Geachte kreunende vrouw om 23u40,

Max Walter Svanberg


U komt wat sneller ter zake dan uw voorgangster en dat is winst – tenminste, vanuit het standpunt van uw toehoorders, ik schat zo'n hemelsbreed vijf meter onder u.

Als ik me niet vergis hoorde ik u om 23u00 de trap op stampen. En de rest is geschiedenis.

Eenmaal aan het werk, breidde u er ook sneller een eind aan. Of dit de verdienste was van uw minnaar, onze bovenbuurman, laat ik even in het midden – het zal samenspel zijn geweest. Er zat een opbouw in. Ik zal niet zo ver gaan om uw gekreun als een compositie te kenschetsen, als een suite of iets dergelijks, à la Sofia Goebajdoelina of Luciano Berio, daarvoor klonk het toch wat te geïmproviseerd, wat rommelig en ad hoc, maar het ging ergens naar toe, en dat kon van uw voorgangster niet gezegd worden.

Wij zaten toch nog wel met een paar vragen.

1. Halverwege uw gekreun meenden wij het geluid van een machine te horen. Nu is onze vraag: was dit een machine in de seksueel genotsopwekkende sfeer en had u een en ander voor dit doel met vooruitziende blik medegebracht? Of was dit een poging van uw minnaar, onze bovenbuurman, om het geluid dat u produceerde als het ware te maskeren?

2. U bleef slapen. Dat weet ik, omdat ik u vanochtend laat de deur uit zag komen, in een autootje stappen en wegrijden. Met een tasje. Natuurlijk, ik redeneer hier op basis van onvolledige informatie, ik heb u niet om uw beweegredenen gevraagd, noch heb ik mijn bovenbuurman u zien uitwuiven, maar ik had u nog niet eerder ons pand zien verlaten. Nu luidt onze vraag: hoe was het? Overweegt u een reprise? Indien ja, mogen wij u dan verzoeken dit te plannen in de vroege middag, of bij u thuis, desnoods in de auto?

Onze dank is groot en lang leve de liefde,

Enz.



Ama / pro




Wat onderscheidt de amateur van de professional? En, in het verlengde hiervan: is dit onderscheid in het huidige tijdsgewricht nog relevant?

Ik stelde deze vragen nadat ik me opnieuw had laten strikken door Mark van het Bruggehuisje (het kleinste kinderverteltheater van de stad), om deel te nemen aan zijn project om poëzie te laten weerklinken (omlijst door wat levende muziek), op enkele 'pleintjes' bij mij in de buurt.

Ik was om vijf uur aan de beurt op het Meerhuizenplein. Bij aankomst, met mijn zevenjarige op sleeptouw, voelde ik toch nog plankenkoorts.

Ex-oom Louk, die aan dit plein woont, had ik ingeseind, maar hij antwoordde dat hij een afspraak had. Jammer, dan werd het dus toch weer een halve man en een paardenkop. 'De kunstenaar,' smste hij, 'is een roepende in de woestijn van steen. Wen er aan.'

Bij het openingslied 'Poëzie op pleintjes', 'meerstemmig' gezongen door Mark en twee andere amateurs, wilde ik door de grond zakken. Waarom was ik alweder bezig mijn ruiten in te gooien? Immers, het meest in het oog springende onderscheid tussen een ama en een pro is nog altijd dat de tweede betaald wordt, en de eerste alleen met aandacht; daarom zou de pro moeten bedanken voor dit soort optredens. Maar wat konden mij, zijnde TOZO'er, die valuta schelen? Ik droeg mijn twee gedichten voor – precies op het juiste moment kwam A. aanwandelen, zodat ik na afloop bij haar kon schuilen.

Een uur later werd ik verwacht op het pleintje voor de Tolbar voor de 'finale'. De mensen die nietsvermoedend op het terrasje borrelden, vluchtten niet toen zij vergast werden op PoP. Sterker, er begon daadwerkelijk een ambiance te ontstaan die enigszins deed denken aan die van een echt podium.

Een vrouw in het publiek genaamd Rogeria, die ik vagelijk ken, zei dat ze was gecharmeerd van Herfstverlangen, een gedicht dat ik waarschijnlijk niet had geschreven als Mark er niet om had gevraagd.

Misschien moest de conclusie luiden dat deze zelfbenoemde pro zich vooralsnog zonder amateurisme niet kon redden.

 

Brandend-huis droom


Ik droomde dat ik een brandend huis probeerde te ontvluchten. Het was niet zomaar een brandend huis, iemand had het aangestoken. Misschien ikzelf, dat weet ik niet zeker. Het was aangestoken, meen ik me te herinneren, met frauduleuze doeleinden, maar het ging dus mis want de brand woedde al hevig en iedereen behalve ik sliep nog, en er was geen uitweg.

Is dat het grootste inferno? Wakker worden in een brandend huis, waar je niet meer uit blijkt te kunnen ontsnappen? Samen met ten onder gaan in een schip dat langzaam zinkt terwijl jij je kamer niet uit kunt (het waterpeil stijgt langzaam totdat je met je hoofd schuin tegen het plafond zit en geen adem meer kunt halen), – die scène zit in Titanic – denk ik dat het brandend huis-scenario vrij hoog scoort.

Maar wat heeft het allemaal te betekenen?

'Als je in je droom in vlammen opgaat,' aldus Droominfo.nl, 'betekent dit dat je temperament de overhand krijgt.'

En: 'Wanneer je droomt dat je huis in brand staat, suggereert je droom dat je een verandering moet ondergaan.'

Tja. De verandering die ik graag zou willen ondergaan is die van something seller-auteur naar better seller auteur maar ik begin me zo langzamerhand af te vragen of ik hier zelf nog enige invloed op kan uitoefenen, behalve een zo goed mogelijk manuscript af te leveren.

Een interessant artikel in Nature lijkt iets te bewijzen over dromen dat elke dromer al wist: dat er geen 1 op 1 verband is tussen je dromende staat en je wakende staat, maar dat de inhoud van je droom wel iets zegt over hoe je je voelt. Zo zou mijn brandend-huis droom toch kunnen wijzen op een bepaalde mate van emotioneel tumult.

Een andere theorie stelt dat je in dit soort angstdromen oefent voor mogelijk gevaar.

Werd ik krijsend, of in elk geval met een schreeuw wakker? Nee, hoewel ik wel eens op die manier uit een nachtmerrie ben ontwaakt. Het bleef beschaafd. Ik herinner me dat ik vroeg in de ochtend wakker werd uit de brandend-huis droom, en daarna vergeefs probeerde in slaap te komen om terug te keren naar de droom en alsnog samen met mijn dierbaren te ontsnappen.


Louisville, Kentucky


Jaren geleden was ik in Louisville, Kentucky, op bezoek, uitgenodigd als NRC-correspondent, om een theaterfestival bij te wonen. Een soort Holland Festival, maar dan in Kentucky. Althans, dat was de gedachte van de organisatoren, dat moet het idee zijn geweest. Je hoort het de initiatiefnemers zeggen, tijdens de oprichtingsvergadering: 'This should put Kentucky in general on the map, and Louisville in particular.'

Hoe doe je dat, een plek op de kaart zetten? Nou, door ervoor te zorgen dat mensen die bijvoorbeeld in New York wonen, zich gaan afvragen: waar ligt dat eigenlijk, Louisville, en hoe kan ik er heen? In die tijd, zeg twintig jaar geleden, deed je dat door de media uit te nodigen. Tot de media van Nederland toe, dus. Waarschijnlijk weet de gemiddelde Kentucky'er evenveel over Nederland als... de gemiddelde Nederlander over Kentucky, maar dat was kennelijk geen bezwaar. Daar wilden ze juist verandering in brengen, net zoals het HF dat wil.

Waar ik naar toe wil, is dat ik, als buitenlandse gast, werd uitgenodigd bij een familie thuis. Een rijke familie, hoewel je dat er misschien niet meteen aan af zag. Een invloedrijke familie, moet ik misschien zeggen. Zo'n familie die al sinds jaar en dag bepaalt wat er in Louisville Kentucky gebeurt. Het was een uiterst genoeglijk diner. Geen klachten.

Was die familie zwart? Waren er zwarte acts op dat festival? Het was de organisatie gelukt Louisville op de kaart te zetten, maar niet zo goed als de politie dat nu net is gelukt.

Wat mij deed huiveren was de 'no knock'-warrant. Dit huiszoekingsbevel wil zoveel zeggen als: de politie kan waar ook, om wat voor reden ook, op welk tijdstip ook, bij wie ook binnenvallen.

Kafka in het kwadraat.

Hij is onmiddellijk afgeschaft, die warrant – te laat voor Breonna Taylor.

Zeeman o zeeman


Ik rijd door Maarssen en verbaas me, want ik ben nog nooit door Maarssen gereden, tenminste ik kan het me niet herinneren, over de witheid van de mensen op de fietsen, de scholieren die bij het stoplicht staan, de voetgangers, de mede-mobilisten, iedereen. Dubbelblank, mompel ik bij mezelf. Maar ik ben niet naar Maarssen gekomen om de raciale opbouw van de lokale bevolking van dichtbij te bestuderen.

Ik passeer verpleeghuis Snavelenburg – verpleeghuizen herken je onmiddellijk, het is moeilijk te zeggen waaraan, maar een deel van de verklaring is de steeds teleurstellende architectuur, een verpleeghuis ziet eruit zoals het er van binnen nogal eens ruikt – en vang, omdat ik mijn raampje open heb staan, een flard op van een lied dat met nogal wat volume ten gehore wordt gebracht, kennelijk buiten, met begeleiding. Ik zie niemand, maar ik hoor:

Zeeman, o zeeman/ Ga toch niet weer heen / Zeeman, o zeeman / Laat ons niet alleen

Een coronaconcert, ongetwijfeld. Ik wil stoppen om het bij te wonen. Het lied, een schlager moet het zijn, ken ik niet, maar klinkt me toch bekend in de oren.

Bij thuiskomst zoek ik het op. Zeeman o zeeman, van The Ramblers, maar natuurlijk, uit 1958. Nee, niks maar natuurlijk, ik kende dat orkest helemaal niet want het is ruimschoots voor mijn tijd. Het bestaat bijna honderd jaar. Het is het orkest van mijn ouders, maar mijn ouders heb ik er nooit over gehoord, ik moet ze er eens naar vragen.

Wie is Loesje? is een van hun all time hits.

Wie is Loesje/ Wie is toch dat snoesje? / Loesje is het meisje van de drummer van de band.

Het liedje is geïnspireerd op Liesje, dat was inderdaad de vrouw van de drummer van de band.

Onschuldig, deze muziek, in zijn eenvoud, maar misschien is het valse onschuld.

Nog iets: Snavelenburg beschikt over een crisisbed. Ik wil ook een crisisbed.


De verering van mijn voet



Ik zit in het zwembad, of meer precies bij het zwembad, naar de eeuwige zwemles van mijn dochter te kijken, of eigenlijk niet te kijken maar vooral met een vader te kletsen van een ander zwemleskind, die ook nog een zoontje voor zich op de grond heeft gezet, een mannetje van twee, Mo, en die ruikt aan mijn voet.

Hij was begonnen met aaien. Mijn blote linkervoet – schoenen en sokken moeten uit bij het zwembad – die voor zijn neus hing te bungelen (ik had mijn linkerbeen over mijn rechterbeen geslagen). Met zijn nog enigszins worstige vingers streek hij over de rug van mijn tenen, over mijn wreef, en langs mijn hiel.

'Heb je er last van,' vroeg de zwembadvader. 'Dan haal ik hem weg.'

'Helemaal niet.'

Dat ruiken is misschien toch wel enigszins vreemd. We kletsen verder. Het geval wil dat de zwemlesvader net Zalig uiteinde heeft gelezen (op mijn instigatie, dat wel) en gewag maakt van het in zijn woorden taboedoorbrekende aspect van de seksualiteit onder jongens in dat boek. Ik wil mezelf niet op de borst slaan, maar ik ken weinig niet-homo-erotische romans waarin dit soort seksualiteit een rol speelt (ik hou me aanbevolen voor titels). Tegen de zwembadvader hoor ik mezelf zeggen dat in geen van de recensies die dat boek destijds kreeg, hier ook maar een woord aan werd vuilgemaakt. Misschien kwam het omdat alle recensenten vrouwen waren. Op één na.

'Herman Brusselmans zou Zalig uiteinde recenseren, maar aangekomen bij de scene waarin de ik-persoon de tenen van een van zijn vriendjes in zijn mond neemt, wilde hij niet meer verder lezen.'

Mo is inmiddels overgegaan tot het kussen van mijn voeten. Het maakt mij niet uit wie mijn voeten kust, als ze maar worden gekust. Gek genoeg antwoordt Mo op zijn vaders vraag of hij mijn voet aan het kussen is: 'Nee. Ruiken.'

'Hij zegt graag nee,' legt de vader uit.

'Nee fase,' verbetert Mo.

Ik hoop dat hij er volgende week weer is.




Dun meisje


Terwijl N. en ik zwijgend de troostende nazomerse zonnestralen op een terrasje aan de gracht opvingen, zat, een tafeltje verderop, had ik al gezien (zijnde professioneel waarnemer, voyeur mag ook) een bleek, dun meisje. Ze had haar rugzak bij haar voeteneinde gestald. Ze had ook een laptop bij zich, maar die gebruikte ze niet. Ze lunchte. In haar eentje. Op zich al een bezienswaardigheid. Toen ze aanstalten maakte om te vertrekken en daarbij tamelijk ostentatief aarzelde, zei ik, bij gebrek aan een beter woord: 'Hallo.'

Ze zei hallo terug, maar daar bleef het niet bij. Ze deed haar verhaal. Ze was net afgestudeerd psycholoog en zat nu op de filmacademie. Een mooie combinatie leek me, bijvoorbeeld voor het maken van indringende, maar ook wetenschappelijk goed onderbouwde documentaires over het menselijk denken en gedrag, dat nooit nalaat te verbazen.

Ze stond op een tweesprong. Ze wilde naar het buitenland, maar moest ze dat ook doen? Op Amsterdam was ze uitgekeken. Geen stad waar veel creativiteit van uitging, vond ze. Niet zoals Parijs en Berlijn en zelfs Bangkok, waar ze ook langere tijd was.

In Amsterdam heeft iedereen alles al, zei ik. Succes, geld, vrienden, familie. Amsterdam is een stad voor gearriveerden. Kijk om je heen. Wie kan hier wonen? Alleen mensen die al ruimschoots geslaagd zijn. Dat is al vier eeuwen zo. Deze mensen zijn nergens meer naar op zoek. Misschien in Amsterdam Noord, zo oreerde ik verder, kun je nog iets van de scheppingsdrang en experimenteerdrift vinden die bijvoorbeeld ook Rotterdam ooit kenmerkte, en die me aan Brooklyn deed denken toen ik daar twintig jaar geleden woonde.

Het dunne meisje dacht erover naar LA te verhuizen.

Ik heb niets tegen LA, zei ik, maar dan moet je wel een auto hebben. Je kunt beter naar New York gaan.

Maar New York is toch heel duur?

Valt mee. En wat heeft een mens nodig? Minder dan je denkt.

Een goed boek, vulde N. aan. Ze glimlachte vanonder haar baseball-cap naar het dunne meisje.

In de East Village, of anders in Queens, kon je vroeger voor 5 à 10 dollar heel behoorlijk Indiaas eten, zei ik. Misschien is dat nog steeds zo.

Nou, ik denk dat ik dan maar ga, zei het dunne meisje.

Ik zou het doen. Straks ben je zo oud als wij en dan doe je niets meer, dan kun je alleen nog maar wachten op de dood.

Ze ging.


Eén meter is beter



Anderhalve meter is teveel van het goede. Ik geef toe, ik ben nogal laat tot dit inzicht gekomen, namelijk gisteravond, toen ik met A. over een compleet verlaten Van Baerlestraat liep en we op de stoep gekalkte anderhalve meter maatstaven tegenkwamen en ik zei: 'Ga jij eens aan die kant staan, dan ga ik aan deze kant staan. Eens kijken hoe die anderhalve-meter-samenleving in de praktijk uitpakt.'

A. deed voor een keer wat van haar gevraagd werd. Daar stond ze, aan gene zijde van de door de gemeente Amsterdam (veronderstel ik) aangebrachte pijlen op het trottoir, ter adstructie van de sociale distantie die we tot elkaar schijnen te moeten bewaren om gevrijwaard te blijven van besmetting.

Ze zag er goed uit, vond ik, A. Ze droeg een glitterende donkerblauwe jas, een vrij strakke spijkerbroek en grappige schoentjes. Hoewel bang voor kou, had ze het nog niet nodig gevonden om sjaals uit de kast te trekken, en mutsen en handschoenen en wat dies meer zij. Ze keek niet op haar nieuwe telefoon, want die had ze thuisgelaten.

'Kunt u me misschien de weg vertellen naar het Stedelijk Museum?'

'Wablief? Kunt u wat harder praten? Of anders gebarentaal.'

Gebarentaal ben ik slecht in, bovendien was het al laat, mijn gebaren zouden verdwijnen in de nacht. Rooksignalen zou kunnen, dat had een dramatisch effect gegeven, maar ik had niets te roken bij me. Het was allemaal academisch, want het SM was allang dicht.

'Deze afstand is toch niet te doen?'

'Het is de lengte van onze zoon. Stel je voor dat onze zoon op de grond tussen ons in ligt.'

Leuke meetlat. Conclusie van een burger: anderhalve meter is misschien weer een geval van het te goed willen doen, waardoor het tegenovergestelde wordt bereikt. Niemand, niet alleen de minister van justitie niet, gaat zich aan die anderhalve meter houden. Zeker, ik heb wel eens twee obese honden-uitlaters op leeftijd op flinke afstand met elkaar zien praten, dat zal ook wel anderhalve meter of misschien meer zijn geweest, maar verder heb ik de afgelopen maanden niemand dergelijke afstanden zien aanhouden, waar dan ook, niet in winkels en niet in restaurants, en al helemaal niet onder jongeren die op boten, in parken en waar dan ook op alle mogelijke wijzen samenklonteren.

Als we net zoals de Fransen één-meter afstand houden, zeg maar een ruime armlengte, dan heeft dit veel meer kans van slagen, niet alleen in coronatijden, maar als nieuwe maatstaf voor de Brave Nieuwe Wereld. Wel de andere kant op niesen, zingen en hoesten graag.

Dat is het wrede




De schoonbroer van mijn broer, ofwel de broer van mijn schoonzus, is een paar dagen geleden gestorven en ik wil dat niet onopgemerkt laten passeren. Hij was niet oud. Ik kende hem niet goed, maar de keren dat ik hem zag was hij goedgeluimd. Een levensgenieter, zoals dat heet. Hij was met een mede-levensgenieter getrouwd en woonde in Diemen.

Ik fietste toevallig door Diemen met mijn elfjarige een paar weken geleden, en we hadden net het nieuws gehoord dat hij ernstig ziek was, er was niet minder dan een medisch doodvonnis over hem geveld, en wij waren in een ouderwetse snoepwinkel in het centrum van Diemen en dachten: is het een idee om iets lekkers bij hem langs te brengen? Zo vaak is mijn elfjarige niet op ziekenbezoek geweest. Je moet wat. Niets doen is een optie, maar alleen voor een nihilist. Ik vind nihilisme als idee interessant, niet als lifestyle.

'Heeft geen zin meer,' zei mijn schoonzus toen ik haar belde vanuit de snoepwinkel. 'Lief bedoeld, maar nee.'

Ik heb een kaartje gestuurd. Als een schrijver zich van nut kan maken, dan met het sturen van kaartjes aan doodzieken. Toen ik het kaartje op de bus had gedaan, vroeg ik me af of het leesbaar was (ik heb het handschrift van een huisartsenzoon), maar misschien deed dat er niet toe.

Er valt niets te zeggen, dat is het erge.

Een week of twee geleden belde mijn broer om een update te geven over de status van de man die ik een kaartje had gestuurd. Het zag er nog steeds niet goed uit voor hem, maar toch minder niet goed dan aanvankelijk. Hij leefde nog.

Nu is hij dood. Vreemd hoe de diagnose – hij ging naar de huisarts met buikklachten en kreeg vervolgens te horen dat hij onder de kanker zat –, zo inslaat als een bom dat je daarna, als de zieke niet meteen sterft, weer hoop krijgt. Dat is het wrede, de dood laat nog even op zich wachten, lang genoeg om dingen te denken als: misschien valt het mee, misschien is er nog tijd. Dan slaat hij toe.

Een paar maanden geleden, vertelde mijn broer, was zijn schoonbroer bij de 102de verjaardag van zijn schoonvader en had toen opgemerkt: 'Dit zou wel eens de laatste verjaardag kunnen zijn die ik meemaak.'

Hij kreeg gelijk om de verkeerde reden.

'Though lovers be lost, love shall not,' dichtte Dylan Thomas. 'And death shall have no dominion.'




Protest song


In de music store op mijn telefoon stuit ik op drie recente hiphop tracks getiteld Lockdown.

'Corona tijden? Help jezelf. Zieke man.'

En: 'Ik ben aan het rennen met die Fabienne. Zij geeft me zo lang hoofd, ik voel me haar migraine. Ik ben aan het slangen buiten quarantaine, ik voel me spitser dan een antenne.'

'Zieke man, zieke zieke man.'

Deze straatpoëtica hebben we te danken aan Mula B.

Een grimmige beat eronder. C, Cis Dis C. Dat is alles. Alsmaar door. Drie minuten lang. Grote passen gauw thuis, zullen we maar zeggen.

Dan: Lange Frans. Ook al een woordkunstenaar, Lucebert kan wel ophouden. 'Welkom op het allerleipste festival. Je hebt geen kaartje nodig want je bent er al.' Geniaal, in een woord. En dat op een o zo simpele riffje F Bes F, B Fis. Mooi werk, Louis Andriessen is er niets bij. 'En ineens is het duidelijk dat wij getuige zijn/ Van de matrix die verkruimelt.'

En ook nog thuis in zijn complottheorietjes: 'Een pedonetwerk wereldwijd vraag niet hoe/ via Hillary Clinton tot de Oranjes aan toe.'

Lekker. Bedankt Frans. Herstel Lange Frans. Move over Eminem, here's Long French, from Amsterdam. Remember de Mikmak? Ik bedoel Long Frans! Robert Long? Nee, Frans Lang. Lang Lang? Nee, Lange Frans. Enzovoorts. Vul zelf aan, in de geest van de lyricus zelve.

Gelukkig – ernst alert! – is daar ook nog Lockdown, de echte, courtesy Anderson Paak. Niet grimmig, deze track, hoewel de lyrics daar alle reden toe geven, want het is een protest song, the people are rising, maar een hoopgevende protest song. Opwekkend.

Een lekker nummer kun je het ook noemen. Ik mag er graag in de keuken op swingen als niemand kijkt. Een hip hop track, zeker, maar wel een met een kop en een staart en een refrein en een couplet. En een verdomd fijne verbale solo, als ik het zo mag noemen, van Jay Rock over kale piano-akkoorden.

Fijne hese stem, die Paak. Amerika op zijn best dit