De Koerdische zaak in Brooklyn




Bij mij om de hoek in Prospect Heights, Brooklyn, had je het Kurdistan Information Centre. Ik liep er wel eens naar binnen. In de donkere benedenverdieping van een brownstone had een praatgraag, geestig, van de hak op de tak springend weduwtje, Vera Beaudin Saeedpour heette ze, alle mogelijke boeken, tijdschriften, brieven, artikelen, foto's en andere artefacten van en over het Koerdische volk bijeengebracht. Die werden haar, zei ze, uit alle delen der Koerdische diaspora toegestuurd. Ik meen me te herinneren dat er in de volgestampte kamer ook nog een sabel hing, en een fez, maar die details heeft mijn brein er mogelijk bij verzonnen (waarschijnlijk dragen Koerden helemaal geen fez, beschouwen ze dat als een affront, en gebruiken ze geen sabels maar degens of weet ik wat).
Ze publiceerde ook twee wetenschappelijke tijdschriften.
Vera was een kleine vrouw die van grote beweringen hield. Haar KIC was uiteraard het belangrijkste in zijn soort ter wereld. Het Koerdische volk was het nobelste volk was dat ooit leefde. Ik kon dat allemaal niet controleren; ik kende geen Koerden (nu, dankzij de heerlijke immigratiegolf van 2015, heb ik een Koerdische kapper, en ik moet zeggen die is behoorlijk nobel).
Vera Beaudin Saeedpour was getrouwd met een Koerd en had bij de dood van haar man in de tachtiger jaren van de vorige eeuw beloofd zich vanuit Brooklyn in te zetten voor de Koerdische zaak.
Ik lees op Wp dat Vera in 2010 is gestorven en dat haar bibliotheek niet bij het grofvuil is gezet maar een plek heeft gevonden bij een Amerikaanse universiteit.
Als ik aan haar terugdenk, hoor ik haar fulmineren tegen Trump.

Gele doekjes



Met mijn zesjarige dochter draag ik mijn steentje bij aan de participatiemaatschappij door bij de buurvrouw op driehoog, herstellende van een heupoperatie, een kijkje te gaan nemen.
We bellen aan en jawel, na lang wachten verschijnt er een verfrommeld hoofd uit het raam. Ze is schrikbarend mager geworden.
'Ja?'
'We vroegen ons af,' roep ik door de toeter van mijn handen naar boven, 'of we even op ziekenbezoek mogen komen. Want we hebben je al zolang niet meer buiten gezien.'
'Wat?'
Ik herhaal onze missie.
Hoewel we haar wakker hebben gebeld, het is twee uur in de middag, zijn we welkom; sterker, als het haar daagt wat de bedoeling is, gaan alle deuren open. We nestelen ons op de bank van haar warmgestookte, verduisterde woning. Aan de muur foto's van hunks die haar zoon of zelfs kleinzoon zouden kunnen zijn geweest.
'Ik zie eruit als een oude heks.' Ze trekt aan haar rommelige, uitgelopen roodgeverfde haar, en inderdaad, in haar slaapshirt, en met haar ingevallen wangen, is de overeenkomst treffend, maar ik probeer, ook voor mijn dochter, de zonnige zijde te beschijnen en zeg: 'Als een oude fee.'
'Feeks!' maakt ze er onmiddellijk van.
Onderaan de achterkant van haar slaapshirt zit een natte plek. 'Ik ben incontinent,' zegt ze.
'Ik zie het. Misschien een nieuw verbandje?'
Ze gaat naar achter, even later verschijnt ze aangekleed en wel. 'Ik ben een nachtvlinder. Ik ga pas om 4 uur 's nachts naar bed. Ik kijk veel televisie. Ik heb geen pijn maar ben wel veel alleen.'
Met een geel doekje dept ze het plasje bij de bank op. 'Ik moet nieuwe gele doekjes hebben,' zegt ze.
Ik beloof die voor haar te halen. Dat is het minste wat een buurman kan doen.

Laatste sacrament

Matthew Teter: Olive oil and egg

'Maar ik ben oud hoor!' verzucht mijn moeder weer eens als ik gezellig bij mijn ouders op de bank zit.
'Hou daar toch eens mee op,' zeg ik. 'Niets wijst erop dat jij oud bent. Pa is oud en die hoor je er nooit over.'
'Nee, waarom zou ik,' zegt mijn vader.
Mijn moeder denkt cq. hoopt dat ze heel oud wordt. Dat zou wel eens kunnen. 'Ik heb iedereen overleefd,' zegt ze dikwijls, niet zonder trots, maar ze is de eerste om toe te geven dat dit ook zo zijn nadelen heeft.
'Willen jullie op jullie sterfbed bij wijze van laatste sacrament het heilig oliesel ontvangen?'
Geen gekke vraag dacht ik, voor zich noemende katholieken in de herfst van hun leven.
Mijn moeder kijkt dromerig voor zich uit. 'Ik vind het wel een mooi ritueel.' Ze was erbij toen haar beste vriendin het heilig oliesel ontving: de pastoor kwam, sprak enige gebedsteksten uit en bracht olie aan op het voorhoofd van de stervende.
'Slaolie?' wil mijn vader weten.
'Hè wat flauw,' zegt mijn moeder.
Ik lees op Wikipedia dat in het recept voor het heilig oliesel uit de Bijbel (Exodus, nota bene) als ingrediënt olijfolie wordt genoemd.
Ik lees ook, mijn moeder wist het al, dat het heilig oliesel, tevens als ziekenzalving wordt gebruikt.
'O,' zegt mijn vader, 'dus je krijgt die olie als je ziek bent. Word je beter, dan was het een zalving; ga je dood, dan was er sprake van het laatste sacrament. Twee vliegen in een klap.'
Pa is goed op dreef vanavond.

Sightseeing met extinctie

Bedreigd met extinctie: Ili Pika

Als we ons hebben geïnstalleerd in de taxi die ons van de Keizersgracht naar de St. Antoniebreestraat moet brengen, – pakweg 1400 stappen, ofwel een kwartiertje lopen –, begint de chauffeur zichzelf onmiddellijk te verontschuldigen voor de omweg die hij gaat maken: 'Stadshouderskade is dicht.' Een eerdere passagier, vertelt hij, ging uit zijn plaat vanwege de onhandige route. 'Ik heb de centrale moeten bellen om hem uit te leggen dat het niet anders kon.'
N. en ik hebben vooralsnog geen reden om de navigatiekunst van onze chauffeur te betwijfelen, dus we laten ons de vertraging zonder mokken aanleunen. Een taxi die omrijdt door Amsterdam is geen straf, dat is sightseeing.
Wat blijkt, de Stadhouderskade is gestremd bij het Rijks wegens een demonstratie voor het klimaat en tegen extinctie. Komende vanuit de Spiegelgracht zien we niets van de demonstratie maar alles van de pojisiebusjes, pojisie-motoren en welke pojisie dies meer zij om de demonstranten in toom te houden.
'Aan hoeveel demonstraties heb jij in je leven deelgenomen,' zeg ik tegen N., 'nul?'
'Daaromtrent.'
Ik één, de Grote Vredesdemonstratie van 1981. Vanuit de achtergebleven gebieden ging ik daar met mijn moeder heen, ook een vorm van sightseeing.
Twintig minuten later en twintig euro's lichter zijn we op de St Antoniebreestraat.
Ik vraag me af hoeveel extra uitstoot deze omweg heeft veroorzaakt en welke dieren, if any, hierdoor nog iets sneller richting hun extinctie zijn gedirigeerd.

Kunstinstallatie




Twee meisjes zitten bovenop een tot de rand toe gevulde container en wroeten in de troep. Waarom? Dat gaat me niks aan. Maar ik zeg toch: doen jullie voorzichtig, want er zitten planken bij met spijkers er nog in, en andere scherpe objecten.
Wie een dochter heeft, ziet overal dochters.
Gaat goed hoor, roepen ze. Maakt u zich geen zorgen.
Mooi, denk ik. Meisjes in de weer met bouwmaterialen. Beter dan met roze eenhoorns of die eeuwige paarden.
Als ik even later langs het parkje loop zie ik dat de twee meisjes in een boom zijn geklommen, vrij hoog, waar ze drukdoende zijn planken op takken te bevestigen, en andere spullen die ze uit de container hebben gevist.
Ik wil me ermee bemoeien maar houd voor deze ene keer mijn mond. Wat weet ik nu helemaal?
Een dag later kan ik het resultaat van de handarbeid van de meisjes bewonderen: twee scheve planken in de lucht, een zwarte cement-emmer die aan een touw bungelt en een onduidelijke plaat die waarschijnlijk eerder al naar beneden is gekukeld.
Van de meisjes is geen spoor meer te bekennen.

Toespraak tot de dieren


De neus



Nog zat ik niet aan tafel, het was op een verjaardag of ik voelde een neus in mijn kruis. Het is lang geleden dat ik een neus in mijn kruis voelde, met kleren aan. Het was een doortastende neus, een neus die zich niet liet negeren, een neus die op zoek was naar iets, maar wat dat was, wist de neus alleen.
Ik bracht mijn hand naar mijn kruis en duwde de neus uit mijn kruis. Ook dat was een noviteit, doorgaans wanneer ik een neus in mijn kruis bespeur is niet mijn eerste respons om die neus daar weg te halen.
De neus werd kennelijk afgeleid, in mijn kruis gebeurde te weinig, hij vond elders organen, lichaamsdelen of andere entiteiten om in te neuzen. Ik werd met rust gelaten. Maar niet voor lang, want toen het voorgerecht werd geserveerd, was de neus weer terug. Met hernieuwde kracht liet de neus zich kennen in mijn weke delen. Wat wilde de neus? Een snufje van dit? Een vleugje van dat? De neus liet zich er niet over uit, anders dan door te snuiven, te snuffelen en te sniffen.
Toen de neus zich voor de derde keer meldde, bij het toetje, dacht ik: genoeg is genoeg, ik zit hier te eten, ik ben op een verjaardag en niet die van mijn prostaat. Ik kneep mijn knieën bij elkaar niet ongelijk een reusachtige tang (reusachtig voor de neus) waarin de neus klem kwam te zitten. De neus was verrast, dit had hij niet verwacht. Alleen, het probleem was zoals zo vaak niet zozeer opgelost als wel verplaatst. De neus was succesvol gefixeerd inderdaad, hij kon niet meer naar me toe komen, maar hij kon ook niet meer weg.
Ik moest met de neus leren leven.

Piep-piep-kreun




Het zwembad was helemaal leeg, op één oude man na, die keurige baantjes trok, of nou ja, keurige baantjes, vooral wanneer hij een soortement rugslag probeerde, hetgeen eruit zag als een pasgeboren kuiken dat probeerde te vliegen, wilde hij nog wel eens flink uit koers raken. Het zwembad was groot, of nou ja, voor ons tweeën zeker; we wisten elkaar te ontwijken. Zodra ik zag dat de oude man, ik schatte hem tegen de honderd, weer in de rugslagstand ging, wist ik dat ik niet ook in de rugslagstand moest gaan. Zijn hoekige, uitdrukkingsloze hoofd, dat me aan dat van Brezjnev deed denken, zag er onverwoestbaar uit.
Ik dacht: die oude man is zo klaar, dan heb ik het zwembad voor mezelf.
Nooit had ik het zozeer bij het verkeerde eind. De oude man was absoluut niet van zins eerder klaar te zijn met zwemmen, hij was absoluut niet van plan om zich eerder uit het water te hijsen dan ik, hij zou het langer volhouden dan ik, ook al deed hij net of hij mij niet zag.
Ik dacht, ik ga een tandje lager, ik spaar mijn krachten. Ik zal hem in de lengte verslaan.
De oude man begon te neuriën, of piepend kreunen was het eigenlijk. Zeurderig, als om mij te tarten. Ik kon geen melodie ontdekken. Ik begon zo lang mogelijk onder water te zwemmen om zijn zeurderige, piep-piep-kreun niet te hoeven horen, maar dit putte me uit.
Toen ik keerde, omhoogkwam en het chloorwater uit mijn ogen wreef, zag ik hem recht op me af komen met zijn aandoenlijke, maar genadeloze rugslag. Als je biljartballen maar lang genoeg de gelegenheid geeft, zullen ze elkaar raken, al zijn ze daar helemaal niet op uit.
Ik koos voor schoolslag. Hij leek al neuriënd en kreunend mij te willen overrompelen, achteruit in zijn kuiken-rugslag, maar ik liet me niet kennen. Toen zijn hoofd recht voor me was, hij bood me zijn hoofd op een presenteerblaadje aan, en ik zijn oude armen voor de laatste keer door de lucht zag zwaaien, zette ik mijn handen op zijn knokige schouders en duwde hem met mijn volle gewicht net zo lang onder tot hij niet meer bewoog.

Topdag

De wonderen van LSD

Mede dankzij de miraculeuze oudewijvenzomer behaalde uw schrijfprostitué op het Museumplein gistermiddag een omzetstijging van 150 procent ten opzichte van vrijdag (waarop ik eigenlijk helemaal geen omzet had mogen behalen wegens de Global Climate Strike, maar dat terzijde). Zeker, ik ben nog enige omzetstijgingen verwijderd van een huis aan de Rivièra (niet de Amsterdamse), maar dan nog. Vijfenzeventig (75) boules! Met krap drie uur tijpen!
De dag begon goed met twee punky meisjes uit Chicago, de een broodmager met een neuspiercing, de ander botermollig met paars haar, die geïnteresseerd waren in een haatbrief. Eerst wilde de botermollige dat ik de brief zou toespitsen op haar baas, maar toen zei ze: ik heb liever een algemene brief, die me helpt als de nood hoog is. Ik tijpte er op los terwijl de Chicagoans geld gingen pinnen bij de Albert Heijn. Mijn brief kon haar goedkeuring wegdragen. Very good, this, zei ze, by way of catharsis.
Ondertussen hadden vier ouwe hippies uit Kansas City, drie vrouwen en een man, die net uit het Van Gogh kwamen, mij al zitten bestuderen vanaf het schuine grasveldje achter me. Een vrouw wilde dat ik een liefdesbrief schreef aan haar man, die thuis zat met zijn hond, een rolmops, and he likes to do acid. Die aspecten stopte ik in de brief. Hij werd geaccepteerd. Maar de broer van de man in het gezelschap verdiende ook een brief; hij werkte zo hard en was zo geestig – misschien was in hem een standupper verloren gegaan. Dus ik schreef een brief aan die broer, dat ik zo van hem hield, met de toevoeging, je zult wel denken, this coming out of Amsterdam, dat ik totaal gedrogeerd ben, maar dat is niet zo. Ik meen dit.
En nog was mijn topdag niet voorbij, want een charmant-verlegen haar tanden bloot glimlachende vrouw in spijkerbroek, met grote, smekende ogen, uit het oosten des lands, bestelde een excuusbrief. Ze had gedoe met haar ouders gehad en wilde het goedmaken, want ja, ze hield toch echt wel van ze. Mijn eerste Nederlandse cliënt! Zou het dan echt zo kunnen zijn dat onder al die jongens en meisjes van de koude grond, afstammend van boeren, geen gevoel voor drama, de liefde bespottend, enzovoorts, hier en daar warempel een exemplaar zit dat geporteerd is van, zoals een vriend mijn kommersjele proposietsie beschreef, een stukje ge-outsourcete emotie?

Écrivain public



Mijn eerste optreden als straatschrijver op een zonovergoten Museumplein gistermiddag was onmogelijk een daverend succes te noemen, dat zou te ver gaan gezien de omzet van €31 in drie uur, dat is amper minimumloon en dan heb ik de kosten (poster, briefpapier, tijplint) nog niet verdisconteerd, maar het was toch een alleszins, nou ja, interessant experiment.
Een stel jongens dat niet anders dan tuig kon worden omschreven, werd aangetrokken door het woord hatemail op mijn poster. Ze stonden lacherig om me heen. Gast, dus: kanker? vroeg de brutaalste, met een ontroerende plaatjesbeugel, kanker dit kanker dat? Ja, dat ook, zei ik, maar dan beter. Met kanker ben je er nog niet, hekelen is een kunst. Dat gaat je geld kosten, maat! riep een vriend van de gebeugelde. Ze maakten dat ze wegkwamen. Daarna keerden ze terug, ze verveelden zich en dat van die hatemail bleef ze fascineren, misschien toch ook wel gecombineerd met mijn tijpmachine, zou ik willen denken.
Hou je van je moeder? schreeuwde ik tegen de brutaalste. Eh... ja, zei hij, beduusd. Waarom stuur je haar dan geen brief? En weg waren ze weer.
Van de drie klanten die de God van het Massatoerisme mijn kant op stuurde is Eileen me het best bijgebleven. Deze meisjesachtige, muze-achtige, sprankelend doorleefde Canadese vijftiger zag me aan voor Mark Twain. Sinds vijf maanden was ze hondsverliefd was op haar Max, nu op zakenreis in Polen, en wilde hem verrassen met een door een vakman getijpt epistel op luxe papier.
Ah! dacht ik, eindelijk iemand die mijn kommersjele proposietsie begrijpt! Ik meende een brok in haar keel te bespeuren, een klein waasje voor haar ogen, toen ze het resultaat, inclusief Novalis citaat, onder ogen kreeg.

Mocht u de straatschrijver willen uitproberen, en u heeft nog wat centen over, haast u dan zondag om 12 uur naar het Museumplein. Dan sta ik er – insjallah, deo volente en bez'rat hashem – wederom.