Huishouden

Het een mist een waterkoker,

Het ander een theepot.


Bij het een klemt de bestekla,


Bij het ander tel ik vier vorken.



De rijke heeft alles behalve


een uitklopbak en een spatel.


De arme stapelt bewaardozen


edoch ontbeert een beslagkom.



Logeren is een vak, jouw huis infiltreren een feest.


Elk huishouden vertoont strakke zwakke plekken.


Als parasiet merk ik ze op zonder ze te fixen.


Toon mij je vaat en ik zeg je waar de breuklijn loopt.



ALLES MOET KAPOT

Ik sloop, ik hak, ik boor, ik ram

Ik trek, ik scheur, ik splijt

Ik versplinter, verpulver, verbrijzel



Alles moet kapot


Alles moet weg


Alles moet vergruisd, opgeschept en afgevoerd



De gretigheid van het slopen


Het bikken en het slaan


De lust om de wereld grondig en onomkeerbaar te vernielen



O verrukkelijke privé-oorlog


Destructie had nog nooit


Zo'n subliem verzengende nasmaak




Tot ook ik


Mijn meerdere moet erkennen


In het alomaanwezige stof



En


Kapot


Ter aarde stort

Ruimtereis

Kom met mij overnachten in het landverhuizershotel

En laat ons Amerika aandoen, Antarctica en Azië

Laten we niet hier blijven maar daarheen gaan


Waar ze vreemde talen spreken en geuren verspreiden



Liefste reis met me mee naar dat land aan de andere kant


Van de wereld ik ben de naam vergeten maar die is egaal


Die plaats waar alles anders is, de volmaakte tegenpool


Dat moet een fantastisch rijk zijn, een heerlijkheid



Maar waarom op aarde blijven als we toch verhuizen


Wat hebben we helemaal nodig op onze ruimtereis


Behalve zuurstof, lef, een schip, miljoenen


En enige niet al te hete, concrete planeten?

Onbekendegracht (slot)

In dit vreemde huis word ik wakker gehouden door:


• een half-Noorse boskat roepnaam Monster

die onder het bed aan fantoom-wondverzorging doet

door de binnenkant van de plastic kap om zijn nek

stelselmatig te likken;


• een bovenbuurman die in zijn slaap neuriet,

gromt, kreunt, zingt, tegen zichzelf praat,

in zichzelf praat, tegen imaginaire bewoners praat

edoch niet snurkt, nochtans;


• voetstappen over de 

interessant krakende

kale houten vloer

met loszittende planken;


• de eeuwig draaiende ventilator;


•mijn eigen verontrustende gedachten.




Begrensde aansprakelijkheid

Men kan


Een mens


Niet kwalijk nemen


Dat hen


bestaat.

Ver haal

Een gedicht zonder verhaal is als een verhaal zonder pointe

Dichtte de verhalenverslaafde, doceerde de parttime dichter


Aan een groep juristen in een Parijs hotel bijeen.



Wie kan mij een verhaal vertellen, spontaan


Ik! Op de heenweg in de trein was het een komen en gaan


Van snuffelende douane-honden en stillen met armlinten.



Aardig, maar hooguit het begin van een verhaal.


Bij Brussel had er iets kunnen gebeuren, ging hij verder.


Quod non! interrumpeerde de plothongerige bruut.



Enfin. Op de terugweg bij Rotterdam, men dommelde,


Vond ik het nodig hoog in mijn rolkoffer te rommelen.


Uit een vak viel in het gangpad een lang vergeten joint.





Doppelgänger

Op boulevard Saint Germain natuurlijk weer
Zit een man met een grijs gecoiffeerd baardje
Keurig op een bank met een bloknoot op schoot
Ruitjespapier net schrift 30 lees ik


In de ene hand houdt hij een balpen

In de andere een sigaret

Voor hem op het trottoir een bordje

Ik schrijf een roman


Wat geld zou mij helpen

(of een sigaret)

Ik ben ooit gestopt met roken

Dus ik geef hem munten


Ben je bij hoofdstuk 30

Nee pagina 30 dit is mijn levensverhaal

Ik ben geen zwerver ik heb een kamer

Familie ja broers


Hoe heet je vraag ik voor het geval

Het een besteller wordt

Philippe Cartier schrijft hij in mijn bloknoot

Cartier? roep ik gespeeld verbaasd uit


Hij kijkt mij aan ik had hem kunnen zijn

En hij mij denkt hij waarschijnlijk ook

En hij toont mij zijn lege pols

Met een zoetzure glimlach

Onbekendegracht (II)

Mijn moeder en mijn zus zijn in aantocht.
Er ging druk berichtenverkeer aan vooraf.
Ze komen op de thee. Mijn vrouw kocht cake.


Mijn advies om links om Carré heen te lopen

Omdat de loopbrug over de Onbekendegracht

Zeer instabiel is verklaard wordt niet opgevolgd.


Bij de loopbrug aangekomen wil mijn moeder

Er natuurlijk toch overheen, verbodsbord of niet,

Want ja, hoezo instabiel en wie bepaalt dat.


Ik zie haar al, achter in de tachtig, tongpunt tussen de lippen,

Regenhoedje scheef op het hoofd, over het hek klimmen,

Terwijl mijn zus haar probeert naar beneden te trekken.


Het hek valt om. De brug stort in. Mijn moeder en mijn zus

Raken te water. Een eenzame zwaan schiet te hulp.

Nee, zo gaat het niet, zo gaat het nooit.


Mijn vrouw ziet hoe onze dochter op schoot kruipt bij mijn zus.

Ik plof naast mijn moeder op de bank, sla een arm om haar heen

En aai haar over haar stevige, witte haar.

Onbekendegracht (I)

 


Herfstschrift