11. Aai me



Het was weer zover. Ik kon ze zien zitten in de zwarte doos. De een aan de kopse kant van de tafel, de ander, die met het rommelige haar, aan de lange kant. Die aan de kopse kant was naar de kapper geweest. Hij had een pak papier in zijn handen. Ik hoorde, door de ramen heen, het zachte gebrom van de verwarming. Ik begrijp wel dat ze het koud hebben, die mannen. Ze missen een vacht. Ze doen niets. Ik zou tegen ze willen roepen: doe iets! Maar dat ligt niet in mijn macht. Wat wel in mijn macht ligt is ze meelokken naar mijn verzorgsters. Die weten wel raad met deze mannen. Chocque gaat bovenop die met dat rommelige haar zitten. Die plet hem echt. Tot hij geen lucht meer krijgt. Maar hij heeft ook geen lucht nodig. Hij heeft warmte nodig. Zo denkt Chocque erover, en tot nu toe heeft ze altijd gelijk gekregen. Lavinia gaat subtieler te werk. Die houdt van rubben, ribben, tribben, dat werk. Dus die neemt die met dat baardje die net naar de kapper is geweest op schoot en begint hem uitvoerig op alle delen van zijn lichaam te wrijven tot zijn huid er rood van wordt, schraal. Geen olie. Ik weet al hoe ik ze moet verleiden. Ik ga voor de deur zitten, parmantig, en als ze naar buiten komen om me te aaien, loop ik voor ze uit, zodat ze net niet bij me kunnen, dan moeten ze me wel volgen.

Afl. 10.