Ah, de bevrediging van het apocalyptische schrijven. Bovenstaande las ik aan het eind van 'De morgen loeit weer aan' van Tip Marugg. Als literatuur de lezer in staat stelt naar een andere plek te reizen die zij nog niet kent, zonder van haar krent te hoeven komen, dan is Marugg in zijn missie geslaagd. In nog geen honderdvijftig pagina's neemt hij je mee naar de zelfkant van een Caraïbisch eiland, naar een wereld die niet meer bestaat en tegelijk altijd heeft bestaan. Deze roman bevat vele parels. De jeugdherinneringen aan de naïeve priester-oom in Venezuela, die gevangenissen bezoekt. Of de boer die zijn arm in zijn moeizaam barende koe steekt, daarbinnen het vastzittende pootje van het ongeboren kalf rechtzet, en voor deze daad bedankt wordt met een lik over zijn hand van de moeder. Of de kijvende vrouwen uit het dorp die een geheel eigen methode voor conflict resolution hebben: ze stellen zich op aan weerszijden van de rivier en beginnen elkaar verrot te schelden. Dorpelingen kiezen partij. Als de woorden op zijn, volgt het moddergooien. (Zouden we hier ook moeten doen. Mediator onnodig.) Maar het mooiste beeld dat Marugg schetst is van de ik-figuur, een homo tragicus die zijn laatste nacht op de veranda doorbrengt met vier (elkaar hatende) honden en whisky en bier binnen handbereik. Is De morgen loeit weer aan de Nederlandse, of beter gezegd, de Caraïbische Under the vulcano? Misschien. Hoe dan ook: wie gaat dit meesterwerk verfilmen?
De zelfkant van een eiland
Droomdouche
Woede
Ik las trouwens fuck your anger, maar dat zal wel een frölkiaanse verlezing zijn geweest. Ik moet ook een leesbril. Hoe dan ook, of je je woede nu onder ogen moet komen, of hem (haar?) moet neuken, de vraag is natuurlijk hoe. Ik heb ooit eens ergens gelezen dat schreeuwen en stampen werkt, in die zin dat het een redelijk gezond coping mechanism is. Met andere woorden, als je schreeuwt en stampt wordt je woede vanzelf minder. Je gooit hem/haar er uit, als een ongewenste gast op een feestje. Slaan helpt natuurlijk ook. De persoon op wie je woedend bent slaan, schoppen, krabben, bijten en in het gezicht spugen, dat is een uitstekende, en beproefde manier om je woede te uiten.
Ook dingen kapot maken in je woede-uitbarsting lijkt me therapeutisch verantwoord. Elk huis zou een sloopkamer moeten hebben, een ruimte waar je ongestraft spullen stuk mag maken voor je emotionele gerief.
Hier is een vraag voor Van Fenema: hoe hard mag je de persoon slaan op wie je woedend bent? En mag die iets terug doen? Dit is het grensgebied tussen psychiatrie en ethiek. Ik zou zeggen dat een vrouw die is misbruikt, de dader, indien zij/hij dat wenst, hard, heel hard mag slaan. Lang ook. Mij dunkt dat dit zowel voor de misbruikte als voor de misbruiker op een of andere manier helend werkt, ook al gebeurt het jaren later.
Wat als de dader niet in de buurt is, of niet meer leeft? Mag die woede dan op iemand anders worden afgereageerd? Moeten we in de sloopkamer ook nog een beukpop ophangen?
Ik ben geen psychiater – ook geen ethicus trouwens –, maar je zou een schema kunnen maken van het geweld dat geoorloofd is om de woede van het slachtoffer van een trauma tot zijn recht te kunnen laten komen.
Face your anger, indeed.
Dan zijn er mensen die hun woede op zichzelf richten, bijvoorbeeld door zichzelf te beschadigen. Ik ben benieuwd wat Van Fenema tegen zo iemand zegt. Ga viool spelen?
Uit het leven van een mug
![]() |
| Martin Kratochvil |
Oppas
Ik probeerde dus te focussen op haar gezicht, waarin overigens – een detail dat mijn gemoed weer richting de ontroering doet overhellen –, een slotjesbeugel de aandacht opeist. Die zal ze zelf wel haten (ik heb het niet gevraagd), totdat hij uit mag natuurlijk, dan is ze af.
Ze droeg een piepklein hagelwit topje, een piepklein hagelwit broekje en hagelwitte gympjes, als een soort omlijsting van haar gebruinde hals, buik en benen.
'Vergeleken bij dit meisje is Lolita een muurbloempje,' oordeelde A, die niet alleen als mens en als vrouw maar vooral ook als fotograaf oog heeft voor dit soort dingen.
Toen we vijf uur later terugkwamen, zag ik gympen in de gang staan die mij niet bekend voorkwamen. Jongensgympen.
Vooraf had ze gevraagd of het goed was als er iemand langskwam, ook in verband met corona, en daarop had ik uiteraard bevestigend geantwoord. De weddenschap met A. of het een vriendje was of toch een vriendinnetje die haar zou vergezellen, had ik gewonnen.
'Leuke jongen,' luidde het commentaar van Kletsmajoor de volgende dag over de oppassituatie.
Wildzwemmen
Het Amsterdamse grachtenwater schijnt het schoonst te zijn van Amsterdam. Dat is heel mooi, en gratis zwemmen doe ik al jaren met plezier. Ik ben zelfs eens moedig in het kanaal voor mijn huis gesprongen, maar toen een dode vis mijn wang kuste, was dat minder dan romantisch. In de grachten van mijn jeugd waarde het botulisme, daar heb ik altijd angst voor gehad.
Waar smaakte de Amstel naar? Niet zo veel anders dan kouwe thee van verse munt, waarover misschien ooit een kat heen heeft gezeken (die grap heb ik gestolen van Jochem Myjer). Veel viezer dan de Amstel was het platje waar we waren neergestreken om het water op een ontspannen manier te kunnen betreden. Eigenlijk wilden we bij roeivereniging Berlage te water gaan, daar klim je immers gemakkelijk weer het vlonder op. (Het probleem van gracht-, kanaal- en rivierzwemmen, daar komt de te water geraakte soms te laat achter, is het weer terug op het droge zien te komen.)
Het platje dat we hadden gevonden bleek een dakloze/dronkelap-platje te zijn, vol scherven, verroeste en verse kroondoppen, halve en hele flessen, en er hing, dat was het minst aangenaam, een zeer penetrante urinelucht. We verhuisden toch maar naar het veldje voor Café Hesp, waar zoals gewoonlijk, pandemie of geen pandemie, hele volksstammen waren samengedromd. Niet zo gek, daar heb je twee trappetjes. Ontroerend toch wel (ik ben dikwijls ontroerd dezer dagen), hoe als een horde eendjes de zwemmers op hun beurt wachtten, watertrappelend (wat anders), om de trap te mogen bestijgen. Het uit een badpak druipende water van je voorgangster waarmee je dan soms wordt besprenkeld.
KM werd bijna geschept door een iets te strak voorbijvarende sloep. Hij had het niet in de gaten. Maar we zwommen, en we zwommen wild, dus het leven was goed.
Race barriers
Wat was hier aan de hand? Niets. Of alles. Was het toeval dat Team A en Team B qua huidskleur en sekse en klederdracht verschilden? Waarom speelden ze niet tegen elkaar (qua niveau waren ze duidelijk aan elkaar gewaagd)? Was hier sprake van spontane segregatie? Wat zou Team A hebben gedaan als Team B grimmige hiphop had geblazen uit een bluetooth speaker? Is het denkbaar dat een lid van Team B een basketbal-shirt van een witte basketbal-held had gedragen, zeg Larry Bird? (Larry who?) Wat als ze wel tegen elkaar hadden gespeeld, omdat dat van Rutger Bregman moest, en Team B had Team A verpletterd of andersom, wat had dat dan gedaan voor de race relations? Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen.
Voor wie niets van basketbal afweet (zoals ik): zoals in zoveel sporten was de apartheid in het basketbal totaal. Totdat de race barrier werd gebroken, dat zal wel weer in de jaren zestig zijn geweest, en zo'n beetje alle witte spelers uit de sport werden verdreven.
Nu ik erover nadenk: wij in Kikkerland leven in het Amerika uit de vroege jaren zestig. We've got a long way to go.
Meneer en mevrouw slapen gescheiden
'Dan ga ik wel bij jou op de kamer liggen in het bed van je broer,' stel ik haar gerust.
'Alleen als je een onderbroek aantrekt,' zegt ze.
A. brengt haar naar bed, terwijl ik hem in het tuinhuis installeer, maar nadat ik weer veel te lang heb voorgelezen, en hem welterusten heb gewenst, staat hij opeens weer voor mijn neus. 'Hoe werkt de geluidsinstallatie?'
Wie op weg wordt gestuurd naar volwassenheid moet zelf de soundtrack mogen bepalen. De Beatles wil hij horen, en dan met name Strawberry Fields Forever. Van die song hebben we namelijk recent het lieve clipje bekeken op YT en trouwens, hij speelt het ook op gitaar. Hij zingt er zelfs bij, mooier wordt het niet.
Ik zet de geluidsinstallatie lekker hard. 'Wel dansen, hè.' Hij maakt wilde bewegingen en kijkt er gemaakt stoer bij. Misschien is elf toch de leukste leeftijd. Hij is zich nog onvoldoende bewust van de wereld, en toch is hij ook niet meer helemaal bleu.
Aan het eind van Strawberry Fields zit een coda, een halve minuut met gekke geluidjes die zogenaamd uit een zelfgemaakt instrument komen. (Een mix van drums en achterstevoren afgespeeld orgel, vermoed ik, en nog wat gitaar, maar dat zou ik moeten uitzoeken.) 'Dat wil ik als ringtone.' Hij knikt heftig.
Goed, en dan nu echt gaan slapen. Alleen, het blijft lang licht, en het tuinhuis heeft nogal wat ramen zonder gordijnen. Ik ben benieuwd of hij daar last van gaat hebben. Nee dus. Meneer heeft voortreffelijk geslapen. Of tot drie uur muziek zitten luisteren, dat zullen we nooit weten, want toen sliepen we zelf.
En mevrouw?
Als ze wakker wordt – er gaat niets boven een kind dat slaapt, maar een kind dat bezig is wakker te worden ontroert nog meer – steek ik mijn hoofd over de rand van het bed en zeg: 'Goedemorgen zonneschijn. Kom je even gezellig bij me liggen?'
We kletsen. Geen woord over onderbroeken, gelukkig. De soep etc.
De tandarts uit Milaan
Ik zie hem niet voor me, de suïcidale Italiaan. Dan moet het dus wel heel erg zijn. Gegeven de cultuur, het klimaat, de natuur in dat land kun je je natuurlijk nog steeds van het leven beroven omdat het in je hoofd knettert, de situatie uitzichtloos is of de wanhoop te groot wordt, maar er is zoveel troost. Ik kan mij beter voorstellen dat iemand in een middelgrote Nederlandse gemeente de stekker eruit trekt, dan in een middelgrote Italiaanse gemeente, hoewel je natuurlijk ook hele sombere Italiaanse gemeenten hebt, en wie Gomorra heeft gezien, weet dat er in sommige delen van Italië nogal wat verborgen redenen zijn om dood te willen. (Daar staat tegenover dat La Grande Bellezza ondanks alles als een lang argument tegen suïcide kan worden gezien.)
De patiënten van de tandarts uit Milaan betalen sinds februari hun rekeningen niet meer. Daar klaagt hij niet over. Wel over de Italiaanse overheid, die er – jammer om dit cliché te moeten bevestigen – een potje van maakt. Er is allerlei financiële steun beloofd, maar er komt niets. Een aanstaand faillissement kun je een tijdje met montalcino, grappa of limoncello wegspoelen, maar op een gegeven moment voldoet dat niet meer.
Bij de tandarts uit Milaan zitten nog wel mensen in de wachtkamer, maar vooral voor controle. Kleine dingen. De grote werken, daar durven ze niet aan.
Misschien moet ik de tandarts uit Milaan eens in contact brengen met Borende Neef te Rotterdam. Die maakte jaren geleden de blits als tandarts in Italië, compleet met sportwagen, bella ragazza en cocaïne, als ik me niet vergis.
Verontschuldigende vaders
Mijn vader stoot zijn kop koffie om. 'Verdorie, wat doe je nou!' roept hij uit. Door het metalen, gerasterde tafelblad stort mijn vaders koffie over mijn benen en schoenen; verrassend genoeg heeft mijn vader zelf katachtig zijn gezondheidsschoenen op tijd teruggetrokken, er is hooguit een spatje koffie zichtbaar op de punt. Ik buig voorover en begin met een servet te poetsen. 'Mijn broekspijp zit ook onder,' vis ik naar excuses, of in elk geval naar iets als 'wat stom van me', maar dat kan ik vergeten.
Ik vraag me af of ik mijn vader ooit sorry heb horen zeggen – in elk geval niet tegen mij. (Volgens mij heb ik dat wel eens tegenover hem gedaan, maar bij welke gelegenheid dat was ben ik vergeten.)
Zou dit weer een generatiedingetje zijn, vaders die zich niet verontschuldigen? Ik weet vrijwel zeker, maar ik zou het hem moeten vragen, dat zijn vader, mijn grootvader dus, zich ook nooit tegenover hem heeft verontschuldigd. Zoiets deed je niet. Verontschuldigen ging alleen omhoog in de hiërarchie, nooit omlaag. Het kan zijn dat vaders in die tijd minder aanleiding gaven voor excuses, maar ik denk eerder dat dit een mooi voorbeeld is van de niet zo stilletjes weggesijpelde vaderlijke macht.
Laatst was ik ontroerd en zelfs onder de indruk toen Kletsmajoor zich tegenover mij verontschuldigde (niet naar aanleiding van zijn opmerking dat ik niets met mijn schrijven verdiende, trouwens). En ik verontschuldig me uiteraard ook veelvuldig tegenover hem, ik doe niet anders, voor van alles en nog wat. Voor mijn kinderen zou een vader die zich nooit verontschuldigt ondenkbaar zijn.
Abonneren op:
Posts (Atom)









