De ontvoering van mijn fiets (II)

Uit Ladri di biciclette

Het goede nieuws was dat het sleuteltje in het ringslot zat toen ik terugkeerde om mijn fiets op te halen. Het slechte nieuws was dat nadat ik een brood had gekocht bij de bakker, en zoals gebruikelijk mijn fiets open en bloot voor het raam had geparkeerd (ik kon hem vanuit de bakker prima in de gaten houden), er een man bij mijn fiets stond die zei: 'Mooie fiets heb jij.' Hij vertoonde een opvallende gelijkenis met een bepaalde ABC (Amsterdamse beroepscrimineel) bekend om zijn afpersing van het type 'ik kan niet instaan voor jouw veiligheid als jij mij niet toestaat op jou te passen'. De man bij mijn fiets formuleerde het als volgt: 'Als jij zo'n mooie fiets,' – hij wees op de koplamp in het frame, ook al was die allang kapot – 'op deze manier aan het Amsterdamse verkeer laat deelnemen, kun jij mij niet verbieden daar mijn voordeel mee te doen.' Ik vond dat mooi gezegd, maar ik liet niets van mijn bewondering blijken. 'Het is een tweedehandsje' was het enige wat ik zei, maar dat had ik beter niet kunnen zeggen want er ontspon zich een zinloze discussie over de waarde van tweedehandsjes, waarbij hij teksten uitkraamde als 'Je kunt beter een oude iPhone 5 hebben dan een nieuwe iPhone 6' en meer van dat soort quatsch. Ik wilde maar wat graag met mijn halfje wit naar huis, maar de man vertikte het om zijn hand van mijn stuur af halen. 'Laat mij de fiets voor je vasthouden, zodat je makkelijker kan opstappen,' zei hij, maar toen ik eenmaal zat, liet hij nog steeds niet los.

Die korstige vinger van jou

Richter

Het verdorde frietje dat ik sneed, deed me denken aan die korstige vinger van jou. Ik had nooit korstige vingers, of heel zelden. Jij wel. Niet voortdurend, maar toch vrij vaak, althans zo vaak dat het me opviel. Hoe kwam je aan die korstige vingers? Waren het verwaarloosde wondjes? Misschien, maar hoe kwam je aan die wondjes? Allemaal vragen die mij nu nog bezighouden, zoals je merkt. Beet je op die korstige vinger, likte je eraan? Ik geloof van wel, volgens mij heb ik het je wel eens zien doen, heel kort want ik houd niet van dat schouwspel. Mij leek een korstige vinger ook meer iets om met rust te laten, in elk geval niet nat te maken, want dat is het gekke met korsten, die zien eruit als woestijnachtige omgeving die snakt naar water, maar ze hebben juist droogte nodig. Of anders vet. Maar jij smeerde er geen vet op. Je behandelde ze überhaupt niet, het was geen issue, zouden we nu zeggen. Jouw korstige vingers konden jou niets schelen, maar ze zijn in mijn geheugen geëtst.

De ontvoering van mijn fiets



Er waart een spook door Amsterdam, het spook van de fietsontvoering, waarbij een dief de fiets van een nietsvermoedende fietser op slot zet, verdwijnt met de sleutel, om later terug te keren om de fiets 'op te halen'. Op deze wijze zijn al tientallen fietsen gescheiden van hun eigenaar (vooral in Amsterdam-Oost, trouwens). Ik weigerde te geloven dat dit echt voorkwam, deze fietsontvoering, zo'n dief loopt toch veel te veel risico te worden herkend, veronderstelde ik – totdat mijn eigen fiets afgelopen vrijdag werd ontvoerd. Ik had net een nieuwe, zo'n modieuze, met een buisframe met koplamp erin. Nou ja, nieuwe, het was een nieuw tweedehandsje; in de Bike Theft Capital of the World kóóp je geen nieuwe fiets, maar eigenlijk was deze nog te diefstalgevoelig.  – Ik stond op het kruispunt van de Wibautstraat en de Sarphatistraat voor het stoplicht. Het was druk. Mijn gedachten waren ergens anders, misschien bij het meisje voor me, of haar kapotte knieën. Zonder dat ik er erg in had ging onder mij het ringslot om het achterwiel dicht en werd de sleutel er door een onbekende hand uit getrokken. Toen het licht op groen sprong en de menigte zich in beweging zette, bleef ik als enige staan. 'Wat is dit nou weer?' moet ik hebben uitgeroepen. Toen ik door had wat er was gebeurd, keek ik om me heen: niets, niemandal, nergens. Natuurlijk niet. Gelukkig had ik nog een slot. Ik ketende de fiets aan een lantaarnpaal en ging te voet verder. Ik ben nog niet in de gelegenheid geweest om het slot bij de fietsenmaker met een slijptol te laten bewerken. Het liefst zou ik mezelf verdekt opstellen en de fietsontvoerder op heterdaad betrappen, maar iets in mij zegt dat mij dat niet gaat lukken.

Laatste brief aan Aristide von Bienefeldt

Rijk in Parijs, mei '15




Die keer dat we in het huis van jouw tante logeerden – op de Utrechtsedwarsstraat, in het stukje tussen de Utrechtsestraat en de Amstel, op één hoog dacht ik, misschien op twee hoog, maar zeker niet hoger – en alle kruiden probeerden uit het kruidenrek.



We begonnen bij kruidnagel, er bestonden immers kruidnagelsigaretten, kreteks enzovoorts, vreselijk gore dingen, maar het was ons niet om de smaak te doen, het was ons om het effect te doen. Nootmuskaat scheen enig effect te hebben, ging het verhaal (dat verhaal blijkt te kloppen, maar volgens Jellinek pas na een paar uur en zoveel geduld hadden we niet, en ik kan me ook niet herinneren dat een van ons die nacht plotseling een ongelooflijke rush ervoer; hooguit in een droom). En peper? Ik kan me niet herinneren of we ook gedroogde rode peper hebben gerookt. Het zou me niet verbazen als daarvan wel enige werking uitgaat, maar wat voor werking, geen idee, de werking zou in ons geval vooral hebben bestaan uit pijn in de ogen door het abusievelijk aanbrengen in de ooghoeken van aan de vingertoppen klevende rode peper-deeltjes. Wv.t.t.k.: gedroogde groene kruiden konden we categorisch overslaan, want hoewel cannabis sativa ook niet meer is dan gedroogd groen kruid, neem ik aan dat we ook toen al op onze vingers konden natellen dat je van een oregano-, dan wel thijmsigaret niet zoveel wijzer werd. Daar kreeg je hooguit een lachkick van omdat het totaal niet werkte. Ik zie ons nog zitten aan die keukentafel, turend naar de potjes in het rek, de meeste met onleesbare, dan wel onbegrijpelijke opschriften, cq. obscure, dooie inhoud, alsmaar nieuwe experimentele joints draaiend. Je kookte nog niet in die tijd. Niemand kookte. Je maakte eten klaar, dat was wat anders. Daar moesten wel kruiden bij, uiteraard, maar de schier wetenschappelijke wijze waarop jij nu over de toepassingen van dragon kunt spreken bijvoorbeeld, of over citroenkruid, of over de mangaan in salie, dat deed toen niemand.

Heroïne. Een kerstverhaal



Net als hij zijn kasjmier jas heeft aangetrokken en aanstalten maakt om naar huis te gaan, – het is kerstavond, zijn vrouw wacht op hem – wordt er aangebeld bij Lodewijk W. Droomkoning, vrouwenarts. Vrij lang zelfs. Ietwat geïrriteerd zet hij zijn dokterstas en paraplu neer en opent de deur.

Voor hem staat een drijfnat geregende vrouw met dreadlocks en een reusachtige koptelefoon op. Ze heeft weinig kleren aan, de wijde geul tussen haar borsten glinstert. Ze pakt Droomkonings arm en zegt met omfloerste stem: ‘Mag ik hier slapen? Je bent mijn laatste strohalm, doc.’

Zonder te antwoorden laat hij haar binnen, om zoveel mogelijk de natte kou buiten te sluiten. Het is geen gewone winterregen, vanavond, het is een slagregen, zo een die voelt als een straf.

Als ze eenmaal in de gang staat, legt Droomkoning nogal omstandig uit dat de praktijk gesloten is en dat hij geen slaapplaatsen heeft. Sloom trekt de vrouw de koptelefoon van haar hoofd. ‘Hoezo, ik ben toch binnen? En volgens mij heb jij,’ ze prikt hem in zijn buik, ‘plek zat… Trouwens, ik ben zwanger.’

‘Bent u patiënt?’ schiet Droomkoning in zijn rol. ‘U bent hier eerder geweest?’

‘Jij neemt toch iedereen die je kan krijgen?’ Ze schudt voor zijn neus haar dreadlocks uit. Een enkele druppel belandt op Droomkonings lippen; hij smaakt naar thee.

‘Als u even in de wachtkamer plaatsneemt, haal ik een handdoek.’


Hier en daar het licht aanknippend in de duistere praktijk vraagt Droomkoning zich af hoe hij de vrouw de deur uit kan krijgen zonder er een schuldgevoel aan over te houden. Alternatieve slaapplaatsen zoeken heeft geen zin. Zo laat op de dag, kerstavond nota bene, wordt de telefoon nergens meer opgenomen.

Als hij terugkeert met een handdoek is de vrouw in de wachtkamer gaan zitten naast de plastic kerstboom die hij vorige week zelf, bij gebrek aan assistente – zijn assistente heeft hij onlangs overtollig verklaard – nogal liefdeloos heeft neer gekwakt. Vanuit de deurpost kijkt hij toe hoe ze zich afdroogt. Een voor een geeft ze haar dreadlocks een beurt met de handdoek.

Dan steekt ze haar hand uit. ‘Janis.’ Droomkoning komt wat dichterbij, neemt de koude, knokige hand aan en geeft er een kus op. Alweer die vage theesmaak.

‘Ah, een romanticus!’

‘Al mijn patiënten krijgen een handkus,’ verontschuldigt hij zich. ‘Nou ja, niet alle.’

‘Alleen ik?’

Droomkoning gaat op een stoel tegenover haar zitten. Hij vraagt zich af hoelang het zal duren voordat zijn vrouw belt. Zijn vrouw belt altijd eerder dan hij denkt, maar de ene keer belt ze eerder dan de andere.

‘Waarom heb je zo weinig kleren aan, eh... Janis?’

‘Dit is alles wat ik heb… Jesus zegt hoe minder bezit hoe minder stress.’

Droomkoning kijkt zijn gast met een scheef hoofd aan. Ook dat nog. Hij vraagt zich af in hoeverre zijn leven door materiële zorgen in beslag wordt genomen. Toch wel enigszins, moet hij bekennen. Daar staat tegenover dat hij zich geen luxe hoeft te ontzeggen, dat is ook wat waard.

‘Waar kom je vandaan?’

‘Van buiten.’ Ze lacht nog eens, haar tanden zijn nog gaaf, voorzover hij kan beoordelen.

‘Laat ik het zo formuleren: waar heb je de afgelopen nacht geslapen?’

‘In een leegstaande kerk.’ Alweer die uitgelaten lach. Het is lang geleden dat Droomkoning een vrouw uitgelaten heeft zien lachen. In zijn praktijk wordt niet gelachen. Thuis ook niet, nu hij erover nadenkt. Zowel zijn vrouw als hij zijn ernstige mensen. ‘Ik sliep onder het altaar. Ik dacht: als er iets naar beneden komt ben ik in elk geval beschut… Maar het was stervenskoud in die kerk, doc. Ik raad het iedereen af.’

Haar uitgelaten lach maakt haar onaantrekkelijk omdat ze zoveel geluid maakt, en aantrekkelijk omdat ze zich zo schaamteloos laat gaan, hoewel het effect van haar glinsterende huid ook niet moet worden onderschat. Zijn blik blijft telkens haken bij de wijde geul tussen haar kleine borsten, die tot haar navel strekt. Hij voelt hoe de machinerie van de lust, ondanks het tijdstip en Droomkonings diep ingebakken professionele ethiek, onmiskenbaar in gang wordt gezet.

Ze ontbloot haar bruine buik, legt haar hand erop en kijkt hem verwachtingsvol aan.

‘Hoeveel weken?’ vraagt hij.

‘Geen idee.’

‘Wie is de vader?’

‘Jesus natuurlijk. Of moet ik zeggen: God? Hij is alles voor me.’ Ze trekt haar rafelige truitje terug over haar buik. Nog geen dertig, schat Droomkoning haar, maar ze zou ook veertig kunnen zijn.

‘Zoals ik al zei, hier kun je niet terecht,’ probeert hij nog maar eens, als een afwijzingsautomaat waar geld in is gegooid. Demonstratief staat hij op van zijn stoel. ‘Ik ben geen kerk. Trouwens, het is laat. Er zijn, zoals je weet,’ hij beweegt met zijn neus naar de plastic kerstboom, ‘feestelijkheden aanstaande.’

Als er nog iets over was van zijn onethische lust, heeft hij die zelf vakkundig om zeep gebracht.

‘Mevrouw de vrouwenarts is helemaal alleen?’

Janis kijkt hem als een schoothondje aan. Waarom zou ze inderdaad niet een nachtje in de praktijk mogen slapen? Zijn praktijk? Niemand hoeft te weten. En misschien dat hij later nog –

‘Wat hebben jullie toch tegen adreslozen?’ onderbreekt ze zijn gedachtestroom.

Droomkoning speelt met de sleutels in zijn jaszak. Adreslozen. Hij las het woord al wel eens, in voorlichtingsfolders, in communiqués van de gemeente, maar hij had het nog niet gehoord, laat staan uit de mond van een adresloze. ‘Lijkt me heerlijk, om geen adres te hebben,’ mompelt hij, tot zijn eigen verbazing, voor zich uit. En dan, luider: ‘Dat is toch de ultieme vrijheid?’

Janis lacht opnieuw, voluit. Droomkonings oog valt op een piepklein pareltje in haar hoektand. ‘Ik ben overal geweest… Jarenlang heb ik mij wereldburger genoemd. Mijn adres was de wereld. Toen, opeens, wist ik dat wie de wereld als adres opgeeft, eigenlijk helemaal geen adres hééft.’

‘Toen ben je je heil maar weer komen zoeken in ons sociaal-economische walhalla,’ vult Droomkoning aan, strenger dan hij bedoelde.

‘Hm-hm.’ Ze rommelt in haar handtas en vist een afgeragd mobieltje tevoorschijn. De bonkige zilveren ringen om haar vingers doen hem denken aan een boksbeugel. ‘Zeg, heb je misschien een koppie soep voor mij? Ik zou wel een koppie soep lusten. Ja, dat lijkt me wel lekker, een koppie soep.’

Inderdaad heeft hij soep, van die kant- en klaarpotten, in alle denkbare smaken. Soep is zijn lunch. Met stokbrood en de krant. Stokbrood haalt hij bij de Franse bakker, die hij passeert op weg van huis hier naar toe, een wandeling van tien minuten die hem gelukkig maakt, zowel op de heen- als de terugweg, zonder dat hij begrijpt waarom.

In de spreekkamer gaat de telefoon. ‘Ja?’

Zijn vrouw. ‘Kun je niet op een wat aardigere manier opnemen?’

‘Ik beloof beterschap.’ Droomkoning belooft voortdurend beterschap, hij zou eens wat minder beterschap moeten beloven. ‘Ik ben nog even met iemand bezig.’

‘Een patiënt?’

‘Ze is zwanger.’

‘Zwangerschap is geen ziekte, Lo. Zwangerschap is zoiets als een slaapbeen.’

Het stoort hem als zijn vrouw zijn eigen wisecracks op hem afvuurt. ‘Ik kan haar niet zomaar de straat op gooien. Niet met dit weer… Maak je geen zorgen, ik kom zo naar huis.’

Hij doet zijn jas uit en loopt naar het keukentje. Een minuut of wat later keert hij terug met twee koppen Freakin’ Spicy Thai. Hij heeft inmiddels zelf ook een beetje trek gekregen. ‘Ik hoop dat je van pittig houdt!’ roept hij voor zich uit, de deur naar de wachtkamer met zijn knie openduwend.

Janis houdt een riem stevig om haar arm, het eind van de riem tussen haar tanden. Aan een ader in haar bovenarm, een soort beschimmeld witbrood, bungelt een injectienaald.

‘Ik weet: niet verstandig!’ perst ze tussen haar lippen uit. Terwijl ze traag de spuit in haar arm leeg drukt wordt het muisstil, zelfs de slagregens lijken tot zwijgen gebracht.

‘Een stukje zelfmedicatie,’ zucht ze, met een verslagen blik.

‘Was het lekker?’

‘Ach, lekker… Een koppie soep, dat is lekker.’ Eén voor één propt ze de drugsparafernalia terug in haar piepkleine handtasje.

Als hij naast haar zit en haar een kop Freakin’ Spicy Thai heeft overhandigd, kan hij niet nalaten te vragen waarom iemand, die geen slaapplaats heeft, en geen eten, wel geld over heeft voor, hij telt op zijn vingers, ‘koptelefoon, tandpiercing, hard drugs.’

Ze lacht, ingehouden nu, blazend over de soep. ‘Om eten en een slaapplaats kun je bedelen. Om een koptelefoon of tandpiercing… lastig.’

In grote halen, zonder een kik te geven, spaait ze de hete soep naar binnen Misschien doen haar smaakpapillen het niet meer, peinst Droomkoning, of is de rush nog niet uitgewerkt.


Gestommel bij de voordeur. Wat nu weer? Politie? Als hij gaat kijken, het is inmiddels droog, staat er een beer van een man met een bontgekleurde rastamuts voor de deur. ‘Sorry, we’re closed,’ blaft Droomkoning en wil de deur weer dichtdoen.

‘Ach man praat je moerstaal… Ik kom voor Ka.’

‘Ka?’

‘De junkie.’

‘En die zou zich hier bevinden?’

‘Ik krijg net een appje van d’r…’ De rastaman kijkt hem met druilerige ogen aan. ‘Heb je d’r poesje al geproefd?’

Droomkoning doet alsof hij hem niet heeft gehoord. Hij voelt zich betrapt, besmeurd, hoewel daar geen enkele reden toe is. Misschien was die handkus toch geen goed idee, misschien is een handkus niet meer van deze tijd.

Voordat hij de kans krijgt bij de adresloze in zijn wachtkamer te informeren of de bontgemutste rastaman voor haar goed, dan wel slecht nieuws betekent, staat ze naast hem in de deuropening. ‘Jesus, wat doe jij hier?’ En dan tegen Droomkoning: ‘Sorry, doc, dit is Jesus.’ En tegen Jesus: ‘Jesus: doc.’

‘No shit,’ bromt Jesus geamuseerd. ‘Is dit een illegaal hotel of zo?’

‘Droomkoning is de naam,’ komt de vrouwenarts tussenbeide, zonder zijn hand uit te steken. ‘Voor alle duidelijkheid: ik run een dokterspraktijk en ik stond op het punt naar huis te gaan. Het is nog altijd kerstavond.’

Jesus grinnikt zachtjes. Vervolgens neemt hij een diepe hijs van een piepklein jointje, dat hij al die tijd in zijn vingers had.

In de spreekkamer gaat opnieuw de telefoon. Terwijl Droomkoning zich omdraait om zijn vrouw te woord te staan, hoort hij achter zijn rug Janis, of Ka, sissen tegen Jesus. De rastaman trekt zich morrend terug. Droomkoning ziet nog net hoe hij in de natte nacht verdwijnt, traag, waggelend, op de voet gevolgd door een wietdamp.


De ongenode logee rent terug de praktijk in, springt katachtig op tafel in de behandelkamer en kirt: ‘Een dekentje erbij doc, en deze nacht kan niet meer stuk!’

Droomkoning legt zijn kasjmir jas over haar heen en trekt zelf een laboratoriumjas aan. ‘Luister. Ik wil niet dat je iets aanraakt. Je mag hier slapen. Morgenochtend trek je de deur achter je dicht. Ja?’

Hij klinkt weer eens strenger dan hij had gewild, Droomkoning klinkt zijn hele leven al streng, hij kan er weinig aan doen.

‘En nog iets… Er wordt niet gespoten in mijn afwezigheid.’

‘Bang voor een dooie junk in je mooie praktijkie?’

‘Om eerlijk te zijn, ja. Bovendien zou het zonde zijn – zo’n bekoorlijk specimen als jij.’

De logee komt met haar dreadlocks van de behandeltafel omhoog om een militair saluut te maken. ‘Yes doc. No doc. If you say so doc.’ En laat zich weer vallen. ‘Slijmbal.’ 

Wanneer Droomkoning nog wat vaag om haar heen cirkelt, in zijn laboratoriumjas, zegt ze: ‘Ga je me nog welterusten kussen?’


Eerste kerstdag, Droomkoning heeft slecht geslapen. Hij laat de hond uit, maar niet zomaar: hij gaat langs de praktijk. Polshoogte nemen. Kijken hoe de boel erbij staat. Daar is hij, gezien de gebeurtenissen van gisteravond, wel enigszins benieuwd naar. Anders zijn vrouw wel. Is hij verzekerd? Hij gelooft van wel. Maar waartegen? Dat is de vraag. Zolang hij deze praktijk bestiert wordt hij achtervolgd door de angst dat hij op een dag, of liever gezegd, midden in de nacht, wordt gesaboteerd, dat hem het werken onmogelijk wordt gemaakt, dat alle gynaecologie als een kaartenhuis in elkaar stort.

Paranoïde wanen, volgens zijn vrouw, maar daarmee zijn ze nog niet verdwenen.

Gelukkig kan zijn hond, een Rhodesian Ridgeback, voor hem instaan. Dat is de soort, wordt Droomkoning niet moe te vertellen tegen iedereen die er naar vraagt, die in Afrika tegen leeuwen wordt ingezet.

De zon schijnt weer eens. Het is nog vroeg, er zijn nauwelijks mensen op straat.

Droomkoning belt aan. Vreemd, om bij zijn eigen praktijk aan te bellen. Hij kijkt naar het naambord: L.W. Droomkoning, vrouwenarts. Een naam die te denken geeft, zeker, nochtans heeft hij hem geen windeieren gelegd, hij kan terugkijken op een glansrijke carrière, en het einde is, voorzover hij weet, nog niet in zicht. Voor de zekerheid belt hij nog een keer. God weet wat ze aan het doen is, bij een verslaafde zwangere weet je het nooit, maar hij is er liever geen getuige van.

Hij steekt de sleutel in het sleutelgat en opent de deur. De Rhodesian Ridgeback begint te blaffen – zo hevig, dat hij hem buiten aan de ketting moet leggen, om ongelukken te voorkomen.

De verwarming heeft zijn praktijk veranderd in een sauna.

‘Hallo daar? Janis, Ka,’ roept hij naar binnen. ‘Ik ben het, dokter Droomkoning.’

Hij duwt tegen de deur naar de behandelkamer. Ja, hoor, daar ligt ze, onder zijn kasjmier jas. Met naast haar, lepeltje-lepeltje op dat bedje, hoe krijgen ze het voor elkaar: Jesus, inclusief rastamuts. In de belendende spreekkamer ontwaart hij nog een handvol in hun kleren slapende mensen, in alle soorten en maten, de meeste in aftandse kledij, met plastic zakken bij zich, plus een kind. Lichamen verspreid over de vloer, als doden na een aanslag maar dan zonder bloed, zonder wonden. Achter zijn bureau een adresloze met het hoofd rustend op een recepten-blok. In het piepkleine keukentje treft hij een gesluierde vrouw aan, onderuitgezakt op een stoel, haar hoofd opzij, de handen gevouwen in haar schoot. Op het aanrecht staan talloze geopende soeppotten, niet allemaal helemaal leeg.

Dan klinken er geluiden uit de behandelkamer. Vrolijke, ritmische geluiden. Gebel, getrommel en gerinkel. Droomkoning steekt zijn hoofd om de deur.

Ka en Jesus zijn inmiddels van de behandeltafel afgekomen, en maken muziek met zijn medisch instrumentarium: een metalen schaaltje, een rubber hamertje, een gehoekte schaar. Ze kijken hem aan en zingen: ‘We wish you a reggae christmas, we wish you a reggae christmas, we wish you a reggae christmas and a reggae new year.’

Het duurt niet lang of de andere adreslozen komen omhoog, als plotseling tot leven gewekte zombies, pakken wat ze pakken kunnen van de instrumententrolley – twee messen, die ze tegen elkaar slaan, of een dekseltje, als een cymbaal – en spelen hun partij mee. En ook uit de andere ruimtes van de praktijk zwelt muziek aan, beter gezegd: geluid dat is bedoeld om een bijdrage te leveren aan het concert. Alle muzikanten, of Gerauschmachers, komen naar de behandelkamer. Ka en Jesus, de twee aanstichters, de bandleiders, staan, voorzover hun slaperige gezichten dat toestaan, te stralen als een pasgetrouwd stel, ze lopen over van trots, voor het feestje dat hier, ogenschijnlijk spontaan, ontstaat.

Als ze eindelijk klaar zijn met hun kakofonie – meermalen heeft Droomkoning in zijn handen geklapt, luid gehoest, of op de grond gestampt, om aan te geven dat het voor hem genoeg is; hij heeft geprobeerd het kind zijn stethoscoop te ontfutselen, de man die achter zijn bureau zat zijn digitale bloeddrukmeter, allemaal zonder effect, ze moesten en zouden muzikaal hun zegje doen, helemaal tot aan het einde, maar als dat einde dan eindelijk daar is, als het laatste salvo klinkt – het is Jesus natuurlijk, wie anders, die voor de finale zorgt door een verlostang tegen een peperdure onderzoekslamp aan te slaan –, schraapt Droomkoning zijn keel.

Hij wil tekeer gaan tegen de wanorde, de adresloosheid, ongewenste zwangerschap; tegen heroïne, surpriseparty’s, illegale hotels, reggae en christmas, maar het enige wat hij kan uitbrengen is: ‘Insgelijks. Heeft iemand van jullie nog een dokter nodig?’


Eufoor en cursief-moe



De schrijver was eufoor, euforisch, het lijdend voorwerp van euforie – of had dit moeten zijn –, want hij sloot een two book deal, hij stond weer onder contract, zijn uitgever geloofde in hem, zijn redacteur glom en zijn agente had vers haar. De poepel werd ontkurkt, wederzijdse complimenten vlogen over tafel, de zelf-felicitaties waren niet van de lucht, Gauloises mochten worden gerookt, het raam ging open, de belofte van de belofte van de belofte vloog naar buiten, de snel voortbewegende luchten boven het Museumplein tegemoet, door de wolken naar de sterren en terug, weer naar binnen, om in een rood mapje te worden opgeborgen. Het was vroeg donker, de schrijver was nog niet dronken, hij maakte zich alweer zorgen, om omslagen, om oplagen, om aanslagen, maar toch fietste hij met hernieuwd optimisme in alles en iedereen door 't stadje, op weg naar huis, met het mapje onder de arm, dat mapje dat niemand hem meer kon afnemen, of het moest zijn peuter zijn. Thuis op de bank, belde hij zijn moeder. En ook die bleek niet te beroerd om hem geluk te wensen, voor de derde keer, want ze had hem ook al geluk gewenst met de belofte, en de belofte van de belofte. De schrijver had zijn werk gedaan, nog altijd eufoor maar ook cursief-moe; hij moest gauw weer aan het werk.

The 36 Stages of Melancholia

Charles Courbet, Melancholia (1914)


1. Discovering the first fallen leaf on the sidewalk. 2. A couple of discolored leaves, some of which you would want to pick up. 3. Checking out the branches of trees, almost empty. 4. Kicking a small heap of rotten brown stuff. 5. A group of city workers handling leave blowers. 6. A cold that doesn't come. 6. The darkening afternoons. 7. Stormy weather, fantasizing about the end of the world. 8. Going to bed earlier and earlier, with a book. 9. Dreaming of you, naked in a glass elevator, stuck between 9 & 10. 10. Observing everything is grey and will stay that way for the foreseeable future. 11. Fighting the cold. 12. Shivering, trembling, chattering teeth. 13. Embracing the cold. 14. Frost. 15. Checking the ice. 16. Enchanted by the silence of the snow. 17. Playing in the snow, not un-cub-like. 18. Bored by the snow. 19. Disgusted by the melting. 20. Taken aback by the thaw. 21. Appalled by the weakness, the easy surrender, the mediocrity. 22. Waiting for the spring. 23. Studying the branches: nothing yet. 24. Tiny buds, bulbs, at last. 25. Surprised by the spontaneous blossoming. 26. Worried about the early blossoms during rain, wind and cold. 27. Basking in the blossom, in its fullest, decadent splendor. 28. Pointing out the exuberance of spring to a friend who is not listening. 29. The sudden disappearance of all blossom; the branches emptying out again. 30. The warmth of the sunshine. 31. The depressing heat. 32. Swallowing salt water. 33. Unable to walk barefoot on asphalt. 34. Being kept awake by a mosquito. 35. Late light. 36. Longer shadows.

Thank You, Sinterklaasje




So kind of you to pick us up from the noodopvang to show us Sinterklaas. You literally dragged us around De Pijp, negotiating an overcrowded Cuyp-market to catch up with him (Him?) on the Gerard Douplein (note our improvement in Amsterdam geography; we could drive a taxi, if only Rutte would let us). I'm sorry you were surprised by our lack of surprise at the sight of the 'goedheiligman' (note our improvement in Dutch; we could deliver your mail, if only etc.)  Of course we know Baba Noël. Why did you think we're oblivious to international traditions? We don't want to rain on your parade, but we had Santa first, but let us not get into petty geo-political fights. Allow me a little constructive criticism, however. We thought your Sint was bland. The man didn't say a word, not even after you introduced us as 'extremely cute Syrian refugees'. Not one remark, or even a gesture! We didn't expect any special treatment – we get enough special treatment from you –  but where were the wise cracks, for Allah's sake, what happened to the Amsterdam sense of humor? A handshake and a blank stare for the photo op: we can get that anywhere. About the 'zwarte pieten': what  c e n t u r y are you people living in? I know Holland was one of the last European countries to abolish slavery, but still... Here's an idea: why don't you let us be Santa's little helpers? I mean: we're slightly foreign (but not that foreign, see above), and we have nothing else to do. For a pepernoot or two we're happy to jump in to end your culture war. No explosive belts, I promise.

Thank God for Ping Pong



Thank you very much for your ping pong table, it was exactly what we needed here in this makeshift prison, I mean Noodopvang. Sorry for demolishing the last two ping pong tables, our youth didn't immediately understand the rules of the game; they thought jumping up and down the table, crushing the little balls under their flipflops and banging the 'batjes' against each other's skulls was fun. Now, we have sent the youth away. Ping pong is a serious game. It was very kind of you to volunteer as our first opponent. Smashing your mediocre serves in the far corners of the table turned out to be easy; perhaps too easy? Did you find it necessary to downplay your ping pong skills, to let us win, so to say, to offer us a victory – be it a small victory – in these victory-poor times? Well, you needn't. Next time you're here we'll play you again, but not for show. We will beat the shit out of you – pingpongily speaking, of course! So better start practising, God.