16. Het verboden woord




'We moeten het nog hebben over euthanasie.' De suggestie, het verboden woord, uitgesproken door de appetijtelijke huisarts aan de eettafel, sloeg in als een bom bij Lidwina, maar ook bij Onvlee. Hij had het er voortdurend over met zichzelf, het was een van de eerste dingen die hij wilde regelen toen hij hoorde dat hij ongeneeslijk was. Moet ik de eer aan mezelf houden, het lot in eigen hand nemen? Uiteraard, maar dan. Wanneer. Hoe. Waar. Met wie. Over de specificaties van zijn zelfverlossing was hij nog niet uit, sterker, nadat zijn levensverwachting tot drie keer toe was bijgesteld, raakte het onderwerp een beetje in de vergetelheid. Bij hem althans. Het woord viel niet meer. Hij leefde in het nu, dat was ook de enige manier om te leven. Dus puzzelde hij voort, hij was net aan een Chinese reuzenpuzzel begonnen, tot de volgende break down – die van afgelopen weekend, die hem terugbracht bij het probleem. Was zijn pijn ondraaglijk? Was zijn lijden uitzichtloos? Misschien wel, maar de voornaamste reden om de dodelijke injectie te blijven uitstellen was dat hij Lidwina zijn voortijdige vertrek niet gunde, en de dood trouwens ook niet. Hij gunde de dood zijn leven niet, al stelde het bitter weinig meer voor. Hij zou zijn leven pas inleveren als hij helemaal op was, tot de laatste druppel, dan mocht de fles in de glasbak. Maar deze overwegingen deelde hij niet met de appetijtelijke huisarts en al helemaal niet met Lidwina. Laat ze maar voorbereidingen treffen, dacht hij, dan tref ik de mijne.