisje, laten we haar Hikia noemen, woonde in de rechtervleugel van het strandhuis, en het bijzonder goed geconserveerde besje – bijnaam Andalucia, inderdaad naar het betreffende land, waar ze overigens nog nooit was geweest en ook geen plannen had om heen te gaan – woonde in de linkervleugel; daarnaast had ze de beschikking over een zentuin – vooral omdat die geen onderhoud behoefde. In het midden van het strandhuis was een keuken waar Hikia en Andalucia om de beurt kookten; Hikia bereidde bittere en zure gerechten, Andalucia was gespecialiseerd in zoet, zout en umami. Hikia had zichzelf goed in de spiegel bekeken, en was ook door haar schaarse vriendinnen uit het aanpalende spookdorp afdoende op subtiele en minder subtiele wijze op haar wanstaltigheid gewezen, dat zij zich op een stoute dag naar de linkervleugel van het strandhuis begaf, en tot de aantrekkelijke bejaarde sprak: 'U sterft binnen afzienbare tijd, mogen we aannemen, terwijl ik nog wel eventjes verder moet. Wat dacht u ervan, als u uw schitterende lichaam niet aan de wetenschap, maar aan mij ter beschikking stelt? Misschien kan ik in uw huid nog wat van mijn leven maken.' Andalucia ging akkoord, het leek haar zelfs nobel, maar onder één voorwaarde, namelijk dat Hikia alles in het werk zou stellen om te trouwen met Zak, een jonge god uit een naburig gat, op wie Andalucia al een decennia een oogje had, maar die haar wegens haar bejaardheid steeds had afgewezen. Hikia zei blind ja. Andalucia stierf – toch nog eerder dan verwacht, de laatste bewoners van het spookdorp dachten dat Hikia de hand had gehad in haar dood, dat zij haar als het ware een duwtje had gegeven, richting de zee om precies te zijn, maar dat was niet zo. Voor Andalucia de grond in ging, werd zij vakkundig gevild door de plaatselijke viller, waarbij vooral werd gelet op buste, lippen en wimpers. Hikia had haar vriendinnen niets verteld over de ruil van de huid; integendeel, ze had iedereen doen geloven dat ze, mede onder druk van de verdenkingen tegen haar, beter naar de grote stad kon verhuizen om daar op te gaan in de massa. Hikia in de huid van Andalucia noemde zich Paloma, en deed zich voor als een nieuwkomer uit Acapulco. Het duurde niet lang voordat ze Zak in de gaten kreeg, en Zak haar. 'Je lijkt erg op een vrouw die ik gekend heb,' zei Zak tegen haar, 'je bent minder mooi, maar misschien vind ik je daarom wel intrigerender.' 'Iedereen lijkt op iemand,' had Paloma gezegd. 'Iedereen is minder mooi dan iemand die hij kent. En niemand lijkt op niemand.' Op de dag van hun huwelijk wilde Paloma haar geheim verklappen, dat ze Hikia was in de huid van Andalucia, maar ze hield wijselijk haar mond. Toch weigerde Zak haar toen puntje bij paaltje kwam te trouwen. 'Ik blijf liever alleen,' zei hij. Paloma bleef alleen achter in het strandhuis. Op een bijzonder zwoele avond zat ze buiten en schrompelde langzaam ineen.

Stapelen vs. rangschikken

Kumi Yamashita


De rommelig gestapelde mensen bezochten de keurig gerangschikte mensen en zeiden dat hun manier van leven niet deugde. Waarom zou je gerangschikt leven, zeiden ze, als het ook gestapeld kan? Nee, er was werkelijk geen enkele reden, aldus de gestapelde mensen, om een gerangschikt leven te leiden, of het moest een behoefte aan ruimte zijn, aan reinheid, aan vrijheid, en ja, wie heeft daar nu behoefte aan? Nee, die ruimte, reinheid en vrijheid werd zwaar overschat, wisten de gestapelde mensen, het geluk zat hem in de chaos, het intersubjectieve door-elkaar-heen, en dat lukte toch het beste in een gestapeld systeem. Nu begonnen de gestapelde mensen nog tijdens hun bezoek aan de gerangschikte mensen licht te twijfelen aan de waarde van ruimtegebrek, rommel en onrust. Maar wacht even, rangschikken is uitsluiten, isoleren, koloniseren. Een gerangschikt leven betekende een kolonisatie van het zelf, en aangezien kolonisatie altijd verkeerd is, alsmede uitsluiting, was ook deze kolonisatie en uitsluiting verkeerd, alhoewel er geen slachtoffers waren – althans nog geen slachtoffers die zich hadden georganiseerd en gemanifesteerd tegen hun onderdrukkers. Als er al van onderdrukking sprake was, bij de gerangschikten, dan was het de onderdrukking van het zelf. Ja, zo zat het: de gestapelde mens was vrijer, want hij werd niet onderdrukt, althans niet door hemzelf. De gestapelde werd hooguit onderdrukt door de stapeling – behalve hij die bovenop lag. Hij die bovenop lag was de koning van de stapel, maar die kon er weer niet zo gemakkelijk uit, en was in die zin opgesloten in de stapel – net zoals de onderste trouwens, die maar moest afwachten of hij niet zou bezwijken onder het gewicht. De middelsten hadden noch de luxe van de onmiddellijke ontsnapping, noch de last van de maximale stapeling, maar hun tragiek zat 'm juist daarin.

Het meisje achter het scherm



Ze zat er. Elke dag weer. Ze deed iets. Alleen zij wist wat. Wij konden alleen maar naar haar kijken, en denken. De gedachte verslaat de werkelijkheid, keer op keer. Telkens als je denkt: de werkelijkheid is geweldig, komt de gedachte op de proppen en weet je, de werkelijkheid kan inpakken. Maar het meisje. Ze is er niet meer. Ze zit niet meer achter het scherm. Wij zien een scherm, een groot scherm, zonder meisje. Een scherm zonder meisje is zoiets als een land zonder volk, man zonder vrouw, vrouw zonder kind, kind zonder, nou ja, benen. We zijn radeloos. Waar is het meisje? Is ze... opgelost? Is ze... naar Parijs? Of is ze teruggekeerd naar de moederschoot. Dat laatste valt te begrijpen. We willen allemaal terug naar de moederschoot, maar dit meisje wil dat, dunkt ons, in het bijzonder. Want waar was het geluk, in de combinatie meisje – scherm? Meisje: ja, scherm: ja (of, althans de belofte van geluk), maar de combinatie: moeilijk. Het geld was er, de macht was er, de verbinding was er – verbindingen te over – maar het geluk, steeds beter meetbaar dezer dagen, bleef onvindbaar. Natuurlijk, geluk moet niet voor het oprapen liggen. Er moet een element van strijd, van tegenslag, van onoverkomelijke hindernissen zijn. Zou het kunnen zijn, dat het meisje het geluk vond in het scherm, door het scherm en via het scherm, en daarom zichzelf niet meer nodig had?

Spontaan gewichtloos tripje



Op 27 juni 2077 verhuisde d11bµ met zijn kloon naar Mars, het derde kwadrant, vierde meridiaan, zesde barak, eerste unit. d11bµ stuurde braaf een verhuisbericht, maar zijn connecties die achterbleven lieten het afweten, in die zin dat ze geen enkele reactie gaven op het bericht, laat staan plannen maakten om hem op te zoeken, of maar te informeren naar het welzijn van zijn kloon. d11bµ  had altijd gedacht dat afstand er niet toe deed, dat connecties zulke praktische hindernissen met gemak overbrugden, maar daarin werd hij teleurgesteld. d11bµ maakte nieuwe connecties op Mars, dat wel, zijn kloon nam zelfs deel aan een leesclub, de manier, in de jaren zeventig van de eenentwintigste eeuw op Mars, om connecties te maken. Vanwege de verhuizing, die veel bitcoins had gekost, en hij nog niet bedreven was in het minen  – om heel eerlijk te zijn begreep hij het principe van bitcoin mining niet eens echt helemaal, maar hij dorst niet uit te komen voor zijn onwetendheid – moest hij zijn jetpack van de hand doen. Dit beperkte hem nog verder in zijn mobiliteit, spontane gewichtloze tripjes waren er nu niet meer bij, op en neer naar de Grote Kauwgumbal was om diverse redenen uitgesloten. Omdat hij op de gebruikelijke entertainment-opties raakte uitgekeken, sloot ook hij zich aan bij de leesclub van zijn kloon. Ze lazen op dat moment de Nederlandstalige literatuur uit de jaren tien, een laatste stuiptrekking van het genre, die werd gekenmerkt, volgens de leesclubleider, een eenogig figuur genaamd (*), door een opmerkelijke letterlijkheid, spottend het Nieuwe Nieuwe Realisme genoemd – spottend, omdat er aan dat realisme natuurlijk niets nieuws was, laat staan nieuw-nieuws, en het was ook eigenlijk onmiddellijk evident, aldus (*), dat de Nederlandstalige literatuur zichzelf met zulk realisme overbodig maakte, en inderdaad, in de jaren twintig van de eeuw, ook wel de Boring Twenties genoemd, hield deze literatuur op te bestaan. d11bµ genoot van de discussies in de leesclub; tot zijn verbazing en genoegen kwam hij heel aardig mee, hoewel hij nog nooit iets gelezen had. Door een onnozel zuurstoftekort na een glijpartij in een socio-tank overleed d11bµ op 5 november 2091. De kloon keerde na de bevriezing terug naar de aarde en publiceerde vlak voor de eeuwwisseling zijn genetische code, die uitgroeide tot een, vooral onder bots virale, intergalactische grap.

Tiuroov



Het was nacht en ik holde achteruit. Ik gebruikte mijn telefoon als spiegel. Men zag mij wel komen, maakte plaats, maar besteedde verder geen aandacht aan me. Het was interessant om achteruit te hollen. Aangenaam zou ik willen zeggen, maar het was niet aangenaam. Ik zag waar ik vandaan kwam. Op mijn afkomst had ik het beste zicht. Waar ik naar toe ging was minder duidelijk, maar ik viel tenminste niet, dat was het belangrijkste. Bij elke hindernis minderde ik vaart. Wel botste ik tegen een vrouw aan, een oude vrouw, die zo krom was dat ze haar hoofd niet op kon tillen. In mijn telefoon-spiegel viel mijn oog op haar kaalheid. Ik werd afgeleid door haar kaalheid, raakte gefascineerd, het leek alsof ik door haar kaalheid werd aangetrokken, alsof mijn telefoon haar kaalheid wilde kussen. Ik botste met mijn rug tegen haar schedel, ze kantelde, wankelde, maar viel gelukkig niet om. Wel schold ze me de huid vol, maar ze zag niet dat ze tegen mijn rug sprak. Ik holde snel verder. Langs het water. Het is in deze stad, ook als je achteruit holt, lastig om niet langs het water te hollen. Achteruit langs het water hollen is spelen met vuur. Aan de overkant van het water zag ik lichtjes. Daar moest iets zijn. Ik ging de andere kant op. Normaal vrees ik, vooral 's avonds, in de rug geschoten te worden, – zonder reden, zal een restje paranoïa zijn, gezonde paranoïa wellicht –, maar dat had ik nu niet. Ik kon nog steeds in de rug geschoten worden, door iemand voor me, iemand die op me afkwam, maar daar was ik niet bang voor. Net voordat ik de stad verliet, achteruit hollend, mijn kuiten begonnen te protesteren, mijn voeten begonnen te protesteren, mijn achillespezen begonnen te protesteren, volgde ik dezelfde weg terug, maar nu vooruit, rustig wandelend, omdat jij mij met een lier weer binnenhaalde.

Het erfstuk


Duizend jaar geleden in de Dolomieten nam een oude boer een steen op van de grond en zei tegen zijn zoon: 'Als het jou lukt om voor nageslacht te zorgen, dat weer op zijn beurt voor nageslacht zorgt, dat voor nageslacht zorgt, enzovoorts, tot in de veertigste generatie, en er wordt dan een dochter geboren, dan mag die dochter deze steen houden.' De zoon keek de vader verheugd aan, want hij had geen erfstuk verwacht, maar ook wat bezwaard, omdat hij opzag tegen de verantwoordelijkheid. De boer stierf; de zoon zorgde voor nageslacht – dit bleek in de Dolomieten, in die tijd, niet zo ingewikkeld: je ging naar het dorp, wachtte tot je een vruchtbare vrouw zag, en bevruchtte die, net zo vaak als nodig. De man kreeg een zoon, en bracht de zoon, met de steen in zijn hand, de boodschap van zijn vader over. Enzoverder, enzovoorts tot in de eeuwigheid amen. Totdat, twintig jaar geleden, in datzelfde, laten we zeggen volhardende boerengeslacht, een meisje werd geboren. Dat meisje zou de steen mogen houden. Er was alleen een probleem, ze toonde geen interesse. De steen kon haar gestolen worden. Haar vader zei: 'Dat kun je niet maken. De duizendjarige traditie in onze familie staat op het spel.' Het meisje hield vol dat ze onmogelijk gedwongen kon worden om die steen te houden, you can bring a horse to water but not you cannot make him drink en woorden van gelijke strekking. De vader riep zijn broers bijeen voor spoedberaad. Ze besloten de steen onder haar voetzool te bevestigen, zodat ze elke dag, elke minuut herinnerd zou worden aan haar verraad, maar ze hadden er niet op gerekend dat het meisje bereid bleek haar voet af te zetten, om van de steen verlost te zijn. Als eenbenige schopte ze het nog ver in het monoskiën, maar kinderen kreeg ze niet.