Op zoek naar de uitgang van het kerkhof



Ik zou het bijna vergeten, maar ik had mijn vadertje naar het kerkhof gebracht. Per ongeluk, wil ik eraan toevoegen, alsof toeval bestaat in menselijke verhoudingen (je zou willen van wel, maar ik betwijfel het). Ik stelde voor met hem te gaan wandelen in de rolstoel en op mijn telefoon had ik gezien dat er een stukje groen was niet ver van Résidence Hemelpoort vandaan. (Waarschijnlijk had ik, toen ik het opzocht, heus de woorden RK Begraafplaats zien staan; die informatie bevond zich in mijn onderbewuste of zoiets.) De begraafplaats, midden in de stad, was open, maar werd kennelijk niet vaak gebruikt voor wandelingen, want de paden waren dikbemost, overwoekerd door boomwortels of onvindbaar. Mijn vader liet zich zonder protest tussen de graven door manoeuvreren. 'Zie jij jezelf hier liggen?' vroeg ik, toch maar, hoewel ik het antwoord wel kon raden. 'Nee. Wij willen worden gecremeerd.' Ook dat wist ik, maar nu wist ik het zeker. Was dit mijn doel geweest? Wilde ik hem bang maken? Het was een onschuldig uitje, hoewel die misschien niet bestaan; zeker niet in deze tijden.
We passeerden een grote grafsteen met daarop twee namen. Vader en zoon. De zoon, Daniël heette hij, was op dezelfde dag als ik geboren, een jaar eerder. Zijn vader bleek hem ruimschoots te hebben overleefd.
Omdat het onbevredigend is om dezelfde weg terug te moeten wandelen, zochten mijn vader en ik naarstig naar een uitgang, een andere kant, waar we het kerkhof konden verlaten. Die vonden we gelukkig, maar niet dan nadat we op een achter bomen verscholen plaatsje uitkwamen met kiezelsteentjes en een groot Christusbeeld.
'Wil je nog een schietgebedje doen?'
'Nee,' zei mijn vader. 'Ik heb mijn pistool niet bij me.'


Dagboek van een gemondkapte



Het eerste wat opvalt als je met een mondkapje in de trein gaat zitten, zoals ik gisteren, is dat je wordt uitgelachen. In mijn geval, het kon erger, door een meisje met een koptelefoon op dat schuin tegenover me zat. Ze begon, nadat ze me gemonsterd had, vrij luid te lachen tegen haar telefoonscherm. Volgens mij heeft ze foto's en films van me gemaakt en die naar al haar vrienden gestuurd. 'Word ik uitgelachen?,' wilde ik vragen (omdat je het nooit zeker weet en het is de onzekerheid die knaagt), maar daarop zou ze denkelijk niet eerlijk antwoorden, dus vroeg ik: 'Waar luister je naar?' Eerst merkte ze niet op dat ik iets aan haar vroeg omdat ze niets hoorde; zij hield haar oren verborgen en ik mijn lippen. Toen ik mijn vraag herhaalde, met mijn smoelwerk als een schooiende hond haar richting op, antwoordde ze: 'Ja, heel toevallig, Walking in the sun.'
Op Station Eindhoven werd ik benaderd door een medegemondkapte. Voordat hij mij vroeg naar het 18 Septemberplein, schoof hij zijn kapje omlaag. Zo wordt het nooit iets.
Op de markt in Eindhoven toch dichtbij ground zero in de corona-crisis, was ik een van de weinigen die 'bescherming' van de luchtwegen nodig had gevonden. Door tenminste een groepje jongeren werd ik nagekeken en -gewezen. Een sensatie die ik eigenlijk niet meer kende sinds ik als foet door de stad paradeerde in mijn studententijd.
Bij de notenbar schrok ik: daar kwam mijn moedertje aan. Ze moest me tegemoet zijn gelopen. Toen ze me herkende bleef ze stokstijf staan met een verbaasde, cq. verrukte blik. Haar verrukking won het van haar verbazing. 'Nu kun je hem wel afzetten,' zei ze. 'Natuurlijk niet,' zei ik.
Toen ik het appartement betrad in Résidence Hemelpoort en op mijn puzzelende vader afliep, in zijn vaste stoel bij het raam, zei hij, met het stemgeluid van Marty Funkhauser: 'Even dacht ik: wat een enorme baard en snor.'
'Je weet toch dat ik nauwelijks baardgroei heb?'

Groeimarkt



Ik heb nog niet op de website gekeken, laat staan dat ik plannen heb om opnieuw naar Dortmund af te reizen, maar mijn gevoel zegt me dat het poppenbordeel van Evelyn Schwarz, waarover ik twee jaar geleden in de Volkskrant schreef, thans en in de afzienbare toekomst goede zaken doet.
'Maar het virus blijft ook zitten op plastic!' protesteerde A., toen ik mijn analyse met haar deelde aan de ontbijttafel.
Kan wel wezen, maar een sekspop desinfecteren lijkt me, vergeleken met het testen van een mens, een peulenschil. Daar hebben ze ervaring mee, daar in Duitsland. Ze moeten daar sowieso die siliconen humanoïden ontdoen van alle mogelijke lichaamssappen, daar kan een alcoholbad tegen corona ook nog wel bij (misschien dat de tepels van de dames en de ogen van de heren verbleken, maar dat is een kleinigheid).
De Amsterdamse vereniging voor de belangen van prostituées is met voorstellen gekomen om de sekswerkers weer aan het werk te laten gaan in het nieuwe normaal. Als kappers mogen knippen, waarom zouden ... dan niet mogen ...? Het advies uit de branche: het kan, maar alleen van achteren. Oraal? Uitgesloten. Zoenen was altijd al verboten (maar vaak toch een optie als men maar genoeg betaalde). Ik voorspel hoogtijdagen voor fetisjisten. Iedereen die seks niet zozeer ziet als een manier om zo dicht mogelijk bij elkaar te komen, maar om min of meer gelijktijdig een idee uit te werken, ziet kansen. Hoezo is seks op 1.5 m niet mogelijk? Gebruik je fantasie. Neem een voorbeeld aan de Japanners.
Sekspoppen in restaurants is een logische consequentie. Waarom saaie mannequins in restaurants neerzetten als opvul-clièntele, om een sfeer te creëren, en niet aanlokkelijke Liebespuppen, aan wie je je, tussen de gerechten door, bij wijze van amuse, mag verlustigen? Ik zie een groeimarkt.

Bescherming



Eerste corona-taxirit in tijden. Ik neem plaats op de achterbank achter een spatscherm, het woord alleen al heeft iets onsmakelijks. 'Sorry,' zegt de chauffeur, een compacte, breedgeschouderde man. Het doet mij denken aan New York, waar veel taxi's een zogenaamde partition hebben – niet zozeer tegen besmetting, als wel tegen opdringerige passagiers. Ik herinner me een golf van taximoorden, moorden op taxichauffeurs, in de jaren negentig. De taxi stopt voor een man langs de weg, de man stapt in, rijdt een eindje, en laat de taxi vervolgens op een stil stukje stoppen. De chauffeur wacht op betaling, of op verdere instructies (zo stel ik me voor). De passagier haalt een wurgdraad tevoorschijn, of een pistool of een mes, en slaat toe. Een laffe daad.
Ik betwijfel of het spatscherm ook geschikt zou zijn tegen zulke vormen van agressie. Daarvoor is het te slap, je zou het zo opzij kunnen duwen, of, nog makkelijker, er dwars doorheen schieten met een krachtig vuurwapen.
Die partitions in New Yorkse taxi's hebben een schuifraampje, herinner ik me, dat vrijwel altijd open staat (of misschien alleen bij mij; zo ongevaarlijk zie ik eruit).
Ik kan me voorstellen dat het spatscherm ook voordelen heeft; bijvoorbeeld als passagiers met een kegel instappen, of met heel erg veel knoflook achter de kiezen. Waarschijnlijk allemaal academisch, deze voordelen, want er valt nauwelijks iets te taxiën zolang de restaurants en theaters dicht zijn, de toeristen weg blijven en de vermogende ex-pats naar huis zijn gegaan.
In een mum van tijd hebben we het over iets anders: boksen. De chauffeur vertelt dat hij twintig jaar bokste. Ben je wel eens knock out gegaan? vraag ik. 'Ja, maar buiten de ring,' zegt hij. 'Ik was zestien. Het gebeurde bij de FEBO. Ik deed de deur achter me dicht. Een man die net naar binnen wilde dacht dat ik de deur in zijn gezicht sloeg.Toen ik bijkwam keek ik naar de onderkant van de koelkast.'

Semi illegaal verjaardagsfeest

Panamarenko: Vliegende tapijt

'Bring something to sit on,' luidde de instructie, naast BYOB, in de uitnodiging voor het semi illegale, in elk geval niet door de langslopende politie beboete verjaardagspartijtje van Eljay in het park.
Volgens afspraak was ik op het hondenveld op het afgesproken tijdstip maar er was niemand te bekennen die maar in de verste verte op Eljay leek, noch Eljays aaibare hondje Lucy. Het voordeel: ik kon bepalen op welk deel van het hondenveld het feest zou plaatsvinden. Het nadeel was dat ik me nogal sneu in het midden bevond van een vooralsnog fictief event.
Ik klapte mijn stoeltje uit, een ijzeren, oudblauw geval, geen design, praktisch, misschien met hier en daar wat roest, en ging zitten. Prompt kwam er een kleine, knappe, donkerharige vrouw van een jaar of vijftig op me af, die mij aankeek en met een buitenlands accent vroeg: 'Are you here for Eljay's party?' Ik knikte.
Ik hoopte dat ze een flessenopener had (die was ik vergeten), opdat ik mijn meegebrachte wijn kon beginnen op te drinken en er aldus sprake zou zijn van een, zij het rudimentair, idee van een verjaardagsfeest.
Had ze niet. Maar daar was Eljay. Met niet alleen een flessenopener maar ook met feestmutsjes,  gelakte teennagels, allerhande matjes die ze her en der over het veld drapeerde op jawel, 1,5 m afstand (afgemeten met een rolmeter en aangegeven door minieme piketpaaltjes) en Lucy. Hoewel ze eerst gromde, stemde Lucy toe bij mij op schoot te komen. Andere gasten arriveerden, al dan niet met honden, eten, drank en kleedjes.
Ik bleek de enige te zijn die 'something to sit on' had uitgelegd als 'klapstoel'. Op de grond zitten kan ik slecht (mijn fysiek staat geen kleermakers- laat staan lotuszit toe). Zo bleef ik, als op een zwevend tapijt, iets verheven boven de rest. Dit beviel prima, maar ik raakte met niemand in gesprek. Ik moest afdalen, de grond bezoeken, de aarde kussen met mijn billen zogezegd, om werkelijk mee te kunnen doen.
Algauw bood een Lech Walesa-lookalike mij zijn joint aan. Hoeveel Covid 19 bevond zich op het mondstuk?

R.R.R.



Wat maakt Misdaad en straf nou toch tot zo'n kneitergoeie, weergaloze, ja misschien zelfs wel bijna-volmaakte roman, die je weer in de kracht van de literatuur doet geloven?
Ten eerste, denk ik, de point of view. Dit is het verhaal van een misdadiger, of beter gezegd, van een geflipte, aan lager wal geraakte rechtenstudent, Rodion Romanovitsj Raskolnikov, die tot zijn eigen verbijstering een dubbele bijlmoord pleegt: een soort van geplande roofmoord op een pandjesbazin (de buit verspilt hij) en de toevallige, paniekmoord op een pottenkijkster. Zelden werd een lezer zo magistraal meegenomen in de koelbloedige en tegelijk wanhopige gedachtenwereld van een moordenaar.
Dan: de plot. Rond pagina 100 vindt de moord plaats. Pas rond pagina 500 bestaat er geen twijfel meer dat Raskolnikov gepakt gaat worden. Rond pagina 600 bekent hij, min of meer per ongeluk (hij was van plan te bekennen, maar als hij op het politiebureau komt, is de rechercheur aan wie hij wil bekennen er niet, en ziet hij er – bijna – van af). Dit is dus geen whodunnit, maar een how-will-he-or -wont-he-get-away-with-it. Geniaal!
Er zijn nog meer redenen waarom dit boek na pakweg anderhalve eeuw nog steeds staat als een huis. De titel, Misdaad en straf – voorheen Schuld en boete –, had ook Waanzin en rede kunnen luiden. Ook al spreekt Dostojevski van verstandsverbijstering en niet van psychose, en van krankzinnigheid in plaats van een psychische stoornis, waar het om gaat, namelijk het verliezen van je redelijkheid en je fatsoen en het meegesleept worden door je chaotische gevoel en impulsen, blijft hetzelfde. Russische schrijvers – Bulgakov met zijn Meester en Margarita is een goed voorbeeld, en Gogol natuurlijk – lijken een monopolie op gekte te hebben. Hoe Dosto zich heeft voorbereid weet ik niet, en hoef ik ook niet te weten, maar hij verschaft subliem inzicht in de getroebleerde geest van de paranoïde schizofreen. (Verplichte lectuur dit voor iedereen werkzaam in het strafrecht.)
Dan zijn we er nog niet, want ik heb het nog niet over D.'s stijl gehad. Misdaad en straf bestaat voor een groot deel (het zou aardig zijn dit in percentages uit te kunnen drukken) uit gesprekken, vaak tussen meer dan twee mensen, met nog diverse toehoorders. De schrijver laat zijn personages niet alleen tot leven komen in wat ze zeggen, maar vooral in de manier waarop. Absolute hoogtepunten van literaire vertelkunst in dit verband: de dronken tirade van Raskolnikovs vriend Razoemichin (dronkenschap, het broertje van waanzin – daar zijn de Russen ook goed in) en de vileine manipulaties van rechercheur Porfiri Petrovitsj, die nu eens door laat schemeren aan de verdachte precies te weten hoe het zit en hem dan weer uit de tent probeert te lokken met geveinsde onwetendheid. Schitterend.
Ik zou het nog kunnen hebben over de subplotten: het verstandshuwelijk van Raskolnikovs zus voor rijke stinkerd Ljoezin, en Raskolnikovs liefde voor de prostituée Sonja. Als Misdaad en straf gedateerd is, dan hooguit in de manier waarop vrouwen erin worden behandeld. Toch nog iets te veel als tweederangs burgers, helaas.
Hans Bolands vertaling is zonder meer swingend. Soms dacht ik, als hij uitdrukkingen als 'so what?' gebruikt, iets te swingend. Maar de conclusie moet luiden dat hij dit meesterwerk heeft afgestoft en strakgetrokken en hier en daar indien nodig (moeilijk te beoordelen door een niet-slavist) iets heeft bijgeschaafd om de tekst beter behapbaar te maken voor de begin 21ste eeuwse lezer. En dat is geen geringe verdienste.

PS: Niet de moordscène greep mij het meest naar de keel, zoals je zou verwachten, maar een scène daarvoor nog, als Raskolnikov op straat in Sint Petersburg getuige is van het doodslaan van een koetspaard, dat volgens zijn eigenaar zijn beste tijd heeft gehad. Erg effectief in zijn wreedheid.

Koortsdroom



'Hij herinnerde zich zijn koortsdromen als het visioen van een pandemie, een onbekende, angstaanjagende ziekte die zich vanuit Azië over de wereld verspreidde en massaal slachtoffers maakte. De kwaal werd overgebracht door microscopische haarwormpjes die zich in het menselijk spierweefsel ontwikkelden. Alleen tasten ze niet het lichaam maar de geest en de ziel aan; de slachtoffers raakten bezeten en werden krankzinnig. Vreemd genoeg waren de mensen nooit zo overtuigd geweest van hun eigen intelligentie en hun eigen waarheid als deze bezetenen. Nooit waren de mensen zo onwankelbaar geweest in hun vertrouwen op de juistheid van hun oordelen, hun wetenschappelijke redenaties, hun zedelijke principes en hun geloof. Hele steden, landen en volken raakten besmet; overal sloeg de krankzinnigheid toe, alom was men ten einde raad, het wederzijds onbegrip was totaal. Elkeen voor zich meende de waarheid in pacht te hebben. Men leed onnoemelijk onder de confrontatie met de ander. Dan kastijdden de zieken zichzelf, wenend en handenwringend. Goed en kwaad liepen dwars door elkaar heen, niemand wist wie waaraan schuldig was en welke boete voor welk vergrijp moest worden gedaan. Woedend, ontzind begon men elkaar te doden. Hele legers trokken tegen elkaar op maar werden al voor ze slaags konden raken door interne twisten verscheurd en vielen uiteen. De strijders bestookten elkaar met hun wapens en zelfs met hun tanden. Ze vraten elkaar op. In de steden luidden dag en nacht de alarmklokken, maar niemand wist het hoe en wat, waardoor de spanning alleen nog maar groter werd. (...) Totale ondergang dreigde, terwijl de zweer groeide en groeide. Er waren wel mensen die er immuun voor bleven, uitverkorenen op wie de besmetting geen vat had en die waren voorbestemd om een nieuw mensengeslacht te stichten, een nieuw leven te beginnen, de aarde te reinigen en te vernieuwen, maar niemand had ooit een van deze gelukkigen gezien of gehoord.'

Fjodor Dostojevski, Misdaad en straf (1866), pag 630. Vertaling Hans Boland

Pruikentijd



De mooiste scene uit de Netflix-serie 'Unorthodox', blijft die waarin hoofdpersoon Esty, een jonge, pas getrouwde vrouw die een Chassidische sekte in Brooklyn ontvlucht, haar sheitel (pruik) voor het eerst en plein publiek afdoet en haar gemillimeterde schedel daaronder vrijelijk beweegt – in het water nog wel, nota bene van de Wannsee in Berlijn, waar zij haar heil heeft gezocht. Emancipatie werd zelden symbolischer weergegeven.
De gruwelijkste scene vond ik niet die waarin deze vrouw, die aan vaginisme lijdt, half (of heel) wordt verkracht door haar man, de schlemiel Yanky, die, op aandringen van zijn moeder, alleen maar uit is op het verwekken van nageslacht, maar als we zien hoe ze meteen na haar huwelijk wordt kaalgeschoren. Etsy (een geweldige rol van de Israëlische Shira Haas) huilt geluidloos, terwijl haar lange lokken baan voor baan worden verwijderd.
Wat mij fascineert is de logica, of het gebrek daaraan, in het verbergen van het vrouwelijke haar. Dat haar seks is en seks gevaarlijk lijkt me evident, maar de manier waarop verschillende religies die vergelijking teniet proberen te doen, is dat minder.
Ik snap het dragen van een hoofddoek. Maar kaalscheren? Is dat niet al te enthousiast? Als ik het goed heb begrepen mag niemand het haar van de pasgetrouwde vrouw meer zien behalve de echtgenoot (maar die kan het dus na de scheerbeurt ook niet meer zien, alleen nog in de prullenbak). Dan de pruik. Die komt in de plaats van het haar. Maar wie zegt dat de vrouw met de pruik niet aantrekkelijker wordt? Ook orthodox Joodse vrouwen gaan binnen de hun gegeven beperkingen nieuwe manieren zoeken om zich te onderscheiden. Overigens was Esty met pruik in Unorthodox niet aantrekkelijker dan zonder pruik met stekeltjes. Wat bleek: ultrakort haar blijkt Shira Haas erg goed te staan.( Iedere haardracht blijkt Shira Haas goed te staan.)
Ik zou willen dat meer (jonge) vrouwen hun haar millimeterden. Niet om religieuze redenen. Het brengt wat meer variatie in het straatbeeld.

Bijvangst



Het corona-proof verjaardagsfeest voor KL voorzag in een boottochtje over de Amstel met zes jongetjes voorzien van zwembroek en hengel. De weersomstandigheden waren gunstig. Normaal heb ik weinig zin in kinderfeestjes, maar dit keer wel.
'Mag ik niet mee?' vroeg A.
'Tuurlijk mag je niet mee. Dit is een mannenuitje. Wij gaan vissen. En wij gaan zwemmen.'
'Maar dan kan ik nog wel mee.'
'Als ik die jongetjes opdraag om allemaal overboord te springen, zeg jij meteen: zou je dat wel doen? En dat willen we niet hebben.'
Het visdraad van diverse hengels moest nog even uit de knoop worden gehaald en dan konden we vertrekken. Toen gilde Prinses Schoffie het uit. Niet omdat ze niet was uitgenodigd. In haar spijkerbroekje zat een vishaak. Dat zou het enige zijn wat we die middag vingen.
We voeren af onder Noorse vlag. Bij Klein Kalfje liet ik een opblaasbare kano, die zich in de kajuit bevond, te water en bond hem aan een touw achter het scheepje. 'Mag ik daar in zitten?' vroeg een jongetje. Natuurlijk mocht hij dat. Niet lang daarna alterneerden de jongetjes in de kano, en vroegen vooral ook of het scheepje harder kon, maar dat kan niet. Een van de wezenskenmerken van Avodah is dat ze niet hard kan. (Daarom houd ik van haar.)
Bij het picknickveld legden we aan. Na een potje voetbal (2-2) wilden we zwemmen. Om het goede voorbeeld te geven, dook de jarige als eerste in het water. Iedereen volgde, behalve O. Hij zat alsmaar op het randje, het leek of hij geen besluit kon nemen, dus gaf ik O. een duwtje. Hij schreeuwde het uit toen hij weer boven water kwam. Niet van woede. Van de kou. Het water was inderdaad frisjes.
We aanvaardden de terugtocht. Iedereen leek happy. Op het voordek werd met bootshaken een schijngevecht gevoerd. Toen zei de motor plof-plf-ff-... en wilde niet meer starten. Of de diesel op was, kon ik niet checken want A. had de dag ervoor het luik naar de brandstoftank dichtgeschilderd. We dobberden op het brede stuk bij het Martin Luther King-park. Een gentleman met kort grijs haar en een zwart hondje in een luxueuze motorboot, 'Mandy Mason' (thuishaven London), bood meteen aan ons een sleepje te geven. Voor wie nog twijfelde, deze stad is lief.

Bellen met Ken



Ik sta op Bakkum mijn tenthuisje in elkaar te schroeven, teneinde daar deze zomer, tijdens de Tweede Grote Vakantie, enige tijd door te kunnen brengen, als ik word gebeld door Dialup. Een zwoele, zij het vooraf opgenomen damesstem zegt dat er iemand elders op deze planeet graag met mij wil bellen. Ik mag ophangen als het niet uitkomt – 'dit verandert niets aan jouw toekomstige kansen om te worden gebeld'. 'Het gespreksonderwerp van de dag is: waar ben je op dit moment door geobsedeerd? Je wordt nu doorgeschakeld.'
Ik ben wel eens eerder gebeld door deze een anti-eenzaamheid-app, die mijn interesse wekte nadat ik erover had gelezen in The New Yorker, maar ik heb toen steeds opgehangen omdat ik wel wat anders aan mijn hoofd had (het was gelukkig niet midden in de nacht). Over het algemeen ben ik geloof ik ook niet eenzaam. Wel nieuwsgierig naar andere mensen, maar misschien is dat hetzelfde. Wacht even, ik herinner me dat ik één keer ja heb gezegd tegen een random oproep, maar toen werd er aan de andere kant opgelegd (waarschijnlijk omdat diegene op een – zwoele? – vrouwenstem had gehoopt). Dit keer komt er, o wonder der technologie, een connectie tot stand. Een van de 7 miljard aarde-bewoners wil met mij praten.
'Hello. Viktor from Amsterdam here, who am I talking to?'
'Hi, met Ken uit Wisconsin.'
'Echt? Hier is het 1 uur 's middags. Hoe laat is het bij jullie?'
'Zes uur 's ochtends. Ik ben al een paar uur wakker. Kon niet slapen.'
Ken vertelt dat hij Covid 19 heeft gehad, maar niet ernstig. Hij heeft lang in bed moeten doorbrengen, waar hij zo'n dertig Dialup-gesprekken heeft gevoerd, maar alleen met Amerikanen. Ik ben zijn eerste Europeaan. Hij is nooit in Europa geweest, zelfs nooit buiten Wisconsin. Ik vraag me af hoe het zou zijn om van wieg tot graf in Wisconsin te leven. Toch ook een vorm van zelf-isolatie.
Ken is 'fire alarm inspector'. Alleen al omdat ik nog nooit een fire alarm inspector heb gesproken, laat staan een uit Wisconsin, ben ik geboeid, maar als hij uitlegt wat zijn werk inhoudt, zegt hij zelf: 'Ik wil eigenlijk iets creatiefs doen met mijn leven, zoals jij. Dat lijkt me awesome. Mijn dochter zit op TikTok, doet heel mooie dingen, heeft veel volgers met gepersonaliseerde tekeningen. Dat wil ik ook.'
Ik weet Ken uit Wisconsin geen origineler advies te geven dan dat hij er gewoon aan moet beginnen, in plaats van er eindeloos over na te denken of te praten. 'Just do it,' klets ik de reclameleus van een bekende gymschoenfabrikant na, waarbij ik niet kan nalaten te denken aan commandanten in totalitaire regimes die zoiets tegen hun ondergeschikten zeggen als die aarzelen een standrechtelijke executie uit te voeren.
'Dank je,' zegt Ken.
Met de telefoon tussen kaak en schouder probeer ik een schroef in te draaien met mijn boormachine, en geef Ken tekst en uitleg bij de geluiden die hij hoort. 'That's awesome,' zegt hij. 'Ik wil ook graag nog eens een huisje bij het strand hebben.'
Dan zegt hij dat hij eigenlijk weer aan het werk moet, maar niet dan nadat hij zijn email-adres heeft gegeven. Hij wil graag nog een keer met mij praten. 'Sure,' zeg ik.
Nadat de verbinding is verbroken, besef ik dat Ken wel heeft verteld wat zijn huidige obsessie is ('I'm kind of obsessed with Dialup'), maar dat hij niet heeft geïnformeerd naar de mijne. Ik zou ook niet weten wat te antwoorden, behalve dan de lange schroef die ik er niet in krijg.