Grauwsluier



Ik heb te doen met mijn informaticus, ik bedoel: zijn minor, die hij in Berlijn had afgesproken, en die vandaag zou beginnen, is gecanceld. Dit scheelt ons zorgen zoals huisvesting, Christiane F.-achtige angstdromen en geld, ongetwijfeld, maar hem een buitenlands avontuur. Als alternatief gaat hij een minor robotica doen, gewoon in Delft. Allemaal online, uiteraard. 'Een huisgenoot van me gaat met de caravan naar Zuid-Frankrijk, zoekt een wifi-plekje en gaat van daaruit studeren.'

Wacht, is dat dezelfde huisgenoot die van de zomer pech kreeg met zijn vintage dafje op de terugweg uit Zweden? Op de heenweg werden ze er door de douane uitgepikt, moesten ze zich uitkleden (de rectale visite bleef gelukkig achterwege) en toen bleek een van de passagiers stuff in haar BH te hebben verborgen. Wat is er gebeurd met de geheime compartimenten? Volgens mij stikt zo'n vintage dafje van de geheime compartimenten. Hoe dan ook: 300 euro boete en geen stuff. Jammer.

Toen ze panne kregen bij Kopenhagen bleek de vintage dafbezitter wel weer zo goed georganiseerd dat ze in een hotel konden overnachten (na te zijn uit geweest, natuurlijk). De volgende dag werden ze keurig teruggevlogen op kosten der ANWB.

Aan het eind van een daaropvolgende surfvakantie in San Sebastian – 'lekker gegeten in sterrenrestaurants, pap' – krijg ik een telefoontje. Opnieuw pech, nu met het golfje van de vader van een der surfers. Of ik even wil tolken met de Franse garagisten, en dat doe ik graag, maar geen van die Franse garagisten heeft tijd voor les étudiants. Uiteindelijk lukt het ze om met een slakkengangetje naar huis te tuffen.

Ondertussen was de informaticus dusdanig koortsig en verkouden, dat hij vermoedde een bepaald virus onder de leden te hebben. Hij liet zich nasaal een wattenstaaf inbrengen. Uitslag: negatief. 'Toen voelde ik me al meteen een stuk beter.'

Ik wou dat we iets konden doen om de grauwsluier die over zijn studententijd ligt weg te nemen.



Racisme


Tegen sluitingstijd probeerde ik een cadeau te scoren bij Scheltema. De zaak was vrijwel leeg, behalve twee lieve jongens van een jaar of twintig. (Ware ik Gerard Reve, had de rest van dit verhaal bestaan uit ontuchtige fantasieën en dagdromerijen waarin zij op allerlei manieren zouden worden gestraft voor hun begeerlijkheid. Gelukkig – voor u – ben ik Gerard Reve niet. Enfin.)

Ik was op zoek naar een boek voor mijn raadsman bij wie ik zou eten. Hij was jarig geweest. Zijn verjaardag schiet er dikwijls bij in, daarnaast interesseert het hem weinig, maar mij leek het aardig hem te verrassen.

Ik had ook al een idee voor een boek in mijn hoofd, namelijk Why I'm No Longer Talking To White People About Race, dat ik zelf nog niet gelezen had, maar waarover ik had gehoord dat het een behoorlijk eloquente aanklacht was, van de Britse journaliste Reni Eddo-Lodge. Een must read, met andere woorden – misschien vooral voor bleke mensen zoals mijn raadsman en ik.

Ik haastte mij naar de eerste, Engelstalige verdieping maar werd daar door een (begrijpelijkerwijs gezien het late tijdstip) nukkige verkoper doorverwezen naar de derde verdieping. Daar was een kast ingeruimd voor boeken over racisme. De twee lieve jongens stonden er ook. Zij pakten meteen Witte Onschuld van Gloria Wekker en, terwijl ze daarmee terug de roltrap afgingen, hoorde ik ze zeggen: 'Heel vet, dit, want dit beschrijft de Nederlandse situatie, en niet die in Amerika of Engeland, zoals bijna alle andere literatuur over dit onderwerp.'

Van Why I'm No Longer Talking To White People About Race bleek alleen nog een Nederlandse vertaling verkrijgbaar te zijn, Waarom Ik Niet Meer Met Witte Mensen Over Racisme Praat. Maar nu had ik 'dus' een dubbel probleem: ik zag in dat die lieve jongens gelijk hadden, en als ik dan toch iets niet-Nederlands, maar Brits zou kopen, wilde ik het wel in de oorspronkelijke taal lezen.

Wekker dan maar? Ik sloeg het open en las wetenschappelijke of wetenschappelijk klinkende termen. Huiswerk dus. Dat kon ik mijn raadsman niet aandoen.

Mijn oog viel op een geupdate heruitgave van Hedendaags racisme van Philemena Essed, die al in 1984 vrij uitputtend het structurele racisme in de Nederlandse samenleving onderzocht. Op een willekeurige pagina las ik een analyse van Robert Vuijsjes Alleen maar nette mensen, dat zou bol staan van de stereotypen over de 'negerin'. Tja.

Waar blijft het vlammende, bijtende essay over racisme in Nederland, dat iedereen moet lezen?



Dear Marieke Lucas/Lucas Marieke,


De Booker Prize: jij hebt hem gewonnen. Herstel, de International Booker Prize. Maar je hebt hem nog steeds gewonnen. Dat is bij mijn weten nog geen laaglandse tikker gelukt. Ik begrijp de keuze van de jury volkomen. Jij bent exotisch en toch ook inheems. Geen eurotrash en toch ook Europees. Jong en toch ook niet piep. Vrouw en toch ook man. Boerin en toch ook schrijver. Prosti en toch niet reli. Beschaafd en toch ook bruut. Poëet en toch ook romancier. Met jou kun je, met andere woorden,  – post Ellen Degeneres, post George Floyd, post Martin Parr, post Harvey Weinstein, post Nikki Tutorials, post boerenprotest, post vul zelf in – voor de dag komen.

Ben ik jaloers? Houdt een strontvlieg van stront?

Jij voelde je zo blij, zei je bij de bekendmaking, als een koe met zeven uiers. Ik kan me daar weinig bij voorstellen. Ja, wel bij die zeven uiers, maar niet bij de blijdschap van de koe dientengevolge. Ik was onlangs bij een melkveehouder en wat mij nog het meeste trof was de somberheid der runderen. Maar daar kijk jij vast doorheen.

Ja, wat moet ik nog, als vijftigplusser, man en wit – niet eens wit, was ik maar wit, ik ben beige, stopverfkleurig of eigenlijk lichtroze, en als de zon heeft geschenen kreeftrood, enfin. Pigmenttechnisch ben ik... niets! En dat haar!

Seksueel valt er aan mij ook al weinig bijzonders te beleven. O ja, ik houd van de zweep, wie houdt er niet van de zweep; van beiden einden om precies te zijn, ik houd ook van kettingen en dat een vrouw mij met haar naaldhak verplettert (wil jij dat een keer komen doen?), maar daar red je het post E.L. James niet meer mee. Post E.L. James veroorzaken zulke liefhebberijen nog geen opgetrokken wenkbrauw. Ja, als een vrouw ze beschrijft misschien maar ik ben geen vrouw. Ik ben wel een zacht ei, maar geen vrouw, helaas.

Wat dan, Marieke Lucas/Lucas Marieke, over welke boeg moet ik het dan gooien? Rap, moet ik al mijn kaarten op de rap zetten? Maar zelfs de ironische witte rapper (die grappig genoeg toch weer goed rapt), Lil Dicky, heeft de wereld ook al veroverd. En ik wil ook niet neergeschoten worden in de Rivierenbuurt.

Zoek je niche, Vicky! sommeert mijn agent. Exploiteer je extravagantie! Maar naast jou, Lucas Marieke, voel ik me een huisvrouw met een hobby, een leraar Nederlands in een middelgrote stad die stiekem 's nachts achter de computer duikt om onder pseudoniem de meest vreselijke – stop.

Gefeliciteerd!

Met de allerhoogste achting, en zelfs een beetje trots, etc. 




Het hufter-effect


In de documentaire Capital in the 21st Century met/over economisch historicus Thomas Piketty, waarin weer eens uit de doeken werd gedaan dat al te grote inkomensverschillen ongezond zijn voor de maatschappij en zelfs kunnen leiden tot oorlog, vertelde psycholoog Paul Piff over een leuk onderzoekje. Proefpersonen werd gevraagd met elkaar monopoly te spelen, maar vooraf werden ze randomly ingedeeld in Arme Spelers en Rijke Spelers. De AS kregen maar 1 dobbelsteen, in plaats van 2, en de helft van het gratis geld als ze langs Start kwamen. De RS kregen bovendien meer startkapitaal.

Het spel begon. Wat bleek? De Rijke Spelers wonnen vaker. Maar het interessantste aan het onderzoek was dat de RS zich meetbaar hufteriger gedroegen. Ze stampten harder met hun poppetjes op het bord als ze zetten deden en maakten vaker gemene 'lekker pûh'-achtige opmerkingen naar Arme Spelers. Maar het ongelooflijkste van alles was nog wel dat ze, gevraagd naar de reden van hun succes, meenden beter te zijn dan de Arme Spelers. Bizar maar waar: in dit onderzoek kwam niemand van de RS uit zichzelf op het idee dat hun winst voor het belangrijkste deel te danken was aan de oneerlijke regels waarvan ze hadden geprofiteerd. Het hufter-effect, dat kennelijk samengaat met een bewustzijnsvernauwing, was bij alle soorten deelnemers meetbaar. Vrouwen, of mensen met een bevoorrechte of juist minder bevoorrechte achtergrond, vielen bijvoorbeeld niet minder ten prooi aan verhuftering.

Kijk even om u heen, zou ik zeggen, of u mensen kent die net rijk zijn geworden of rijk aan het worden zijn. Zijn ze verhufterd?

Ik zal geen namen noemen maar ik ken wel een paar mensen die sinds ze rijk zijn geworden plotseling menen dat ze je voor van alles en nog wat kunnen inzetten, die hun geliefde aan de kant schoven, die een misplaatst superioriteitsgevoel uitstralen en/of met duidelijk dedain spreken over minder bedeelden in de samenleving.

Staat niet in de Bijbel hoe rijker hoe kwaadaardiger? Nee, dan zou het er in een volgende editie in moeten komen. Rijk worden, (financieel) succes hebben, is verslavend, en je wordt er geen leuk mens van. Je gaat vanzelf denken dat het rechtvaardig is dat je zo rijk bent, dat het zo hoort en niet anders zou kunnen zijn. Allemaal gevallen van bias, dat een wetenschappelijk woord is voor domheid.

Ik voel ook wel eens dat ik verhufter. Lag het maar aan mijn rijkdom.


Tand versus gat



Net nadat A. haar eerste poging heeft gedaan om de kinderen nu eens bijtijds in bed te leggen, komt de bijna zevenjarige haar kamer uitgestormd, op de voet gevolgd door haar broer. 'Mijn tand zit los.'

Geen nieuws, die tand zit al weken los. Hoe los, dat is de vraag.

'Laat eens voelen.' O, ze heeft gelijk, hij zit nu zo los dat hij eruit getrokken kan worden.

Ik leg mijn krant weg en neem mijn dochter op schoot. Ik voel aan haar tandje, het is de linkerondertand,  de rechter- en de linkerondertand zitten al een eeuwigheid los voor mijn gevoel, maar de linker, nr 71 volgens de Internationale Tand Nummering, wil er graag uit. Hij staat vrijwel horizontaal, dus in een hoek van 90 graden, naar buiten toe. Geen gezicht. Ik pak hem vast met twee vingers en krak, plop of hoe heet het, jammer dat taal geluiden niet preciezer kan weergeven, ik heb een piepklein tandje in mijn hand en mijn dochter heeft een gigantisch gat in haar gebit, dat bloedt. A. haast zich om een washand te halen. 'Liever een tissue,' roep ik.

'Gatver,' zegt mijn dochter, als ze haar bloed proeft en de rode tissue bekijkt.

'Niet gatver: bloed. Je proeft jezelf. Niks vies aan.'

We bekijken het tandje. Bewaren. De eerste tand die wordt verwisseld voor een grote mensentand, een mijlpaal; de timing helemaal volgens het boekje.

En de tandenfee dan?

Een hels dilemma. De dochter wil ab-so-luut een cadeautje van de tandenfee maar ze wil daarvoor haar tand ab-so-luut niet opgeven.

'Trouwens, die tandenfee bestaat toch helemaal niet?' Bijdehand ook nog.

'Jawel,' zegt de broer lief.

Misschien is het verstandigste de tand in bewaring te geven bij BioEden Stamcelbank. Mocht ze ooit Hodgkin krijgen of iets anders akeligs, schijnen ze van die tand nog iets te kunnen maken waar de zieke wat aan heeft.



Rip story



Pang-pang-pang. Pang-pang-pang-pang. Ik was weer wakker. Ik keek op de klok: 3.58 AM. Ik word, als ik de keus zou hebben, liever gewekt door een kreunende vrouw.

'Hoorde jij dat?' vroeg ik aan A.

'Ja.'

'Pistoolschoten, geen twijfel over mogelijk,' zei ik, alsof ik ervaring heb met pistoolschoten; quod non, in de negen jaar dat ik in gevaarlijke buurten woonde in Brooklyn ben ik nooit gewekt door pistoolschoten. (Ze waren er wel, ze zijn er tenminste een keer geweest, maar ik hoorde ze niet. Misschien was ik toen dover, of is New York lawaaiiger.)

'Geen deksel van een vuilnisbak?' probeerde A. nog, hoopvol.

Dat kon niet, de pangen volgden elkaar te snel op. Dat was niet te doen, zelfs niet door een stronken student met een ziek gevoel voor humor (die hebben we ook in het blok).

Een onwerkelijk diepe stilte daalde neer, alleen de storm was nog hoorbaar. Geen geschreeuw, niets. Alleen, na een minuut of tien, politie-sirenes.

Was ik bang? Ik geloof toch wel een beetje. Ik sprong uit bed om de balkondeur beter te vergrendelen. Misschien was de gunman in de gemeenschappelijke achtertuinen en zocht hij een schuilplaats in de slaapkamer van mijn kinderen, of die van ons.

Die middag, nog geen twaalf uur daarvoor, waren we namelijk al opgeschrikt door een schietpartij in de Vechtstraat, op pakweg tweehonderd meter afstand. Daarbij raakte rapper Bigidagoe zwaargewond; dezelfde rapper, weet ik nu, die in zijn laatste song rapt: Ik schiet alleen in hoofden, ik laat de armen over, en die in een ander clipje een pistool op de kijker richt.

Bigi kreeg 'dus' zijn trekken thuis. (Hoewel, hij leeft nog.)

'Zeker in de Diamantbuurt?' reageren de meesten. Dan leg ik uit: nee, gezellig aan deze kant van het Amstelkanaal. Dit deel van de Amsterdamse Rivièra is braaf, afgezien van wat ruige plekjes. Een paar jaar geleden hadden we hier in de buurt bijvoorbeeld een schietpartij met twee doden.

Eerst dacht ik: een rap oorlog in de Vechtstraat? Dat doet me erg denken aan die in de Verenigde Staten van twintig + jaar geleden, tussen Tupac en Notorious B.I.G. waar ik nog over geschreven heb, maar waarschijnlijk gaat het toch weer 'gewoon' om (drugs)geld.

'Allemaal rip stories,' weet mijn buurvrouw, die bovenstaande foto maakte.

Rip stories: afrekeningen van drugsdealers die (menen) bestolen (te) zijn door andere drugsdealers. Mooie titel voor een verhalenbundel, maar ik ga hem niet schrijven.






Televisies



N. belt: televisie doet het niet. Ik spring op de fiets, probeer wat knoppen, trek uiteindelijk de stekker eruit en doe hem er terug in et voilà.

Dat je met televisies kunst kunt maken bewees Nam June Paik. Gisteren waren N. en ik in het Stedelijk om die bewijzen van dichtbij te bekijken.

Zalen vol oude televisietoestellen; op de toestellen is van alles te zien. Nixon, die liegt, en wiens beeld middels een magneet wordt vervormd. Of: televisies waarop wordt vertoond wat tegelijk wordt opgenomen (een feedback loop). Zoals een boeddha.

Ik was niet zozeer geboeid door de televisies, maar door een foto, niet van Nam June Paik, maar van John Cage, de componist. Cage lijkt het op die foto erg naar de zin te hebben. Hij woont een performance van Nam June Paik bij, die er onder andere uit bestaat dat Nam June Paik John Cage zijn stropdas doorknipt (dat had Janine Abbring bij Ilja Leonard Pfeijffer moeten proberen), iets doet met shampoo en ook nog andere kleren van Cage verknipt. Ik had wel bij die performance willen zijn – herstel: ik had Nam June Paik willen zijn. Nam June Paik lijkt me zo'n kunstenaar te zijn geweest die precies deed waar hij zin in had en nog mee wegkwam ook. Nu zou dit moeten gelden voor alle kunstenaars, maar in de jaren zeventig en tachtig, de decennia waarin Nam June Paik vooral deed waar hij zin in had, helemaal.

Als kans, toeval en betekenisloosheid je thema's zijn, is veel mogelijk.

Niet dat je er nu nog mee weg zou komen, met al die televisies.

Dachten Nam June Paik en zijn mede-conceptualisten, video- en performance-kunstenaars uit die tijd dat ze kunst maakten die nooit gedateerd zou zijn? Nu komt hij op mij wel heel erg gedateerd over. Een kunstenaar die te veel vertrouwt op technologie is gedoemd zichzelf te dateren.

In een zaal stond een televisie opgesteld die je met een knop op de vloer aan en uit kon trappen. Ik nodigde N. uit voor deze interactie. Ze trapte op de sticker waarop stond 'hier trappen', in plaats van op de knop. 

Geachte kreunende vrouw om 2.50 AM,

Jean Jacques Lebel


Is u bekend met de akoestiek van de gemeenschappelijke achtertuinen van ons huizenblok? Ik denk het niet, en ik denk dat uw penetrator – want gepenetreerd werd u, daarover bestaat geen twijfel – u hiervan ook onvoldoende op de hoogte heeft gesteld.

Of het kon hem en u allemaal niets meer schelen, eenmaal op dat punt aanbeland, dat kan ook.

Misschien bent u het allemaal vergeten. Zal ik uw geheugen opfrissen? Het was zaterdagnacht, de herfst zat nog niet in de lucht, het was nog zomer zou je kunnen zeggen, misschien was het 's nachts benauwd en dan kan het inderdaad raadzaam zijn om de ramen open te houden voor een koel windje.

(Terzijde: lukte het niet eerder die dag? Kennelijk niet. Jammer.)

Datzelfde raam echter, ik leg het nog maar eens uit, functioneert als een microfoon waarmee u uzelf live in de uitzending brengt – een uitzending die door zo'n vijftig huishoudens wordt beluisterd. En niet alleen de lichte slapers hebben noodgedwongen op u afgestemd, mejuffrouw Kreun, ook de uitstekende slapers, zoals A., hebben hun oren gespitst toen ze zeker wisten dat het hier niet om een kattengevecht, een huilende baby of een papegaai met een ziek gevoel voor humor ging.

Zelf dacht ik eerst aan porno. Ik heb eerder porno live horen uitgezonden worden, waarbij ik me zo voorstelde dat de pornoconsument per abuis het geluid aanzette, of, waarschijnlijker, per ongeluk het stekkertje van de koptelefoon uit zijn computer trok – bijvoorbeeld omdat hij een plotselinge beweging maakte, maar het blijft gissen naar de details. Het enige wat je kunt doen is afgaan op het gekreun, en dan terug redeneren.

Maar het was geen porno, daarvoor was u te, nou ja, weinig professioneel.

Om 3.00 AM werd het stil, zonder dat er, naar mijn gevoel, een hoogtepunt was bereikt – althans bij u. Maar om 3.05 begon u weer, om vervolgens om 3.15 weer stil te houden. Het is mij onduidelijk wat er in de tussentijd is gebeurd. Raakte de penetrator vermoeid? Raakte u afgeleid? Probeerde u zich, na misschien een klacht wegens overlust (sorry), in te houden?

En dan is er nog de vraag naar de echtheid van uw gekreun. Ik hoor graag.

Hartelijks, enz.

Loftpop


Amsterdam is een lievere stad geworden, op sommige plekken althans, in corona-tijd. Bijvoorbeeld bij Stan Vreeken en Marieke Smit thuis, twee singer-songwriters, die in de buurt van de Vondelkerk huisconcertjes geven. Op het dakterras, als het weer het toelaat (zie boven), anders in de zitkamer. Het Grachtenfestival, maar dan anders. 

Ik had me er niets bij voorgesteld, want ik had nog nooit van Stan Vreeken gehoord, maar hij zou 'dus' ook op de Parade staan; Marieke Smit bleek bovendien bij de presentatie van Dagboek van een postbode in Arti te hebben opgetreden met New Amsterdam Voices. Ze heeft een bandje Woolf, en binnenkort komt haar solo EP uit.

De zon begon weer tussen rusteloos voortjagende wolkenpartijen te schijnen, ik wachtte met een vrouwtje of tien in de voortuin op het afgesproken adres. De deur ging open, er verscheen een bebaard, aarzelend hoofd met oorbelletje om de deur. Dit was Stan Vreeken.  'Er zit een nogal grote sprinkhaan in de gordijnen,' zei hij verontschuldigend.

Als oorlogsveteraan aan meerdere fronten, stelde ik voor het beest te vangen. Met een bakje en een schoteltje schepte ik hem zo van de gordijnen. Toen ik het bakje buiten open hield, vloog hij weg. O ja, dacht ik, sprinkhanen vliegen, zo'n dikke wolk van die beesten, die je hele akker kaalvreten. Dit was het enige niet-lieve element van de middag.

We mochten een drankje pakken en namen plaats op stoelen coronagewijs verdeeld door de etage, terwijl de muzikanten zich schikten op en rond de zitbank. Twee betoverende meisjes, een ander woord is er niet voor, waren uitgenodigd om mee te doen: Wieteke (zang) en Yasha (toetsen). Het viertal begon te zingen, solo, begeleid door gitaar dan wel piano, plus drum-computerbegeleiding; het refrein dikwijls meerstemmig. Aanzwellende meerstemmige zang voelt als na een lange dag werken in de kou in een warm bad glijden.

De zon scheen nog steeds, in de achtertuin wuifde het groen mee, ik schopte mijn sandalen los en dacht: deze setting is zo gek nog niet. Waarom zwetend samenpakken in donkere zalen als je ook gerieflijk met een blikje bier op een zaterdagmiddag bij iemand thuis enzovoorts? Het zal met winstgevendheid te maken hebben. Mojo gaat hier niet blij van worden, van deze loftpop. Wij 'dus' wel. 

Nieuwe broek

Ann Liu: Artist Jeans


A. heeft een broek voor me gekocht, en ik heb hem aangetrokken. Zo gaat dat in dit huishouden: zij koopt een broek, en ik trek hem aan. Ik vind dat een goede arbeidsdeling. A. houdt van kopen, ik niet (behalve boeken en wijn). Ik houd ervan om wat zij koopt te dragen en zij houdt ervan om mij dat wat zij heeft gekocht te zien dragen. Rolbevestigend? Ongetwijfeld, maar er zijn geen slachtoffers dus niets meer aan veranderen.

Maar deze broek, daar gaat het me om, ik heb hem al een week aan (waarom een nieuwe broek aantrekken als er geen vlekken op zitten?) trekt nogal de aandacht. De eerste opmerking die ik in ontvangst mocht nemen was van een kakmadam op de Reguliersgracht die ik een nogal directe vraag stelde over haar hond (niet: doe je het met haar/hem?), en die zei: 'Nou, vooruit, omdat je zo'n leuke broek aan hebt...'

De tweede opmerking incasseerde ik in de rij voor de kringloopwinkel. Een man die, sorry, toch echt obees was, had mij een tijdje aan zitten kijken en toen had hij het toch maar aangedurfd te zeggen, wijzend op mijn broek: 'Weet je wat dat is, dat is een hippe broek. Een hippe broek. Je hebt een hippe broek aan.'

Ik wist niet goed wat ik met deze observatie aanmoest. Weerspreken, want ik wil niet hip zijn; hip is toch een soort dom, of opvatten als een compliment zoals het waarschijnlijk was bedoeld (ik word, sinds ik postbode-af ben, nog zelden spontaan vernederd om wat ik draag). Maar mijn repliek werd overbodig toen hij zelf toevoegde: 'Zulke broeken droeg mijn moeder ook.'

Het derde spontane commentaar dat ik oogstte kwam van een vrouwelijke winkelbediende, een wat oudere type, ze had net mijn moeder kunnen zijn (misschien dacht ze dat ik haar zoon kon zijn). Ze zei: 'Gezellige broek heb je aan. Heel gezellig. Ja hoor. Leuk, zo'n gezellige broek.'

Ik moest denken aan mijn vader die onlangs over de styling-drift van A. had gezegd: 'Je moet niet zo'n mooie kleren voor hem kopen. Krijgt ie veel te veel aandacht.'