Gezellig



Mijn tante, die elf kinderen kreeg, en er twee verloor, komt na een lang leven bij de hemelpoort. Ze mag meteen in een luie stoel gaan zitten, glaasje erbij, de armen rustend op haar embonpoint. 'Wat hebt u van uw leven gemaakt?' vraagt Petrus. 'Ik heb kinderen op de wereld gezet,' zegt mijn tante. 'En?' 'Nou, de helft van mijn kinderen heeft ook weer kinderen op de wereld gezet, en ik mag mij gelukkig prijzen dat ik de kinderen die die kinderen weer op de wereld hebben gezet, mijn achterkleinkinderen dus, ook nog heb gekend. Er zat zelfs een tweeling bij. Heel bijzonder.' Ze lacht geluidloos. 'En verder?' dringt Petrus aan. 'Hoezo?' zegt mijn tante verontwaardigd. 'U moest eens weten wat het is om een kind op de wereld te zetten! Maar daar hebt U waarschijnlijk geen kaas van gegeten.' Ze neemt een slokje. 'Kalm aan, moedertje,' zegt Petrus, 'ik stel u alleen maar een vraag.' 'Ja, maar u suggereert dat het op de wereld zetten van kinderen onvoldoende levensinvulling zou zijn. Voor de moeder nota bene! Zal ik u even voorrekenen hoeveel maanden ik zwanger ben geweest?' 'Dat is nu ook weer niet nodig...' 'Het is geen ingewikkelde som. 99 maanden. Denkt u eens in. Nou vooruit, de eerste vier maanden merkt een vrouw er weinig van, laten we er daarom, for the sake of argument, hè,' komt mijn tante op stoom, '55 maanden van maken. Wat zou een ander niet in 55 maanden hebben kunnen doen! Een symfonie componeren, hoe lang deed Mahler over zijn symfonieën? Dat bedoel ik. Vijfenvijftig maanden! Zolang duurde de oorlog, for goodness sake!' 'U had toch zeker,' probeert Petrus weer, 'mensen in huis en u liet de oudere kinderen toch wel voor de jongere zorgen volgens het Kinderen voor Kinderen principe?' 'Jawel,' zucht mijn tante. 'Maar toch.' Het is even stil. Mijn tante neemt nog een slokje, kijkt naar haar handen. 'Waarom hebt u al die kinderen eigenlijk op de wereld gezet?' vraagt Petrus. 'Toch niet om Rome aan nieuwe zieltjes te helpen?' Mijn tante lacht, nu met piepend geluid. 'Ik was zwanger voordat ik er erg in had. En ik vond 't wel gezellig... Hebt u die vraag trouwens ook aan mijn man gesteld, in 1992? Die was nota bene kinderarts.' Petrus zegt: 'Hij heeft zijn werk gedaan.' 'Is dat de punchline?' wil mijn tante nog weten. 'Dat is de punchline. Ik dank u voor uw tijd.'

Orgie

Gerhard Richter: War Cut II

Overal waren ongelukken, alles lag overhoop, verfrommelde auto's kris kras op hun kant, geamputeerde vrachtwagens, krijsende kinderen onder het puin, geplette scooters met werkend alarm slingerden op het wegdek, een stuk flatgevel brak af, links stortte het luxehotel in, rechts beukte een blinde tram een bejaardenbus, inzittenden werden door elkaar geschud, passagiers vlogen door de lucht, lijven werden in elkaar gedrukt en uit elkaar getrokken, ledematen lagen her en der over het kruispunt, iedereen stierf in zijn eigen tempo, een kale kop met wrap around zonnebril rolde over de trap het metrostation in, een losse hand bedelde, opengereten straten, kantoren kantelden, kapotte rioleringen spoten een cognackleurig fontein over gewonde fiscalisten, benzinestations ontploften vuurwerkgewijs ritmisch en met fanfare, kreupele politiepaarden trappelden na onder geknakte lantaarnpalen, brandende brandweerauto's, een orgasme van schuim werkte zich omhoog langs de krakende winkelpuien, fietsen smolten, rokend rubber en schroeiend vlees, asfalt kruide door de steegjes, afglijdende dakpannen guillotineerden omhoogstarende toeristen, glinsterend glas stoof door de ruimte, ambulances probeerden over de slachtoffers heen een pisdreiger te bereiken, helikopters tolden als gewonde duiven neer in de grote vijver, vliegtuigen verdwenen in woonwijken, schepen verpulverden, fabrieken zonken, alles ontspoorde, in de dierentuin at de ene soort de andere soort – sommige soorten hadden zich hier op verheugd, andere soorten minder, de directeur had zich in zijn kamer verschanst, de muren persten hem samen, zijn gepureerde hersens piepten door het sleutelgat –

Het droefgeestige paard



Het droefgeestige paard had zo lang in de modder gestaan, roerloos, in het zicht van de balkende boerderijtoeristen, terwijl de open velden om hem heen zich tot aan de einder uitstrekten, dat hij ernstig overwoog de benen te nemen. Veel was daar niet voor nodig, een klein sprongetje over het aftandse prikkeldraad, en het verbaasde hem, dat hij het niet eerder had gedaan, maar er was wel meer waarover hij zich verbaasde. De boer bijvoorbeeld, die hem nooit kamde. De boerin, die hem geen blik waardig achtte. Het varken, dat alleen naar de grond keek en daarna onder een houten plank ging liggen, en de kip, die zich vele veren uit de kop, nek en rug liet pikken door andere kippen, maar in dit pijnlijke verlies nochtans onvoldoende grond zag, om haar heil elders te zoeken, zoals het droefgeestige paard nu op het punt stond te doen. Moest hij nog afscheid nemen? Wie verdiende een knikje, hinnikje, dan wel een grootse groet op twee benen? Hoe groot zou de verleiding zijn, als hij op zijn achterste benen voor de boer stond, om op diens harde, verweerde schedel neer te komen? En hoe groot zou de verleiding dan zijn voor de boerin om het jachtgeweer uit de kelder te halen en hem in zijn buik te schieten? Eerst hem, daarna de boer, alle twee in de buik, om in een keer van alle hengsten af te zijn ('s avonds zou zij, kauwend op de malse biefstuk, het kogeltje tussen haar tanden vangen). Nee, dat afscheid kon het paard genoegzaam achterwege laten. Het kwam nu op daadkracht aan. Maar die bleek hij op het laatste moment toch niet te kunnen opbrengen. Zodoende bleef hij droefgeestig.

Signeersessie



De terrorist die de Amsterdamse Bijenkorf zaterdagmiddag opblies had het niet gemunt op het cosmetisch industrieel complex op de begane grond, het confectioneel industrieel complex op de eerste verdieping, noch het meubilair industrieel complex op de tweede, het culinair industrieel complex op de derde of de klantenservice op de vijfde (hoe kon hij ook, daar werd men doorgaans immers met alle égards behandeld). De Nederlandse steun aan de Verenigde Staten, Israël of andere satanische staten liet hem koud, net zoals het 'regenteske' college van bestuur van de UvA (en al had de terrorist het op het college van bestuur van de UvA gemunt, dan was de Bijenkorf wellicht niet het meest voor de hand liggende doelwit, al kan de meeste terroristen geen voorliefde voor logica worden aangewreven). Evenmin had hij iets tegen het gebrek aan bergen in Platland of het gebrek aan grote geesten (en het mogelijke verband hiertussen). Hij had geen moeite met het vrijwel perfect functionerende Nederlandse openbaar vervoer (wie over het Nederlandse openbaar vervoer zeurde had nog nooit de trein genomen in het buitenland, en trouwens, ook van een actie tegen het perfecte NL OV, leek het opblazen van de Bijenkorf op zaterdag wat, mja, vergezocht). De aanstaande Provinciale en/of Waterschapsverkiezing, in de opmaat waarvan onlangs het Stembiljet bij de kiezer op de deurmat was gevallen (alweer: wat had de Bijenkorf hiermee enz.) was niet 'zijn ding', noch had hij iets op met spookrijdende helmloze scooterbestuurders. Zelfs was hij, afrondend, niet 'bezig' met de dreigende sluiting van V&D – al was het opblazen van de Bijenkorf in dat geval waarschijnlijk  w e l  soort van logisch geweest. Nee, het ging de terrorist om de signeersessie op de vierde verdieping in het kader van de Boekenweek. Zijn doel was tweeledig: meer aandacht genereren voor het werk van de signerende schrijvers, en de Nederlandse literatuur in het algemeen. Het CPNB kon tevreden zijn.

Biologie

Adrienne Barman

Ze keek op en zei het tegen hem. Hij deed eerst alsof hij haar niet gehoord had, of, dat hij haar wel gehoord had, maar dat nog onvoldoende aanleiding vond om terug te kijken, of een geluid voort te brengen als ontvangstbevestiging. Het was ook geen opmerking of vraag, het was een aansporing. 'Goed idee,' antwoordde hij tenslotte, en klapte zijn computer dicht. Zij had haar computer al dichtgeklapt, het was nu de vraag wie als eerste zou opstaan. Hij was zelden degene die als eerste opstond – behalve uit bed, 's ochtends, dat was biologisch vastgelegd, een man moest makkelijker uit bed omhoog kunnen komen om zichzelf en de zijnen te beschermen tegen naderend onheil. Als ze niet in bed lagen was er onvoldoende naderend onheil, of zijn bescherming werd niet verlangd. Zij stond op, maar bleef staan, afwachtend, vond dat hij ook in beweging moest komen. Het was een wisselwerking van initiatief, communicatie, het moest om en om anders was het niet geldig. Hij staarde naar de overkant van het water, de naakte boomtakken, die geheimzinnig schudden in de onzichtbare wind, de doodstille, massieve huizenblokken, die daar al decennia doodstil en massief stonden te wezen zonder in te storten, de enkele passerende voetganger of automobiel die over straat op weg was naar... ja, waarheen eigenlijk? De meesten gingen via een ingewikkelde omweg naar huis, wat een vrij goede reden was om thuis te blijven, maar een mens moest bewegen; bewegen was leven. Nu stond hij ook op en bewoog naar haar toe, maar zij liep om hem heen om voorbereidingen te treffen. Toen ging hij ook voorbereidingen treffen. Zonder voorbereidingen, bleek telkens weer, kwam men in kleine, of niet zo kleine problemen; aan de andere kant veranderden de verwachtingen. Toen de voorbereidingen achter de rug waren, en de verwachtingen volledig uitgekristalliseerd, verbaasde hij zich toch nog over hun spontaniteit.

De man die verleid werd door het venster



De man die verleid werd door het venster was er niet op bedacht te worden verleid, en zeker niet door een venster. Als hij verleid had willen worden door het venster, had hij zich tot die bepaalde (eeuwenoude?) Hollandse specialiteit gewend, die op diverse plekken in de stad nog altijd kon worden geproefd, maar hij wilde nu juist niet worden verleid, hij kwam om te verleiden. Niet in het bijzonder de vrouw die hem verleidde. De vrouw die hem verleidde door het venster zou hij waarschijnlijk makkelijk hebben kunnen verleiden, met zijn verleidingskunst (alle kunst is verleidingskunst), maar dat was niet zijn bedoeling, hij legde de lat hoger. Ondertussen ging de vrouw door met hem door het venster te verleiden. Ze deed het raam niet open om zich beter verstaanbaar te maken, haar woorden en gebaren kwamen zo ook luid en duidelijk over. 'U heeft een leuke kop,' zei de vrouw door het raam. 'De kop van iemand die goed onderlegd is. Iemand die goed onderlegd is in de dingen des werelds.' De man keek de vrouw aan, zonder uitdrukking, als een hond, hij wilde haar geen brandstof geven voor haar verleiding. Hij antwoordde ook niet, mompelde alleen het woord 'onderlegd' nog eens, omdat dat woord hem in dit verband vreemd voorkwam. 'Kom binnen,' sprak de vrouw, 'laat me profiteren van jouw onderlegdheid.' De man liet zich willoos naar binnen voeren en dacht: 'Ik word verleid, daar is geen twijfel meer over mogelijk.' Met zijn jas aan ging hij op haar bankstel zitten, dat hij door het venster al had opgemerkt, waarbij hij had gedacht, dat aan de keuze voor dit meubelstuk weinig deliberatie moest zijn voorafgegaan. De vrouw ging koffie en thee zetten, 'want dat was altijd goed'. Terwijl zij in haar keukentje rommelde vroeg hij zich af wat hier deed. Niet veel later wist hij het antwoord.

Oneindig gesprek tussen dode zielen



De man die op de eerste echte rit met zijn nieuwe Porsche een kind van zeven doodreed stierf zelf op zijn drieëntachtigste, maar zijn ziel moest zowel met die van dat kind, als met die van de moeder, die slechts vijftig was geworden (kanker), en die van zijn eigen vader, die eveneens op zijn drieëntachtigste stierf, in gesprek. Er zat niets anders op. Het gesprek werd niet gemodereerd. Er was ook geen gezellig zitje. We moeten ons voorstellen dat deze vier geesten, want dat waren het – lichamen waren het in elk geval niet, die waren kapot, dat stond vast, in het geval van het kind vrij letterlijk: het lichaam was in tweeën gekliefd door de neus van de Porsche, die met een vaart van 60 kilometer per uur zijn ondergrondse garage uit schoot, een stil weggetje op, waarover het kind op weg was naar school (niet de eerste schooldag, maar wel, om het dramatisch effect voorzover nodig nog wat op te voeren, een van de eerste keren dat het kind op de eigen fiets naar school fietste; het was trouwens ook een stralende dag, de eerste specht was al, zij het niet door haar, met zijn olijke getok gesignaleerd en menigeen, ook het kind, was in een opperbest humeur, maar dat was het kind wel vaker) – vrijelijk om elkaar heen dansten, als een soort zwevende ouwe dweilen, en af en toe met elkaar communiceerden, in dialogen (een groepsgesprek bleek, ook voor dode zielen, te hoog gegrepen). Dialoog 1. Het kind: 'Had je me eigenlijk zien aankomen?' Porschebestuurder: 'Nee. Of nou ja, misschien. Vanuit mijn ooghoek zag ik geloof ik wel iets ja, maar ik zag niet dat jij het was.' 'Nee, want je kende me niet.' 'Nee, ik zag niet dat dat iets een kind op een fiets was.' Dialoog 2. Moeder van het kind: 'Dat jij je nooit aan mij hebt verontschuldigd!' Porschebestuurder: 'Ik begrijp uw woede en verdriet, maar ik wist niet hoe ik...' Dialoog 3. Vader van de Porsche-bestuurder: 'Als je een gewone auto had gekocht, was dit nooit gebeurd.' Porschebestuurder: 'Een Porsche is een gewone auto, ik had alleen nog geen ervaring met het gaspedaal.' Dialoog 4. Moeder van het kind: 'Dit soort auto's zouden ze moeten verbieden. Ik vind het echt een gotspe dat de moordenaar van mijn kind zo lang vrij heeft mogen doorleven, terwijl voor mij het leven op dat moment afgelopen was.' Vader van de Porschebestuurder: 'Hij heeft die Porsche daarna wel weggedaan. Bovendien zat de kanker er bij u toen ook al in.' Dialoog 5. Het kind: 'U was geen moordenaar, maar u was wel roekeloos.' Porschebestuurder: 'Het was een ongeluk. Ik heb voor mijn gevoel genoeg straf gehad.' Dialoog 6. Vader van de Porschebestuurder: 'Jij hebt nooit straf gehad, jij bent een omhooggevallen nietsnut. Altijd geweest al. Nu letterlijk.' Porschebestuurder: 'Vader, zullen we vrede sluiten?' Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen.

De man die niet wegging


De man had het kind gebracht, en was zoals altijd nog even blijven zitten, met zijn hygiënische oversloffen aan, op de lipstickrode IKEA-bank, en zag tot zijn vreugde dat het kind er zin in had vanochtend, het ging er meteen vandoor, stortte zich op de andere kinderen, begeleiding van zijn kant was niet nodig, noch het zachte op weg helpen noch het daaropvolgende, wrede lostrekken – maar dat hoefde ook niet, want hij ging niet. Hij merkte dat hij bleef. Eerst leek de leidster dit nog wel op prijs te stellen, alle kinderen waren binnen, maar zij was nog bezig met de fruithapjes, en kon zo niet iedereen in de gaten houden; het zou nog even duren voordat de tweede leidster kwam. Maar ook toen de fruithapjes klaar waren en de kinderen aan tafel zaten, vertrok de man niet stilletjes, of niet zo stilletjes, met uitzwaaien enzovoorts, geruststellen dat de dag 'eindig' was, zoals hij dikwijls zei, maar bleef zitten op de lipstickrode IKEA-bank, op dezelfde plek, bij het raam, hoewel daar niets te zien was. Hij zat en keek naar de verorbering, voorzover daarvan sprake was, van het fruithapje, bestudeerde zijn ene hygiënische overslof die boven de grond bungelde, zijn telefoon bleef onaangeroerd. De leidster keek even op naar de man op de bank, beschaamd, ze durfde niets te zeggen, wist ook niet wat te zeggen; wilt u ook een fruithapje zou absurd zijn. De tweede leidster kwam, de man zat nog steeds op de bank, groette beleefd, de leidsters smiespelden, wisten niet wat te doen. Toen werd de directeur erbij gehaald. Hij zeilde de ruimte binnen en posteerde zich met benen wijd en armen over elkaar bij de knuffelkast. 'Mag ik vragen wat u hier doet?' 'Niets,' zei de man. 'Wat bent u van plan?' 'Ook niets.' 'Dan lijkt het me het beste om naar uw werk te gaan.' 'Ik ben op mijn werk,' zei de man. 'Ik kan me niet herinneren dat ik u heb aangenomen, ik heb nog nooit een man aangenomen, ik ben de enige man die hier werkt,' sprak de directeur, de leidsters een voor een aankijkend. 'Is er een wet of huisregel tegen mijn aanwezigheid?' Nee, dat moest de directeur toegeven, er was geen wet of huisregel tegen de aanwezigheid van de man, maar toch, als hij niet ging, dreigde hij, belde hij de policie. De directeur verdween, geërgerd, verwensingen mompelend. De leidsters haalden de kindjes uit hun stoeltjes en probeerden de man op de bank te negeren, maar dat viel niet mee, omdat de kinderen hem niet negeerden. De telefoon ging, een van de leidsters nam op, de directeur informeerde of de man er nog was. Even later belde hij nog eens, maar toen hield het op. De policie kwam ook niet. Het was niet meer nodig.

Verlaat zeer kort kerstverhaal



Iwan werd door Ron, in wiens huis hij vier lange weken in het middelpunt van de belangstelling had gestaan, op straat gegooid met de woorden: 'Zo, weg met die smerige naaldentroep, o gottegod wat ben ik blij dat het allemaal weer voorbij is.' Iwan was een van de laatste afgedankte bomen op straat, de meeste waren al opgehaald en ritueel verbrand. Nee, een rituele verbranding zat er voor Iwan niet meer in, maar het was ook niet zo dat hij zich daarop had verheugd. Hij wilde best worden gecremeerd, maar niet perse en masse, en bovendien, mocht hij misschien zelf het moment bepalen? Hij baalde ervan dat hij geen kluit had. Dat Ron het echt nodig had gevonden, of beter gezegd: de bloemist waar Ron kwam, om zijn voet af te hakken en er een kruis voor in de plaats te timmeren, anders had hij nog terug kunnen worden geplant, in een parkje of zo, door een meisje met een hart en groene vingers. De ironie! – voor wie er nog gevoelig voor was – hij, Iwan, was gekruisigd – zagen de mensen dat dan niet? Maar goed, zijn hoogtepunt lag achter hem, hij lag op zijn zij en was stervende. Het was een kwestie van tijd voor hij op de vuilstort belandde, en dan, tsjideng, in de houtversnipperaar. Maar zie, vlak voor de officiële grofvuilophaaldag ging het sneeuwen. Iwan raakte ondergesneeuwd. Hij genoot. Ongesneeuwd worden was iets verrukkelijks, hij leefde weer helemaal op. Toen het al snel weer begon te dooien, besefte hij dat het stervensproces door de sneeuw alleen maar was stilgezet, of niet eens stilgezet, vertraagd. Het werd warm, en hoewel het regende, verloor hij al zijn naalden. Hij verdorde. Een Volvo parkeerde bovenop hem, Ron stapte uit. Alles kraakte. Iwan verlangde naar het woud.

Mededeling



Tot onze spijt moeten wij u meedelen dat in uw afwezigheid uw huis is afgebroken. We hebben enkele waarschuwingen naar u gezonden, waarschuwingen die uitmondden in dreigementen, maar daar kwam geen antwoord op, dus toen begon de sloop. We hadden geen keus. Gelukkig is het besluit om uw huis af te breken geheel unaniem genomen. Er waren geen mensen tegen. Niemand heeft geprotesteerd. Toen de sloop echt goed op gang begon te komen, zo tegen de middag, kwamen wat buren kijken, maar die stelden geen vragen. Althans geen vragen die erop duidden dat zij het oneens waren met de gang van zaken. Sommige toeschouwers klapten toen de voorgevel explodeerde, hoewel, dat hoeven we u niet te vertellen, die voorgevel historische waarde vertegenwoordigt, maar aangezien we niemand konden vinden die de historische gevel wilde redden, hebben we ons fiat gegeven. Zo tegen de avondschemering zat het erop. Er was niets meer over van uw huis. Niet alleen was elke steen, elke dakpan, elk raam, elke steunbalk vernietigd, maar ook al het puin was geruimd. Aan het eind van de werkdag – als we destructie werk mogen noemen! – leek het alsof uw huis nooit had bestaan. Dat was een, wat men wel noemt, vreemde ervaring. Als u interesse heeft in de beelden van de destructie, dan verwijs ik u naar een van uw overburen, of moet ik zeggen, voormalige overburen, de heer Stoorvogel, die het hele proces van begin tot eind heeft vastgelegd. Dankzij de wonderen der hedendaagse technologie is dit ook mogelijk, zoiets zou vroeger niet mogelijk zijn. Wij willen u bedanken voor de in ons getoonde interesse en wensen u, hoewel wellicht wat aan de late kant, alle goeds voor het nieuwe jaar.