Herfstiger
Narratief
Andere schepselen
1.
In alle vroegte een colonne luid snaterende ganzen
Of eenden; ik kan ze niet zien, ik hoor ze alleen.
Ze scheren voorbij, over het dak heen. Consternatie.
Waar gaan ze naar toe. Waar hebben ze het over.
2.
Een kraai die op een tak dichtbij gaat zitten.
Ik denk dat ik hem als enige hoor.
Hij krast vier keer, zwijgt, en krast opnieuw vier keer.
In de verte klinkt soortgelijk gekras.
3.
Ik heb twee wespenvallen gekocht,
Maar ik weet niet of ze werken.
Ze hangen aan de boom. Ze werken.
Massamoord in een mum van tijd.
4.
Er komt een muisje de hoek om kijken.
Zal wel een bosmuisje zijn.
Deinst niet terug voor stadsmensen.
Oogjes, oortjes. Ik ben ontroerd.
5.
Op het strand vind ik voor de zoveelste keer
Het bekende platte, witte, schuimachtige bot.
Sepia. Het rugschild van de sierlijke zeekat,
Een onwaarschijnlijk fantastisch beest.
De orthodoxe, de goddeloze en de voyeur
De ingepakte moslima dompelde zich onder in het ondiepe water
Haar hoofddoek stak glanzend boven de kalme golfjes uit
Ze maakte duikjes als een kleine dolfijn
Spelend in de laffe lauwe zee
Dit tafereel was mooi genoeg om in de 21e eeuw
Op een hete julidag in een drukke badplaats
Voor een man van middelbare leeftijd
Van veilige afstand te observeren
Maar toen betrad het topless chickie het strijdtoneel
Ze kwam zo de zee ingelopen vanaf het brandend strand
Tieten fier vooruit kont achteruit heupwiegend uitdagend
Tatoeage onder en tussen tieten goed zichtbaar tonend
Hadden ze elkaar gezien – ik vermoed van niet
Daagden ze elkaar onbewust uit – ja
Zo denk jij dat je vrij bent hoer – hou je bek
Zo denk jij dat je vrij bent slaaf – schaam je
Hadden ze hun ogen op mij gericht
De voyeur die hen niet met rust kon laten
Die twee vrouwen moest contrasteren
In een zwaar of licht aangezet gedicht











