De zelfkant van een eiland




Om 02.49 uur is er een regen van dode vogels die op de verwoeste aarde neerploft; alleen de gieren blijven biddend hangen aan de hemel. Plots schieten ook zij pijlsnel omlaag en steken vraatzuchtig hun kale kop in de karkassen van de gezwollen mensen en dieren. Wanneer de koppen weer naar buiten komen zitten er grote brokken ingewanden aan de gebogen snavels, druipend van bloed en vet. Op de ruïnes van de steden en dorpen krioelen de insecten met overladen magen tussen de ontvleesde menselijke en dierlijke lichaamsresten. De mieren verlaten nu hun verstoorde staten en trekken in ontelbare, geordende legers op voor de afstraffing. De oververzadigde gieren en insekten tussen de skeletten en riffen kunnen geen weerstand bieden en worden alle vernietigd. Wanneer deze vergeldingstaak is uitgevoerd, klampt elke mier zich aan een ander en na een rituele dodendans verwonden beide partners elkaar met hun mandibels pols en doen hun moordend gif in elkander overgaan. Niets leeft meer op het vasteland.
Ah, de bevrediging van het apocalyptische schrijven. Bovenstaande las ik aan het eind van 'De morgen loeit weer aan' van Tip Marugg. Als literatuur de lezer in staat stelt naar een andere plek te reizen die zij nog niet kent, zonder van haar krent te hoeven komen, dan is Marugg in zijn missie geslaagd. In nog geen honderdvijftig pagina's neemt hij je mee naar de zelfkant van een Caraïbisch eiland, naar een wereld die niet meer bestaat en tegelijk altijd heeft bestaan. Deze roman bevat vele parels. De jeugdherinneringen aan de naïeve priester-oom in Venezuela, die gevangenissen bezoekt. Of de boer die zijn arm in zijn moeizaam barende koe steekt, daarbinnen het vastzittende pootje van het ongeboren kalf rechtzet, en voor deze daad bedankt wordt met een lik over zijn hand van de moeder. Of de kijvende vrouwen uit het dorp die een geheel eigen methode voor conflict resolution hebben: ze stellen zich op aan weerszijden van de rivier en beginnen elkaar verrot te schelden. Dorpelingen kiezen partij. Als de woorden op zijn, volgt het moddergooien. (Zouden we hier ook moeten doen. Mediator onnodig.) Maar het mooiste beeld dat Marugg schetst is van de ik-figuur, een homo tragicus die zijn laatste nacht op de veranda doorbrengt met vier (elkaar hatende) honden en whisky en bier binnen handbereik. Is De morgen loeit weer aan de Nederlandse, of beter gezegd, de Caraïbische Under the vulcano? Misschien. Hoe dan ook: wie gaat dit meesterwerk verfilmen?

Droomdouche



Douchen is een vorm van goedkope en efficiënte zelf-therapie, wij maken er veelvuldig gebruik van, maar volgens A. kon de douche in de postzegelbadkamer beter. Omdat we een keer in een AirBnB huis hadden gelogeerd met een regendouche, tropische douche, nucleaire douche of noem maar op, werd dit haar nieuwe project. Op een dag bracht de post slordig ingetapete dozen. Daar bleek de droomdouche in te zitten die A. voor weinig op marktplaats had gescoord. Maar: hij paste niet, constateerde de zwarte loodgieter die ze voor de installatie had ingehuurd. De hart op hartmaat van de kraan kwam niet overeen met die van de waterleiding. Een lang verblijf onder het ouderlijk bed viel de droomdouche ten deel. Maanden, misschien een jaar, lag de douche stof te vergaren, totdat hij me dermate tegen de borst of eigenlijk de stofzuiger begon te stuiten, dat ik een poging ondernam om S-koppelingen te bemachtigen. Bent u er nog? Gaan douchen? Vanochtend kwam de door mij tegen volgens A. een bespottelijke prijs ingehuurde witte loodgieter met bijbehorende koppelingen. (Voor de goede orde, de witte loodgieter had een niet-witte compagnon, dus qua inclusie kan mij niets worden verweten. Hem ook niet trouwens.) Wat bleek: de S-koppelingen voldeden niet. Het bleek onmogelijk om de droomdouche te installeren in de postzegelbadkamer. Wat hadden we ook gedacht? Wacht even, zei de loodgieter, wat als ik er een andere kraan opzet die wel past? Die had hij nog wel in de winkel liggen. Klabang! Ieder markplaatsvoordeel was tegen die tijd verpulverd maar de grootste hindernis was genomen. Nu de tamelijk ingewikkelde douchestang voorzien van douchekop die nog het meeste weghad van een portobello-champignon met jeugdpuistjes. 'De originele ophanging ontbreekt,' zei de loodgieter. ARGH! In een vlaag van pragmatisme en ook om voor eens en voor altijd van het droomdouche-debacle af te zijn, spurtte ik naar de dichtstbijzijnde Praxis, kocht daar lukraak montagebeugels en die – hoera! – voldeden, mits versmald middels een stukje rubber uit de rubbermat die in de tuin ligt te verkruimelen. Jawel, we hebben hete regen. Alleen valt de druk tegen. Wie heeft er nog een zes liter combiketel?

Woede




Face your anger
, zegt psychiater en violist Esther van Fenema in een interview tegen Els Quaegebeur in Het Parool. Jammer genoeg geeft ze geen tips, maar misschien staan ze in haar nieuwe boek, Waarom kan ik niet gewoon gelukkig zijn?
Ik las trouwens fuck your anger, maar dat zal wel een frölkiaanse verlezing zijn geweest. Ik moet ook een leesbril. Hoe dan ook, of je je woede nu onder ogen moet komen, of hem (haar?) moet neuken, de vraag is natuurlijk hoe. Ik heb ooit eens ergens gelezen dat schreeuwen en stampen werkt, in die zin dat het een redelijk gezond coping mechanism is. Met andere woorden, als je schreeuwt en stampt wordt je woede vanzelf minder. Je gooit hem/haar er uit, als een ongewenste gast op een feestje. Slaan helpt natuurlijk ook. De persoon op wie je woedend bent slaan, schoppen, krabben, bijten en in het gezicht spugen, dat is een uitstekende, en beproefde manier om je woede te uiten.
Ook dingen kapot maken in je woede-uitbarsting lijkt me therapeutisch verantwoord. Elk huis zou een sloopkamer moeten hebben, een ruimte waar je ongestraft spullen stuk mag maken voor je emotionele gerief.
Hier is een vraag voor Van Fenema: hoe hard mag je de persoon slaan op wie je woedend bent? En mag die iets terug doen? Dit is het grensgebied tussen psychiatrie en ethiek. Ik zou zeggen dat een vrouw die is misbruikt, de dader, indien zij/hij dat wenst, hard, heel hard mag slaan. Lang ook. Mij dunkt dat dit zowel voor de misbruikte als voor de misbruiker op een of andere manier helend werkt, ook al gebeurt het jaren later.
Wat als de dader niet in de buurt is, of niet meer leeft? Mag die woede dan op iemand anders worden afgereageerd? Moeten we in de sloopkamer ook nog een beukpop ophangen?
Ik ben geen psychiater – ook geen ethicus trouwens –, maar je zou een schema kunnen maken van het geweld dat geoorloofd is om de woede van het slachtoffer van een trauma tot zijn recht te kunnen laten komen.
Face your anger, indeed.
Dan zijn er mensen die hun woede op zichzelf richten, bijvoorbeeld door zichzelf te beschadigen. Ik ben benieuwd wat Van Fenema tegen zo iemand zegt. Ga viool spelen?


Uit het leven van een mug

Martin Kratochvil


Het was nacht, mijn favoriete dagdeel, en ik vloog een ruimte binnen die leek op een slaapkamer. Ik zeg leek, omdat het eigenlijk geen aparte kamer was, meer een compartiment van een grotere kamer, maar dit is zifterij. Ik ging hoog op het gordijn zitten en keek eens om me heen. Duisternis, inderdaad, alhoewel die in de zomer gelukkig niet helemaal volledig is; hoe dan ook vertrouw ik op mijn reukorgaan. Ik koerste op de muur af, cirkelde daar rond en vond een nieuwe rustplek op het hoofdkussen, vlak naast de ingedrukte wang van  een moeilijk kijkende man. Dit bed, had ik al in de gaten, was voorzien van drie hoofdkussens; nochtans lagen er, als ik op mijn intuïtie mocht afgaan, twee mensen. Hoe dat zo? Het deed er niet toe. Mijn aandacht werd getrokken door een blote schouder. Zou mijn gezoem mijn bedoelingen verraden? Ik heb met dit risico leren leven. Het maakt het ook spannend. De blote schouder leek me toe te behoren aan een lichte slaper. Die indruk had ik gekregen omdat hij in de korte tijd dat ik in de 'slaapkamer' was, al enige keren had bewogen. Kleine zinloze bewegingen, die op mijn lachspieren werkten, als ik die had (bij mij zit de lach in mijn anus). De benen werden verplaatst, de handen nu eens hier dan weer daar neer gelegd; mutaties waarvan je als buitenstaander denkt: wat wil de mens? Enfin, het was tijd om toe te slaan voordat de schouder van positie zou veranderen. Je had van die lui die, alsof ze van te voren waren gewaarschuwd, of een zesde zintuig hadden voor mijn vrouwelijke aanwezigheid, ineens dekking zochten onder hun lakens, of hevig om zich heen begonnen te slaan. Arme stakkers. Maar nee, deze schouder bleef stug waar hij was, ook toen ik er op neerstreek en de huid inspecteerde. Dik, vet en hier en daar gehavend. Kon ik hier een proefboring maken en alvast wat spuug inspuiten? Ik tastte de boel af met mijn zuigende monddelen. Ik maakte kleine vliegende sprongetjes, maar de klomp vlees bleef stil, ik kon geen voorbereidingen bespeuren voor een klap, die wist ik, waarschijnlijk toch zou missen. Ha! Dat bezorgt me misschien nog wel het meeste bevrediging: het teasen, kietelen, tarten. Dat bloed kan me welbeschouwd gestolen worden.

Oppas



Ze stond voor de deur, zag ik door de smalle ruiten in het hout, en ze had weinig kleren aan. Nu ben ik diep in mijn hart een naturist, een nudist en noem het maar op, en zeker als het heet is, mogen van mij de meeste kleren uit (voor mannen maak ik een uitzondering wat betreft de blote bast; het spijt me, maar dat vind ik geen gezicht, ook niet als het een afgetraind bovenlijf betreft), maar waarmee de oppas aan de deur verscheen tartte mijn libertijnse grondhouding. Ze was erin geslaagd precies datgene aan te trekken, waardoor je aan niets anders kon denken dan aan wat eronder zat.
Ik probeerde dus te focussen op haar gezicht, waarin overigens – een detail dat mijn gemoed weer richting de ontroering doet overhellen –, een slotjesbeugel de aandacht opeist. Die zal ze zelf wel haten (ik heb het niet gevraagd), totdat hij uit mag natuurlijk, dan is ze af.
Ze droeg een piepklein hagelwit topje, een piepklein hagelwit broekje en hagelwitte gympjes, als een soort omlijsting van haar gebruinde hals, buik en benen.
'Vergeleken bij dit meisje is Lolita een muurbloempje,' oordeelde A, die niet alleen als mens en als vrouw maar vooral ook als fotograaf oog heeft voor dit soort dingen.
Toen we vijf uur later terugkwamen, zag ik gympen in de gang staan die mij niet bekend voorkwamen. Jongensgympen.
Vooraf had ze gevraagd of het goed was als er iemand langskwam, ook in verband met corona, en daarop had ik uiteraard bevestigend geantwoord. De weddenschap met A. of het een vriendje was of toch een vriendinnetje die haar zou vergezellen, had ik gewonnen.
'Leuke jongen,' luidde het commentaar van Kletsmajoor de volgende dag over de oppassituatie.  

Wildzwemmen



Ik heb een slok Amstel op. Niet het bier, de rivier. Ook niet vrijwillig trouwens, ik was in gevecht met Kletsmajoor en zijn vriendje. Ik probeerde hun zwemband te enteren, waarop zij de tegenaanval inzetten, die bestond uit een niet aflatende hoeveelheid toegeworpen water.
Het Amsterdamse grachtenwater schijnt het schoonst te zijn van Amsterdam. Dat is heel mooi, en gratis zwemmen doe ik al jaren met plezier. Ik ben zelfs eens moedig in het kanaal voor mijn huis gesprongen, maar toen een dode vis mijn wang kuste, was dat minder dan romantisch. In de grachten van mijn jeugd waarde het botulisme, daar heb ik altijd angst voor gehad.
Waar smaakte de Amstel naar? Niet zo veel anders dan kouwe thee van verse munt, waarover misschien ooit een kat heen heeft gezeken (die grap heb ik gestolen van Jochem Myjer). Veel viezer dan de Amstel was het platje waar we waren neergestreken om het water op een ontspannen manier te kunnen betreden. Eigenlijk wilden we bij roeivereniging Berlage te water gaan, daar klim je immers gemakkelijk weer het vlonder op. (Het probleem van gracht-, kanaal- en rivierzwemmen, daar komt de te water geraakte soms te laat achter, is het weer terug op het droge zien te komen.)
Het platje dat we hadden gevonden bleek een dakloze/dronkelap-platje te zijn, vol scherven, verroeste en verse kroondoppen, halve en hele flessen, en er hing, dat was het minst aangenaam, een zeer penetrante urinelucht. We verhuisden toch maar naar het veldje voor Café Hesp, waar zoals gewoonlijk, pandemie of geen pandemie, hele volksstammen waren samengedromd. Niet zo gek, daar heb je twee trappetjes. Ontroerend toch wel (ik ben dikwijls ontroerd dezer dagen), hoe als een horde eendjes de zwemmers op hun beurt wachtten, watertrappelend (wat anders), om de trap te mogen bestijgen. Het uit een badpak druipende water van je voorgangster waarmee je dan soms wordt besprenkeld.
KM werd bijna geschept door een iets te strak voorbijvarende sloep. Hij had het niet in de gaten. Maar we zwommen, en we zwommen wild, dus het leven was goed.

Race barriers



Geboeid staarde ik gisteravond naar twee basketbalwedstrijden op één court: ieder rondom zijn eigen hoepel. Team A bestond uit hoofdzakelijk schaarsgeklede, gespierde mannen, hoofdzakelijk zwart (lees: vijftig tinten bruin). Team B bestond uit hoofdzakelijk vrouwen, keurig in tenue (dat zou wat zijn), en hoofdzakelijk wit (vijftig tinten roze). Bij Team A blies uit een bluetooth speaker grimmige rap waarin ik af en toe termen als nigga, bitch en ho opving; Team B basketbalde in stilte. Een vertederend detail dat ik bespeurde bij Team B was dat een van de blonde, of blond-achtige speelsters, behalve een haarband ook een echt basketball-shirt droeg met JORDAN erop.
Wat was hier aan de hand? Niets. Of alles. Was het toeval dat Team A en Team B qua huidskleur en sekse en klederdracht verschilden? Waarom speelden ze niet tegen elkaar (qua niveau waren ze duidelijk aan elkaar gewaagd)? Was hier sprake van spontane segregatie? Wat zou Team A hebben gedaan als Team B grimmige hiphop had geblazen uit een bluetooth speaker? Is het denkbaar dat een lid van Team B een basketbal-shirt van een witte basketbal-held had gedragen, zeg Larry Bird? (Larry who?) Wat als ze wel tegen elkaar hadden gespeeld, omdat dat van Rutger Bregman moest, en Team B had Team A verpletterd of andersom, wat had dat dan gedaan voor de race relations? Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen.
Voor wie niets van basketbal afweet (zoals ik): zoals in zoveel sporten was de apartheid in het basketbal totaal. Totdat de race barrier werd gebroken, dat zal wel weer in de jaren zestig zijn geweest, en zo'n beetje alle witte spelers uit de sport werden verdreven.
Nu ik erover nadenk: wij in Kikkerland leven in het Amerika uit de vroege jaren zestig. We've got a long way to go.


Meneer en mevrouw slapen gescheiden



Aardverschuiving in familieland. De 11-jarige breekt uit naar het tuinhuis. Help! De zesjarige moet nu alleen in de kinderkamer slapen.
'Dan ga ik wel bij jou op de kamer liggen in het bed van je broer,' stel ik haar gerust.
'Alleen als je een onderbroek aantrekt,' zegt ze.
A. brengt haar naar bed, terwijl ik hem in het tuinhuis installeer, maar nadat ik weer veel te lang heb voorgelezen, en hem welterusten heb gewenst, staat hij opeens weer voor mijn neus. 'Hoe werkt de geluidsinstallatie?'
Wie op weg wordt gestuurd naar volwassenheid moet zelf de soundtrack mogen bepalen. De Beatles wil hij horen, en dan met name Strawberry Fields Forever. Van die song hebben we namelijk recent het lieve clipje bekeken op YT en trouwens, hij speelt het ook op gitaar. Hij zingt er zelfs bij, mooier wordt het niet.
Ik zet de geluidsinstallatie lekker hard. 'Wel dansen, hè.' Hij maakt wilde bewegingen en kijkt er gemaakt stoer bij. Misschien is elf toch de leukste leeftijd. Hij is zich nog onvoldoende bewust van de wereld, en toch is hij ook niet meer helemaal bleu.
Aan het eind van Strawberry Fields zit een coda, een halve minuut met gekke geluidjes die zogenaamd uit een zelfgemaakt instrument komen. (Een mix van drums en achterstevoren afgespeeld orgel, vermoed ik, en nog wat gitaar, maar dat zou ik moeten uitzoeken.) 'Dat wil ik als ringtone.' Hij knikt heftig.
Goed, en dan nu echt gaan slapen. Alleen, het blijft lang licht, en het tuinhuis heeft nogal wat ramen zonder gordijnen. Ik ben benieuwd of hij daar last van gaat hebben. Nee dus. Meneer heeft voortreffelijk geslapen. Of tot drie uur muziek zitten luisteren, dat zullen we nooit weten, want toen sliepen we zelf.
En mevrouw?
Als ze wakker wordt – er gaat niets boven een kind dat slaapt, maar een kind dat bezig is wakker te worden ontroert nog meer –  steek ik mijn hoofd over de rand van het bed en zeg: 'Goedemorgen zonneschijn. Kom je even gezellig bij me liggen?'
We kletsen. Geen woord over onderbroeken, gelukkig. De soep etc.

 

De tandarts uit Milaan



Hij spreekt het zangerig uit. Soe-uh-sai-duh. Met de klemtoon op sai. Alsof het een Italiaans toetje is. Maar hij heeft het toch echt over zelfmoord, de tandarts uit Milaan. Hij lacht er charmant verlegen bij, dat maakt het minder erg. Hij vertelt dat er onder jongeren meer doden zijn gevallen door zelfdoding dan door corona. Ik kan geen berichten vinden om zijn stelling te schragen, maar ondenkbaar is het niet. Ook al heb je nog zo'n pluk de dag-mentaliteit, als je restaurant elke dag leeg is, als je klanten niet meer bellen, als je tien weken zit opgesloten, ga je aan het plukken zelf twijfelen. De economische crisis van 2008 schijnt ook een opleving (raar woord in dit verband) van de statistiek te zien te hebben gegeven.
Ik zie hem niet voor me, de suïcidale Italiaan. Dan moet het dus wel heel erg zijn. Gegeven de cultuur, het klimaat, de natuur in dat land kun je je natuurlijk nog steeds van het leven beroven omdat het in je hoofd knettert, de situatie uitzichtloos is of de wanhoop te groot wordt, maar er is zoveel troost. Ik kan mij beter voorstellen dat iemand in een middelgrote Nederlandse gemeente de stekker eruit trekt, dan in een middelgrote Italiaanse gemeente, hoewel je natuurlijk ook hele sombere Italiaanse gemeenten hebt, en wie Gomorra heeft gezien, weet dat er in sommige delen van Italië nogal wat verborgen redenen zijn om dood te willen. (Daar staat tegenover dat La Grande Bellezza ondanks alles als een lang argument tegen suïcide kan worden gezien.)
De patiënten van de tandarts uit Milaan betalen sinds februari hun rekeningen niet meer. Daar klaagt hij niet over. Wel over de Italiaanse overheid, die er – jammer om dit cliché te moeten bevestigen – een potje van maakt. Er is allerlei financiële steun beloofd, maar er komt niets. Een aanstaand faillissement kun je een tijdje met montalcino, grappa of limoncello wegspoelen, maar op een gegeven moment voldoet dat niet meer.
Bij de tandarts uit Milaan zitten nog wel mensen in de wachtkamer, maar vooral voor controle. Kleine dingen. De grote werken, daar durven ze niet aan.
Misschien moet ik de tandarts uit Milaan eens in contact brengen met Borende Neef te Rotterdam. Die maakte jaren geleden de blits als tandarts in Italië, compleet met sportwagen, bella ragazza en cocaïne, als ik me niet vergis.

Verontschuldigende vaders



In het restaurant waar we lunchen ter ere van de verjaardag van mijn moeder, de vaderdag van mijn vader en het begin van de zomer, informeert de ober niet alleen naar onze fysieke, maar ook onze psychische gezondheid. 'Gewoon voor de lol hoor,' voegt hij er aan toe. 'Bent u bevoegd op dit terrein,' vraag ik. 'Wat, heeft u problemen?' kaatst hij terug. Om van alles af te zijn, zeg ik: 'Wij zijn nog nooit zo gelukkig geweest. Mogen we bestellen?' 
Mijn vader stoot zijn kop koffie om. 'Verdorie, wat doe je nou!' roept hij uit.  Door het metalen, gerasterde tafelblad stort mijn vaders koffie over mijn benen en schoenen; verrassend genoeg heeft mijn vader zelf katachtig zijn gezondheidsschoenen op tijd teruggetrokken, er is hooguit een spatje koffie zichtbaar op de punt. Ik buig voorover en begin met een servet te poetsen. 'Mijn broekspijp zit ook onder,' vis ik naar excuses, of in elk geval naar iets als 'wat stom van me', maar dat kan ik vergeten.
Ik vraag me af of ik mijn vader ooit sorry heb horen zeggen – in elk geval niet tegen mij. (Volgens mij heb ik dat wel eens tegenover hem gedaan, maar bij welke gelegenheid dat was ben ik vergeten.)
Zou dit weer een generatiedingetje zijn, vaders die zich niet verontschuldigen? Ik weet vrijwel zeker, maar ik zou het hem moeten vragen, dat zijn vader, mijn grootvader dus, zich ook nooit tegenover hem heeft verontschuldigd. Zoiets deed je niet. Verontschuldigen ging alleen omhoog in de hiërarchie, nooit omlaag. Het kan zijn dat vaders in die tijd minder aanleiding gaven voor excuses, maar ik denk eerder dat dit een mooi voorbeeld is van de niet zo stilletjes weggesijpelde vaderlijke macht.
Laatst was ik ontroerd en zelfs onder de indruk toen Kletsmajoor zich tegenover mij verontschuldigde (niet naar aanleiding van zijn opmerking dat ik niets met mijn schrijven verdiende, trouwens). En ik verontschuldig me uiteraard ook veelvuldig tegenover hem, ik doe niet anders, voor van alles en nog wat. Voor mijn kinderen zou een vader die zich nooit verontschuldigt ondenkbaar zijn.