![]() |
| Meneer en mevrouw Tsjechov |
98. Geen verhaal maar wel waar (III)
97. Helga's ondergrondse
Natuurkundeleraar Brandt ging er op uit in travestie om inlichtingen in te winnen voor het verzet. Zijn natuurkunde kwam hem van pas bij de vervaardiging van een geloofwaardige boezem. Vanavond had hij zich in een koningsblauwe jurk gehesen, zichzelf kettingen omgehangen en een bruine pruik en lippenstift opgedaan, maar er wel voor uitkijkend, dat hij niet buiten de lip stiftte, want dat zou verdacht zijn. Slordig gestifte lippen wezen op onervarenheid, slechte vermomming of dronkenschap – signalen die Brandt niet wilde afgeven. Zulke fouten konden levensgevaarlijk zijn.
Hij had ook nog een handtasje omgedaan met een aardappelschilmesje erin, voor de zekerheid.
Helga vond hij dat hij vanavond moest heten. Hoge hakken had Helga niet aangedaan, want daar kon ze niet op lopen, in plaats daarvan balletschoentjes in grote maat. Te voet zou ze naar het broeinest gaan voor SS'ers en Gestapo's om zich daar als meisje van plezier aan te bieden. Een meisje van plezier met extra mogelijkheden, was het idee.
Helga had zich voorgenomen om zo snel mogelijk handtastelijk te worden. Als haar slachtoffer uit was op een verzetje, zou die dat onmiddellijk laten blijken. Ze was ervan overtuigd dat mannen die zich inlieten met een travestiet minder remmingen kenden, dat ze ook loslippig werden, geneigd om wat over hun werk los te laten, tussen de bedrijven door.
Met een droge keel van de spanning doorkruiste ze het park in de richting van het broeinest. Het was al laat, maar het zou nog zeker twee uur open zijn. Het was een koele zomeravond. Daarom had ze een cape omgeslagen. Ze zag er goed uit, in deze gedaante zou het haar geen moeite kosten om binnen te komen. En inderdaad, toen ze aankwam bij de ondergrondse sociëteit werd ze onmiddellijk door de portier verwelkomd alsof ze een vaste klant was.
'Gutenabend,' zei de portier, 'sie sind allein?'
Helga knikte en glimlachte.
'Wunderbar.'
De portier knipoogde en liet haar binnen.
Het was druk en rokerig. Geen muziek. Het geroezemoes was oorverdovend. Als je je oren niet spitste hoorde je niet dat er Duits werd gesproken. De tafels stonden vol met halve liter glazen bier.
'Waarom deed je zo lang over?' vroeg een gedistingeerde oudere man zonder uniform in het Duits, die meteen op haar was komen aflopen, haar cape aannam en die over zijn arm hing. Hij zag er niet uit als een nazi, eerder als een Engelsman. Hij had kort grijs haar, een gouden brilletje en een sardonische glimlach rond de mond. Hij deed Helga denken aan de rector van het gymnasium waar Brandt doceerde.
Terwijl Helga de man recht in zijn ogen aankeek, bracht ze haar ene hand naar zijn kruis, oefende lichte druk uit op wat ze daar voelde, terwijl ze met het topje van de wijsvinger van de andere hand over haar vochtige, gestifte onderlip ging.
Meer was niet nodig.
'Zullen we een stukje wandelen?' zei de Duitser. 'Ik heb het hier wel een beetje gezien.'
Helga hoorde aan zijn ademhaling dat hij opgewonden was.
Helga knikte, langzaam. Dat was cruciaal: ook al werden mannen nog zo ongeduldig, zij moest haar kalmte bewaren.
Een paar minuten later stonden ze buiten in het park. De portier leek niet verbaasd dat ze nu alweer vertrok, en niet in haar eentje.
Maar Helga was er nog niet, integendeel: ze had een willige nazi, maar nu moest ze hem nog aan het praten krijgen. Ze moest weer gas terugnemen, anders dacht hij nog maar aan een ding.
'Ken je nog een mop, ik heb zin om te lachen,' zei ze. Ze was verbaasd over zichzelf, hoe goed ze dit speelde. Humor was een beproefde manier om de intimiteit vast te houden, maar de lust te laten verdampen.
De Duitser kwam na veel vijven en zessen met een matige grap. Daarna zei hij dat hij pipi moest machen, en verdween in de bosjes. Hij kwam niet meer terug.
96. xXx
Wonen op Mars, overwoog xXx, was allemaal leuk en aardig, maar hij had nog steeds tinnitus. Nog altijd had hij sterk de indruk dat de keuzes die hij maakte bij de proteïne-shakes die hij nam voor ontbijt, lunch en avondeten, volstrekt arbitrair waren. Koffie. Framboos. Kip. Hij was eenzaam, maar hij was dat altijd geweest, hij zou zich zelfs op een andere planeet geen leven kunnen voorstellen dat niet door wat hij noemde die humane grondhouding gekenmerkt werd.
Dat had niets van doen met zijn naam. Iedereen onder de twintig had tegenwoordig zelfgekozen codenamen. Het hele voornaam achternaam gedoe met vergezochte betekenissen waarmee ouders zich van elkaar probeerden te onderscheiden (of juist niet) was al lang geleden afgeschaft. Namen veranderden ook voortdurend, net zoals kamers en straten; ze waren fluïde, dat was een van de weinige leuke dingen zelfs aan het contemporaine leven op de rode planeet.
Naar gangbare Martiaanse maatstaven was xXx beslist niet onknap, maar ook niet onlelijk. Enfin, medium, zoals de meesten, en dat had ook wel iets veiligs. Eigenaardigheden als zijn linkeroorschelp, die tegen zijn kale schedel aangegroeid was, en de rare tic die hij had om steeds voordat hij iets ging zeggen met zijn tongpunt zijn boventanden aan te raken, had hij ongecorrigeerd gelaten.
Overigens sprak hij nog maar nauwelijks. Eigenlijk alleen 'au' als hij zijn teen stootte (zulke dingen gebeurden nog maar niet vaak), en 'oe' als hij klaarkwam (idem).
Nee, zijn eenzaamheid was fundamenteler, die had te maken met het besef dat contact ook en juist in tijden van virtuele relaties, die traditionele relaties thans vrijwel geheel hadden vervangen, een pipe dream bleef.
xXx had het geprobeerd, daar lag het niet aan, met alle mogelijke entiteiten, hij was behoorlijk open minded geweest over de soorten relaties die hij was aangegaan, maar steeds had hij het gevoel gehad dat het ware leven elders was, dat de meeste emoties en gedragingen geveinsd waren, ook die van hemzelf, en dat zijn leven op Mars niet zozeer zinloos was, als wel volstrekt voorspelbaar. Het was steeds moeilijker gebleken in tijden van total information awareness en instant afstand overbrugging enig reliëf aan te brengen in de dag, verrast te worden, iets authentieks te beleven, ergens, met iemand, al was het maar voor even. (Een paar goede seconden konden een dag redden, maar vind ze maar eens.)
Bevrijding zocht hij vooralsnog in werk. xXx gaf leiding aan de ontwikkeling van Kreateur, de eerste kunstenaar-robot, binnenkort zou het eerste prototype worden gelanceerd, maar er waren zorgen. Niet over de technische details, of het algoritme, daar was grondig over nagedacht, de ingenieur-bots werkten uiterst precies, veel preciezer dan een mens, maar xXx werd geplaagd door de angst dat dezelfde ingenieurs hem een streek leverden. Dat ze vlak voor de lancering de boel zouden opblazen, of dat ze hem systematisch hadden misleid over de voortgang.
Misschien was hij paranoïde. Paranoïa was goed, het hield je scherp, maar het was ook erg vermoeiend.
Gezichtsverlies, aantasting van het ego, afwijzing: je zou denken dat op Mars anno 2170, voorbij de pioniersjaren in zekere zin, zulke sociale ongemakkelijkheden vlotjes konden worden gladgestreken met behulp van frontale kwab-therapie, maar niets was minder waar.
xXx betrapte zich erop dat hij zich de laatste tijd steeds minder verheugde op zijn op handen zijnde onsterfelijkheid.
Het alarm dat om hem heen afging, in diverse toonsoorten, maakte hij onklaar.
Nu zou alleen nog een kleine elite op aarde afweten van xXx' status, maar het was altijd weer spannend of ze het nodig vonden om in te grijpen.
95. Het fantastische diner
![]() |
| Cy Twombly: Blooming |
94. Max krijgt een spuitje
![]() |
| Jay Schmetz |
93. Vuilnisroman
92. Geen verhaal maar wel waar (II)
91. Het magere meisje achter de balie van de etenszaak
Het magere meisje achter de balie van de etenszaak had een grote mond met volle lippen en ze lachte veel, dus haar magerte zei niets over haar.
Of toch?
Als iemand zo mager is en ze werkt bij een etenszaak, vraag je je af of er iets mis is met het eten maar er was niets mis met het eten, alleen zou zij het deel ervan met vlees nooit eten, omdat ze vegetariër is, zei ze.
Al mijn hele leven, voegde ze eraan toe.
Ik ken niemand die al zijn hele leven vegetariër is. Anne is vegetariër sinds haar achtste.
(Later zei Anne, toen ik haar dit 'verhaal' – sorry – vertelde: dan waren haar ouders ook vegetariër. Dat ik daar zelf niet op was gekomen.)
Ik ken geen obese vegetariërs. Ik weet niet of er een verband is. Misschien zijn vegetariërs meer gespitst op wat ze eten, kunnen ze zich van nature beter beheersen en verklaart dat waarom ze minder neiging hebben tot obesitas.
Ondertussen keek ik hoe het magere meisje, gekleed in een zomers jurkje, – ik kon haar ribben tellen –, mijn bestellingen klaarmaakte. Bij gebrek aan obers bekijken in restaurants is dit een goede tweede. Toen ze me wat liet proeven kon ik haar vingers bestuderen: geen magere vingers. Integendeel, goed gevulde, sterke vingers. (Nauwelijks nagels. Lijkt me ook onhandig in een etenszaak.)
Ik vertelde, ik was in een praatzieke bui, dat Anne wel vis eet. Niet hele vissen, alleen in de vorm van sushi.
Het magere meisje lachte. Zelf at ze 'natuurlijk' geen vis, hoewel ze goed begreep dat sushi heel lekker kon zijn.
'Ze is dus eigenlijk een pescetariër,' zei ik, ietwat verontschuldigend (als ik al iets ben dan opportunariër).
Het magere meisje, zo bleek, maakte een uitzondering, namelijk voor ei, mits verwerkt (niet herkenbaar). Een begrijpelijke uitzondering, die Anne ook maakt, anders valt er veel af in de patisserie-sfeer en dat zou jammer zijn.
Jezelf dingen ontzeggen is sowieso jammer, maar het getuigt wel van karakter. Het magere meisje had trouwens ook een glutenallergie, wat weer niets met karakter van doen heeft. (Misschien is dat hele karaktergedoe wel onzin.)
Hou je van pannenkoeken, vroeg ik, voordat ik de zaak verliet.
Ja heerlijk! zei ze. Gisteren heb ik er nog twee gegeten. Met glutenvrij deeg en havermelk. O, o, o, wat zijn pannenkoeken lekker!
Inderdaad.
Ik was nog een beetje meer van haar gaan houden.
Vraag: heb ik haar met een white middle aged male gaze beschreven?









