Platte rat

De rat die op straat lag vanochtend, recht voor de deur, was niet zozeer dood als wel plat. De rat was óók kapot. Zijn ingewanden waren uit zijn lijf geperst. Ik kon ze niet uit elkaar houden, mijn anatomische kennis van de rat is niet zo sterk, maar één ding was zeker: de lange draad die vanuit de rat nog een eindje door over straat liep, moest natuurlijk zijn darm zijn. Zijn dunne darm, waarschijnlijk, gezien de lengte en, nou ja, de dunte. Te oordelen naar de positie van de rat op de straatstenen was de rat op weg naar mijn voordeur, maar hij was dus op een hindernis gestuit. Een gemotoriseerde, dikbebande hindernis, die dus, nietsvermoedend, ongetwijfeld, weer was weggenomen. Hoe die darm daar als een harpsnaar over de stenen was gedrapeerd, kon ik niet reconstrueren. Was hij uit het rattenlijfje...  g e s p o t e n ? Of had de rat, reeds plat, zich nog een stukje voortgesleept, teneinde zo dicht mogelijk bij mijn voordeur te komen, zo dicht mogelijk bij het paradijs, zogezegd, terwijl zijn darm aan een straatsteen bleef plakken, en steeds strakker kwam te staan? We zullen het niet weten. Nadat er met de gemeente was gebeld, die doorverwees naar de dierenambulance, die doorverwees naar de GGD, die een eindeloze, gekmakende wachtmuziek liet horen, haalde ik een spade en deponeerde de rat, die de facto (en de jure) een bontje was geworden, een bontje dat niemand wilde dragen, met zorg in de vuilcontainer.

Kimono

Zal ik mijn witte pak maar aantrekken voor de Volkskrant-foto?' vroeg ik aan lieftallige, die nog nauwelijks wakker was. Die middag zou een fotograaf langskomen voor een rubriek die bekendstaat om zijn portretfoto's tegen een groene planten-achtergrond. Ik dacht dat wit daartegen goed zou afsteken. Ik had geen zin om, zoals dat heet, te verdwijnen in het decor. Verdwijnen in het decor kan altijd nog.
'Hm-m,' luidde het antwoord van onder de dekens. 'Ja, goed idee,' voegde ze er nog aan toe.
Maar toen ik me even later in mijn kimono stond te scheren in de badkamer, liet ze zich ontvallen: 'Of in je kimono, dat zou wat zijn... O, wacht even, straks doe je het ook nog... Nee, hoor! Ik maakte maar een grapje!'
Bij de koffie wist ik het zeker: ik ging in kimono op de foto. Dat ding geldt als een van mijn lievelingskledingstukken, en hij klopte helemaal bij de studentenroman die ik probeerde te pluggen.
'Je doet dat witte pak aan!' schreeuwde lieftallige, tevens mijn persoonlijk stiliste zolang ik haar ken. Om haar bevel kracht bij te zetten, begon ze alvast mijn witte overhemd te strijken.
'Ik doe aan wat ik wil. Het is tenslotte mijn lijf. En mijn boek.'
'Als jij in kimono op de foto gaat, dan gooi ik je het huis uit.'
Ik wist dat mijn voorkomen 'naar de wereld toe' haar hoog zat, maar zo hoog... De laatste keer dat ze ontplofte over mijn uiterlijk was in 2008, toen ik bij de boekpresentatie van FAKE weigerde een pak aan te trekken dat ze speciaal voor dat doel had aangeschaft. (Ik voelde me meer senang in mijn, toegegeven, wat minder flitsende, trouwpak. Uiteindelijk bleek ik me ook heel senang te voelen in háár pak, zie foto hierboven, maar dat had kennelijk tijd nodig.)
Woedend beende ze het huis uit, de deur hard achter zich dichttrekkend.
De telefoon ging. Mijn agent. 'Hoe is het Viktor?'
'Goed. Ik ga zo op de foto. In kimono.'
'Ik zou een pak aantrekken als ik jou was.'
Was zij net door mijn vrouw gebeld?
Uiteraard zwichtte ik.
Ik ben al heel lang niet meer van mezelf.




Bonnie & Clyde 3.0



Bonnie & Clyde sprongen in de volvo gewapend met een stapeltje posters en een emmer behangselplak en scheurden de stad in. Bonnie had behulpzaam een lijst van wildplakplekken uitgeprint, hetgeen volgens Clyde een contradictio in terminis was, omdat het hele idee van wildplakken nou juist – etc. Ze moesten gewoon zijn waar de studenten zijn. 'Dus op naar de Oudemanhuispoort!' Aangekomen op de Kloveniersburgwal, knikte Clyde naar het Beaufort-huis en zei tegen Bonnie: 'Gooi er daar maar ééntje door de bus, die hebben het nodig.' Toen hij dubbel parkeerde voor de Poort, en Bonnie het vuile werk liet doen – het overplakken van een poster voor een ander boek – dacht hij: ik kan hier niet zo maar werkeloos blijven zitten, terwijl Bonnie... dus besmeerde hij een poster, stapte de auto uit, en plakte deze op een regenpijp. Ha! Daarna liep hij koelbloedig naar Stichting Perdu, een eindje verderop, en gooide twee affiches in de bus. Zo! dacht hij. Klabang! In zijn ooghoek zag hij hoe twee mannen van handhaving passeerden. De handboeien bungelden vervaarlijk om hun middel. 'Good job, Clyde,' zei Bonnie bij terugkomst, haar jurkje strak trekkend. 'Hoe bedoel je?' vroeg Clyde, 'de pigs zitten ons op de hielen!' 'Nee, ik bedoel die regenpijp!' Clyde gaf haar een Franse zoen. Een lange. Bonnie trok haar hoofd weg en riep: 'Nu wegwezen voordat Cition langskomt! Cition ziet alles!' Clyde stuurde de volvo vol gas over de grachten, langs Rusland, en de oude Hoogstraat naar de Warmoesstraat. Met slippende banden, waar rook afkwam, en de geur van smeulend rubber, hield hij stil voor de sociëteit van het ASC. Bonnie had nog nooit van een sociëteit gehoord maar dat weerhield haar er allerminst van het stroomkastje naast de ingang te beplakken. Yay! Glimmend van ondeugd nam ze weer in de passagiersstoel plaats. Inmiddels was een grote hoeveelheid politie-agenten op de been om het wildplakduo in de kraag te vatten. Het was alleen nog mogelijk om over stoepen en de Dam via het Bungehuis naar de Roetersstraat te racen, tegen het verkeer in, door de kogelregen heen, maar daar aangekomen was de volvo op 48 plekken doorboord. Bonnie's kopje hing. Clyde sleepte zich met bebloed overhemd koffieshop Het Ballonnetje in en vroeg de man achter de afhaalbalie of hij een postertje op de muur mocht prikken, naast het digitale wiet en hasj-menu. Dat mocht. Hij kon nu sterven.

De weg naar de uitgang is afgebogen



Toen gisteren de zaterdagkrant van Het Parool door de brievenbus knalde, zei ik tegen lieftallige: 'Mijn kop gaat eraf.'
Ik was enigszins gespannen, had al enkele dagen de ietwat potsierlijke zinsnede 'de belangrijkste zaterdag uit mijn leven' gebezigd. Reason being: er moet nog minstens 1 recensie verschijnen van Het dispuut in 1 Echte Courant om te voorkomen dat mijn boek wegglijdt in de vergetelheid. Zulks verordonneren de wetten in de aandacht-economie.
Lieftallige bekeek voor mij de boekenpagina. Geen recensie. Maar: 'Je hoeft jezelf nog niet in te graven voor je winterslaap want je staat op nummer 8 van de Scheltema top 10!'
In plaats van 'Bijna bij Pauw' kon mijn grafschrift worden gewijzigd in '3 weken in de Scheltema Boeken Top 10'.
Her en der in het gezin werd gehigh-fived, want vorige zaterdag stond ik nog op plaats 9. Er was dus vooruitgang. (De week dáárvoor kwam ik binnen op 6, dus de weg naar de uitgang is afgebogen.) De achtjarige knipte het stukje uit en plakte het op de ijskast naast een oude krantenkop, ook uit het Parool.
Zou de oorlog op de sociale media die lieftallige in mijn naam, en ook een beetje de hare, aan het voeren is, vruchten afwerpen? Zouden enkele (oud)-corpsleden wellicht ietwat nieuwsgierig zijn geworden? Heeft een plek in de top 10 een self-fulfilling effect?
We weten het niet. Nobody knows anything, luidt nog altijd een van mijn favoriete wijsheden uit de entertainment industrie, waar literatuur welbeschouwd ook toebehoort. Hoe dan ook, ik kan weer ademen.

Gefnuikte ambities

Vier uur voordat Uitzending Gemist hem achter slot en grendel zou verstoppen, slaagde ik erin om de moed bijeen te rapen om eindelijk Publieke Werken te gaan zien. Toen die film uitkwam twee jaar geleden en hij matige recensies kreeg, heb ik mezelf er succesvol van weerhouden om hem in de bioscoop te bekijken uit angst de literaire ervaring die Thomas Rosenbooms chef d'oeuvre in mijn herinnering had achtergelaten te bezoedelen. Maar gisteravond moest het er toch van komen.
Joram Lürsens boekverfilming begon met een verkrachting. Dat zorgde ervoor dat lieftallige, die ik had uitgenodigd op de bank, zich schielijk uit de voeten maakte. Nu heb ik niets tegen een verkrachting op zijn tijd, maar ik kon me helemaal geen verkrachting uit het boek herinneren en zelfs Tarantino zou geen film laten beginnen met een verkrachting (Paul Verhoeven daarentegen misschien weer wel). Wat is er op tegen om bij het begin te beginnen van het prachtige drama van het ingenieuze verhaal, dat draait om hebzucht en gefnuikte ambities? Was scenarist Frank Ketelaar bang dat mensen daarbij in slaap zouden vallen?
Gelukkig werd de film gaandeweg beter. De verkrachtingen namen af. De dialogen bleven vaak nog steeds onverstaanbaar, een bekend euvel van Nederlandse films (het helpt niet als de dialogen worden 'ondersteund' door gepingel op een piano). Er wordt uitstekend geacteerd in deze film; door Derwig en Scholten Aschat, en toch werd hun wanhoop en vernedering nergens echt voelbaar – of geestig, voor mijn part. Het bleef schematisch. Ik hoop op een remake in 2035.

Boekenbalts

Mijn dichtstbijzijnde lezer was al vroeg begonnen met lezen. In bed schurkte de rug van haar boek tegen die van het boek dat ik aan het lezen was in een soort ingewikkelde boekenbalts. Dat was misschien iets te dichtbij, maar gelezen worden is gelezen worden, en: waar moest ik heen? Ik wilde zelf ook lezen in bed.
Dit was enige weken geleden. Sindsdien heb ik het boek nu eens met ezelsoren, dan weer opengeslagen aangetroffen op haar nachtkastje. Ze is iets over de helft.
'Ik lees langzaam, ik wil er zo lang mogelijk over doen.'
Strelende woorden, maar een oordeel van de dichtstbijzijnde lezer over het gelezene in zijn totaliteit is ook wat waard.
Gisterenavond dook ze weer met Het dispuut in bed.
Vlak voordat ik de deur uit ging – misschien toch beter dat de schrijver de intimiteit van het lezen niet verstoort, dat mijn aanwezigheid de receptie van het gelezene niet beïnvloedt – zei ze: 'O, op deze zin heb je lekker zitten puzzelen. Dat weet ik zeker. Ik zie het voor me.'
'Welke zin?'
'Verliefd worden op een lesbiënne is zoiets als proberen een ei te bakken in de diepvries.'
'Dat weet ik niet meer. Misschien kwam het er in één keer uit.' Ik gaf haar een kus en vertrok.

Not So Famous Last Words


Fietsendiefstal

Eerst werd de fiets van mijn gymnasiast gestolen. Voor CS, terwijl hij aan een ketting lag. Nu heb ik over het algemeen niet zoveel met spullen, maar deze fiets, een cadeau voor zijn zestiende verjaardag, was toch wel een bijzonder geval, en niet omdat hij zo duur was. Hij was helemaal niet duur, en toch mooi. 'Ik wou dat ik zo'n fiets had gehad op jouw leeftijd,' zei ik tegen mijn gymnasiast (iets te vaak, wellicht).
Hij had zelf ook de p in, dat hij gestolen was. We hebben onmiddellijk een vervangende fiets voor hem geregeld, maar dat kon natuurlijk lang zo'n mooie niet zijn.
Daarna werd zowel de trapfiets als de loopfiets van mijn dochter gestolen. Die stonden al maanden, misschien een jaar, gezamenlijk voor de deur bij het bankje, gebroederlijk aan elkaar vastgeklonken met een cijferslot dat een kind open kon maken. Een symbolisch cijferslot. Zo van: ja, je kunt die fietsjes zo meenemen, heel moeilijk is dat niet, maar laat dat nou, want ze worden gebruikt door een kind.
Welnu, die boodschap kwam niet over. De dief/dievegge dacht waarschijnlijk: iemand die de fietsjes van zijn kinderen symbolisch op slot zet, hecht weinig waarde aan die fietsjes/ kan zich gemakkelijk nieuwe fietsjes veroorloven.
Nog waarschijnlijker is dat hij/zij helemaal niets dacht.
De eerste kennismaking van mijn kinderen met de Slechtheid van de Grote Stad.

Revolutionaire vis

'Je hebt revolutionairen en decorateurs,' zegt Michel Houellebecq in de merkwaardige, maar alleszins bezienswaardige documentaire To Stay Alive - A Method van Erik Lieshout die ik voorbij zag komen op internet. 'Ik behoor tot de decorateurs.' Mooi onderscheid. En niet alleen in de literatuur.
Uiteraard behoort Houellebecq niet tot de decorateurs, maar tot de revolutionairen, zij het dat een schrijver die dat over zichzelf zou verklaren, waanwijs is, of een ijdeltuit (of beide).
Een ijdeltuit is Houellebecq niet. Zoals hij daar in die documentaire Iggy Pop – wel een ijdeltuit –, ontvlucht om buiten een sigaret te roken, de peuk vastgeklampt tussen middel- en ringvinger, deed hij me nog het meest aan een vis denken. Vissen hebben ook geen gezichtsuitdrukking. Die kunnen geen gezichtsuitdrukking hebben, 'die weten alles al' (Platonov).
Mij sprak de wijsheid 'Behoor nergens toe. En als je toch ergens toe behoort, verraad het' nogal aan. Die komt uit Rester vivant, een vroeg essay van Houellebecq waarop Lieshout zijn docu baseerde. Dat essay kende ik nog niet. De e-versie, €1.99, kan ik me nog wel veroorloven, en het Frans moet te doen zijn.

Vijftiende werkdag

In tegenstelling tot vorige week verkeerde de oud-bibliothecaresse in optima forma. Ik had haar zelden zo opgeruimd gezien. Ze las aan de salontafel de krant, ze herkende me, en ze was aangenaam verrast mijn roman in ontvangst te mogen nemen.
'Wat ziet het er prachtig uit.' Meteen begon ze de achterflap grondig te bestuderen.
Uit automatisme had ik in de keuken een appeltje voor haar geschild, maar toen ik dat voor haar neerzette, zei ze: 'Word ik geacht dat op te eten?' Verse koffie bliefde ze ook niet; het ouwe, lauwe bakje dat ze met haar magere vingers bepotelde en aan haar mond zette, was goed genoeg voor haar.
'Geef mijn portemonnee eens,' zei ze, vastbesloten. 'Ik wil je voor je boek betalen.'
'Dat vind ik heel aardig van je, maar de vorige keer dat ik in je portemonnee keek voor boodschappengeld was hij helemaal leeg.'
Demonstratief stond ze op en schuifelde naar het dressoir om haar portemonnee te pakken, en verdomd, ze haalde er een twintigje uit, dat ze voor me op de salontafel deponeerde.
'Weet je hoeveel ik overhoud aan mijn boek als je het in de boekhandel zou kopen?' viste ik naar haar verontwaardiging. 'Twee euro. Minus de commissie voor mijn agent.'
'Tsss... Je had beter uitgever kunnen worden. Zelf je boeken uitgeven.'
'Dat ligt inderdaad voor de hand. En toch is het niet verstandig.'
Ze was nog steeds niet klaar het omslag te bekijken. Het leek wel alsof ze het zichzelf niet gunde aan het boek te beginnen.
'Zal ik een stukje voorlezen?' vroeg ik.
Ja hoor, dat leek haar wel wat, dat ik een stukje voorlas, zei ze op een toon alsof ik haar nog nooit had voorgelezen, maar al op de eerste bladzijde ging de bel. Een korte, penetrante tring, als een electrokutie. Ik werd afgelost. Het voorlezen zou moeten wachten. Of, nee, het zou helemaal niet meer nodig zijn, omdat de oud-bibliothecaresse mijn boek waarschijnlijk die nacht nog uit zou lezen.