98. Geen verhaal maar wel waar (III)

Meneer en mevrouw Tsjechov



Mijn vader aan de telefoon. Dat het hem toch wel dwars zit, zoals ik hem op deze plek recentelijk heb geportretteerd. Dat hij mijn helpende hand weigert – weigeren is een te groot woord bij nader inzien, hij neemt hem gewoon niet aan. 
Aha, ik raak aan een gevoelig punt.
Weet je, zegt hij, ik heb mijn hele leven aan de andere kant gestaan. Ik was degene die hielp. Ik ben het niet gewend om geholpen te worden.
O, dus dat was het. Het heeft inderdaad niets met de oorlog te maken (of misschien toch een beetje want in de oorlog hielp iedereen zichzelf stel ik me zo voor), maar vooral met het feit dat hij zijn werkzame leven een zorgberoep heeft uitgeoefend. Eerst huisarts, daarna bedrijfsarts aan de TU Eindhoven.
Mooi beroep trouwens, huisarts. Ik zou bijna zeggen een literair beroep. Van alle beroepen vormt niet advocaat, journalist, dominee, natuurkundige of psychiater maar huisarts denkelijk de beste ondergrond voor literaire grootheid. Denk aan Tsjechov, Céline, Vestdijk. Ik heb mijn vader om die reden wel eens geprobeerd aan het schrijven te krijgen, maar dat is op niets uitgelopen; nu probeer ik het, met meer succes, bij mijn moeder.
'Jij bent ook nooit ziek geweest,' zeg ik. 'Ik kan me niet herinneren dat jij ooit ziek was. Een huisarts mag niet ziek zijn.' (Meteen denk ik erachter aan, dat is mijn beroepsdeformatie, mooie titel voor een verhaal of novelle: De zieke huisarts, die gaat op mijn lijstje van te schrijven verhalen.)
'Inderdaad.'
Daarom schrok ik ook zo toen ik hem een aantal jaar geleden voor een zware operatie in het ziekenhuis zag liggen. Ik had nog nooit zoiets gezien: een zwakke vader. Een zwakke vader vreet aan je existentie.
'Vaders mogen niet ziek zijn, ze mogen geen zwakte tonen,' ga ik verder. Traditionele vaders bedoel ik. Moderne vaders wel, die doen niet anders, die gebruiken de zwakte als een ironisch schild.
Het is even stil. Vroeger zou je samen luisteren naar het gezellige gekraak van de telefoonlijn, alsof je samen rond het haardvuur zat. Nu hoor je helemaal niets meer en vraag je je af of de ander er nog is.
Mijn vader is er nog. En hoe.
Mooi dat we een gesprek hebben over gevoelens. Gevoelens zijn lang taboe geweest in mijn familie, en misschien wel in elke huisartsenfamilie. Pijn was weliswaar een gevoel – fysieke pijn –, maar daar moest je tegen kunnen. Daar werd je hard van. Alleen in geval van nood nam je een pil.
Die hardheid heeft denk ik wel weer te maken met de oorlog; gelukkig maar.
'Trouwens erg fijn dat je mijn scootmobiel weer aan de praat kreeg,' zegt hij nog. Hij maakt geen grap. Toch moet ik lachen.
'Dat was mazzel. Hij maakte gewoon weer even contact.'
Net zoals wij.





97. Helga's ondergrondse




Natuurkundeleraar Brandt ging er op uit in travestie om inlichtingen in te winnen voor het verzet. Zijn natuurkunde kwam hem van pas bij de vervaardiging van een geloofwaardige boezem. Vanavond had hij zich in een koningsblauwe jurk gehesen, zichzelf kettingen omgehangen en een bruine pruik en lippenstift opgedaan, maar er wel voor uitkijkend, dat hij niet buiten de lip stiftte, want dat zou verdacht zijn. Slordig gestifte lippen wezen op onervarenheid, slechte vermomming of dronkenschap – signalen die Brandt niet wilde afgeven. Zulke fouten konden levensgevaarlijk zijn.

Hij had ook nog een handtasje omgedaan met een aardappelschilmesje erin, voor de zekerheid.

Helga vond hij dat hij vanavond moest heten. Hoge hakken had Helga niet aangedaan, want daar kon ze niet op lopen, in plaats daarvan balletschoentjes in grote maat. Te voet zou ze naar het broeinest gaan voor SS'ers en Gestapo's om zich daar als meisje van plezier aan te bieden. Een meisje van plezier met extra mogelijkheden, was het idee.

Helga had zich voorgenomen om zo snel mogelijk handtastelijk te worden. Als haar slachtoffer uit was op een verzetje, zou die dat onmiddellijk laten blijken. Ze was ervan overtuigd dat mannen die zich inlieten met een travestiet minder remmingen kenden, dat ze ook loslippig werden, geneigd om wat over hun werk los te laten, tussen de bedrijven door.

Met een droge keel van de spanning doorkruiste ze het park in de richting van het broeinest. Het was al laat, maar het zou nog zeker twee uur open zijn. Het was een koele zomeravond. Daarom had ze een cape omgeslagen. Ze zag er goed uit, in deze gedaante zou het haar geen moeite kosten om binnen te komen. En inderdaad, toen ze aankwam bij de ondergrondse sociëteit werd ze onmiddellijk door de portier verwelkomd alsof ze een vaste klant was.

'Gutenabend,' zei de portier, 'sie sind allein?'

Helga knikte en glimlachte.

'Wunderbar.'

De portier knipoogde en liet haar binnen.

Het was druk en rokerig. Geen muziek. Het geroezemoes was oorverdovend. Als je je oren niet spitste hoorde je niet dat er Duits werd gesproken. De tafels stonden vol met halve liter glazen bier.

'Waarom deed je zo lang over?' vroeg een gedistingeerde oudere man zonder uniform in het Duits, die meteen op haar was komen aflopen, haar cape aannam en die over zijn arm hing. Hij zag er niet uit als een nazi, eerder als een Engelsman. Hij had kort grijs haar, een gouden brilletje en een sardonische glimlach rond de mond. Hij deed Helga denken aan de rector van het gymnasium waar Brandt doceerde.

Terwijl Helga de man recht in zijn ogen aankeek, bracht ze haar ene hand naar zijn kruis, oefende lichte druk uit op wat ze daar voelde, terwijl ze met het topje van de wijsvinger van de andere hand over haar vochtige, gestifte onderlip ging.

Meer was niet nodig.

'Zullen we een stukje wandelen?' zei de Duitser. 'Ik heb het hier wel een beetje gezien.'

Helga hoorde aan zijn ademhaling dat hij opgewonden was.

Helga knikte, langzaam. Dat was cruciaal: ook al werden mannen nog zo ongeduldig, zij moest haar kalmte bewaren. 

Een paar minuten later stonden ze buiten in het park. De portier leek niet verbaasd dat ze nu alweer vertrok, en niet in haar eentje.

Maar Helga was er nog niet, integendeel: ze had een willige nazi, maar nu moest ze hem nog aan het praten krijgen. Ze moest weer gas terugnemen, anders dacht hij nog maar aan een ding.

'Ken je nog een mop, ik heb zin om te lachen,' zei ze. Ze was verbaasd over zichzelf, hoe goed ze dit speelde. Humor was een beproefde manier om de intimiteit vast te houden, maar de lust te laten verdampen.

De Duitser kwam na veel vijven en zessen met een matige grap. Daarna zei hij dat hij pipi moest machen, en verdween in de bosjes. Hij kwam niet meer terug.



96. xXx




Wonen op Mars, overwoog xXx, was allemaal leuk en aardig, maar hij had nog steeds tinnitus. Nog altijd had hij sterk de indruk dat de keuzes die hij maakte bij de proteïne-shakes die hij nam voor ontbijt, lunch en avondeten, volstrekt arbitrair waren. Koffie. Framboos. Kip. Hij was eenzaam, maar hij was dat altijd geweest, hij zou zich zelfs op een andere planeet geen leven kunnen voorstellen dat niet door wat hij noemde die humane grondhouding gekenmerkt werd.

Dat had niets van doen met zijn naam. Iedereen onder de twintig had tegenwoordig zelfgekozen codenamen. Het hele voornaam achternaam gedoe met vergezochte betekenissen waarmee ouders zich van elkaar probeerden te onderscheiden (of juist niet) was al lang geleden afgeschaft. Namen veranderden ook voortdurend, net zoals kamers en straten; ze waren fluïde, dat was een van de weinige leuke dingen zelfs aan het contemporaine leven op de rode planeet.

Naar gangbare Martiaanse maatstaven was xXx beslist niet onknap, maar ook niet onlelijk. Enfin, medium, zoals de meesten, en dat had ook wel iets veiligs. Eigenaardigheden als zijn linkeroorschelp, die tegen zijn kale schedel aangegroeid was, en de rare tic die hij had om steeds voordat hij iets ging zeggen met zijn tongpunt zijn boventanden aan te raken, had hij ongecorrigeerd gelaten.

Overigens sprak hij nog maar nauwelijks. Eigenlijk alleen 'au' als hij zijn teen stootte (zulke dingen gebeurden nog maar niet vaak), en 'oe' als hij klaarkwam (idem).

Nee, zijn eenzaamheid was fundamenteler, die had te maken met het besef dat contact ook en juist in tijden van virtuele relaties, die traditionele relaties thans vrijwel geheel hadden vervangen, een pipe dream bleef.

xXx had het geprobeerd, daar lag het niet aan, met alle mogelijke entiteiten, hij was behoorlijk open minded geweest over de soorten relaties die hij was aangegaan, maar steeds had hij het gevoel gehad dat het ware leven elders was, dat de meeste emoties en gedragingen geveinsd waren, ook die van hemzelf, en dat zijn leven op Mars niet zozeer zinloos was, als wel volstrekt voorspelbaar. Het was steeds moeilijker gebleken in tijden van total information awareness en instant afstand overbrugging enig reliëf aan te brengen in de dag, verrast te worden, iets authentieks te beleven, ergens, met iemand, al was het maar voor even. (Een paar goede seconden konden een dag redden, maar vind ze maar eens.)

Bevrijding zocht hij vooralsnog in werk. xXx gaf leiding aan de ontwikkeling van Kreateur, de eerste kunstenaar-robot, binnenkort zou het eerste prototype worden gelanceerd, maar er waren zorgen. Niet over de technische details, of het algoritme, daar was grondig over nagedacht, de ingenieur-bots werkten uiterst precies, veel preciezer dan een mens, maar xXx werd geplaagd door de angst dat dezelfde ingenieurs hem een streek leverden. Dat ze vlak voor de lancering de boel zouden opblazen, of dat ze hem systematisch hadden misleid over de voortgang.

Misschien was hij paranoïde. Paranoïa was goed, het hield je scherp, maar het was ook erg vermoeiend.

Gezichtsverlies, aantasting van het ego, afwijzing: je zou denken dat op Mars anno 2170, voorbij de pioniersjaren in zekere zin, zulke sociale ongemakkelijkheden vlotjes konden worden gladgestreken met behulp van frontale kwab-therapie, maar niets was minder waar.

xXx betrapte zich erop dat hij zich de laatste tijd steeds minder verheugde op zijn op handen zijnde onsterfelijkheid.

Het alarm dat om hem heen afging, in diverse toonsoorten, maakte hij onklaar.

Nu zou alleen nog een kleine elite op aarde afweten van xXx' status, maar het was altijd weer spannend of ze het nodig vonden om in te grijpen.




95. Het fantastische diner

Cy Twombly: Blooming



Het wij zijn fantastisch huis heeft veel ramen aan de voorkant, hele grote, waardoor voorbijgangers goed kunnen zien hoe fantastisch wij het hebben. Wij zitten aan de eettafel, die fantastisch is uitgelicht, en die reusachtig is, want als wij het fantastisch hebben willen we het met zo veel mogelijk mensen fantastisch hebben; wij geloven in het verspreiden van het fantastische gevoel. Moeten wij zeggen dat wij er fantastisch uitzien? Ja, het kan nooit kwaad dit nog eens extra te benadrukken. Niet alleen zijn wij fijn uitgelicht, daar heeft de interieurarchitect goed over nagedacht en niet alleen daarover trouwens, ook over de zwarte vloer en de bloedrode badkamer, maar we beschikken ook over fantastische features. Neem B., die heeft een fantastische jurk aan, zeg nou zelf, met rozen die wegzwemmen, maar ook H., die een fantastisch pak aan heeft getrokken, hij ziet eruit als de dood, en trouwens, nu we toch bezig zijn, mag het best gezegd worden dat onze J. met zijn fantastische creatie ook fantastisch macaber oogt. Je zou denken: wat vermoeiend, al die fantastische mensen in dat fantastische huis, maar niets is minder fantastisch. Wij hebben fantastische gesprekken. De onderwerpen die J. aandraagt zijn alleen al fantastisch, en H. weet er ook altijd zo'n fantastisch lugubere draai aan te geven. B. staat te koken, ze begint daar al vroeg mee, en ze kookt fantastisch, of had ik dat al gezegd? H. had dan ook fantastische boodschappen gedaan. J. zou het als een belediging beschouwen als we zouden zeggen dat hij de tafel fantastisch had gedekt. Het is geen dekken, het is regisseren. De tafel is een decor, wij zijn figuranten en alles ziet er hoe dan ook fantastisch uit. Net toen we dachten waar blijven W. en K., onze fantastische gasten, de hoofdrolspelers van vanavond, kwamen ze er aan, de timing kon niet anders dan fantastisch worden genoemd. Wat fantastisch dat jullie er zijn, zei B. en ze had gelijk, daarmee gaf ze gehoor aan het algemene gevoelen. W. en K. brachten fantastische bloemen mee, het was een ronduit fantastisch boeket, en fantastische wijn ook nog. H. nam de wijn aan, zei dat hij er fantastische dingen over had gehoord, terwijl J. een vaas ging zoeken. Een fantastische, voor minder deed hij het niet. Het fantastische diner nam een aanvang. J. kwam, toch nog onverwacht, met een fantastisch hakmes uit de keuken en hakte op W.'s schouder in, terwijl H. met een fondueprikker prikte in K.'s wangen, het spoot meteen alle kanten op, wat een fantastisch effect gaf. B. kreeg toen ook de geest, sloeg een fles fantastische wijn kapot en draaide de kapotte kant in het gezicht van W. ; we hoorden de glasscherven schrapen tegen zijn neusbrug. De gasten bloedden fantastisch en terwijl ze bloedden keken wij elkaar aan en we waren het stilzwijgend met elkaar eens: dit is fantastisch. Gelukkig liepen precies op dat moment mensen langs die een blik naar binnen wierpen door de fantastisch grote ramen anders was het allemaal voor niets geweest.

94. Max krijgt een spuitje

Jay Schmetz



De eerste of de derde persoon, dat is de vraag. Ja, of de tweede persoon, maar dat is een uitzondering, een abberatie. Is de derde persoon, of de tweede desnoods, een afspiegeling van de eerste, is het een smoes, een excuus voor de eerste? Is het gebruik van de derde persoon een voortzetting van de eerste persoon met andere middelen? Schrijft een auteur hoe dan ook altijd weer over zichzelf?
Max was een teckel van zestien, of bijna zestien, en hij kreeg een spuitje. Het was mooi geweest, zijn leventje zat erop. Het was een goed leven, geen honger, genoeg aandacht en warmte, regelmatig uitlaten ook, maar hij kon nauwelijks meer op zijn poten staan en was zwaar incontinent. Bovendien was hij dement. Alles bij elkaar opgeteld genoeg reden voor zijn baasje om diens levenseinde kunstmatig te bespoedigen.
Moet je je voorstellen: zestien jaar deel uitmaken van een familie, want dat is toch wat je doet als hond, en dan ineens wordt er, eenzijdig toch wel, besloten dat je beter dood kunt zijn dan levend. Ondraaglijk lijden bij een hond is lastig vast te stellen, om nog maar te zwijgen van voltooid leven. Het perspectief van het baasje is doorslaggevend, en hoe kan het ook anders, hij betaalt de dierenarts. Wie betaalt, bepaalt. Nergens is dat zo duidelijk als bij huisdierbezitters.
Mijn een na laatste ervaring met Max – ah, daar is meneer de auteur weer, de eerste persoon kan het weer niet laten zichzelf op te voeren – was op het strand van Scheveningen. Max zijn baasje en ik voerden een druk gesprek terwijl we driftig voortwandelden. We liepen tegen de wind in, op weg naar de pier, en werden geheel in beslag genomen door uiterst belangwekkende onderwerpen die ik me nu absoluut niet meer kan herinneren.
Wat ik me nog wel goed kan herinneren was dat we Max kwijt waren. Wat wilde het geval, het geval wilde van alles, maar vooral dat Max ver achterop was geraakt, en dat niet alleen, hij volgde het verkeerde baasje. Dat kwam, hij leed aan ouderdomsstaar en was zo goed als blind. Zijn baasje floot, riep: Max! Ik floot en riep: Max! Maar dit alles had nul en generlei effect. Max was namelijk zo goed als doof. We moesten hem gaan halen. Hij was niet geheel verbaasd dat hij achter de verkeerde was aangelopen, dacht: kan gebeuren, ik heb ergere dingen meegemaakt. Wat me ontroerde was hoe het baasje Max optilde, gewoon zo bij zijn buik, van de grond, als een opgerold tapijt, en hem onder zijn arm mee vervoerde op de elektrische scooter mee naar huis.
De laatste ervaring met Max was minder memorabel omdat hij werd vertroebeld door de ervaring met een andere teckel, een jonge teckel, die de geliefde van het baasje van Max zichzelf had toebedeeld (op aanraden van het baasje van Max natuurlijk, zul je net zien, geen dier zo inwisselbaar als een geliefd huisdier, nog voordat je onder de zoden ligt word je geconfronteerd met je vervanger). Een heerlijke, speelse, actieve, knuffelige teckel, deze jonge teckel van de geliefde van Max' baasje. Niet het knorrige, stekelige, warrige oudje; het contrast met Max kon niet groter zijn.
Max sleepte zijn buik over de vloer, liep tegen de tafelpoot op en ja, kon niet meer.
De jonge teckel sprong, likte, gilde van levenslust, het was bijna pijnlijk om te zien hoe overbodig de oude was geworden.
Als alle schrijven een manier is om de vervlogen tijd tegen te houden, vast te pakken, terug te draaien, moeten deze woorden worden opgevat als een eerbetoon aan Max.


93. Vuilnisroman




Mijn naam is A.A. en ik kom uit een vuilcontainer. Geen vuilnisbak, mind you, met zo'n ludieke deksel, maar een vuilcontainer, een ondergrondse stalen bak van twee kubieke meter, te openen aan de bovenzijde met een schuif, waardoor er zich een cilindervormige ruimte openbaart, die zichzelf leegmaakt als de schuif weer wordt dichtgedaan – tenminste zo zou het moeten.
Mooi mechanisme. Zulke containers waren in de jaren tien en twintig van de eenentwintigste eeuw nog vrij algemeen in gebruik, totdat ze plaats moesten maken voor betere, soepelere, schonere systemen van afvalverwerking, waar we nu aan gewend zijn.
Ik zat in een Jumbotas. Zo'n stevige, gele. Het was tot daaraan toe om in de vuilcontainer te worden gedumpt, wist ik veel, maar om een paar meter de diepte in te vallen was minder. Nog minder was het om daarna uw vuilniszakken te incasseren, die landden boven op mij, gelukkig waren ze niet zwaar, anders had ik het niet overleefd, dan was ik in de Jumbo-tas gestikt, bedolven onder huishoudelijk vuil. Etensresten, blik, verpakkingen, you name it; ik hoef u niets uit te leggen.
Iedereen weet alles allang. Ik was in februari 2021 de bekendste baby van Nederland. Een bekende Nederlander, maar ik had er weinig profijt van, ik zat niet in talkshows. Het was geen bekendheid waar ik om had gevraagd. Het was een bekendheid waar niemand om had gevraagd.
Men vraagt mij wel eens of ik de persoon die gewezen heeft op mijn aanwezigheid in de vuilcontainer dankbaar ben.
Een ridicule vraag.
Ik heb enige tijd met de vraag rondgelopen of ik die persoon, en niet alleen die persoon, zou moeten aanklagen.
Waarom heeft die persoon mij niet laten liggen, waarom heeft die het nodig gevonden om de hulpdiensten, de politie te attenderen op mijn persoon? Wat had voor zin? Waarom heeft deze persoon mij, of meer precies: mijn babygehuil, niet genegeerd? Was dat zo moeilijk? Zeker, dan was ik vroeg of laat overleden aan de honger of dorst (die twee waren voor mij op dat moment hetzelfde), maar dan had ik deze geschiedenis, die ik u nu vertel, niet met mij mee hoeven dragen, dan had ik deze geschiedenis met mij mee het graf in genomen.
Het graf waar ik al in lag.
Men heeft nog lang geprobeerd mijn geschiedenis voor mij verborgen te houden. Dat was nobel. Dat getuigt van goede bedoelingen. Maar het heeft niet gewerkt, omdat alles vroeg of laat uit komt.
Bijna alles.
Gelukkig heb ik de literatuur ontdekt. Ik zal de mensen versteld doen staan met mijn levensverhaal. Want ja, hebt u al een roman gelezen die begon met de zin Mijn naam is A.A. en ik kom uit een vuilcontainer? Met het succes van mijn vuilnisroman zal ik de wereld veroveren, dat zal mijn ultieme wraak zijn op alles en iedereen.

92. Geen verhaal maar wel waar (II)




Mijn vader neemt mijn hand niet aan als ik hem wil helpen. Corona zal meespelen, maar hij is gevaccineerd en volgens mij weigerde hij daarvoor ook al. Als eenennegentigjarige die slecht ter been is, lijkt mij dat iedere hand welkom is, maar hij ondersteunt zich liever zelf. Als hij de keus heeft tussen mijn hand en de handgreep van de rollator kiest hij voor de laatste. Als ik hem omhoog wil helpen uit een stoel dan laat hij mijn hand in het luchtledige hangen.
Ik begrijp zijn hang naar autonomie; toch verwacht ik kennelijk af en toe dat zijn afkeer van afhankelijkheid (van zijn jongste zoon nog wel), het aflegt tegen zijn behoefte aan steun. 
Tijdens ons bezoek wees ik een paar keer op deze eigenaardigheid, maar niemand reageerde.
Ik vermoed dat hij de hand van mijn moeder wel aanneemt, hoewel ik hem dat niet heb zien doen.
Ondersteuning nodig hebben is vernederend, maar moet worden afgewogen tegen andere vernederingen. Stel voor dat ik helemaal niet zou aanbieden om hem te helpen, en hij viel, wat dan? Ik stel me zo voor dat ik, als ik zelf aan de beurt ben, me dankbaar zou vastklampen aan de helpende hand van een van mijn zoons, maar misschien denk ik tegen die tijd ook 'zelfredzaamheid of de dood'.
Mijn vader is een ouderwetse vader. Een vader die nog altijd bang is om van zijn voetstuk te vallen. Ik heb nooit op een voetstuk gestaan, wat als nadeel heeft dat er niet naar mij wordt opgekeken, maar als groot voordeel dat ik er ook niet van af kan vallen.
Moderne vaders worden bespot in plaats van gevreesd. Ik krijg trappen tegen mijn achterste van mijn elfjarige, in plaats van eerbied en ontzag.
Ik geloof wel dat ik enige punten bij mijn vader heb verdiend door zijn scootmobiel, dat halverwege de wandeling plotseling dienst weigerde, weer aan de praat te krijgen, maar zeker ben ik daar niet van. Ik heb zo'n vermoeden dat mijn vader mij hoe dan ook niet in een zorgverlenende rol wenst te zien, en zichzelf niet in een zorgnemende.
Hij viel bijna om. Dat gebeurde toen hij een afritje van de stoep de straat op te ruim nam. Ik stond naast hem, klaar om hem op te vangen, maar als hij werkelijk was gekapseisd was ik weer nutteloos geweest, zoals altijd.
Zie je nou wel!
Hier is een verschil tussen fictie en non fictie: de val van mijn vader, met zijn scootmobiel, terwijl ik erbij sta en niets kan doen, of niets doe, is een mooie premisse voor een verhaal, maar in een stukje zoals dit waarin ik het eigenlijk over iets anders wil hebben, namelijk de zorgweigering van mijn vader, vormt de mogelijkheid ervan slechts een zijpad.
Hij vond het niet leuk dat ik een foto maakte van hem in zijn scootmobiel. Een moderne vader zou er met (zelf)spot mee om kunnen gaan. Misschien is dat het grootste verschil tussen mijn vader als vader en mijzelf als vader: ik neem mijn vaderschap niet altijd serieus, probeer er zelfs aan te ontsnappen als het me teveel wordt. Ik ben dan ook nauwelijks kostwinner, laat staan een ouderwetse, degelijke, zoals hij altijd is geweest, en als iets ontzag inboezemt, dan is het inkomen.
Of zou het toch weer met de oorlog te maken hebben?
Het is moeilijk vol te houden dat de oorlog er niets mee te maken heeft.
Ik moet mijn vader eens vragen of zijn vader zijn helpende hand ook niet aannam, toen hij in de negentig was.

91. Het magere meisje achter de balie van de etenszaak




Het magere meisje achter de balie van de etenszaak had een grote mond met volle lippen en ze lachte veel, dus haar magerte zei niets over haar.

Of toch?

Als iemand zo mager is en ze werkt bij een etenszaak, vraag je je af of er iets mis is met het eten maar er was niets mis met het eten, alleen zou zij het deel ervan met vlees nooit eten, omdat ze vegetariër is, zei ze.

Al mijn hele leven, voegde ze eraan toe.

Ik ken niemand die al zijn hele leven vegetariër is. Anne is vegetariër sinds haar achtste.

(Later zei Anne, toen ik haar dit 'verhaal' – sorry – vertelde: dan waren haar ouders ook vegetariër. Dat ik daar zelf niet op was gekomen.) 

Ik ken geen obese vegetariërs. Ik weet niet of er een verband is. Misschien zijn vegetariërs meer gespitst op wat ze eten, kunnen ze zich van nature beter beheersen en verklaart dat waarom ze minder neiging hebben tot obesitas.

Ondertussen keek ik hoe het magere meisje, gekleed in een zomers jurkje, – ik kon haar ribben tellen –, mijn bestellingen klaarmaakte. Bij gebrek aan obers bekijken in restaurants is dit een goede tweede. Toen ze me wat liet proeven kon ik haar vingers bestuderen: geen magere vingers. Integendeel, goed gevulde, sterke vingers. (Nauwelijks nagels. Lijkt me ook onhandig in een etenszaak.)

Ik vertelde, ik was in een praatzieke bui, dat Anne wel vis eet. Niet hele vissen, alleen in de vorm van sushi.

Het magere meisje lachte. Zelf at ze 'natuurlijk' geen vis, hoewel ze goed begreep dat sushi heel lekker kon zijn.

'Ze is dus eigenlijk een pescetariër,' zei ik, ietwat verontschuldigend (als ik al iets ben dan opportunariër).

Het magere meisje, zo bleek, maakte een uitzondering, namelijk voor ei, mits verwerkt (niet herkenbaar). Een begrijpelijke uitzondering, die Anne ook maakt, anders valt er veel af in de patisserie-sfeer en dat zou jammer zijn.

Jezelf dingen ontzeggen is sowieso jammer, maar het getuigt wel van karakter. Het magere meisje had trouwens ook een glutenallergie, wat weer niets met karakter van doen heeft. (Misschien is dat hele karaktergedoe wel onzin.)

Hou je van pannenkoeken, vroeg ik, voordat ik de zaak verliet.

Ja heerlijk! zei ze. Gisteren heb ik er nog twee gegeten. Met glutenvrij deeg en havermelk. O, o, o, wat zijn pannenkoeken lekker!

Inderdaad.

Ik was nog een beetje meer van haar gaan houden.

Vraag: heb ik haar met een white middle aged male gaze beschreven?

90. De liquidatie




Vanaf het moment dat ik C. opnieuw tegenkwam op straat, wist ik dat het moest gebeuren, maar hoe? Waar? Hoe kreeg ik hem op een plek waar dat rustig kon? Het was midden op een doordeweekse dag, het was onmogelijk om hem zomaar dood te schieten zonder dat iemand het zou opmerken. Ik heb nog overwogen om er iemand bij te halen, maar dat zou te lang duren en dan liep ik kans dat C. me opnieuw zou ontglippen.
Bovendien, dit was een privé-wraakneming en het moest een privé-wraakneming blijven.
Ik was C. drie weken geleden gevolgd uit zijn woonhuis met het plan om hem te vermoorden, maar hij kreeg me in de smiezen, vluchtte de markt op waar ik hem uit het oog verloor. Een paar dagen later had ik hem alsnog bijna waar ik hem hebben wilde, maar toen weigerde mijn pistool. Een ongelooflijke afgang.
Dat zou me niet nog eens gebeuren.
C. wandelde samen met zijn vrouw over de stoep alsof er niets aan de hand was. Zijn jaspanden wapperden in de wind.
Het was mild voor de tijd van het jaar, iedereen had zijn winterkleren opgeborgen om weer in dunnere jassen naar buiten te gaan. Ik denk dat dat me geholpen heeft. Het opmerkelijk milde weer stemde overmoedig. C. was overmoedig en ik was overmoedig. Zonder overmoed was het me denk ik niet gelukt.
Ik had nog nooit iemand vermoord en na deze moord zou ik ook nooit meer iemand vermoorden.
Ik zette mijn fiets tegen een boom en liep achter het tweetal aan. Niemand zag me, denk ik.
Vlak voor Huize V., waarvan ik de sleutels had, naderde ik C. van achteren. Ik haalde het pistool uit mijn binnenzak, vergewiste me ervan dat het geladen was, schoof de slede naar achter en zette de dunne, koude loop tegen de bleke nek van C.
'Niet omkijken. We gaan hier zo direct de eerste straat naar links.'
C.'s vrouw slaakte een gilletje.
'Als ik u was' , ik weet ook niet waarom ik u zei tegen de vrouw, 'zou ik maken dat ik wegkwam.' Ze versnelde haar pas, liep een stukje van ons vandaan, daarna was ze verdwenen.
Ik dirigeerde C. naar links de straat in en toen na een pas of tien naar binnen bij Huize V., dat geheel ontruimd was, een bouwval.
'Ga maar daar naast die schouw tegen de muur staan.' Ik was verbaasd over mijn koelbloedigheid. Ik had dit nog nooit gedaan, maar nu ik het deed, voelde het als iets natuurlijks.
'Dit blijft niet zonder gevolgen' mompelde C., die probeerde met zijn overmoed zijn angst de baas te blijven. Het leek wel of hij rekening hield met deze liquidatie, dat hij hem had verwacht, dat hij er in zekere zin naar had verlangd.
'Je hebt mijn vrouw en dochter verraden,' zei ik, met toch nog iets van een trilling in mijn stem.
C. zei niets meer, liet zijn hoofd tegen de muur rusten en sloot zijn ogen.
Ik aarzelde niet. Na het eerste schot, recht in zijn gezicht, ging hij door de knieën, hij zakte langzaam in elkaar. Ik wachtte tot hij helemaal stil op de grond lag. Toen gaf ik hem nog een genadeschot.
Eerst durfde ik hem niet aan te raken, maar toen vond ik in zijn binnenzak zijn identiteitskaart en een portemonnee, die vrijwel leeg was. Ik stopte alles weer terug.
Daarna ben ik naar mijn groep gefietst om te vertellen dat C. dood lag in Huize V.. Er werd nauwelijks gereageerd. Diezelfde nacht hebben R. en ik het lijk in de plomp gegooid.
Na de oorlog ben ik berecht en schuldig bevonden wegens de moord op C., maar ik kreeg geen straf.

89. De vreemde man




Hij stond in de speeltuin het geheel te observeren. Ik had hem niet eerder gezien. Hij was grijs, wat aan de vadsige kant maar niet dik, droeg een lange zwarte jas (net zo een als ik heb) en stond met zijn schoenpunten overdreven naar buiten gekeerd bij een van de banken opgesteld. Waarom ging hij niet zitten? Hij had zijn handen in zijn jaszakken en keek wat voor zich uit en om zich heen. Dat was opmerkelijk, want alle andere aanwezigen keken naar kinderen, die van henzelf of de kinderen met wie hun kinderen speelden. Of ze keken op hun telefoon.
Het is niet verboden om in een speeltuin te zijn zonder kind bij je, herinner ik me nog dat ik dacht; we leven nog altijd in een land waar elk mens zich, binnen een bepaalde bandbreedte, vrijelijk door de publieke ruimte mag bewegen.
Na een poosje was ik hem vergeten. Of eigenlijk: ik was gewend geraakt aan zijn verschijning, ik keek niet meer op van zijn afwijkende houding. De andere ouders dachten hetzelfde.
In een speeltuin in de stad leren ouders elkaar via de kinderen snel kennen, soms zelfs voor een middag maar. Het duurt niet lang voordat ze hun kinderen aan elkaar toevertrouwen. Jij blijft hier toch nog wel even? zeg je dan bijvoorbeeld. Ik ben zo terug.
Ouders hebben een geheim bondgenootschap met andere ouders, een wederzijdse zorgbelofte voor zolang het duurt.
Impliciet is dat de ouder tegen wie je zegt dat je even weg bent (je zegt dit zelden of nooit tegen een niet-ouder), voor die periode de verantwoordelijkheid overneemt over jouw kind, het gezag, de zorg. Drie termen die niet hetzelfde betekenen, maar in de context van een speeltuin op hetzelfde neerkomen. Je troost een kind als het zich bezeert, je helpt een kind als er een probleem is, je spreekt het vermanend toe (tot op zekere hoogte) als het zich misdraagt, je slaat alarm bij een ramp.
Ik keek naar een ouder en zei: ik moet even mijn telefoon halen. Dat was gelogen. De telefoon zat in mijn broekzak. Ik moest naar de wc, maar dat vond ik wat gênant om te zeggen. Kon ik het dan niet ophouden? Waarom nam ik mijn kind niet mee?
Ik ben zo terug, zei ik tegen mijn kind, nadat de plaatsvervangende ouder me goedkeurend had toegeknikt.
Ik nam me voor het kort te houden.
Het was in ieders belang, niet alleen dat van het kind, maar ook het mijne, dat ik het kort hield.
Terwijl ik naar huis liep wierp ik nog een laatste blik op de vreemde man, de enige die geen kind bij zich had, en die ook niet op zijn telefoon keek, of een boek las – want dat had ook nog gekund.
Ik sloeg de hoek om.
Mijn kind bevond zich definitief buiten mijn blikveld.
Ik weet nog goed hoe het voelde toen ik mijn kind voor het eerst een blokje om liet gaan, hem voor het eerst helemaal uit mijn zicht liet verdwijnen, hem op eigen krachten door de buurt liet navigeren. Dat was een waterscheiding, een mijlpaal, voor hem, maar ook voor mij.
Het voelde alsof ik opnieuw de navelstreng doorknipte.
De ouder in de speeltuin aan wie ik de verantwoordelijkheid had overgedragen, de stand in-ouder zogezegd, haar telefoon ging, ze nam op, het was een belangrijk telefoontje. Deze moet ik nemen, dacht ze.
Het was zelfs zo'n belangrijk telefoontje, voor haar althans, dat ze zich, al bellende, enigszins verwijderde van de luidruchtige groep kinderen, zich daarna half omdraaide, en tenslotte helemaal, om zich beter op het gesprek te kunnen concentreren.
De kinderen, haar kinderen, mijn kind, waren in de zandbak en het zag er niet naar uit dat ze daar binnenkort uit zouden komen.
Niemand had mijn kind nu nog in het oog, behalve enkele andere ouders misschien in de periferie van de speeltuin, aan wie ik niet had gevraagd even op mijn kind te passen, en de vreemde man die zonder kinderen in de speeltuin stond.
Kinderen kijken elkaar nauwelijks aan. Alleen als ze samen spelen, soms.
Toen ging het snel. Want de vreemde man, zo hebben we later gereconstrueerd, moet iets tevoorschijn hebben gehaald waartegen mijn kind niet bestand was, hij moet hem een voorstel hebben gedaan dat hij niet kon afslaan.
Snoep kan dit niet geweest zijn, want mijn kind is niet zo'n zoetekauw. Waarschijnlijk was het een gadget. Als er iets is waarvoor mijn kind onmiddellijk voor de bijl gaat is het een gadget.
Dat kan een heel simpel gadget zijn, dat hoeft niet eens een laptop of een iPad te zijn. Iets elektronisch. Iets met een knop erop, die, als je hem indrukt, iets in gang zet.
Misschien was het een drone. Een kleine, die hij in zijn zak had zitten, opgevouwen.
Ik weet dat hij zo'n ding heel graag wil hebben, dat hij dat het allermooiste is wat er bestaat. En wij hebben hem al verteld dat hij hem van ons niet hoeft te verwachten.
Toen ik terugkeerde van mijn zo kort mogelijke bezoek aan de wc, ik denk dat ik alles bij elkaar niet langer ben weggeweest dan vijf minuten, was zowel de vreemde man verdwenen, als mijn kind.
De ouder aan wie ik mijn kind had toevertrouwd was nog steeds aan het bellen. Niet meer met haar rug naar de zandbak, zoals eerst, maar ook niet met haar volle aandacht bij wat er in de zandbak aan de hand was.
De andere ouders, die ook aanwezig waren, hadden niet gezien wat er was gebeurd.
Ze wilden wel geloven dat mijn kind er niet meer was, ze wisten ook dat er een man had gestaan die er nu niet meer stond, een man die ze nog niet eerder gezien hadden inderdaad, maar ze hadden de verdwijning van de een niet gekoppeld aan de verdwijning van de ander.
Ik moest denken aan dat experiment waarbij een man in een paars gorillapak door een kamer loopt maar niemand ziet hem omdat de aandacht expliciet op iets anders is gericht.
Ondertussen was ik mijn kind kwijt.
Iedereen was in rep en roer, de ouder aan wie ik gevraagd had op mijn kind te passen was in totale paniek, voelde zich al meteen heel erg schuldig, maar ik ging er nog steeds van uit dat er niets aan de hand was. Zelfs al was mijn kind meegegaan met de vreemde man, dan nog dacht ik dat ze alleen maar voetbalplaatjes gingen halen, of iets dergelijks, of dat mijn kind de man ging helpen met zijn demente moeder.
Ik heb hem nooit meer teruggezien.