Het meisje achter het scherm



Ze zat er. Elke dag weer. Ze deed iets. Alleen zij wist wat. Wij konden alleen maar naar haar kijken, en denken. De gedachte verslaat de werkelijkheid, keer op keer. Telkens als je denkt: de werkelijkheid is geweldig, komt de gedachte op de proppen en weet je, de werkelijkheid kan inpakken. Maar het meisje. Ze is er niet meer. Ze zit niet meer achter het scherm. Wij zien een scherm, een groot scherm, zonder meisje. Een scherm zonder meisje is zoiets als een land zonder volk, man zonder vrouw, vrouw zonder kind, kind zonder, nou ja, benen. We zijn radeloos. Waar is het meisje? Is ze... opgelost? Is ze... naar Parijs? Of is ze teruggekeerd naar de moederschoot. Dat laatste valt te begrijpen. We willen allemaal terug naar de moederschoot, maar dit meisje wil dat, dunkt ons, in het bijzonder. Want waar was het geluk, in de combinatie meisje – scherm? Meisje: ja, scherm: ja (of, althans de belofte van geluk), maar de combinatie: moeilijk. Het geld was er, de macht was er, de verbinding was er – verbindingen te over – maar het geluk, steeds beter meetbaar dezer dagen, bleef onvindbaar. Natuurlijk, geluk moet niet voor het oprapen liggen. Er moet een element van strijd, van tegenslag, van onoverkomelijke hindernissen zijn. Zou het kunnen zijn, dat het meisje het geluk vond in het scherm, door het scherm en via het scherm, en daarom zichzelf niet meer nodig had?

Spontaan gewichtloos tripje



Op 27 juni 2077 verhuisde d11bµ met zijn kloon naar Mars, het derde kwadrant, vierde meridiaan, zesde barak, eerste unit. d11bµ stuurde braaf een verhuisbericht, maar zijn connecties die achterbleven lieten het afweten, in die zin dat ze geen enkele reactie gaven op het bericht, laat staan plannen maakten om hem op te zoeken, of maar te informeren naar het welzijn van zijn kloon. d11bµ  had altijd gedacht dat afstand er niet toe deed, dat connecties zulke praktische hindernissen met gemak overbrugden, maar daarin werd hij teleurgesteld. d11bµ maakte nieuwe connecties op Mars, dat wel, zijn kloon nam zelfs deel aan een leesclub, de manier, in de jaren zeventig van de eenentwintigste eeuw op Mars, om connecties te maken. Vanwege de verhuizing, die veel bitcoins had gekost, en hij nog niet bedreven was in het minen  – om heel eerlijk te zijn begreep hij het principe van bitcoin mining niet eens echt helemaal, maar hij dorst niet uit te komen voor zijn onwetendheid – moest hij zijn jetpack van de hand doen. Dit beperkte hem nog verder in zijn mobiliteit, spontane gewichtloze tripjes waren er nu niet meer bij, op en neer naar de Grote Kauwgumbal was om diverse redenen uitgesloten. Omdat hij op de gebruikelijke entertainment-opties raakte uitgekeken, sloot ook hij zich aan bij de leesclub van zijn kloon. Ze lazen op dat moment de Nederlandstalige literatuur uit de jaren tien, een laatste stuiptrekking van het genre, die werd gekenmerkt, volgens de leesclubleider, een eenogig figuur genaamd (*), door een opmerkelijke letterlijkheid, spottend het Nieuwe Nieuwe Realisme genoemd – spottend, omdat er aan dat realisme natuurlijk niets nieuws was, laat staan nieuw-nieuws, en het was ook eigenlijk onmiddellijk evident, aldus (*), dat de Nederlandstalige literatuur zichzelf met zulk realisme overbodig maakte, en inderdaad, in de jaren twintig van de eeuw, ook wel de Boring Twenties genoemd, hield deze literatuur op te bestaan. d11bµ genoot van de discussies in de leesclub; tot zijn verbazing en genoegen kwam hij heel aardig mee, hoewel hij nog nooit iets gelezen had. Door een onnozel zuurstoftekort na een glijpartij in een socio-tank overleed d11bµ op 5 november 2091. De kloon keerde na de bevriezing terug naar de aarde en publiceerde vlak voor de eeuwwisseling zijn genetische code, die uitgroeide tot een, vooral onder bots virale, intergalactische grap.

Tiuroov



Het was nacht en ik holde achteruit. Ik gebruikte mijn telefoon als spiegel. Men zag mij wel komen, maakte plaats, maar besteedde verder geen aandacht aan me. Het was interessant om achteruit te hollen. Aangenaam zou ik willen zeggen, maar het was niet aangenaam. Ik zag waar ik vandaan kwam. Op mijn afkomst had ik het beste zicht. Waar ik naar toe ging was minder duidelijk, maar ik viel tenminste niet, dat was het belangrijkste. Bij elke hindernis minderde ik vaart. Wel botste ik tegen een vrouw aan, een oude vrouw, die zo krom was dat ze haar hoofd niet op kon tillen. In mijn telefoon-spiegel viel mijn oog op haar kaalheid. Ik werd afgeleid door haar kaalheid, raakte gefascineerd, het leek alsof ik door haar kaalheid werd aangetrokken, alsof mijn telefoon haar kaalheid wilde kussen. Ik botste met mijn rug tegen haar schedel, ze kantelde, wankelde, maar viel gelukkig niet om. Wel schold ze me de huid vol, maar ze zag niet dat ze tegen mijn rug sprak. Ik holde snel verder. Langs het water. Het is in deze stad, ook als je achteruit holt, lastig om niet langs het water te hollen. Achteruit langs het water hollen is spelen met vuur. Aan de overkant van het water zag ik lichtjes. Daar moest iets zijn. Ik ging de andere kant op. Normaal vrees ik, vooral 's avonds, in de rug geschoten te worden, – zonder reden, zal een restje paranoïa zijn, gezonde paranoïa wellicht –, maar dat had ik nu niet. Ik kon nog steeds in de rug geschoten worden, door iemand voor me, iemand die op me afkwam, maar daar was ik niet bang voor. Net voordat ik de stad verliet, achteruit hollend, mijn kuiten begonnen te protesteren, mijn voeten begonnen te protesteren, mijn achillespezen begonnen te protesteren, volgde ik dezelfde weg terug, maar nu vooruit, rustig wandelend, omdat jij mij met een lier weer binnenhaalde.

Het erfstuk


Duizend jaar geleden in de Dolomieten nam een oude boer een steen op van de grond en zei tegen zijn zoon: 'Als het jou lukt om voor nageslacht te zorgen, dat weer op zijn beurt voor nageslacht zorgt, dat voor nageslacht zorgt, enzovoorts, tot in de veertigste generatie, en er wordt dan een dochter geboren, dan mag die dochter deze steen houden.' De zoon keek de vader verheugd aan, want hij had geen erfstuk verwacht, maar ook wat bezwaard, omdat hij opzag tegen de verantwoordelijkheid. De boer stierf; de zoon zorgde voor nageslacht – dit bleek in de Dolomieten, in die tijd, niet zo ingewikkeld: je ging naar het dorp, wachtte tot je een vruchtbare vrouw zag, en bevruchtte die, net zo vaak als nodig. De man kreeg een zoon, en bracht de zoon, met de steen in zijn hand, de boodschap van zijn vader over. Enzoverder, enzovoorts tot in de eeuwigheid amen. Totdat, twintig jaar geleden, in datzelfde, laten we zeggen volhardende boerengeslacht, een meisje werd geboren. Dat meisje zou de steen mogen houden. Er was alleen een probleem, ze toonde geen interesse. De steen kon haar gestolen worden. Haar vader zei: 'Dat kun je niet maken. De duizendjarige traditie in onze familie staat op het spel.' Het meisje hield vol dat ze onmogelijk gedwongen kon worden om die steen te houden, you can bring a horse to water but not you cannot make him drink en woorden van gelijke strekking. De vader riep zijn broers bijeen voor spoedberaad. Ze besloten de steen onder haar voetzool te bevestigen, zodat ze elke dag, elke minuut herinnerd zou worden aan haar verraad, maar ze hadden er niet op gerekend dat het meisje bereid bleek haar voet af te zetten, om van de steen verlost te zijn. Als eenbenige schopte ze het nog ver in het monoskiën, maar kinderen kreeg ze niet.

Klimpartij



Een moeder, laten we haar Geertje noemen, klom in een paal. Dat ging nog niet zo eenvoudig, de paal was niet glad maar gaf weinig houvast. Alleen dankzij Geertjes bijzondere spier- en wilskracht lukte het. Soms zakte ze ook wel weer iets naar beneden, je kon spreken van ups & downs bij het klimwerk van Geertje, maar ze hield vol, en grosso modo alsmede netto en per saldo ging ze omhoog. Het uitzicht werd beter maar ze genoot daar niet van, Geertje. Ze had het te druk met klimmen. Ze had het ook behoorlijk druk met op haar lip bijten trouwens, want de beklimming was allesbehalve pijnloos; men kon met recht spreken van een pijnlijke klim. De paal was niet alleen niet goed hanteerbaar, zoals zo'n paal waaraan wel eens vrouwen te vinden zijn (misschien geen moeders), palen om mee te dansen zeg maar – een hobby (of was het arbeid) die recentelijk weer in populariteit was toegenomen – maar hij was ook ruw. Er zaten uitstekende delen aan de paal. Sommige waren zo klein dat je ze niet kon zien. De grotere waren daarentegen onmogelijk te negeren. De kunst (een sport was het niet) was om die paal zodanig te navigeren, als dat inflatoire woord in dit verband kan worden gebruikt, dat men met zo min mogelijk kleerscheuren de top bereikte. Die kunst beheerste Geertje heel aardig, maar dat wil niet zeggen dat zij ongedeerd bleef. Aan het eind van de paal zat een man met een hoed op een balkje. De man lichtte zijn hoed, er kwam een vogel onderuit die zei: 'Het is donderdag, tien minuten voor tien, weet u waar uw kinderen zijn?'

Uit de hoogte



De eend hapte koortsachtig kwakend naar het brood dat hem werd toegeworpen door de oude vrouw op de kade, hij kon wel wat brood gebruiken, hij had al dagen niet gegeten, althans geen brood, laat staan brood met filet americain, tenminste, dat was wat hij dacht dat er door de lucht vloog, filet americain die weliswaar over de datum zou zijn, maar beggars can't be choosy, dat wist de eend maar al te goed, en trouwens, iets bedorven filet americain, wist hij, had wel wat, een extra smeuïgheid zullen we maar zeggen, maar ook iets weeïgs, hij was niet dol op weeïg, maar hij zou er doorheen bijten, hij zou doorbijten naar de kern van de boterham, want ja: dat was het wat nu recht op hem kwam afgevlogen, een belegde boterham, met filet americain, een toefje peterselie ook nog, als hij zich niet vergiste, hopelijk met peper en zout, dat zou wellicht dat weeïge wat neutraliseren, zijn hartje klopte van verwachting, het water liep hem in de mond, – je zou zeggen: water loopt eenden niet in de mond, dat werkt anders in zo'n snavel, maar nee, niet bij deze eend, zijn speekselklieren produceerden een klein fontein toen hij zijn bek wagenwijd open zette in afwachting van de boterham –, de oude vrouw had hem wel in partjes mogen scheuren, dan had de behapbaarheid goed gedaan, anderzijds een hele boterham, daar was niets mis mee, sterker, daar zou hij een hele week mee vooruit kunnen, misschien wel twee weken, hoewel je met deze kou wel meer calorieën nodig had, – hij zou zijn buit onmiddellijk meeslepen naar zijn schuilplaats, onder het dekzeil van een boot, tegen de ijzige wind –, de boterham had zijn bek nu bijna bereikt, hij tuimelde door de lucht als een rugbybal in slow motion, onderweg enkele kruimels verliezend, stukjes vlees ook, de peterselie, maar er zat nog steeds veel aan, veel meer dan waarvan de eend had kunnen dromen, en net toen hij verlekkerd zijn snavel wilde dichtklappen, scheerde een meeuw voorlangs, kaapte de boterham voor zijn neus weg, en zei, met zijn kraalogen: 'What can you do?'

De laatste vlieg en de alleenheerser



De laatste vlieg landt op de luie kin van de alleenheerser, die in bed Aesopus ligt te lezen. De alleenheerser beweegt zijn hand naar zijn kin, de vlieg vlucht en landt op zijn filtrum. De alleenheerser beweegt zijn hand naar zijn filtrum, de vlieg vlucht, en landt op zijn linker neusvleugel. De alleenheerser brengt zijn rechter wijsvinger naar zijn linker neusvleugel, de vlieg vlucht, en landt op zijn kin. Dit gaat zo een tijdje door; de alleenheerser is voldoende geboeid door Aesopus om door te blijven lezen, totdat hij ineens woest om zich heen slaat, eerst met zijn handen, daarna met Aesopus, Aeschylus, dan nog met Adriaan van Dis, en als dat allemaal niets uithaalt, roept hij de opperbevelhebber van het land bij zich met de opdracht alle vliegen te verdelgen. De opperbevelhebber informeert nog naar het budget ('zonder plafond'), mompelt dat het seizoen voor vliegen eigenlijk voorbij is en gaat aan het werk. In no time meldt hij met gepaste trots dat alle vliegen van het land zijn verdelgd. De prijs hiervoor is vrij hoog: het land is onvruchtbaar geworden en alle bebouwing, afgezien van het verblijf van de alleenheerser, is weggevaagd. Alleen de opperbevelhebber en een handvol wijze vrouwen zijn gespaard gebleven. Voldaan neemt de alleenheerser Aesopus ter hand en leest verder. De laatste vlieg die in een hoekje op sterven ligt, zegt: 'En ik wilde u alleen maar kussen.'

Twee paarden



Twee paarden draven door de woestijn. Ze krijgen dorst. Bij een teleurstellende oase drinken ze wat lauwwarme zanderige troep en vervolgen hun weg. Dat gaat goed, ze genieten van de wijde nietsigheid, totdat de dorst in alle hevigheid terugkeert. Moeten ze omkeren naar de teleurstellende oase, of doordraven, in de hoop een bevredigende oase aan te treffen met koeler, helderder water? De paarden willen graag hopen en draven door maar hun optimisme is al tanende. Ze draven alsof hun leven ervan afhangt, en in nogal letterlijke zin is dit ook zo, maar hoe harder ze draven, hoe groter de dorst. 'Wat denk jij,' vraagt het ene paard, de strot kurkdroog, de kop omlaag tegen de moordende zon, 'zullen we niet toch omkeren?' Het andere paard schudt zijn hoofd. 'Als we nu omkeren, halen we die oase niet meer. We moeten door.' 'Ik keer om,' zegt het ene paard. 'Ik wist het wel,' schuimbekt opeens het andere paard, 'ik had nooit met jou op pad moeten gaan!' Het ene paard schudt zijn hoofd. 'Jij ook altijd met onmogelijke ideeën!' Het paard dat omkeert komt om door uitdroging, het paard dat doordraaft wordt gevangen genomen door een passerende karavaan. 'Wat doe jij hier in je eentje?' vraagt een kameel. 'Ik had een vriend,' zegt het paard, 'maar die heeft me verlaten.' 's Avonds, bij de oase, wordt het paard aan stukken gesneden en opgegeten.

Imres talent



Hoewel meisjes vaker dingen inslikken, slikte dit meisje, Imre (niet haar echte naam), spijkers in. Geen roestige. Nieuwe. Ze kocht ze op internet, omdat ze zich niet in een ijzerhandel wilde vertonen. Niet zo vaak althans – met dezelfde bestelling. Ze slikte ze langzaam en behoedzaam in. Een voor een, een heel doosje achter elkaar, alsof ze kettingrookte. Zonder water of olie gleden de scherpe artefacten toch nog opmerkelijk soepeltjes haar spijsverteringskanaal in. De mond was welcoming. Ze kauwde niet of nauwelijks. Niet omdat ze niet wilde kauwen, of omdat het zinloos was om te kauwen (als je zo begon), maar omdat ze de spijkers met enige spoed door haar lijf wilde drijven. Eenmaal ingeslikt was de spijker, in haar perceptie, gewonnen, en verloren. Haar slokdarm was aan zet, haar maag, haar darmstelsel. Imres talent, als het dat mocht worden genoemd, bestond eruit dat de spijkers vrijwel ongedeerd haar vrijwel ongedeerde lijf verlieten. Er kleefde hooguit wat slijm aan; vooralsnog leek het er niet op dat Imre haar lichaam van binnenuit perforeerde. Dit was ook niet haar doel; evenmin had ze de ambitie om in het circus op te treden, op popfestivals, in het alternatieve theatercircuit of voor de altijd weer hongerige groepjes spijkerfetisjisten waarvan men het bestaan wel vermoedt, maar zelden bevestigd wil zien. Imre slikte spijkers in en poepte ze weer uit. Daarmee was alles gezegd. Er was, in die zin, ook geen verhaal. Imre was het verhaal.

Minimal music



Drie mannen en een piano in een lege winkel. Eentje speelde de blues. Eentje keek van de bovenkant in de klankkast. Eentje hield de lage bes in de gaten. Als hij vond dat de blues een lage bes nodig had, drukte hij de betreffende toets in. Meestal kort, maar soms liet hij hem ook lang aan, alsof hij een uitgebreider punt wilde maken. De bluesspeler zag het door de vingers, hij zat in zijn spel. Dat veranderde, als de man die van bovenaf de klankkast in keek aan de snaren krabde voor het effect – een horror-effect dat hem aan zijn kinderjaren in Hamburg deed denken als hij op de mat werd gegooid bij judo en genoot van de nederlaag. De bluesspeler stond dan op, en duwde de klep van de klankkast bovenop de arm van de snarenkrabber – zo stevig, dat diens bovenarm half verlamd raakte; nochtans gaf hij geen krimp. Wel hield hij op waar hij mee bezig was, in die zin was het een effectieve ingreep. De bluespianist opende de klep weer, viste de arm, waar weinig leven meer in zat, uit de klankkast, overhandigde deze aan de rechtmatige eigenaar en speelde verder. Het was een vrij lange blues, een blues in meerdere delen, een blues-suite zou je ook kunnen zeggen, als dat niet zo pretentieus klonk, maar er werd niet of nauwelijks geïmproviseerd. De bluesspeler hield niet van improvisatie, hij beschouwde de blues als minimal music, die op doodernstige wijze moest worden uitgevoerd, en anders niet. De verkoper maakte er een einde aan.