Nudisme voor beginners

Anton Mauve: Morgenrit op het strand (1876)

De eerste duik in zee dit jaar had enige voeten in de aarde. Om te beginnen had ik geen zwembroek bij me en ook geen handdoek. Het strand was tamelijk druk en ik had nu eens geen zin om mijzelf cq. de mijnen te generen. Dus: wandelen. Het is goed om te gaan wandelen als men ergens niet uitkomt; dit wisten de Grieken al. Ik wandelde langs het water richting het noorden, met de zon in mijn rug. Het aantal strandgasten verminderde aanzienlijk, maar helemaal leeg werd het niet. Ik keek naar de zee. Die was kalm en uitnodigend, ook al had mijn moeder vooraf gewaarschuwd dat het water slechts 8 graden was. Ik had daarop geantwoord dat ik een paar jaar geleden afdaalde in de Oostzee, toen 6 graden, maar niet dan nadat ik was voorgekookt in de sauna.
De strandhuisjes in de duinen werden hier en daar al bevolkt. Een groepje in het bijzonder van een man of zes, viel mij op, en ik denk dat ik hen ook ben opgevallen. Iemand die iets van plan is, valt op. Ik draaide mij om en overzag de uitgestrekte watervlakte, die sinds de aanleg van windmolens in zee, iets minder uitgestrekt lijkt, en trok mijn t-shirt uit. Daarna trok ik mijn broek en mijn onderbroek in één moeite door uit, legde mijn kleding op een stapeltje en liep de zee in.
'Hé!' hoorde ik achter mij uit de verte roepen. Ik reageerde niet. Toen ik eenmaal zwom dacht ik: 'Ze pakken mijn kleren. Ze verscheuren mijn kleren voor mijn ogen. Ze steken mijn kleren in brand.' En: 'Ze waarschuwen de autoriteiten.'
Nadat ik vijftig meter de zee in was gezwommen, begon mijn lijf te tintelen. Ik keerde om. Mijn kleren lagen er nog, onaangetast. Ik ging met mijn blote kont in het zand zitten drogen in de zon. Een jongen en een meisje met een Sint Bernard – dewelke laatste, vreesde ik, wellicht zijn snuit in mijn kruis zou willen steken –, liepen met een grote boog om mij heen.

Huilnummer



In een Libération die ik uit Parijs heb meegetorst, lees ik dat animateur (dat beroep kende ik ook niet) Stéphane Saunier's favoriete huilnummer 'Drunk in the morning' is. Ik ken dat nummer niet, en aangezien ik een zwak voor huilnummers heb, tijp ik het in op YouTube. Onmiddellijk start een vreselijk opgewekt pop-nummertje, met bijbehorende video, waarin een vadsige krullenbol, die zich 'Lukas Graham' noemt, zingt hoe hij, als hij 'drunk in the morning' is, een meisje belt, van wie hij aanneemt dat ze 'lonely' is, en dat hij dan hoopt dat ze opneemt, ook al weet hij niet zeker of hij het goede nummer heeft. Geen Nobelprijs-materiaal, dit. Het zal toch ook niet het huilnummer zijn, dat de Parijzenaar in Libé bedoelde? Hiervan zullen hooguit zij huilen die een hekel hebben aan de mensheid. Inderdaad, even doorscrollen naar onder leert dat er nog een 'Drunk in the morning' is, en wel van Mick Farren. Lijkt er al meer op. Twee, drie akkoorden, een slepende slaggitaar, op de tel. Toch hoor je meteen dat het muzikaal is. Farren zingt op een Jim Morisson/Dylan-achtige manier, hij spuwt de woorden uit, bijna met tegenzin, dikwijls vals. 'Feels like I ate some old brass keys.' Kijk, dat begint er op te lijken. Farren blijkt frontman van protopunk band The deviants te zijn geweest. Stonede plaat, Ptooff (1967). Huilen weet ik niet, nog geen zin in, maar toch een fijne ontdekking.

Live in Betondorp

Lilou Dekker

We zijn wat vroeg in Betondorp voor Circus Reve, een voorstelling van Arie Storm over de volksschrijver in een open tent bij zonsondergang, aan de rand van de A10, dus we maken een ommetje. Zo vaak komt een mens niet in Betondorp, dus dat is alvast winst. We zien een man op de stoep brood voeren aan een nijlgans. 'En,' kan ik niet nalaten te vragen, wijzend op het parade-achtig gedoe op het grasveldje verderop, toeschouwers komen druppelgewijs langzaam aan vanuit de stad, 'wat vindt u ervan?' 'Asociaal,' antwoordt de man zonder een moment na te denken. Er valt een stilte die niet anders dan ongemakkelijk is te noemen, dus wij verwijderen ons en nemen plaats in de toneeltent en wachten op wat komen gaat. In elk geval dit: koude en zonsondergang. Voor ons op de tribune zijn er dekens maar niet voor Lilou Dekker, de beminnelijke vertelster/huisvrouw in de voorstelling, die in een broekpakje met ultrakorte pijpen aan een touwladder hangt. Arie Storm heeft Gerard Reve tot leven gewekt, zoveel is zeker, voor schoolkinderen van alle niveau's, en Sebastiaan Frowijn speelt hem met verve, ook al is hij pakweg veertig jaar te jong. Curieus dat niet alleen het rooms katholicisme ('een paardenmiddel'), maar ook het revisme te enen male ontbreekt. Er zijn twee Jongens (niet blond, maar toch) en er is een bijl, maar niemand wordt getuchtigd. In de verte gaat een zwarte poes voorbij, en, volgens een goddelijke regie, een konijntje. Het is geen straf om naar teksten van en over Reve (van 'een fan') te luisteren, en daarbij getuige te zijn van dansjes, sketchjes en wat dies meer zij, maar een stuk wordt het niet. 'Where's the drama?' om een geliefde uitspraak van Storm de criticus aan te halen. Nou ja. Reve kon het ook niet, toneelschrijven. Het is een andere kunst.

Koude en warme douche

Arin Rungjang: Golden teardrop

Niet onaangenaam, reizen per Thalys eerste klas naar Rotterdam Centraal, je zoeft door het saaie edoch lieflijke Noord-Franse landschap, iedereen spreekt op gedempte toon, hier is een vlotte medepassagier die fotomodel zou kunnen zijn, daar leest iemand een echt boek; het gratis verstrekte poppenflesje wijn helpt om de pijn van het Parijs achterlaten te verzachten. Maar dan: hollen naar perron 16 voor de overstap op de Sprinter naar Amsterdam. Geen beenruimte, lawaaivolk, stampij, het ene na het andere vochtige en tochtige stationnetje dat je doet afvragen waarom je er ook weer voor 'gekozen' hebt om je leven te leiden in deze zompig-grimmige uithoek temidden van half-analfabete, fantasieloze schreeuwlelijken. Gelukkig word je, op het eiland Amsterdam, afgehaald van het station, door je geliefden, je dochter! Ze heeft je, vanaf pakweg honderd meter, het station uit zien komen en begint te rennen. Je zet je bagage neer en spreid je armen. Kom maar schatje! Ik heb jou ook gemist, wat heerlijk om je terug te zien! Ze rent, zo hard als ze kan, met stampende schoentjes om haar broer bij te houden, zij moet er als eerste zijn! Gelukkig beschik je over twee armen. Een arm voor elk kind. De zoon zal aankomen in de linkerarm, de dochter in de rechter. Maar je heb iets over het hoofd gezien: je knieën. Die steken, door de gehurkte houding, vooruit. Je dochter stoot zich keihard aan de uitstekende knieën en zet het op een brullen. Van weerzien naar troosten in tien seconden. Later, toch nog, op de familietoren, nadat de zoon ook emotioneel is geweest over een onrechtvaardigheid, twee schitterende tranen bungelen plagerig lang als parels onderaan zijn oogleden, het warme onthaal.

Prul



Weken geleden had buuf me al gevraagd om, op de avond voor grofvuildag, mee te helpen de zolder die ze had verpatst aan de nieuwe huiseigenaar leeg te ruimen. Het zou om heel veel, en heel zware items gaan, die vier trappen omlaag moesten. Gisteravond was het dan zover. We waren 'met' een half uur klaar. Ergens als een berg tegenop zien heeft als voordeel dat het meevalt; een nadeel is dat men veel tijd kwijt is met tobben.
Terwijl ik de items op straat zette, inspecteerde de Grote Vuilraper in mij een en ander grondig. Wat voor de één prul is, is voor de ander van onschatbare waarde. Zo schoot mij te binnen dat het meubilair dat buuf hier afdankte, wel eens mijn gymnasiast van pas zou kunnen komen, wanneer hij in september zijn studentenkamer betrekt. Maar waar het in de tussentijd op te slaan? Achter de piano?
Vanaf het sociale cohesie-bankje, onder een inktblauwe hemel, keken buuf en ik toe hoe het passerende volk zijn slag sloeg. 'Jullie zijn vroeg met koninginnedag,' sprak een hippie-achtige vrouw. 'Koningsdag, bedoel ik.'
'Morgen is het allemaal weg,' zuchtte buuf.
'Ik gooide eens een oude matras op straat,' ging de vrouw verder, 'en in no time had iemand hem meegenomen. Dat gelóóf je toch niet!'
'Misschien rook hij lekker,' zei ik.
Een oudere man met een verwaaid uiterlijk bepotelde twijfelend een cd-speler zonder snoeren. 'Ik heb er al zestig,' zei hij, terwijl hij hem toch maar in zijn boodschappentas laadde, naast twee pakken karnemelk. 'In het bejaardentehuis zijn ze er blij mee.'
Het voelt goed om iets voor mensen te doen, vooral als je er niets voor hoeft te doen.
'Hier, nog een typmachine!' jubelde buuf, terwijl ze mij een zwaar, uitpuilend koffertje overhandigde. Als een kat die een muis de zitkamer in smokkelt, torste ik het ding mee naar mijn schrijftempel.
Vanochtend verbrijzelde de grijpmuil van de vuilniswagen de laatste items die niemand wilde hebben.


Met populisme is niets mis, behalve als er wel iets mis mee is.



Arjen Lubach wil dat 'wij' morgen 'om 20.00' met zijn allen 'Facebook' van 'onze computers' verwijderen. Hoezo dat? Nou, FB werkt met onzichtbare pixels op websites die 'ons' surfgedrag registreren, aan de vuiltjes op foto's die de lens heeft achtergelaten kunnen 'ze' zien dat foto's door dezelfde persoon zijn genomen, waardoor 'ze' nog beter advertenties en andere kapitalistische troep op 'ons' kunnen targeten, enzovoorts enzoverder tot in de eeuwigheid amen. Dat riedeltje, dat het altijd goed doet op feesten en partijen. Lubach speelt hiermee in op 'sentimenten die leven onder de samenleving'; met andere woorden, hij is een populist. Met populisme is niets mis, behalve als er wel iets mis mee is. Wat zijn de 'sentimenten' waarop Lubach inspeelt? Grote bedrijven zijn slecht. Grote Amerikaanse bedrijven zijn slechter. Grote Amerikaanse internetbedrijven beïnvloeden ons, onschuldige internetters, op slinkse wijze. Plak vlug een pleister over je webcam, anders zuigt Mark Zuckerberg je leven leeg. Of zoiets.
Mij doet deze hysterie nogal denken aan die golf van verontwaardiging niet heel lang geleden, maar ik weet niet eens precies meer wanneer, want toen was het ook hysterische onzin, tegen sluikreclame, of eigenlijk, onbewuste manipulatie van de kijker door middel van subtiele visuele boodschappen. Lieve Arjen Lubach, zolang er mensenmassa's bestaan kunnen ze, herstel:  w i l l e n  ze gemanipuleerd worden, ergo 'we' worden gemanipuleerd. De enige remedie tegen domheid en ongevraagde manipulatie is je verstand gebruiken. Dikwijls is het daarvoor nodig de tizie uit te zetten, de laptop dicht te klappen, en een boek te lezen van iemand die ergens verstand van heeft. Lubach heeft nergens verstand van – net zoals ik trouwens, romanschrijvers en filosofen hebben per definitie nergens verstand van. Als komediant heeft hij wel een makkelijke cop out als strax iedereen vrolijk door blijft facebooken, hijzelf incluis. Hij maakte maar een grapje.

Das dritte Reich?

Reve rond 1962
Je bent als assistent/tassendrager met een fotograaf mee op pad in Nordrhein Westfalen en je verbeidt de tijd door praatjes te maken met deze of gene, niet alleen om de fotograaf niet op de vingers te kijken en af te leiden met slechte suggesties, (je bent immers geen fotograaf; ieder zijn stiel), maar je helpt hem juist door derden die niet op de foto hoeven bij hem weg te houden en dus te onderhouden. Dat gaat wonderwel goed, want ja, je zit goed in je Duits, en met iedereen is wel van alles te bepraten, als je hoofd er naar staat, en deze geblondeerde, ietwat gepokte vrouw, je schat haar begin zestig, is niet onsympa. Je vindt haar zelfs zo sympa dat je foto's uitwisselt van (klein)kinderen, en zij opmerkt over jouw dochter, dat ze Schalk im Nacken heeft. Goed gezien en mooie uitdrukking. Er is Kola met een schijfje Zitron, ze deelt zelfs Pfannkuchen in een boterhamzakje uit, die haar Schwiegertochter die ochtend heeft gebakken en die verorber je met smaak. Alles gemütlich en toll.
Eén klein dingetje: je had, om de tijd te doden, deel 6 van het Verzameld Werk van Reve bij je. De vuistdikke gebonden paarse band lag opengeslagen op tafel bij een stuk over Reves eerste bezoek aan Oost-Berlijn, maart 1962. Niet verwonderlijk bespeurt de schrijver, die een tik van de communistische molen kreeg, in Oost-Berlijn de 'Furcht und Elend des Vierten Reiches'.
De sympa Duitse vrouw werpt een blik op jouw Verzamelde Reve, en vraagt, met toch iets van hoop in haar stem: 'Das dritte Reich?' Eerst denk je haar niet goed te hebben verstaan, maar je hebt haar wel goed verstaan en dat beangstigt je.

Geraüsch im Hotel



Ik logeer in een hotel in Nordrhein Westfalen met een fotograaf, en ik heb, om de opdrachtgever niet op kosten te jagen, een Doppelzimmer voor ons samen geboekt.
'Kan je tegen snurken? Want ik snurk wel een beetje,' zei de fotograaf toen we ons gisteravond als een gelegenheidsechtpaar ieder aan een zijde van het spartaanse bed installeerden voor de nacht. 'Als je er last van hebt moet je me maar een por geven.'
O jee, dacht ik. Ik had al zo'n vermoeden. Maar ik dacht ook: misschien ben ik moe genoeg om er doorheen te slapen.
Om drie uur word ik wakker van hevig gesnurk. De fotograaf snurkt in verschillende toonaarden, maar in geen enkele toonaard kan ik er aan wennen. Ik geef hem een por. De por zet geen zoden aan de dijk. Nog geen minuut later begint hij opnieuw.
De mens is een fabriek; sommige fabrieken lopen moeizamer dan anderen.
Dan, alsof dit nog niet genoeg is, neemt de tizie die ik al een tijdje op de achtergrond heb waargenomen, flink in volume toe, zozeer, dat hier sprake is van Evident Asociaal Gedrag, waarvan je dus iets mag zeggen, ook al is het vier uur 's nachts. Nee, juist om vier uur 's nachts. Ik stap uit mijn bed, trek mijn broek verkeerd om aan in het donker en stap de gang op. Das Geraüsch komt van de belendende kamer, dus daar begin ik als een waanzinnige op te bonken. Geen reactie. Toch weer altijd die The Shining-associatie, de deur gaat open en een zee van bloed overspoelt mij, maar na nog wat meer bonken komt een man in boxershort met een tattoo op een van zijn benen aan de deur, hij slaat mijn hoofd niet in met een bijl, maar zet meteen de tizie uit. Lang leve de beschaving.
Als ik weer op een oor lig, snurkt de fotograaf weer op volle sterkte.
Er zit niets anders op dan oordoppen in te doen. Ik had dit al eerder moeten doen, ik moet oordoppen laten implanteren, maar oordoppen stel ik, net zoals medicijnen, altijd tot het laatste moment uit, dat is een zwakte van me.
Met de oordoppen in, luister ik naar mijn eigen ademhaling. En hoewel dat ook geen Kleine Nachtmusik is, moet ik toch hebben geslapen want vanochtend werd ik wakker.

Inclusiviteit

Ria Lavrijsen had een droom

Het is niet mijn gewoonte om over mijn cursisten te bloggen, maar een cursist die een boek publiceert, nog voordat de cursus ten einde is, dat is iets anders. Annebregt Dijkman had me uitgenodigd voor de presentatie van Heb je een boze moslim voor mij? van Zoë Papaikonomou en haarzelf in Vondel CS en ik had geantwoord dat ik zou proberen te komen. En dat deed ik, zowel proberen als komen, zij het pas heel laat, toen de boekpresentatie en aansluitende discussie voorbij waren, en het netwerkfeestje, zo werd mij verteld, in volle hevigheid was losgebarsten. Ik was nog niet binnen of ik liep de auteur tegen het lijf, dus ik dacht: feliciteren en meteen weer weg, maar dat is ook zowat, dus ik zei tegen lieftallige, met wie ik net buitengewoon geanimeerd had getafeld bij Meneer de Wit heeft honger (wij ook nog, trouwens, maar dat is een ander verhaal): 'Laten we één rondje maken.' Aldus worstelden wij ons door de inclusieve menigte die, mag ik zulks opmerken?, een nogal opgewonden indruk maakte, maar dat lijkt me beter dan een matte of afgetobde indruk. Als in één moeite door, verdwenen we weer, de trappen afdalend, die vroeger naar café Vertigo leidden, maar nu naar een ander, veel groter, en anoniemer café. Juist. Dit konden we afvinken. Overigens ben ik trots op Annebregt Dijkman. Mijn gedachten gingen ook nog uit naar Ria Lavrijsen, een oude vriendin die veel te vroeg is gestorven en die de term inclusiviteit misschien niet heeft uitgevonden, maar er wel al in de jaren negentig van de vorige eeuw over droomde. Wat had ze zich in haar element gevoeld op dit netwerkfeestje.

Tolk


Ik had een Russische vertaling nodig. Nee, dit zeg ik verkeerd: ik had iemand nodig die een document, een brief eigenlijk, wilde vertalen naar het Russisch. Dan denk je eerst: hoezo heb ik iemand nodig, ik heb  n i e m a n d   nodig, ik kan alles ZELF , want ik heb toch Google Translate? Nieuwe Vriend P. had opgeschept hoe hij door China reisde en telkens als hij een Chinees tegenkwam, hetgeen in dat land nogal eens voorkomt, zijn telefoon in de lucht hield, tussen hemzelf en de Chinees in, en begon te praten, in het Nederlands (of misschien toch in het Engels), en dat vervolgens, in 0,07 seconden of daaromtrent, een Chinese vertaling uit de telefoon rolde. De Chinees gaf antwoord in zijn telefoon, en prompt rolde een voor Nieuwe Vriend P. begrijpelijke zin er weer uit. Schitterend, behalve voor tolk-vertalers. Schitterend ook, nu ik erover nadenk, dat de mogelijkheid bestaat dat beiden zich in een Chinese Kamer bevinden (zie voor dat filosofische probleem hier) en niets van elkaar begrijpen. Maar dat maakt dus niets uit, want er vond, kennelijk zinvolle, hoewel ik daar niet over heb doorgevraagd, communicatie plaats. Maak daarvan: geen handgemeen.
Goed, mijn Russische brief kwam vandaag eindelijk af, nadat ik het ding had voorgelegd aan een half Russische vriendin, die het ding weer voorlegde aan haar Russisch Nederlandse moeder, en haar man, die slavist is, bemoeide er zich ook mee. De Russische brief kwam terug met de opmerking dat Google Translate er een rommeltje van had gemaakt. Dat vreesde ik al; hence de hulpvraag. Maar hoe ging ik deze vertaling beoordelen? Juist, door hem door Google Translate te halen. Verhip, nu kwam vrijwel ongewijzigd het origineel eruit, waaruit ik afleid dat het een erg goede vertaling is – met dien verstande dat mijn voornaam óók was vertaald. In 'Victor'. En ik maar denken dat Viktor Russisch was.