Versailles



Komende uit een gemanicuurd bosje, stak ik mijn weinig gemanicuurde vuisten in de lucht en riep uit ten overstaan van mijn gezin, dat op een gemanicuurd gazonnetje de lunch gebruikte: 'IK HEB GEPLAST OP VERSAILLES.'
Mijn gezinsleden keken me schaapachtig aan. Zij hadden immers net zelf  o o k  geplast op Versailles. Zo'n prestatie was dat dus niet, plassen op Versailles. Poepen op Versailles, ja, dat zou nog wel enige indruk kunnen maken, maar vooralsnog had niemand het in zich, op dat moment, om te poepen op Versailles.
Trouwens, het zou een loos statement zijn.
We betraden het kasteel. Dat bleek een uitstekende zet, achteraf gezien, om laat naar Versailles te gaan vanuit Parijs, een late lunch te gebruiken in de beeldentuin (buiten het zicht van de tuinpolitie), en het sfeervol door laat licht beschenen chateau binnen te gaan als iedereen er uit ging.
Ook een goed idee: 3 seconden max per zaal.
Bij een relatief sobere salle à manger, waarvoor verder niemand interesse toonde, bleef ik staan. Aan één tafel, waarop vijf zilveren bordjes waren gedekt met kunstig gevouwde servetten erop, stond, aan de lange zijde één grote, met goud damast beklede zetel (de rugleuning naar de open haard gericht), plus twee krukjes links en twee krukjes rechts aan de korte zijden.  Een paar meter verderop waren in een halve cirkel naar de tafel toe nog acht krukjes gepositioneerd, voor de hofdames.
Dit leek mij nog helemaal niet zo'n gekke opstelling, maar iets in mij zei dat ik die er niet zonder slag of stoot doorheen zou krijgen.

Afscheid van correspondentschap

Gisteren mijn eerste vakantiemiddelvinger gekregen. Van LT. Ergens op een kruising in de Marais. Ik stak over op de fiets bij oranje, zij stopte voor rood, ik keek om met een blik van waar blijf je en toen kwam hij dus, die middelvinger.
Hij is een bekende van me. Hij wordt me niet alleen in de vakantie geserveerd. Op de Van Wou in Amsterdam zou ik hem ook hebben gekregen.
Fietsen door Parijs rond het spitsuur met drie kinderen in je kielzog op weg naar Centre Pompidou deed me denken aan mijn ouders die veertig jaar geleden op de Périférique stonden, in hun tot de nok toe met kroost en spullen gevulde Peugeot Familiale, koffers op een imperiaal op het dak, plus een zeilboot op een trailer er achteraan, en dan panne krijgen, maar dankzij GoogleMaps is er eigenlijk niets aan.
'Die kaart is ongeldig, meneer!' sputterde de man bij de ingang van de tentoonstelling van van David Hockney, wijzend op mijn Press Pass uit de tijd dat ik correspondent was in New York. 'En al heel lang zo te zien. Sinds 2005! U moet een kaartje kopen!'
Hij had gelijk. Beschaamd keerde ik om en kocht een kaartje. Mijn oude Press Pass boog ik dubbel en wierp ik van de balustrade van de vijfde verdieping van Pompidou. Dat voelde goed.
'Wat heb je dat ding weggegooid?' zei LT verontwaardigd.
Ik knikte, trots op mezelf. 'Ik heb definitief afscheid genomen van mijn correspondentschap. Na twaalf jaar gratis naar musea te zijn geweest, vond ik het wel mooi geweest. Partir est mourir un peu, weet je wel.'
LT bleef het zonde vinden.

Ruilen is



Ruilen is sympathieker dan airbnb'en omdat er geen geld aan te pas komt. Net zoals partnerruil geschiedt het op basis van vertrouwen. Beide partijen denken dat zij the better end of the deal hebben, maar wat je werkelijk hebt gekregen in ruil voor jouw woning, wat de huizenruilmarkt jouw huis waard vond, blijkt pas na aankomst en eigenlijk dan nog niet, want schijn bedriegt. Bovendien zit woongenot en -leed soms in kleine dingen. Zo geniet ik hier in deze ruime, avontuurlijke bovenwoning nog steeds van de onwaarschijnlijke hoeveelheid zeldzame boeken om mij heen, van een collectie kunstige flipbooks in de wc tot de Gallimard-klassieken in de werkkamer, en alles daar tussenin, zoals Russian Criminal Tattoo Encyclopedia, Volume 1 (zie hierboven), maar de luid krakende houten vloer is bijvoorbeeld niet bevorderlijk bij het wegsluipen uit de slaapkamer van de kinderen als je denkt dat ze slapen. De keuken is vreemd incompleet; thee kun je bijvoorbeeld niet zetten. Ernstiger, misschien, is dat dit een rookhuis is (ik telde dertien asbakken in de keukenkast). De hoofdkussens in de masterbedroom ademen de adem van een roker. Voordeel: bij elk minpuntje voel je je minder schuldig over wat wij onze ruilers in de maag hebben gesplitst.

Afwijzingskunstenaar

Het is twaalf uur, weten we al wat we met de kinderen gaan doen? Niks, liefst, maar dat kan niet. 'Kinderen moet je uitlaten,' leg ik ongevraagd uit aan mijn gymnasiast. (Gymnasiasten ook trouwens.) Dus gaan we de straat op, want dat is toch vaak het aardigste – in Parijs en waar dan ook. Vooral hier in het tiende. Op Chateau d'Eau waan je je op een markt in Dakar. Bomvolle kapsalons en pruikenwinkels, en veel hangende mannen op straat, vrouwen nafluitend met oorhoepels zo groot als dvd's. Mijn blondjes blijven niet onopgemerkt. 'Nu zijn wij ook eens in de minderheid,' zegt lieftallige. Het voelt goed om in de minderheid te zijn.
'Waarom geven wij die geen geld?' wil de achtjarige weten, wijzend op een moeder met dochter en hond op de Rue du Faubourg Saint-Denis, uitgespreid op het trottoir, naast een jampot met munten. Wij geven alleen aan mensen die het hard nodig hebben, antwoorden wij, maar hoe weten wij wie het hard nodig heeft? De groepjes Syrische mannen die slapen in de parken? De sans papiers die hun tenten hebben opgeslagen langs Canal Saint Martin? De man in lompen die gisteravond in de regen voor ons huis zijn voorhoofd te rusten legde tegen de neus van een bestelbusje, alsof iemand hem in de rug geschoten had?
Sommigen bedelen uit gewoonte. Zoals die bebaarde vijftiger met vers ontstoken filtersigaret in de hand vandaag, die routineus de tafeltjes op het terras van ons café afgaat; in een andere context was hij columnist van Libération geweest. Her en der maakt hij met gedempte stem een praatje, dat steeds weer op hetzelfde uitdraait. Hij wordt beleefd aangehoord, maar hij krijgt niks. De afwijzing laat hem koud. Hij is een afwijzingskunstenaar. Soms zou ik willen dat ik een afwijzingskunstenaar was.

Een klein, hip museum

Je neemt je voor om niet te stressen, en er is ook niets om over te stressen. Dan ga je pakken, opruimen enzovoorts, je opmaken voor de Grote Vakantie, en voor je het weet loop je te schreeuwen tegen je geliefde dat zij niet zo moet schreeuwen dat jij zo chagrijnig bent, want je bent helemaal niet chagrijnig. Waarom begin je hier ook alweer aan? O ja, omdat niet op vakantie gaan grenst aan kindermishandeling, of laten we zeggen: opvoedkundige nalatigheid, en alsmaar thuis zitten ook zo, tja, statisch is.
Ineens in Parijs. Hectiek. Bij het eerste stoplicht vanaf de Périférique kleeft er een jongetje aan het raam. Hij zingt, maar je hoort hem niet, je ziet alleen zijn mond bewegen, en jij schudt van nee. Je geliefde wil graag weten of de achterklep goed dicht zit, maar jij zegt: 'Bedelen is geen diefstal,' en je denkt er achteraan, 'alleen van tijd'.
Dan het ruilhuis. Dat blijkt een klein, hip museum te zijn in het 10e,  met alle mogelijke curiosa, hoekjes en troepjes; een kleine bibliotheek ook, want overal waar je kijkt zijn/liggen/staan boeken. Veel stripboeken, en boeken over stripboeken – Fransen nemen strips serieus –; je slaat er een open: Premières fois (vertaald verschenen ook), met heftige en minder heftige scenes (getekend zijn ze beter te behappen). Maar ook kunstboeken. Een oversized fotoboek van een Franse hagio-fotograaf over James Brown. Een boek over Hokusai.
Dat is het mooie van huizenruil, het aftasten, het ontdekken. Dat heeft iets decadents. Legaal inbreken. Je zou bijna vergeten dat je op vakantie bent.

Twaalfde werkdag

Ik klop aan, en meestal hoor ik dan wel een zwak 'ja?' maar dit keer: niks. Dan ga je je toch zorgen maken. En je vraagt je af: moet ik degene zijn die de oud-bibliothecaresse ... aantreft? Maar dat blijkt allemaal academisch, want als ik de deur open, zie ik haar kiplekker rondlopen door de kamer. Ze schrikt zich een hoedje, maar ze weet heel goed wie ik ben.
'Wat een leuke vader ben jij!' roept ze uit, als ze in haar stoel is geploft en ik een eitje en kopje koffie voor haar heb bereid en heb verteld over mijn vakantieplannen.
'Hoezo?'
'Wij gingen nooit op vakantie.'
'Je vader had geen zin?'
'Nee. Mijn moeder ook niet.'
Ik pingel een stukje Ravel op de piano; het adagio uit een pianoconcert, bewerkt voor liefhebbers. Moeilijk, maar niet te moeilijk, geloof ik. Mijn vingers passen maar net, of eigenlijk niet, tussen de zwarte toetsen. Achter mijn rug hoor ik de oud-bibliothecaresse rommelen met de kranten die ik voor haar heb meegenomen van de trap.
Als mijn recital wordt overstemd door bouwvakkers die bezig zijn waarde toe te voegen aan het huis van de overburen, sluit ik de ramen. Tijd voor Poesjkin. De sneeuwstorm is een romantisch verhaal over een verboden liefde. De geliefden, een begeerlijk meisje en een militair, besluiten de afkeuring van hun ouders te omzeilen door in het geniep, in de nacht, in een naburig kerkje te trouwen. Maar als ze, ieder apart, vertrekken van huis komen ze in een sneeuwstorm terecht. Hij verdwaalt. Een dag later durft hij haar niet meer onder ogen te komen; uiteindelijk gaat hij naar het front, waar hij eerst gewond raakt, en vervolgens sterft. Drie jaar later is het meisje, nog mooi maar verbitterd en alleen, verhuisd. In haar nieuwe dorp komt ze een charmante man tegen. Iedereen zegt dat hij en zij voor elkaar gemaakt zijn. Langzaam raakt ze er zelf ook van overtuigd, maar hij doet haar maar geen aanzoek. Tenslotte, in een mooie scene, dwingt ze hem, door te volharden in haar stilzwijgen, tot een liefdesbetuiging. Die krijgt ze dan ook, maar hij bekent haar dat hij onmogelijk met haar kan trouwen, omdat...–  en hier houden de oud-bibliothecaresse en ik allebei onze adem in –... hij al getrouwd is. Dat zit zo. Op een nacht, drie jaar geleden, tijdens een sneeuwstorm was hij erop uitgegaan, hij was bij een kerkje aangekomen, naar binnen gegaan, de kerk was slecht verlicht, en daar had hij zich in de echt laten verbinden met een meisje dat flauwgevallen was omdat ze zo lang had moeten wachten op haar bruidegom. Hij schaamde zich voor zijn 'wrede grap'. 'O, dus jij was het!'
Schitterend, in al zijn onwaarschijnlijkheid.

Tafel-obsessie

Toen de glamourbejaarde haar hondje uitliet en ons huis passeerde, koekeloerde ze door de open deur naar binnen en zag in de gang een tafel in onderdelen staan. Ik legde uit dat die tafel was bedoeld voor de vluchtende medemens, maar omdat hij om een of andere reden niet was afgehaald mocht zij hem wat mij betrof ook hebben. Graag zelfs.
GB was niet geïnteresseerd. 'Veel te donker.'
Een dag of twee drie later werd de tafel alsnog afgehaald, voor een vluchtende of anderszins behoeftige medemens. GB kwam opnieuw langs met haar hondje en informeerde naar de tafel.
'Die is er niet meer,' zei ik.
'Wel potverdrie,' zei ze.
'Hoezo? Had je hem toch gehad willen hebben?'
Ze knikte.
Hierop was de Jacht op een Nieuwe Tafel geopend. GB raakte er zelfs door geobsedeerd, zoals ze zelf zei. Ze kon er niet van slapen. Wekenlang vonden we talrijke met breekbare stem ingesproken berichten op de voicemail met verhalen over tafels die zijzelf had willen regelen, of in antwoord op door ons gesuggereerde tafels.
Toen had ze er een gevonden in... Utrecht. De verlossing leek nabij. De Utrechtse tafel werd bezorgd, maar paste bij aankomst in Amsterdam niet door de deur, omdat de poten er niet afkonden. De tafel ging terug naar Utrecht en GB bleef de rechtmatige eigenaar. Daar had ze flink de p in; ze wilde eigenlijk  n i e t s  meer uitgeven aan een nieuwe tafel, totdat de Utrechtse tafel was doorverkocht (en zij haar geld zou terugkrijgen).
Dit was het moment waarop haar obsessie ook mijn obsessie werd.
Gratis tafels bestaan, maar of ze mooi en goed zijn, is de vraag.
Uiteindelijk vond LT, wie anders, een tafel à €20 binnen een straal van 10 km die aan M.'s vrij stringente esthetische specificaties voldeed. Vanochtend haalde ik hem op. Een half uur later had ik hem bezorgd en gemonteerd in GB's tamelijk volgestouwde flatje. 'Heel goed. Fantastisch. Dit is de perfecte tafel.'
Of het een perfecte tafel was wist ik niet, maar ik was opgelucht dat deze obsessie kon worden afgevinkt.

Dooie rat

Er lag een dooie rat op het fietspad, dus ik zei tegen mijn kinderen voor en achter: 'Kijk, een dooie rat.'
Ze zagen hem niet, we gingen te snel.
De volgende dag lag de rat er nog steeds, dus ik kwam weer met mijn dooie rat-alert. Nu had de achtjarige de dooie rat wel gezien, maar de peuter nog steeds niet, maar dat veranderde een dag later, toen ze hem wel zag liggen, vlakbij een perkje rondom een boom.
De rat, hadden we inmiddels kunnen zien, oogde nat en zompig. Misschien was hij uit het water gevist. Of hij was natgeregend, dat kon ook.
Het verbaasde mij dat het lijk niet was geruimd. Maar ik had zelf ook geen stappen ondernomen tot lijkruiming, dan wel -bezorging. Het schijnt me toe, dat de lijkbezorging bij ratten beter kan.
Hoe dan ook, vandaag fietsten we weer langs de rat. Nu was er iets nieuws: hij was kapot, zijn buik lag open. Het leek alsof er iemand overheen was gereden, bijvoorbeeld een scooter. Op een of andere manier leek het me waarschijnlijker dat een scooter hem had overreden, dan een fietser.
De vader sprak tot zijn kinderen: 'Ook wat. Lig je daar dood te zijn, word je nog eens overreden, alsof gewoon dood niet dood genoeg is. Mooie boel. Leuke wereld.'
De kinderen voor en achter wilden weten hoe het nu verder moest met de rat. Ik zei dat ik het niet wist. Het lijkruimen/-bezorgen werd er ondertussen niet aangenamer op. Misschien dat nog verder en langer platrijden, tot het lijk als het ware versmelt met het fietspad, nog de mooiste uitvaart is voor de rat.

Frauenkalender

'Ik ben blij dat hier nog wat bloot hangt,' zeg ik tegen mijn nieuwe garagist, terwijl ik knik naar een grote Würth-kalender met een geheel ontkleed, maar toch decent poserend wichtje. Mijn oude garagist voerde geen bloot op de werkvloer of in kantoor, en mijn bandenman heeft ook alleen maar keurige, blootvrije kalenders aan de muur hangen, en sowieso wordt bloot in het openbaar met uitsterven bedreigd – hetgeen wonderlijk is, gegeven de voortschrijdende ontbloting in de privésfeer.
'Ja, prima toch?' zegt de garagist, terwijl hij mij voorrekent hoeveel honderden euro's ik nu weer kwijt ben.
'Het hoort bij een garage.'
'Zo is dat. In al die jaren dat ik hier werk heb ik één keer een afkeurende opmerking gekregen. Van een vrouw. Zo van tsk-tsk-tsk. Toen heb ik gezegd: ik heb er geen problemen mee. Als u er wel problemen mee heeft, is dat uw probleem.'
Ik word tijdens zijn tautologische argumentatie nog eens afgeleid door al het gewassen vrouwenvlees aan de muur, dat zo'n contrast vormt met de troep in de garage en de monteurs die onder het smeer zitten. Oogsnoep, vermoedelijk, om ze te herinneren waarvoor ze het ook allemaal weer doen.
'Men vindt dat het niet meer kan,' zeg ik. 'Bloot op de werkvloer.'
'Wie? Waarom, in vredesnaam?'
'Weet ik ook niet.'
'Ik snap niet waarom het zo'n issue is,' drijft mijn nieuwe garagist zijn reeds gemaakte punt verder, alsof hij een bout vastdraait. 'Ik weet niet beter, ik  z i e  het niet eens meer.'
Als ik thuis achter de computer de Frauenkalender nog eens doorneem, strictly for research purposes, valt me op dat Würth ook braver is geworden, althans vergeleken met de jaren negentig, toen er nog volop werd geposeerd op en rond auto's en garages, met hier en daar zowaar een borst  i n c l u s i e f  tepel.

Psychologe

Ik zit met mijn peuter op een terrasje aan de koffie en raak in gesprek met de moeder van een peuter aan een belendend tafeltje; de peuters raken ook in gesprek. Ik was eigenlijk van plan me te verdiepen in De Gids, die must read voor literair angehauchten, maar het koffiegesprek gaat dieper dan verwacht (de moeder blijkt psycholoog).
Dan komt een grote man aangelopen met lichtbruine tanden die schots en scheef in zijn mond staan. Hij gaat op de vrije stoel aan mijn tafeltje zitten en speelt met het blauwe GVB-kaartje in zijn handen.
'Gaan jullie naar het strand?' vraagt hij opeens. De psychologe draagt een korte rok en teenslippers, dat heeft hem mogelijk op een idee gebracht. Helemaal niet zo'n rare vraag ook. Aan de andere kant is het wel een rare vraag. Ik sluit niet uit dat als ik ja had geantwoord, hij zou hebben gezegd: 'Mag ik mee?'
'Gaat u naar het strand?' vraagt de psychologe.
'Misschien,' antwoordt de man.
'Ik ga altijd misschien naar het strand,' breng ik naar voren. Waarmee het onderwerp strand lijkt te zijn afgerond.
De psychologe en ik pikken ons gesprek weer op, totdat de man ons opnieuw onderbreekt, nu dwingender, met de vraag: 'Horen jullie bij elkaar?'
Wij schudden van nee.
Hij bekijkt de pschologe nog eens goed en zegt: 'Jij bent anders wel mooi.'