De sokken van de keizer



Hoewel mijn moeder liever anders zou zien, besteed ik weinig aandacht aan mijn uiterlijk. Natuurlijk hijs ik mij bij tijd en wijle in een pak (om dan altijd weer verbaasd te zijn over des menschen receptie, niet alleen die van mijn moeder) of juist in een damesrok (idem), maar voor het overige zie ik kleren als een noodzakelijk kwaad – in het bijzonder de kous en de sok. Dus als het even kan, zeg zo'n acht maanden per jaar, laat ik die achterwege.
Over dit voetnudisme schreef ik drie jaar terug een anti-sok-stukje in Esquire. Chef Arno Kantelberg was het hier absoluut niet mee eens. 'Ik ben anti anti-sok,' verklaarde hij. En: 'Aanstellerig gedrag (...) voor fop-Jorts.'
Wie schetst mijn verbazing, – wel, laat ik het zelf maar doen –, als ik de Esquire opensla en Jesse Klaver, de Groene Kennedy, als Best Geklede Man van 2018, dandyesk liggend tussen de mossen en zwammen gefotografeerd zie?
Sokloos, wel te verstaan.
Ik klim in de pen om de heer Kantelberg, hoofdcommissaris der stijlpolitie, van mijn verbazing kond te doen. Is hij van zijn geloof afgevallen?
Nog niet helemaal, zo blijkt. Nu vindt hij dat het afhangt van de voeten/enkels. Sommige kunnen beter zonder sok dan anderen. Voor de mijne maakt hij bijvoorbeeld een uitzondering. Dat is bijzonder aardig van hem, maar ik voorspel, mede gezien de opwarming van de aarde, en hoe weinig dit ook indruist tegen de belangen der kousenindustrie: de dagen van de sok zijn geteld.
Wie had gedacht dat ik het historische gelijk op modegebied aan mijn zijde zou hebben?

Veerkracht



De informaticus – voorheen bekend als de gymnasiast – laat aan tafel een filmpje zien van een robot die kan lopen, springen en rennen, vallen en weer opstaan, en die, dit was nieuw voor mij, zich niet van de wijs laat brengen als hij een duw of een por krijgt, of een trap in zijn zij. Hij heeft, met andere woorden, zelfherstellend vermogen. Veerkracht.
'Het bedrijf dat deze robot maakt wordt gefinancierd door defensie,' zegt de informaticus. 'Stel je zo'n robot voor met een machinegeweer in de hand.'
'Je bedoelt dat zo'n robot ineens voor de deur staat met een machinegeweer?' vraag ik, ten overvloede, met de onmiddellijke paniek van de oudere.
Ja, dat bedoelt hij. Dat zo'n robot ineens in je slaapkamer staat met een machinegeweer gericht op jou, terwijl jij denkt dat je droomt, maar je droomt niet. Dit blijkt als de eerste kogels niet voor je neus langs vliegen maar zich direct en onmiskenbaar een weg banen door jouw vlees. De robot heeft een scan gemaakt op basis van warmtegebieden, en ziet dwars door jouw aangename donzen dekbedje heen waar hij je moet raken.
Eerst maar eens in het bovenbeen, denkt hij, want dan kan "Viktor Frölke" zich tenminste niet meer verroeren. Ik kan "Viktor Frölke" ook in zijn arm schieten, of zijn oorlel doorboren, wat dan aangaat, maar van die doorboring zal hij dermate schrikken dat hij gaat gillen, en daar heeft zelfs een robot geen zin in. Een kogel door het been doet alleen maar pijn – of zelfs dat nauwelijks, als er een pijnstiller in de kogel zit.
Pop.
Kijk, de vrouw naast "Viktor Frölke" is inmiddels opgestaan en geeft de robot een klap met haar hoofdkussen. Als dat te weinig effect sorteert, met het strijkijzer dat ze in de gauwigheid en in haar oneindige vindingrijkheid, uit de kast heeft gegrist. Ze heeft zelfs zoveel tegenwoordigheid van geest, waar vind je zoiets nog, om de stekker van de strijkijzer in het stopcontact te steken, alvorens aan te vallen, vanaf de zijkant, op de wang van de robot, die nog steeds bezig is met "Viktor Frölke" die nog steeds in bed ligt en zich probeert te verweren met een boek. Jawel, het is een dik boek, en het heeft zelfs een harde kaft (het is een kinderboek) – allemaal gunstige factoren voor wie zich probeert te verweren tegen het machinegeweld van een plotseling binnengedrongen robot, maar het volstaat niet. De robot schiet een gatenplaatje van een robot in de kaft.
De langzaam opwarmende strijkijzer ondertussen zet ook nauwelijks zoden aan de dijk. De vrouw neemt haar toevlucht tot de strijkplank. Ze slaat met de strijkplank op het hoofd van de robot, die daarop even opzij veert, uit zijn evenwicht raakt, om vervolgens weer omhoog te komen.
Mooie technologie.

Blue Friday



Was het gisteren Blue Friday? Het had er alle schijn naar, toen we op het station aankwamen en een groot deel van het treinverkeer ontregeld was door een stuk of zes aanrijdingen met/van een persoon. 'Is het vandaag nationale voor de trein-spring dag?' vroeg ik aan een moeder die net zoals ik, vanaf Schiphol, met een trosje kindjes naar Rotterdam probeerde te geraken. 'Ik geloof het,' antwoordde zij opgeruimd. 'Vandaag vinden meerdere mensen het leven niet meer leuk.'
Aan de negenjarige, die eerder nog hardop had gefantaseerd over de vraag of hij op Station Zuid vanaf het perron het spoor op kon lopen zonder te worden geraakt door een trein, kon ik er niet meer omheen uit te leggen wat een aanrijding met/van een persoon behelst. (De vijfjarige liet ik nog maar even ongemoeid.) Hij was zich wel bewust van de mogelijkheid, zo bleek, hij had ook wel eens een vriendje horen praten over iemand die voor de trein sprong, maar hij had er geen rekening mee gehouden dat dit ook echt gebeurde, op een dag dat hij zelf met de trein ging.
'Akelig,' probeerde ik zijn gevoelens uit te drukken, hoewel die ook zeker, net zoals dit stukje, een element van sensatie bevatten.
De vertraging gaf ruimschoots de tijd te reflecteren op mogelijke manieren om deze run op het spoor aan het eind van de herfstvakantie in andere, minder confronterende banen te leiden, – van hekken rond het spoor, zelfmoordkamers à la vondelingkamers, tot gratis pillen van Drion – maar ik kwam er niet uit. Er is geen oplossing.
Mijn gedachten gingen uit naar de diverse teams van NS die op dit moment her en der in het land moesten zijn belast met de nazorg. Het informeren van de familie, het begeleiden van de machinisten, het bergen van de lichamen. En de treinen weer aan het rijden krijgen, natuurlijk.
Voor onze neus stopte een Intercity Direct. We mochten in de eerste klas gaan zitten. Dat was ook een sensatie. Alsnog moesten we, omdat we in een stiltecoupé zaten, stilte in acht nemen.


Meningsverschil

Kevin Horan


Laat op de avond, nadat mijn moeder is teruggekeerd van de bridge, (waar ze niet gewonnen heeft, voeg ik er te mijner verdediging aan toe; ze is zelfs gedegradeerd, 'maar dat is alleen maar een voordeel'), krijgen wij een meningsverschil.
Dat we een meningsverschil hebben, is interessanter dan het meningsverschil zelf, dat ik hier dus niet zal herkauwen.
'Wat ben je toch eigenwijs,' verzucht mijn moeder.
'Moet jij zeggen.'
We schenken nog eens wat wijn bij, misschien dat de wijn ons milder maakt, maar de wijn maakt niet zozeer milder als wel koppiger.
'Jij moet ook altijd zonodig gelijk hebben.'
'Jij toch ook?'
Gelijk willen hebben lijkt me een sine qua non voor elk serieus meningsverschil. Wie al meteen op zoek gaat naar het compromis, het gouden midden, de zompige polder, zou de toegang moeten worden geweigerd tot de arena.
Ik hoor dat ik mijn stem verhef, en niet alleen omdat ik gehoord wil worden, hetgeen bij octogenarians ook om fysieke redenen nogal eens een punt van zorg kan zijn, maar stemverheffing is geen rhetorica.
'Je hoeft niet zo te schreeuwen,' houdt de Grote Vreugdebrenger, die naast mij zit en de kant van mijn moeder heeft gekozen, mij voor.
Ze heeft gelijk. Schreeuwen is een teken van zwakte.
Ik verlaag mijn volume maar blijf bij mijn standpunt, dat ik met hernieuwde argumenten onderbouw.
Mijn moeder blijft bij het hare; mijn vader voegt zich uiteindelijk ook bij de tegenpartij, na aanvankelijk een neutrale positie te hebben ingenomen; hierdoor ben ik niet alleen definitief in de contramine, maar ook in de minderheid.
Ik weet dat ik gelijk heb, omdat ik over het onderwerp gelezen heb, en de rest van het gezelschap niet (vermoed ik zo), maar dat helpt niets. Men gunt mij mijn gelijk niet; men is uit op mijn ondergang.
Uiteindelijk slaat mijn moeder een verzoenende toon aan. Dit siert haar, daarvoor is ze moeder.
Maar ik heb gelijk, dus volhard ik in mijn standpunt. Inmiddels krijgt mijn gelijk wel een tragische kwaliteit.
Ik ben de winnaar van het debat, althans in mijn ogen, maar in de ogen van mijn toehoorders ben ik een loser.
Verzoening maakt week, troost ik mijzelve, vechten houd je scherp.


Vadertje Kok



Als ik aan Wim Kok denk, zoals nu, denk ik aan dat mopje over premier Wim Kok en president-directeur Wim Dik (van KPN), die samen een bezoek brengen aan de Verenigde Staten. In het Witte Huis mogen ze president Clinton een handje schudden. 'Mister President,' zegt Kok, 'let me introduce to you mister Dik, also from the Netherlands.'
Er verschijnt een krul rond Clintons mond. 'Well, mister Cock and mister Dick – where are your wives?'
Het is een apocrief mopje. Sterker, ik geloof dat ik hem zelf heb verzonnen, maar het kan ook zijn dat iemand anders hem heeft verzonnen of iets dat erop leek, en dat ik het me vervolgens heb toegeëigend.
Als ik naar Kok kijk,  zie ik mijn vader. Niet alleen in de zin van Kok als premier voor alle Nederlanders (zoals Lubbers die nooit geweest was, en volgens mij Den Uyl ook niet, om te zwijgen van Balkenende en Rutte), maar wat ik opvallender vind, is dat hij me ook echt aan mijn vader doet denken, als ik hem terugzie, bijvoorbeeld hier, hoewel hij bijna geen biografische details met mijn vader deelt.
Koks vader was bouwvakker en daarna timmerman en lange tijd werkeloos; mijn vaders vader was dat allemaal niet.
Kok kwam uit een rood nest; mijn vader kwam allerminst uit een rood nest.
Kok was een bestuurder; ik heb mijn vader nog nooit iets zien besturen behalve zijn auto.
De enige overeenkomst is misschien dat Koks ouders, net zoals mijn vaders ouders, in (de buurt van) Rotterdam woonden, maar dat is nauwelijks significant te noemen.
En toch, de manier waarop Kok sprak, zijn woorden en daden, zijn kalmte, redelijkheid en pragmatische levensfilosofie, doen me erg aan mijn vader denken.
Lubbers, met wie mijn vader veel meer biografische details deelt, doet ook wel een beetje aan mijn vader denken, maar toch veel minder dan Kok dat deed.
Raadselachtig.
Misschien lijkt mijn moeder meer op Lubbers.

Nostalgisch verjaardagslied



Het familiebezoek uit Hamburg was jarig, dus ik zocht naar het Duitse equivalent van Lang zal ze leven. Dat bleek, al googlend en youtubend, nog niet zo eenvoudig. "Zum Geburtstag viel Glück", ja dat kende ik, maar dat was de laffe versie van Happy birthday – een lied dat ik nooit meer zou willen horen, maar daar sta ik alleen in, geloof ik.
Oefening in Europeanisme: bij gebrek aan geloofwaardige Euro-liederen, volksliederen repeteren (om te beginnen van de ons omringende buurlanden), met elkaar, op scholen, en in parken en buurthuizen maar ook hierin sta ik vrees ik alleen.
Quizvraag: wat zingt een Fransman voor verjaardagslied? Ik vond deze schattige vlogster, maar ik weet niet of ze de vraag beantwoordt.
Enfin. Op verzoek wilden de Hamburgers het juiste liedje wel voor me zingen (hier alleen in de kinderachtige versie, onder wie een betere vindt, verloot ik een Turkse muts). Mij viel het melancholische van dit lied op. Het is geen blij lied. De tekst verschilt niet zoveel met de Nederlandse versie, maar er klinkt meer melancholie, of misschien beter: nostalgie in door. Wat toch een interessant cultureel accentverschil blootlegt: of je bent blij dat je een jaar ouder bent, of je bent, eh, nou ja, niet in de eerste plaats blij dat je een jaar ouder bent. Je denkt bijvoorbeeld na over wat het jaar je gebracht heeft, of zo. (Dat het altijd nog nostalgischer kan, bewijzen de Russen.)
Maar dit Duitse Geburtstagslied wordt dus naar de achtergrond gedrongen door het vreselijke HB, maar ook bijvoorbeeld door dit alternatief. Jarige Duitsers willen graag feesten, in plaats van bespiegelen. Dat kun je ze moeilijk kwalijk nemen.
Duitsland verandert. Maar niet zo snel als Nederland. Onze Hamburgse gasten waren verbaasd dat ze hier wel mogen uberen (verboden in hun stad), en op zondag shoppen (alle winkels dicht te HB).
Ze waren ook netjes, hoewel niet op een vervelende manier; de beetje stoute nicht die sociologie studeert en haar vriendje, de logistiek manager, die eigenlijk droomt van een carrière als deejay. Tweeëntwintig is ze geworden. Wat een leeftijd.

Hello, I must be going




Op vrijdagmiddag zwerf ik nogal eens door de stad op zoek naar een doelwit voor een zoete inval. (Nou en? zou mijn oude redacteur Bart Kraamer, als dit een manuscript was, in de kantlijn hebben geschreven.)
Ik vermoed dat de zoete inval door "WhatsApp" een zachte dood aan het sterven is. Natuurlijk, de zoete invaller vraagt zich af of hij zich niet opdringt aan de ander, maar dat kan een mens zich in gezelschap altijd afvragen. Ik zette door met het argument dat de meeste mensen liever hebben dat er iets gebeurt, dan dat er niets gebeurt. Het mooie van een zoete inval is bovendien dat de ontvangende partij zonder verdere plichtplegingen kan weigeren of de inval ultrakort houden.
Hello, I must be going, om met Groucho te spreken.
Ik betrad het bedrijvenverzamelgebouw, waar mijn literair agent kantoor houdt. Het minimumvoordeel van het hebben van een literair agent lijkt me, is dat je een spontaan bezoekje bij haar zou kunnen afleggen op een vrijdagmiddag in oktober.
Bij de receptie niet één jong meisje, maar twee jonge meisjes. De een met krullen, de andere met golvend haar. Op het bureau talrijke gerechten in opengewerkt aluminiumfolie.
Het slagveld overziend, als ware ik van de Voedselinspectie, zei ik: 'Jullie zijn heel wat van plan.'
'Late lunch,' mompelde het meisje met de krullen, dat niet zozeer naast als wel achter het golvende meisje zat, en dat, dacht ik, de ander aan het opleiden was in het receptioneren.
Het meisje met het golvende haar droeg een opengewerkt bloesje dat een glimp bood van de tata die ze tussen haar borsten had laten zetten. Ik kon niet zien wat hij voorstelde. Ik denk dat het meisje wel wilde dat anderen zagen dat ze een tata had, maar niet wat die tata voorstelde. Dat was voor ingewijden. Eerst in Rotterdam-Zuid, nu in Amsterdam-Centrum. Een trend?
Ik vroeg of ze naar boven wilden bellen met de mededeling dat Viktor er was. Ik ging en ga er even vanuit dat mijn agent geen andere Viktors in portfolio heeft. (Opschieten! had Bart Kraamer erbij gezet in de kantlijn.)
'Viktor is er,' zei het meisje.
'Ha,' zei mijn agent, 'ik niet.'
Vrolijk zwierf ik verder.




De bloedkraan

Maxime André Taccardi

Hoe het gaat? Nou een hele toestand, hoor, ik heb net mijn kies laten uitsnijden, dat was een gedoe. Uitsnijden ja. Niet trekken: snijden. Mijn tandvlees was alsmaar verder opgetrokken en op een gegeven moment moest die kies eruit... nee, niet ontstoken, maar hij moest er wel uit... Geen lamme kaak meer nu, dank je wel voor de belangstelling, de verdoving is uitgewerkt, maar daarvoor is pijn in de plaats gekomen. Ik slik wel pijnstillers maar die helpen amper... Godsamme zeg... maar gisteren had ik een ander probleem, ik bloedde als een rund, en de tandarts – prima tandarts daar niet van – had nadat hij de wond had dichtgenaaid een soort van tampon in het gat gestoken, om het ergste bloed te stelpen. Goed, zit ik thuis op de bank, een beetje bij te komen, vliegt die totaal met bloed doordrenkte tampon ineens uit mijn mond, waardoor de bloedkraan weer wijd openstaat... Net op dat moment kijken er een stel van die werklui naar binnen, mijn flatje in, ze zijn al weken bezig met de gevel, nou en die zien hoe het bloed uit mijn mond gutst, dat moet een gezicht zijn geweest! Ik schaamde me diep. Ze roepen: mevrouw nou toch! Wat is er aan de hand? Dat ziet er niet zo best uit. Moeten we uw kinderen bellen? Ik zeg nee, aan mijn kinderen heb ik niets in dit geval... 112 dan? Nee, ook niet! Laat maar! Ik probeer met handen en voeten duidelijk te maken, want ik kan natuurlijk nauwelijks praten, dat ze niks kunnen doen, ik kan moeilijk vragen of ze een schone tampon terug willen stoppen in dat gat... Nou, uiteindelijk lieten ze me maar met rust... En nu? Ik kan niks eten, uit angst dat ik die wond openrijt en de bloedkraan weer open gaat. Yoghurt ja, maar je kunt niet de hele dag yoghurt eten, dan komt de yoghurt je echt de neus uit... Soep. Ja. Soep. Maar dan moet ik wel zorgen dat die soep voedzaam is en niet te heet... nou ja, ik geloof dat het ergste nu wel achter de rug is; hoewel, zeker weten doe je het nooit.... maar jongen, hoe gaat het eigenlijk met jou?

Niet moorden tijdens het eten



Ik ben nog niet aan boord van het oude romantische scheepje dat ons naar Vuurtoreneiland moet brengen of de cider, mij zo vriendelijk aangeboden door de alleraardigste ober, gaat tegen de vlakte op het stalen bovendek waar ik met drie dozijn medepassagiers van de ondergaande zon boven de Amsterdamse wateren wil genieten. Het glas patst uiteen in duizend stukjes. De cider zit op mijn zojuist gestoomde pak.
'Dat was mijn pak,' zeg ik, tegen niemand in het bijzonder.
De medepassagiers gapen mij zwijgend aan als in een absurd toneelstuk.
De Grote Vreugdebrenger staat met de schipper te kletsen als ik met plakbroek voorbij kom. 'Ik wil wijn,' voegt ze me toe, in de veronderstelling dat de cider bier was.
Bij de bar vraag ik om stoffer en blik. 'De scherven kunnen het water in,' zegt de ober. Mijn idee.
Als we ons hebben geïnstalleerd, en de boot met opmerkelijke snelheid koerst richting IJ-meer, maken we een praatje met onze buren, twee bolle dametjes van middelbare leeftijd (mijn leeftijd, dus) uit Missouri.
En wij maar denken dat we op een uitje zijn voor Amsterdamse insiders.
Ik kijk naar de worstige, gemanicuurde vingers van de goedlachse Amerikaanse. Haar nagels doen denken aan cocaïne-schepjes. 'We wisten niet dat het een romantische dinercruise was! Alle uitleg was in het Nederlands! Ik heb gewoon maar overal ja op geklikt op de website!' En nog steeds hebben ze geen idee.
'Op het eiland moeten we al onze kleren uittrekken,' zeg ik. 'Het menu bestaat uit gepocheerde schaap vooraf, als hoofdgerecht gefermenteerde schaap en gecarameliseerde schaap als toetje. Houden jullie van schaap?'
Nee, maar ze hebben het erg naar de zin. 'Amsterdam is a city like no other.' Een waarheid als een koe.
Bij het eiland aangekomen is de avond gevallen. Er hangt een esoterische sfeer. Alsof we toetreden tot een geheim genootschap.
'Wie gaat er vermoord worden vanavond?'
'Jij,' antwoordt de Grote Vreugdebrenger.
We krijgen een tafeltje toegewezen in het tot restaurant omgetoverde fort. 'Hier waren in 1870 negentig soldaten gelegerd,' vertelt de ober. 'Ze maakten onderdeel uit van de Stelling van Amsterdam, maar ze hadden niets te doen.' Slim: om vijandige schepen op afstand te houden was het water rondom volgestort met zand; op enkele plaatsen is het nog steeds niet dieper dan twintig centimeter.
Ik zie die vijandige schepen voor me, vastlopend in de verte.
Nu houdt de ondiepte de pleziervaart op afstand, vertelt de ober.
De menukaart is minimalistisch, men heeft moeite gedaan zo min mogelijk informatie prijs te geven over de gerechten, maar dat geeft niet, want ze smaken uitstekend.
Ik stoor me aan de luid-sprekende Brit aan de andere kant van onze eetzaal, die te veel gedronken heeft. De akoestiek van dit fort is matig. Als de glazen deur met een onheilspellende bonk dichtvalt, zeg ik: 'Daar komt de Vuurtoreneilandkiller.' Maar er komt geen killer. Er wordt niemand vermoord, vanavond, dus we zullen het met elkaar moeten doen. Dit lukt wonderwel. Goed voor de liefde.