Friday, November 21, 2008

Ontplofte vetspuit


Dat Opzij een verhaal van me heeft afgedrukt is niet aan mijn toenemend feminisme te danken, maar aan Margriets benoeming tot hoofdredacteur. Ik ben altijd al feminist geweest, maar Opzij geloofde het niet. Het feminisme is me met de paplepel ingegoten. Het katholicisme ook. Moedertje was van de 8 Mei-beweging. Daar hoor je niet veel meer over. Van het katholicisme ook niet trouwens. De strips in Opzij heb ik nooit begrepen, behalve misschien die van Claire Brétecher, maar die staan er niet meer in. In 1972 zette Opzij, lees ik op de website, Waar zijn de vrouwelijke genieën? op de cover. Die vraag kunnen we inmiddels beantwoorden: overal om ons heen. Er zijn zelfs zoveel vrouwelijke genieën om mij heen dat ik begin te twijfelen aan mijn eigen bestaansrecht. In 1974 zette Opzij 'Kut ruikt lekker' op de cover. Kut ruikt ook lekker. En de meeste lippen zijn rommelig, maar dat is nog geen reden om ze niet mooi te vinden. Er zijn nog steeds leuke meisjes die niet weten dat kut lekker ruikt en dat rommelige lippen mooi zijn. Daarom heeft Opzij nog bestaansrecht.

Heidemarie M. Stefanyshyn-Piper is ook een leuk meisje. Waarom vond ze het dan nodig een gereedschapkist kwijt te raken in de ruimte? 'Mijn vetspuit ontplofte.' Zolang er vrouwen zijn die gereedschapskisten kwijtraken in de ruimte heeft Opzij bestaansrecht.

Thursday, November 20, 2008

Bij ons thuis


In Haarlem voor een toneelstuk genaamd Festen geregisseerd door Kasper, zoniet een vriend voor het leven, dan toch een voor heel lang. Kasper, ingehuurd door een amateurgezelschap, zat achter een tafel midden in de zaal, met een pak papier voor zich. Wij zaten in de loge waar een olifantenpoeplucht hing. Het stuk begon met een liedje, 'Baby it's cold outside'. Dat kon ik me niet herinneren uit de film. De vader kwam op, de schuldige vader, en daarna de zoon, de beschuldigende zoon en de rest van de feestvierders. Kasper had het onderste uit de kan gehaald; de diepte van de kan lag vast. Ik was vergeten dat de gesuïcideerde zuster net voor vaders zestigste verjaardagsfeest was begraven, dat de beide broers en de vader in de horeca zaten en dat de kok de vernietigende speech van de zoon 'Pap gaat in bad' door de intercom had afgeluisterd. De mislukte broer, met een bistro in Harderwijk, is irritant, maar moet hij ook voor ons irritant zijn? In de pauze liep Ingrid, een oude, zeer oude ex van geleerde broer Doc me tegen het lijf. Haar huid was gebronzeerd. Ze zat in de communicatie. Als iemand gaat speechen bij een familiebijeenkomst, zei ik, is het onmogelijk om niet aan Festen te denken. 'O ja?' zei ze. We rekenden uit wanneer zij bij ons thuis kwam. 'Toen gebeurde het allemaal,' zei ik, omdat ik niet goed wist wat ik anders moest zeggen. 'Ja,' zei Ingrid. 'Het was zo'n geweldig leuke tijd.'

De film is alweer tien jaar oud. En het stuk, ook een paar jaar oud, komt uit Londen. The Virgin Mary van Chris Ofili, is een doek dat, toen ik het zag, in 2000, rustte op twee harde keutels olifantenpoep, maar die zijn op dit plaatje nu juist niet te zien. Enfin.

Wednesday, November 19, 2008

Jonge baard


Op weg naar de Thai kom ik weer eens een vriend voor het leven tegen. Ruud is de enige vriend voor het leven, meen ik, die bij mij in de buurt woont, al weet ik niet precies waar. De keer dat ik hem hiervoor tegenkwam, ik schat honderd jaar geleden, liet hij zijn hond uit. Nu heeft hij zijn baard laten staan. Zoiets kan een slecht teken zijn, maar het staat hem goed. 'Heb je mijn boek gelezen,' vraag ik. 'Jij bent toch een lezer? Of je was een lezer, kan ik me herinneren.' Hij schudt zijn hoofd en knikt. 'Ik lees,' verklaart hij, 'alleen nog biografiën van Russen uit het oude Rusland. De Russen hadden het niet gemakkelijk.' 'Jimmink heeft het op voorraad,' plug ik stug voort, terwijl ik zijn jonge baard bestudeer. Er zitten geen onregelmatigheden in. 'Zwart Wit op de Utrechtsestraat heeft het zelfs prominent geëtaleerd. Maar voor hoelang nog?' Ruud zegt dat hij naar huis moet, eten. Half verontschuldigend wijst hij op het witte plastic tasje bungelend in zijn hand. Ik heb verzuimd te vragen of er ook Thai in zat.

Inderdaad, geen jonge baard. Oude baarden zijn o.h.a. veel aardiger om te bestuderen.

Tuesday, November 18, 2008

Dear Marianne:


I want to tell you that I love you. Let me expand on that a little. I don't love you in the way Bond loves his Bond-girl, whoever she may be, licking her back and all, and then going on spying and killing and stuff, using all kinds of fancy gadgets that Q arranged for him, Quantum of Solace my ass. I don't love you in the way Jan-Peter loves his lil' Bianca. It's just not that naughty. It's abstract. You know abstract love, Marianne? I love you because I love the idea of you. The idea of you is beautiful. And I love the idea of you because the idea of you is closely connected to someone I love not because of the idea of her but because the reality of her. Does that make sense? You remind me of her a lot. But not in a literal way. You don't look like her. Your face is bigger, your hair redder, your lips thicker. You talk different, you laugh different, you smile different, you cry different, and Jesus, this is 1973 Stockholm, and not 2008 Amsterdam, but still, in many ways, you are her. Come to think of it, I hope Johan is not me. Who knows? But the way you are moved by him, when he's working the fireplace in the summerhouse on Fåro, remember, whistling, for heavens sake, while your marriage has been in shambles for 10 years now, although both of you wonder whether you overlooked something, anyway you are moved, aren't you, to tears even, to one tear, to be exact, the only tear that I saw in 167 minutes, when Johan turns around and sees that tear slowly, hesitantly rolling down, you tell him you are moved because you realize that he's gotten smaller. Have I shrunk? he asks, incredulantly. Yes he has. Meanwhile you have grown. The idea of you has become even more beautiful. Love, a not so secret admirer.

Johan: "We're emotional illiterates. We've been taught about anatomy and farming methods in Africa. We've learned mathematical formulas by heart. But we haven't been taught a thing about our souls. We're tremendously ignorant about what makes people tick."

Monday, November 17, 2008

Privacy: mijn tante


Gelukkig maar dat ik in 2006 niet ben gebeld. En maar goed ook dat ik in 2006 geen 'uitgaande gesprekken' heb gevoerd. Sterker, ik heb in 2006 helemaal niet getelefoneerd. Ik heb al mijn communicatie, veel was het niet, afgehandeld per sms en email. Wel zo efficiënt, inderdaad. Naar nu blijkt heb ik daarmee ook grote winst behaald op het gebied van mijn eigen privacy. Want in 2006, ik lees het ook pas net in de krant, heeft de overheid niet 30, niet 40, maar 50.000 telefoongesprekken afgeluisterd. Een halve ton afgeluisterde telefoongesprekken. Laat dat getal even bezinken. Dat is nogal wat, op, zeg, 6 miljoen (- 1, want ik belde niet) volwassen bellers (onvolwassen bellers die maar wat raak bellen tellen niet mee). Wat nu als ik in 2006 wel telefoongesprekken had gevoerd? Dan had ik dit niet meer na kunnen vertellen. Al was het alleen maar uit schaamte. Ik heb zo'n vermoeden dat u in 2006 wel telefoongesprekken hebt gevoerd. Van moedertje weet ik het zeker. Idem dito Buurman Jan, die graag door de hoorn schreeuwt alsof hij hardhorend is. Zelfde verhaal met de televisie. Stapelgek word ik ervan.

Enig idee wat Quantum of Solace betekent? Morgen toch maar 's aan Sam vragen. Ik hoop dat het zoiets betekent als 'Inbreuk op privacy door overheid valt wel mee', maar gerust ben ik er niet op.

Friday, November 14, 2008

Kunstgebitten van caouchouc, dode kikkers en houten tangen


Hoeveel filosofen heb je nodig om een koplamp te vervangen? Eén. Maar dan moet je wel geduld hebben. Eerst blijft de filosoof drie weken met de kapotte koplamp rondrijden. 'Die moet worden gemaakt,' zegt hij af en toe, tegen zichzelf, en anderen, zonder dat er iets gebeurt. Schoonvadertje grijpt in, met een reservekoplamp, die niet veel later ook dooft. Als de filosoof tweemaal is geattendeerd – in semi-gênante situaties – door buitengemeen attente medeweggebruikers, denk aan fietsers van middelbare leeftijd in regenpakken met verwaaid haar, dat de linkerkoplamp het niet doet, voor de kijker rechts, en teerbeminde zelf de pojiesie dreigt te bellen als er niet gauw genoeg iets aan wordt gedaan, neemt hij het dappere besluit een autospullenwinkel te bezoeken, zich de juiste koplamp aan te laten smeren, en te vragen aan een der opgeschoten verkoopjongens, die de slaap nog niet eens uit de ogen heeft gewreven: 'Eh, hoe doe je zoiets?' Dat weet zo'n verkoopjongen ook niet. Daar is hij niet voor opgeleid. Collega weet ook van niks. Geen verstand van. De filosoof prutst zelf wat op het parkeerterrein maar komt er niet uit, mede doordat hij wordt afgeleid door een radiodocumentaire over een 76-jarige verzamelaar uit Emmen wiens collectie bestaat uit kunstgebitten van caouchouc, dode kikkers en houten tangen, en waarvan een consortium van gemeentelijke instanties voor 1 miljoen euro een museum wil maken, terwijl de 76-jarige zelf tegenover de verslaggever moet toegeven dat het 'gewoon een hoop troep' is. De filosoof rijdt naar huis en probeert het voor de deur nog eens, nu met technisch boekwerk in de hand. Daar staat: 'Draai de dop eraf, neem de oude fitting eruit en plaats de nieuwe erin.' Maar de filosoof kan hier niets mee, want hij heeft helemaal geen dop gezien, laat staan dat hij die eraf kon draaien. Schoonvadertje aan de telefoon: 'Heb je de motorkap opengemaakt?' De filosoof heb een aha erlebnis. En er is licht.

Excuus voor de niet ter zake doende foto van de niet oninteressante fotograaf Lee Miller die ik weer eens in de krant tegenkwam. Een zak Schoolkrijt voor degene die kan aantonen dat Miller Hitler's portret daar heeft neergezet voor het effect.

Thursday, November 13, 2008

Wat is dat? Is dat wat?


En o ja, zegt zoonlief achteloos, vanachter 't Huis Anubis, dat sinds enige tijd het gezamenlijke avondmaal in de war stuurt, 'k heb weer luizen. Onmiddellijk krijg ik ook jeuk. Op de voordehandliggende plaatsen, zoals boven de oren, in de nek, onder de ponnie. Overal eigenlijk. Of is het spychiese jeuk? Maar is jeuk niet altijd spychies? Televisie uit. Spot aan. Hier met dat hoofd. Verdelgingsmiddelen erbij. Er zit nog roos in de luizenkam van de vorige keer. Zijn er nog batterijen voor de micro-elektroniese luizenzapper? Daar heb je een neet. Wat is dat? Is dat wat? Zijn neten nu wit of zwart? Hier, alsjeblieft, een babyluis. Ahhhh. Ik heb gif in mijn oog! Uitspoelen met lauw water. Waar zijn de luizenmoeders als je ze nodig hebt? Naar bed, beddengoed in de was, jas in de diepvries. De volgende ochtend is de rust weergekeerd. Zoonlief heeft een nieuwe machine uitgevonden: een anti-luizen-helm. Die zet je op en dan zit daar een stofzuiger in en die zuigt zo alle luizen uit je haar. Als daar geen markt voor is, pappa, weet ik het ook niet meer.

Toen wij jong waren hadden we geen luizen,
toch moedertje? Op de vraag aan Doc, de geleerde broer die voor epidemioloog studeert, hoe dat dan kan, antwoordde hij, dat is multifactorieel.