De verliefden in een kooi

René Magritte: Le thérapeute

De verliefden zaten in een kooi met een glazen plafond, waarop nog wat gebladerte was achtergebleven. Boven in de lucht passeerden geen fazanten, want die vliegen niet zo hoog (ze kunnen het wel maar ze verdommen het) maar vliegtuigen, en duiven. De verliefden bleven niet van elkaar af. Ze plukten, frunnikten en vingerden elkaars handen. Af en toe, maar niet vaak, en zeker niet zo vaak dat een getuige zou kunnen spreken van aanstootgevend gedrag, dus de politie hoefde niet te worden verwittigd, stalen zij een geluidloze kus. Veel werd er niet gezegd. Wat viel er te zeggen? Wel werd er gelezen en geluisterd. Een verliefde die luistert naar een verliefde die leest: de getuige was er getuige van. Waar de blik op te richten tijdens de lezing ener verliefde? Voor de verliefde luisteraar was de vraag gauw beantwoord: naar elke huidcel, iedere grijze haar en stoppel, alle poriën van de verliefde lezer. De stem van de verliefde lezer klonk niet anders dan de getuige gewend was. Niet verliefder, maar ook niet minder verliefd. Dat kwam misschien omdat hij niet over verliefden las. Toen de lezing voorbij was, en de getuige even aan zijn neus zat, en een van de verliefden net de neus van de andere verliefde had gepoetst, leunde de verliefde poetser over naar de getuige, om ook diens neus te poetsen. Een interessant gebaar. Wie verliefd is, is verliefd op iedereen en alles.

Boodschappen



Als het leven een boek is, moet het uit meerdere hoofdstukken bestaan. Gisteren werd ik kort teruggeworpen naar het hoofdstuk 'postbode', toen ik mijn oude folderaar, hij die helemaal onderaan de pikorde van de post bungelt, hij die bij wijze van spreken nog niet eens voor Sandd mag werken – bij wijze van spreken, want dat deed hij wel, maar nu niet meer, want ik zie hem nooit meer in functie.
Gepensioneerd misschien.
Ik herkende hem aan zijn kromte. Hij stond voor me in de rij van de Albert Heijn. Drie totaal versleten boodschappentassen had hij bij zich; twee in de ene hand, een in de ander. Ze waren met grijze duct tape gerepareerd, en gevuld met onduidelijkheden.
Ik was benieuwd naar zijn boodschappen. (Toon mij uw boodschappen, en ik zeg u wie u bent. Niet Facebook moeten wij vrezen, maar Ahold.)
Wie had geraden wat mijn voormalige, gebochelde folderaar, die met de bij elkaar gepleisterde spatborden en bril, op de boodschappenband legde, mag zichzelf fantast noemen; ik was er niet op gekomen. Ik zag het als een bewijs dat ook de fantast af en toe de deur uit moet om het fantastische van de werkelijkheid te ondergaan.
99 cent kostten de boodschappen, een aanbieding.
Hij betaalde met 55 ct statiegeld, plus 45 ct aan losse munten.
'Ik hoef geen bonnetje,' zei hij, nog voordat de kassière kans had gezien het hem aan te bieden.

Blaffen en brullen

Related image



De 24-uurs buikgriep valt uiteen in drie fasen van ieder 8 uur. In fase 1 voel je een beestje in je buik. Het prikkelt, bruist en rommelt in je maag. Er ontsnappen rare boertjes en scheetjes. Dan weet je zeker: het is weer zover, ik heb 't en ik moet er doorheen.
De rest van fase 1 wordt gespendeerd aan halfslachtig doorleven alsof er niets aan de hand is, en een halfslachtige gang naar de wc, halfslachtig omdat je weet dat je in deze fase toch nog niets kunt produceren. Soms denk je even dat de buikgriep verdwenen is, maar dan later keert hij weer terug. Het gevoel komt in golven.
Ook, althans in mijn geval, wordt in fase 1 een zinloze zoektocht ondernomen in het hoofd naar het moment van overdracht. Je probeert de afgelopen twaalf uur te reproduceren. Heb je iemand de hand geschud die mogelijk buikgriep had? Heb je verzuimd je handen te wassen in dat dubieuze etablissement? Je krijgt begrip voor het ooit als idioot beschouwde gebruik dat D. Trump, toen nog vastgoedman in New York, wilde invoeren, naar Aziatisch voorbeeld, namelijk buigen als begroeting in plaats van handenschudden.
Fase 2 is de hoofdfase. Je ligt in bed en wacht op the point of no return. De grote overgave. Je kunt een emmer naast je bed zetten, maar ik doe het liever boven de pot, al was het alleen maar om mijn kantoor- en huisgenoot niet te veel overlast te bezorgen. 'Je klonk als een gewonde dinosaurus,' zei ze de volgende ochtend.
Fase 3 is gammelte, katerigheid en langzaam weer wat eten, de spreekwoordelijke getoaste witte boterhammen met jam (zonder boter).
Ongelooflijk, als het voorbij is ben je alweer vergeten hoe vreselijk het was op het dieptepunt: de bodem van de WC-pot aanstaren, vinger naar binnen en blaffen en brullen tot de tranen je in de ogen springen.

Anti-depressiva

Jeff Koons: Balloon Dog (op het dak van Metropolitan Museum of Art)

Vriendin M. (90) is het niet eens met de diagnose die haar zorgteam haar heeft gegeven. 'Volgens mij ben ik helemaal niet depressief.'
'Volgens mij ben je wel depressief. Je hebt nergens zin meer in, je komt al weken je bed niet uit en je slaapt slecht.'
De onbezoldigde wonderdokter in mij is weer eens aan het woord. Ik kan mijn eigen analyses niet tegenhouden. Niemand kan zijn eigen analyses tegenhouden, de vraag is alleen of je ze moet uitspreken.
'Gebruik je anti-depressiva?'
'Ja, maar daar word ik helemaal niet goed van. Dan gaat mijn maag overstuur, dat wil je niet weten, dan komt het er overal uit, van boven en van onder, en dan eet ik niets meer, en ik weeg al bijna niks.'
'Hoeveel weeg je?'
'Achtendertig.'
'Dan zou ik die anti-depressiva maar vergeten. Of een ander soort proberen. First things first... heb je al kans gezien wat zonnestralen op te pikken?' Lichttherapie lijkt me toch de goedkoopste therapie – maar dan moet er wel licht zijn, en dat is er nu.
'Ik zit op het balkon, verder kom ik niet, en dat balkon is op het noorden, maar ik vang wel iets op.'
'Ik vind trouwens dat je nu inderdaad helemaal niet depressief klinkt... De afgelopen keren klaagde je alsmaar, maar nu klink je vrolijk.'
'Ik ben ook vrolijk.'
Dat is winst.
Eigenlijk moet ik haar uitlaten, zoals je een hondje uitlaat. M. heeft een hondje, dus die zouden elkaar kunnen uitlaten, maar het hondje logeert thans elders.
Een goed anti-depressivum, zo'n hondje, en niet alleen omdat je gedwongen wordt naar buiten te gaan.

'Stinkend arrogant'

Image result for edouard louis



Twee Franse romans liggen voor mij op tafel, een dunne en een dikke. De dunne begint zo: Aan mijn kinderjaren bewaar ik geen enkele goede herinnering.
De dikke (met dank aan de dicteerfunctie op mijn computer) zo: Het plan kwam ter sprake om Monsieur Norpois voor het eerst uit te nodigen en mijn moeder vond het toen jammer dat professor Cottard op reis was en zijzelf helemaal geen contact meer had met Swann, want beiden waren misschien boeiend gezelschap geweest voor de voormalige ambassadeur; mijn vader zei toen dat zo'n prominente gast, zo'n beroemd geleerde als Cottard, nooit de verkeerde keuze was voor een diner, maar dat Swann, met zijn opschepperige gedoe en zijn slechte gewoonte om met de onbenulligste relaties te koop te lopen, een ordinaire aansteller was die markies de Norpois, in de woorden van mijn vader, 'stinkend arrogant' zou vinden.
De eerste beginzin is recent geschreven, de tweede honderd jaar geleden. De eerste door een auteur die een naargeestig, gewelddadig, drankzuchtig milieu schetst in de armoedige Noord-Franse provincie, de tweede door een auteur die duizenden pagina's lang, met chirurgische precisie, de gedachten en gevoelens en sociale interacties in de gegoede, kunstzinnige kringen van Parijs en omgeving tracht te beschrijven.
Proust wordt ook wel een writer's writer genoemd, een schrijver die je gelezen moet hebben wil je jezelf schrijver noemen, maar ik zit al meteen in 'Weg met Eddy Bellegueule', van Édouard Louis, die geen fluwelen handschoenen draagt maar een boksbeugel.

Libido




Voor mijn verjaardag kreeg ik van mijn wonderdokter een testosteron-deficiëntie cadeau. Ik moest lachen. 'Wacht tot mijn vrouw dit hoort,' zei ik. 'Die gelooft zoiets nooit.' Mijn wonderdokter wees op de uitslag van de bloedtest en zei: 'Testosteron bijslikken verbetert de levenskwaliteit. Kijk eens op andros.nl, kliniek voor mannen.'
Een wereld gaat voor me open. Misschien ben ik inderdaad futloos, depressief en heb ik kortom van al die klachten last behalve van libido-verlies, volgens mij is er met mijn libido niets mis, maar het kan zijn dat mijn libido volgens Andros nog veel hoger moet. We zullen zien. Hoe dan ook denk ik dat mijn vrouw niet wil dat mijn libido omhoog gaat, dus daar zullen we iets op moeten verzinnen.
Ander 'nieuwtje' is dat ik nog 28,1 jaar te leven heb – statistisch gezien dan, afgaande op de gemiddelde levensverwachting van mannen in Nederland – en ik heb besloten om vanaf dit jaar af te tellen. Volgend jaar vier ik dus dat ik nog 27,1 jaar te leven heb, etc, tot ik uitgeteld ben. Als ik dan nog leef, tel ik weer bij. Dat is dan de tijd die ik als winst beschouw.
Overigens vind ik 28,1 jaar een belachelijk lange tijd. Wat je in die tijd niet allemaal kunt doen... Aan de andere kant, je kunt de dingen die je zou kunnen doen ook niet doen. In dat geval is 28,1 jaar niet zo lang.
'Of ik kom morgen onder de tram, dat kan ook,' zei ik tegen Nieuwe Vriend P., toen ik hem mijn statistiek en nieuwe verjaardagssysteem voorlegde.
'Daar zou ik maar van uit gaan,' zei hij.

Hartsvriendin

Image result for madelief verelst
Madelief (Verelst) in Krassen in het tafelblad


'Pappa, mag ik naar de kroeg? Met Annelies?' Mijn vijfjarige dochter staat voor me, dreinend, hoewel ik nog niet eens de kans heb gekregen om haar voorstel tot me te laten doordringen. Ik ging zelf ook vroeg naar de kroeg, hoewel misschien niet op mijn vijfde, maar zeker niet nadat ik mijn ouders om permissie had gevraagd. Ik ging van die permissie uit.
'Ja, hoor. Tuurlijk... En jij bent Annelies?' vraag ik aan het meisje, een stuk ouder, met een oversized bril op haar neus en lang, sluik haar. Ze doet me niet zozeer aan Pippi Langkous als wel aan Madelief (de oudere versie) denken. Ze knikt. Ze wacht op woensdag altijd in de kroeg tot haar vader haar komt ophalen.
We staan bij de 'houten speeltuin'. Ik had mijn dochter al met een groter meisje zien spelen. Ook hadden ze elkaar al omhelsd (lees: had mijn dochter Annelies omklemd). Nooit eerder had ik mijn dochter, of wie dan ook, zo snel een hartsvriendin zien maken.
'Welke kroeg? Die daar op de hoek? En daar gaan jullie appelsap drinken?' vul ik het scenario zodanig in, dat dit mij geen hartverzakking geeft. Annelies knikt opnieuw. Even flitst het door me heen dat Annelies onderdeel uitmaakt van een pedo-ring, of iets nog veel ergers, maar die gedachte duw ik opzij. Dit is de stad. Een stad leeft van onwaarschijnlijke ontmoetingen en bijbehorende avonturen, zoals deze. Ik wil mijn dochter de stad niet ontzeggen.
Als ik even later bij de kroeg ga kijken, staan ze daar: mijn dochter en Annelies, met een flesje, en een euro, die ze naar eigen zeggen uit de automaat hebben gevist. Een man met piekhaartjes en een ring door ieder oor staat zwijgend te roken.
'Is je vader er al?' vraag ik.
Annelies wijst met rollende ogen op de rokende man, die zijn zwarte tanden bloot lacht. Het is even stil. Annelies springt hoog in de lucht om haar vingers door zijn piekhaar te halen, een onverwacht filmisch moment.
Hopelijk krijgt mijn dochter Annelies ooit nog eens te zien.

Verrassende verliefdheid

Marc Chagall: Pour l'amour de Bella


Verliefdheid komt altijd als een verrassing, en ook als een ziekte trouwens, maar de persoon van wie ik me dikwijls afvroeg of hij er nog toe in staat zou zijn, c.q. er bevattelijk voor, kwam nu juist ineens met dat nieuws aanzetten. Geweldig. Fantastisch. Verliefdheid gun je iedereen toe, zelfs je ergste vijand, want hij zal erdoor verlamd raken. Verliefdheid doet je opnieuw geboren worden, maakt dat je leeft, eigenlijk zijn alle bewegingen tot aan de verliefdheid en alle bewegingen, helaas, daarna, nogal tja, flauwtjes vergeleken bij de verliefdheid. Nee, alleen wie verliefd is, leeft. Daarvoor en daarna regeert de dood, maar die kun je nog opleuken met werk en kinderen.
Zoals wel vaker bij verliefdheden die plotseling optreden, die toeslaan als een koorts, een griepgolf, een virus, die om zich heen grijpen en uitzaaien als een kanker, ja: verliefdheid is een kanker, waren er ook slachtoffers. Twee. Namelijk degenen die dachten dat de verliefden hen toebehoorden. Dat is toch de makkelijkste manier om naar menselijke verhoudingen te kijken: als bezit. De uitspraak ik wil jou moet je volgens mij vrij letterlijk nemen. Maar het spannende, verrukkelijke van een verliefdheid is dat dat bezit nooit als een last wordt ervaren door de verliefden.
Maar ik had het over de gewonden, de achterblijvers, zij die moesten wijken voor de verliefdheid. Moeten zij uit het leven stappen? Nee, maar ze kunnen ermee dreigen. Een sterk dreigement heb ik dat nooit gevonden. Moeten zij iets met elkaar beginnen, een groep van lotgenoten? Ja, dat zou efficiënt zijn, maar het kan niet. Verliefdheid en efficiency sluiten elkaar uit.

Social driver (4)



Meneer S., een nieuwe klant, moet ik ophalen bij de fysio en thuis afdroppen in de Pijp, een afstand, zie ik op GoogleMaps, van nog geen 300 meter. Als ik het raam openzet en ik trek mijn scheur open, dan kom ik nog verder. Maar als ik Meneer S., die een opvallende gelijkenis vertoont met wijlen Johannes van Dam, zowel qua pet als embonpoint, de Max Mobiel in help, begrijp ik dat de HeenEnWeer voor hem inderdaad geen overbodige luxe is.
Ik gesp meneer S., gekleed in gemakkelijk zittende huisbroek, vast, duw voorzichtig zijn portier dicht en neem plaats achter het stuur. Voorzover mogelijk, want zoveel ruimte is daar niet meer voor. Het voelt een beetje alsof we met zijn drieën voorin zitten.
Wel gezellig, eigenlijk.
Tweehonderd meter zoemen we voorwaarts om vervolgens tot stilstand te komen achter een takelwagen die aan het werk is in de opgebroken straat; een fegekleurd hesje wijst ons een parkeervak aan waar we mogen wachten. Een mooie gelegenheid voor mij om te trachten een verhaal aan meneer S. te ontlokken. Dat is het mooie van oude mensen: begin over vroeger en je krijgt een verhaal. Niet altijd het meest boeiende verhaal, maar toch: een verhaal.
'Ik ben lang huisschilder geweest,' vertelt meneer S., terwijl ik zijn sneeuwwitte gezichtsbeharing (het is meer dan een baard; het haar zit ongeveer overal behalve op zijn ogen, neus en mond) bewonder, 'maar daar werd ik niet zo gelukkig van.'
'Waarom niet?'
'Ik heb hoogtevrees.' Meneer S. kijkt me aan, alsof hem dat zelf ook verbaast.
'Wist u niet van uzelf dat u aan hoogtevrees lijdt?'
Traag schudt hij zijn hoofd. 'Tijdens de opleiding heb ik nooit op ladders hoeven staan.'


Veeleisender

Maria Lassnig (werkte tot in haar negentiger jaren)

Mijn telefoon gaat om 7.45 AM. Ik dacht dat er een stilzwijgende afspraak bestond, bij mensen die mijn nummer hebben, dat ik niet gebeld wens te worden voor achten; ook niet voor negenen trouwens, het liefst begin ik met telefoneren, en praten in het algemeen, rond het middaguur. Ik hijs mezelf uit bed en zie op het display dat het vriendin M. (90) is. Ik had haar overgehaald om e i n d e l ij k  eens naar het Amstelhuis te gaan kijken, het 'woonzorgcentrum', omdat ze  e c h t  haar eigen huis uit moet. Niet omdat het moet, maar omdat het moet, of zoiets. Zijzelf ziet dat ook wel in, maar ze stribbelt tegen.
'Viktor, ik moet onze afspraak afzeggen. Ik kan niet. Ik voel me helemaal niet goed. Ik ben de hele nacht wakker geweest.'
Ik zeg ja, ja en jammer, wens haar beterschap en beëindig het gesprek. 'Zul je zien dat ze me straks belt om te zeggen dat ze toch wil,' zeg ik tegen mijn huis- en kantoorgenoot. 'Hopeloos. Gewoon een klein kind.'
Maar ze belt niet om te zeggen dat ze toch wil.
Dus bel ik haar maar, want ja, ze is 90. Mensen die 90 zijn valt niets meer te verwijten. Die zijn het verwijt voorbij. 'Hoe is het nu?'
Het gaat nog steeds slecht. Maar ze wil het wel volgende maandag proberen, dat bezoekje aan het Amstelhuis. Oké, doen we dat.
Stilte.
'Ik moet verder, zeg ik.
'Waarom zie ik je nooit meer?' Mensen van 90 zijn het verwijt voorbij, maar dat wil niet zeggen dat ze zelf niet nog kunnen verwijten, dat vermogen eindigt pas bij de dood.
Ik som op: ik probeer een roman te schrijven, wellicht mijn mugnam upos, en dat daar nogal wat energie in gaat zitten, om nog maar te zwijgen van twee kleine kinderen plus een veeleisende vrouw.
'Wat?' klinkt het verbaasd. 'Is jouw vrouw veeleisend?'
'Ja. Nog veel veeleisender dan jij.'