Vintage



Er was eens een konijn, Rogi geheten, dat naakt werd geboren en het daarom altijd koud had. Nu waren Rogi's ouders de kwaadsten niet, ze trokken hem een spencer aan, of soms ook wel een Noorse trui, en daarmee was het met de ergste koude-beleving ook wel gedaan, maar Rogi voelde zich in die kledingstukken allerminst senang, en zag jaloersig om naar zijn vachtdragende soortgenoten, zoals zijn overleden broertje, Igor, van wie foto's hingen aan alle muren in het hol. Waarom hij wel een vacht, en al die anderen, tobde hij, en ik niet? Rogi hupte naar zijn ouders en eiste een jas van konijnenbont. 'O, maar Rogi, wij begrijpen best dat je zoiets zou willen, maar een jas van konijnenbont is onbetaalbaar, dat is algemeen bekend.' Rogi begon, in het geniep, te sparen. Na een jaar of zes had hij genoeg geld bij elkaar gespaard – niet alleen zakgeld maar ook heitjes voor karweitjes alsmede voorzichtige aandelenhandel – dat hij klaar was voor de grote aanschaf. Bij VIL, de bontjassenwinkel, greep hij de konijnenbontjas uit het rek, die hij al die jaren op het oog had gehad. Hij zat hem als gegoten. Dat vond meneer Vil ook: het was gewoonweg schitterend, prachtig en magnifiek, zoals die jas hem stond, andere woorden waren er niet voor. Rogi hield de jas aan, wilde hem nooit meer uit. Bij het afrekenen mompelde meneer Vil: 'Zo, dan heeft Igor niet voor niets geleefd.' 'Igor?' slikte Rogi. 'Dacht je,' schamperde de verkoper, 'dat bont uit de lucht kwam vallen? Igor was een heel lief konijntje, precies zoals jij eigenlijk, vandaar dat die jas je zo goed past.' 'Ik zie af van de aanschaf,' zei Rogi, terneergeslagen. 'Maar je moet hem juist dragen,' wierp Vil tegen. 'Die jas is voor jou gemaakt. Als jij hem draagt, komt Igor weer een beetje tot leven.' Toen Vil hem ook nog 40% korting gaf, ging Rogi overstag. In zijn vintage konijnenbonten jas wipte Rogi, met hernieuwde trots, over straat, maar omdat hij niet wist hoe hij het zijn ouders moest vertellen, liep hij die dag van huis weg, maar jaren later kwam hij via een televisieprogramma weer met ze in contact. Rogi noemde zich tegenwoordig Rigor. Eerst herkenden zijn ouders hem niet; later juist weer wel, te goed zelfs. Er was veel onverwerkt verdriet. Hij ging weer in het hol wonen. De foto's aan de muren konden blijven hangen.

Twee keer dood



Een levenslustige vrouw wier tijd gekomen was had in haar testament bepaald dat ze   a b s o l u u t   met haar mobieltje begraven wilde worden, want ja, stel je voor. Ze stierf en werd, volgens haar wens, met haar mobieltje in de kist gelegd. De nabestaanden waren nog wel zo aardig om te zorgen dat er genoeg beltegoed op het mobieltje stond en dat het 100 procent opgeladen was, maar of er ook voldoende bereik was onder de grond wisten ze niet, omdat ze zelf nog nooit onder de grond hadden geprobeerd iemand te bereiken. De voortekenen waren goed, zei de provider, die zelfs met de service adverteerde ('Nu nog dieper bereik!' En: 'U wilt toch ook zekerheid?'). Goed, de vrouw zat onder de grond, met haar mobieltje, en de begrafenis was voorbij. De nabestaanden hadden volgens eeuwenoude traditie een handje zand op de kist gestrooid (sommigen een schepje), ze hadden zich de koffie, cake, wijn en luxe broodjes laten smaken (of niet, natuurlijk, maar dat deed er niet meer toe) en waren op huis aan gegaan. Tranen werden nog wel geplengd, toen niemand meer keek, 's avonds laat, half ontkleed, zittend op de bedrand, of 's ochtends, bij het wachten op de waterkoker, dan kwamen ze onverwachts aanzetten, bij een enkeling. De vrouw had een goed, lang leven geleid, en hoewel ze nog best even had meegekund, kon je net zo goed zeggen dat het mooi was geweest. Niettemin was haar geest nog vlijmscherp – vandaar het mobieltje. In de dagen na de ter aarde bestelling speelden de nabestaanden met de gedachte: als ze nog leeft, wie belt ze dan? Dus ze keken alsmaar op hun telefoon, gingen ermee naar bed. Maar de vrouw belde niet, want ze had niets meer te zeggen.

Een hongerige persoonlijkheid

Richard Wilkinson


B. was de hele dag bezig met eten, behalve als hij werd afgeleid door zijn eigen agressie en liefde. Agressie uitte zich als hij een sekse-genoot tegen kwam. Die sekse-genoot hoefde niet per se iets tegen B. te hebben, hoefde hem niet eens uit te dagen, het feit dat hij bestond was genoeg voor B. om agressie te tonen. Aangezien B. klein van stuk was, betekende dit dat hij eerst op ooghoogte van de sekse-genoot moest zien te komen, hier had hij enkele interessante trucs voor, en dan liet hij zijn tanden zien. De meeste sekse-genoten waren hierdoor zo van onder de indruk, dat ze het wel uit hun hoofd lieten om B. daadwerkelijk uit te dagen; ze lieten hem liever met rust. Hierdoor kon B. zich koning wanen. Hij wist vermoedelijk ook wel dat hij nooit koning kon zijn, dat hij, als hij een serieuze agressor tegenkwam het onderspit zou moeten delven, maar het waanidee was hardnekkig. Wat het eten betrof, B. at alles. Je kon zeggen dat hij een lage smaakdrempel had, maar je kon ook zeggen dat hij een gezonde eetlust had. Misschien was hongerig wel de beste manier om B.'s gehele persoonlijkheid te omschrijven. Want was agressie niet ook een vorm van honger, honger om de ander te overmeesteren? Dat liefde honger was behoefde geen betoog. Liefde uitte zich bij B. als hij een lid van de andere sekse tegenkwam, hetgeen resulteerde in onmiddellijke poging tot aanranding. Je zag B. hierbij denken: ik weet wel dat het een gok is, maar het is het proberen waard, en trouwens, ik kan niet anders. Het lid van de andere sekse had inderdaad meestal geen zin. Dit zorgde bij B. alleen nog maar voor meer honger. Maar ook als een lid van de andere sekse toevallig wel wat voor aanranding voelde, dan was het nog maar de vraag, of, en zo ja, voor hoelang, B.'s honger hiermee was gestild.

Gezellig



Mijn tante, die elf kinderen kreeg, en er twee verloor, komt na een lang leven bij de hemelpoort. Ze mag meteen in een luie stoel gaan zitten, glaasje erbij, de armen rustend op haar embonpoint. 'Wat hebt u van uw leven gemaakt?' vraagt Petrus. 'Ik heb kinderen op de wereld gezet,' zegt mijn tante. 'En?' 'Nou, de helft van mijn kinderen heeft ook weer kinderen op de wereld gezet, en ik mag mij gelukkig prijzen dat ik de kinderen die die kinderen weer op de wereld hebben gezet, mijn achterkleinkinderen dus, ook nog heb gekend. Er zat zelfs een tweeling bij. Heel bijzonder.' Ze lacht geluidloos. 'En verder?' dringt Petrus aan. 'Hoezo?' zegt mijn tante verontwaardigd. 'U moest eens weten wat het is om een kind op de wereld te zetten! Maar daar hebt U waarschijnlijk geen kaas van gegeten.' Ze neemt een slokje. 'Kalm aan, moedertje,' zegt Petrus, 'ik stel u alleen maar een vraag.' 'Ja, maar u suggereert dat het op de wereld zetten van kinderen onvoldoende levensinvulling zou zijn. Voor de moeder nota bene! Zal ik u even voorrekenen hoeveel maanden ik zwanger ben geweest?' 'Dat is nu ook weer niet nodig...' 'Het is geen ingewikkelde som. 99 maanden. Denkt u eens in. Nou vooruit, de eerste vier maanden merkt een vrouw er weinig van, laten we er daarom, for the sake of argument, hè,' komt mijn tante op stoom, '55 maanden van maken. Wat zou een ander niet in 55 maanden hebben kunnen doen! Een symfonie componeren, hoe lang deed Mahler over zijn symfonieën? Dat bedoel ik. Vijfenvijftig maanden! Zolang duurde de oorlog, for goodness sake!' 'U had toch zeker,' probeert Petrus weer, 'mensen in huis en u liet de oudere kinderen toch wel voor de jongere zorgen volgens het Kinderen voor Kinderen principe?' 'Jawel,' zucht mijn tante. 'Maar toch.' Het is even stil. Mijn tante neemt nog een slokje, kijkt naar haar handen. 'Waarom hebt u al die kinderen eigenlijk op de wereld gezet?' vraagt Petrus. 'Toch niet om Rome aan nieuwe zieltjes te helpen?' Mijn tante lacht, nu met piepend geluid. 'Ik was zwanger voordat ik er erg in had. En ik vond 't wel gezellig... Hebt u die vraag trouwens ook aan mijn man gesteld, in 1992? Die was nota bene kinderarts.' Petrus zegt: 'Hij heeft zijn werk gedaan.' 'Is dat de punchline?' wil mijn tante nog weten. 'Dat is de punchline. Ik dank u voor uw tijd.'

Orgie

Gerhard Richter: War Cut II

Overal waren ongelukken, alles lag overhoop, verfrommelde auto's kris kras op hun kant, geamputeerde vrachtwagens, krijsende kinderen onder het puin, geplette scooters met werkend alarm slingerden op het wegdek, een stuk flatgevel brak af, links stortte het luxehotel in, rechts beukte een blinde tram een bejaardenbus, inzittenden werden door elkaar geschud, passagiers vlogen door de lucht, lijven werden in elkaar gedrukt en uit elkaar getrokken, ledematen lagen her en der over het kruispunt, iedereen stierf in zijn eigen tempo, een kale kop met wrap around zonnebril rolde over de trap het metrostation in, een losse hand bedelde, opengereten straten, kantoren kantelden, kapotte rioleringen spoten een cognackleurig fontein over gewonde fiscalisten, benzinestations ontploften vuurwerkgewijs ritmisch en met fanfare, kreupele politiepaarden trappelden na onder geknakte lantaarnpalen, brandende brandweerauto's, een orgasme van schuim werkte zich omhoog langs de krakende winkelpuien, fietsen smolten, rokend rubber en schroeiend vlees, asfalt kruide door de steegjes, afglijdende dakpannen guillotineerden omhoogstarende toeristen, glinsterend glas stoof door de ruimte, ambulances probeerden over de slachtoffers heen een pisdreiger te bereiken, helikopters tolden als gewonde duiven neer in de grote vijver, vliegtuigen verdwenen in woonwijken, schepen verpulverden, fabrieken zonken, alles ontspoorde, in de dierentuin at de ene soort de andere soort – sommige soorten hadden zich hier op verheugd, andere soorten minder, de directeur had zich in zijn kamer verschanst, de muren persten hem samen, zijn gepureerde hersens piepten door het sleutelgat –

Het droefgeestige paard



Het droefgeestige paard had zo lang in de modder gestaan, roerloos, in het zicht van de balkende boerderijtoeristen, terwijl de open velden om hem heen zich tot aan de einder uitstrekten, dat hij ernstig overwoog de benen te nemen. Veel was daar niet voor nodig, een klein sprongetje over het aftandse prikkeldraad, en het verbaasde hem, dat hij het niet eerder had gedaan, maar er was wel meer waarover hij zich verbaasde. De boer bijvoorbeeld, die hem nooit kamde. De boerin, die hem geen blik waardig achtte. Het varken, dat alleen naar de grond keek en daarna onder een houten plank ging liggen, en de kip, die zich vele veren uit de kop, nek en rug liet pikken door andere kippen, maar in dit pijnlijke verlies nochtans onvoldoende grond zag, om haar heil elders te zoeken, zoals het droefgeestige paard nu op het punt stond te doen. Moest hij nog afscheid nemen? Wie verdiende een knikje, hinnikje, dan wel een grootse groet op twee benen? Hoe groot zou de verleiding zijn, als hij op zijn achterste benen voor de boer stond, om op diens harde, verweerde schedel neer te komen? En hoe groot zou de verleiding dan zijn voor de boerin om het jachtgeweer uit de kelder te halen en hem in zijn buik te schieten? Eerst hem, daarna de boer, alle twee in de buik, om in een keer van alle hengsten af te zijn ('s avonds zou zij, kauwend op de malse biefstuk, het kogeltje tussen haar tanden vangen). Nee, dat afscheid kon het paard genoegzaam achterwege laten. Het kwam nu op daadkracht aan. Maar die bleek hij op het laatste moment toch niet te kunnen opbrengen. Zodoende bleef hij droefgeestig.

Signeersessie



De terrorist die de Amsterdamse Bijenkorf zaterdagmiddag opblies had het niet gemunt op het cosmetisch industrieel complex op de begane grond, het confectioneel industrieel complex op de eerste verdieping, noch het meubilair industrieel complex op de tweede, het culinair industrieel complex op de derde of de klantenservice op de vijfde (hoe kon hij ook, daar werd men doorgaans immers met alle égards behandeld). De Nederlandse steun aan de Verenigde Staten, Israël of andere satanische staten liet hem koud, net zoals het 'regenteske' college van bestuur van de UvA (en al had de terrorist het op het college van bestuur van de UvA gemunt, dan was de Bijenkorf wellicht niet het meest voor de hand liggende doelwit, al kan de meeste terroristen geen voorliefde voor logica worden aangewreven). Evenmin had hij iets tegen het gebrek aan bergen in Platland of het gebrek aan grote geesten (en het mogelijke verband hiertussen). Hij had geen moeite met het vrijwel perfect functionerende Nederlandse openbaar vervoer (wie over het Nederlandse openbaar vervoer zeurde had nog nooit de trein genomen in het buitenland, en trouwens, ook van een actie tegen het perfecte NL OV, leek het opblazen van de Bijenkorf op zaterdag wat, mja, vergezocht). De aanstaande Provinciale en/of Waterschapsverkiezing, in de opmaat waarvan onlangs het Stembiljet bij de kiezer op de deurmat was gevallen (alweer: wat had de Bijenkorf hiermee enz.) was niet 'zijn ding', noch had hij iets op met spookrijdende helmloze scooterbestuurders. Zelfs was hij, afrondend, niet 'bezig' met de dreigende sluiting van V&D – al was het opblazen van de Bijenkorf in dat geval waarschijnlijk  w e l  soort van logisch geweest. Nee, het ging de terrorist om de signeersessie op de vierde verdieping in het kader van de Boekenweek. Zijn doel was tweeledig: meer aandacht genereren voor het werk van de signerende schrijvers, en de Nederlandse literatuur in het algemeen. Het CPNB kon tevreden zijn.

Biologie

Adrienne Barman

Ze keek op en zei het tegen hem. Hij deed eerst alsof hij haar niet gehoord had, of, dat hij haar wel gehoord had, maar dat nog onvoldoende aanleiding vond om terug te kijken, of een geluid voort te brengen als ontvangstbevestiging. Het was ook geen opmerking of vraag, het was een aansporing. 'Goed idee,' antwoordde hij tenslotte, en klapte zijn computer dicht. Zij had haar computer al dichtgeklapt, het was nu de vraag wie als eerste zou opstaan. Hij was zelden degene die als eerste opstond – behalve uit bed, 's ochtends, dat was biologisch vastgelegd, een man moest makkelijker uit bed omhoog kunnen komen om zichzelf en de zijnen te beschermen tegen naderend onheil. Als ze niet in bed lagen was er onvoldoende naderend onheil, of zijn bescherming werd niet verlangd. Zij stond op, maar bleef staan, afwachtend, vond dat hij ook in beweging moest komen. Het was een wisselwerking van initiatief, communicatie, het moest om en om anders was het niet geldig. Hij staarde naar de overkant van het water, de naakte boomtakken, die geheimzinnig schudden in de onzichtbare wind, de doodstille, massieve huizenblokken, die daar al decennia doodstil en massief stonden te wezen zonder in te storten, de enkele passerende voetganger of automobiel die over straat op weg was naar... ja, waarheen eigenlijk? De meesten gingen via een ingewikkelde omweg naar huis, wat een vrij goede reden was om thuis te blijven, maar een mens moest bewegen; bewegen was leven. Nu stond hij ook op en bewoog naar haar toe, maar zij liep om hem heen om voorbereidingen te treffen. Toen ging hij ook voorbereidingen treffen. Zonder voorbereidingen, bleek telkens weer, kwam men in kleine, of niet zo kleine problemen; aan de andere kant veranderden de verwachtingen. Toen de voorbereidingen achter de rug waren, en de verwachtingen volledig uitgekristalliseerd, verbaasde hij zich toch nog over hun spontaniteit.

De man die verleid werd door het venster



De man die verleid werd door het venster was er niet op bedacht te worden verleid, en zeker niet door een venster. Als hij verleid had willen worden door het venster, had hij zich tot die bepaalde (eeuwenoude?) Hollandse specialiteit gewend, die op diverse plekken in de stad nog altijd kon worden geproefd, maar hij wilde nu juist niet worden verleid, hij kwam om te verleiden. Niet in het bijzonder de vrouw die hem verleidde. De vrouw die hem verleidde door het venster zou hij waarschijnlijk makkelijk hebben kunnen verleiden, met zijn verleidingskunst (alle kunst is verleidingskunst), maar dat was niet zijn bedoeling, hij legde de lat hoger. Ondertussen ging de vrouw door met hem door het venster te verleiden. Ze deed het raam niet open om zich beter verstaanbaar te maken, haar woorden en gebaren kwamen zo ook luid en duidelijk over. 'U heeft een leuke kop,' zei de vrouw door het raam. 'De kop van iemand die goed onderlegd is. Iemand die goed onderlegd is in de dingen des werelds.' De man keek de vrouw aan, zonder uitdrukking, als een hond, hij wilde haar geen brandstof geven voor haar verleiding. Hij antwoordde ook niet, mompelde alleen het woord 'onderlegd' nog eens, omdat dat woord hem in dit verband vreemd voorkwam. 'Kom binnen,' sprak de vrouw, 'laat me profiteren van jouw onderlegdheid.' De man liet zich willoos naar binnen voeren en dacht: 'Ik word verleid, daar is geen twijfel meer over mogelijk.' Met zijn jas aan ging hij op haar bankstel zitten, dat hij door het venster al had opgemerkt, waarbij hij had gedacht, dat aan de keuze voor dit meubelstuk weinig deliberatie moest zijn voorafgegaan. De vrouw ging koffie en thee zetten, 'want dat was altijd goed'. Terwijl zij in haar keukentje rommelde vroeg hij zich af wat hier deed. Niet veel later wist hij het antwoord.

Oneindig gesprek tussen dode zielen



De man die op de eerste echte rit met zijn nieuwe Porsche een kind van zeven doodreed stierf zelf op zijn drieëntachtigste, maar zijn ziel moest zowel met die van dat kind, als met die van de moeder, die slechts vijftig was geworden (kanker), en die van zijn eigen vader, die eveneens op zijn drieëntachtigste stierf, in gesprek. Er zat niets anders op. Het gesprek werd niet gemodereerd. Er was ook geen gezellig zitje. We moeten ons voorstellen dat deze vier geesten, want dat waren het – lichamen waren het in elk geval niet, die waren kapot, dat stond vast, in het geval van het kind vrij letterlijk: het lichaam was in tweeën gekliefd door de neus van de Porsche, die met een vaart van 60 kilometer per uur zijn ondergrondse garage uit schoot, een stil weggetje op, waarover het kind op weg was naar school (niet de eerste schooldag, maar wel, om het dramatisch effect voorzover nodig nog wat op te voeren, een van de eerste keren dat het kind op de eigen fiets naar school fietste; het was trouwens ook een stralende dag, de eerste specht was al, zij het niet door haar, met zijn olijke getok gesignaleerd en menigeen, ook het kind, was in een opperbest humeur, maar dat was het kind wel vaker) – vrijelijk om elkaar heen dansten, als een soort zwevende ouwe dweilen, en af en toe met elkaar communiceerden, in dialogen (een groepsgesprek bleek, ook voor dode zielen, te hoog gegrepen). Dialoog 1. Het kind: 'Had je me eigenlijk zien aankomen?' Porschebestuurder: 'Nee. Of nou ja, misschien. Vanuit mijn ooghoek zag ik geloof ik wel iets ja, maar ik zag niet dat jij het was.' 'Nee, want je kende me niet.' 'Nee, ik zag niet dat dat iets een kind op een fiets was.' Dialoog 2. Moeder van het kind: 'Dat jij je nooit aan mij hebt verontschuldigd!' Porschebestuurder: 'Ik begrijp uw woede en verdriet, maar ik wist niet hoe ik...' Dialoog 3. Vader van de Porsche-bestuurder: 'Als je een gewone auto had gekocht, was dit nooit gebeurd.' Porschebestuurder: 'Een Porsche is een gewone auto, ik had alleen nog geen ervaring met het gaspedaal.' Dialoog 4. Moeder van het kind: 'Dit soort auto's zouden ze moeten verbieden. Ik vind het echt een gotspe dat de moordenaar van mijn kind zo lang vrij heeft mogen doorleven, terwijl voor mij het leven op dat moment afgelopen was.' Vader van de Porschebestuurder: 'Hij heeft die Porsche daarna wel weggedaan. Bovendien zat de kanker er bij u toen ook al in.' Dialoog 5. Het kind: 'U was geen moordenaar, maar u was wel roekeloos.' Porschebestuurder: 'Het was een ongeluk. Ik heb voor mijn gevoel genoeg straf gehad.' Dialoog 6. Vader van de Porschebestuurder: 'Jij hebt nooit straf gehad, jij bent een omhooggevallen nietsnut. Altijd geweest al. Nu letterlijk.' Porschebestuurder: 'Vader, zullen we vrede sluiten?' Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen.