Honderd verhalen in honderd dagen: 16. Korte biografie van een klootzak



Jhr. W., topdiplomaat, had het op zich laten wachten tot kunst verheven. Als mensen op hem wachtten, redeneerde hij, gijzelde hij hun tijd en hun bewegingsvrijheid; een idee dat hem bijzonder aansprak. Mensen laten wachten was W.'s manier om ze onzichtbaar op te sluiten.

Omgekeerd was volstrekt onacceptabel. Het idee dat W. op een ander zou moeten wachten, het hele idee van een wachtkamer, van wachttijd, maakte hem ziedend. (Medici en andere dienstverleners ontbood hij per definitie aan huis. Een tandarts heeft hij nooit bezocht, en dat bleek.)

Punctualiteit was W.'s dingetje. Na zijn afspraak te hebben begroet, verontschuldigde hij zich. Hij moest een telefoontje aannemen, een medewerker (altijd jong en intelligent) te woord staan, een bode een document overhandigen.

Een andere geliefde methode was negeren. Dus wanneer de afspraak eindelijk doorging, W. bevond zich met de afspraak in dezelfde ruimte, dan weigerde hij die aan te kijken. Hij keek zijn afspraak niet aan wanneer die sprak, en zeker niet wanneer hij zelf sprak. Wanneer W. sprak, werd de rest van de wereld ruis.

Mr. Stonewall luidde een van zijn bijnamen. Sommigen beweerden dat hij de bijnaam in het leven had geroepen om een andere bijnaam, Dr. Fig (zijn gezicht deed sterk denken aan een gedroogde vijg), naar de achtergrond te dirigeren.

Vaak zorgde W. ervoor dat zijn gehoor uit meer dan een persoon bestond, zodat hij telkens minstens een van hen kon negeren. Liefst allebei. Het negeren moest geraffineerd gebeuren anders haakten de genegeerden af. Subtiel afwijzen en dan op het juiste moment weer slinks binnenhalen, daar kwam het op aan. Een soort vissen.

Jhr. W. groeide op als de middelste van zeven zonen in een adellijke familie die sinds jaar en dag een kolossaal pand bewoonde aan de Lange Voorhout in Den Haag. De kunst van het laten wachten en negeren had hij van zijn vader, een man die zo autoritair was, dat je je afvroeg hoe zijn vrouw, anders dan uit een diepgeworteld masochisme, behoefte had gevoeld om zich zeven keer door hem te laten bevruchten, maar misschien gebeurde dit onder dwang of bedwelming, dat is nooit opgehelderd. Ook werd van tenminste twee zonen (W. en zijn jongere broer) betwist of ze wel van hem waren.

W. studeerde cum laude af in het internationaal recht te Leiden, volgde het diplomatenklasje en stroomde moeiteloos, sommigen zouden zeggen: te moeiteloos, door naar de carrousel van toen nog tweehonderd buitenlandse diplomatieke diensten.

Niet alleen heeft W. zich nooit voortgeplant, hij duldde zelfs nauwelijks moeders ('voortplantende entiteiten') in zijn nabijheid (zijn eigen moeder bezweek aan borstkanker toen W. dertien was). Kinderen beschouwde hij op zijn best als storende entiteiten en op zijn slechtst als misbare monstrositeiten. Misschien haatte hij ze omdat kinderen anarchisten zijn, en anarchisme W. tot razernij dreef. Als W. een baby in zijn handen kreeg gedrukt keek hij hulpeloos om zich heen, alvorens de zuigende en poepende entiteit aan de rechtmatige eigenaar te retourneren. Eén keer heeft hij een kind van een Franse diplomaat in Cotonou de arm gebroken, omdat het niet naar zijn uiteenzetting over een wapenstilstand voor strijdende facties in Ivoorkust wilde luisteren. Een andere keer, in de sloppenwijken van Port au Prince, zou hij een tienjarige wees anaal hebben verkracht, maar daar is nooit een zaak van gekomen. Het kind zweeg en W. had de rechters op zijn hand (drie van zijn broers waren rechter).

In de villa in Bezuidenhout waar W. en zijn vrouw de laatste twintig jaar woonden, sliepen ze in aparte bedden, in aparte kamers, in aparte vleugels. Eten deden ze aan aparte tafels op aparte tijdstippen. Voor de zekerheid aten ze ook andere dingen.

V., W.'s vrouw, was eveneens diplomaat, en stamde af van een vergelijkbare, hoewel niet adellijke, familie. Zij heeft nooit geklaagd over W.'s kinderloze apartheidsbewind.

W. werd geroemd om zijn dossierkennis. Critici meenden dat zijn dossierkennis zo groot was dat hij geen plaats had voor andere kennis, zoals bijvoorbeeld mensenkennis.

Zijn vijfendertig jaar durende diplomatieke arbeid leverde wapenfeiten op die, voorzover hij ze zelf wenste te beschrijven in zijn vijfhonderd pagina's tellende memoires Het uitoefenen van druk (Uitgeverij De zegelring, 2011), zijn te tellen op de vingers van een hand waarvan pink en duim zijn afgezet.

W.'s meest in het oog springende kwetsbaarheid betrof jonge intelligente mensen. Die maakten hem onzeker. Die lieten hem wachten, in plaats van hij hen. Negeren net zo. W. probeerde ze uit zijn leven te bannen, maar slaagde daar matig in. Telkens doken ze weer op, vooral in Genève en New York liepen er enkele rond die hem om hun vinger wonden. Hij noemde deze jonge intelligentsia gekscherend zijn wraak-posse.

'Een land of een groep landen blaas ik met gemak omver,' mocht W. graag opscheppen op feesten en partijen (van anderen), 'maar toon mij een jong, intelligent persoon en ik ben verloren.'

Vermoedelijk was hij de meest chantabele diplomaat in de geschiedenis van Buitenlandse Zaken maar er is nooit iets van naar buiten gekomen.

Op zijn sterfbed, in De Buitenpost, tehuis voor diplomaten in Zeist, ontstak hij in toorn toen zijn vrouw zich luchtigjes liet ontvallen dat Het uitoefenen van druk werd genoemd in de ramsj-rubriek van het Handelsblad – de enige keer, naast de annonce van zijn geboorte en overlijden, dat W. met naam en toenaam in de krant kwam.



Honderd verhalen in honderd dagen: 15. Ludwig Wittgenstein schrijft aan zijn moeder

Wittgenstein's hut in Sjolden


Liebe Poldi,                                                    Østerrike, november, 1913


Er is hier net een flinke lading sneeuw gevallen, bij jullie ook? De Noren uit het dorp zeggen dat het zeven keer moet sneeuwen voordat het blijft liggen; ik ga het bijhouden, kijken wat er overblijft van deze volkswijsheid.

Ik heb slecht nagedacht over verwarming. Ik dacht dat dat in mijn hutje niet zo belangrijk zou zijn, zolang ik maar genoeg kleren had en kruikjes (ik heb drie kruikjes in totaal die ieder acht uur warm blijven), maar er zit een grens aan de hoeveelheid warme truien die je over elkaar heen kunt doen en de oppervlakte van een kruikje is beperkt. Wil je wel geloven dat ik af en toe een kruikje achter in mijn broek steek om mijn kont op te warmen? Een koude kont – dat is, merk ik, wat mij het meeste dwarszit.

Hout hakken en vuur stoken vind ik teveel werk. Bovendien heb ik geen bijl, alleen een zaagje. Wat zou Vati daarvan gevonden hebben, Mutti?

Ik droom hier veel meer en heftiger dan in Cambridge. Wat zou dat te betekenen hebben? Misschien komt het omdat ik zoveel slaap en vrijwel niemand spreek, dat mijn brein alle gelegenheid krijgt om de meest idiote scenario's op te roepen. Vannacht was het weer raak.

Ik was in een ruimte die niet van mij was. Men had mij al meerdere malen te kennen gegeven dat ik weg moest, dat ik geen recht had om mij in deze ruimte op te houden. Het was een soort kantoorruimte, goed verlicht, en vrijwel leeg. Na de zoveelste missive die ik had gekregen dat ik mij diende te verwijderen uit de ruimte, kwamen ze me uitzetten. Ik verschool me als een klein kind onder tafel. Een vrouw op hoge hakken schreed door de ruimte, ik hoorde haar naderen. Ze stopte hier en daar om kasten te inspecteren, in alle hoeken te kijken en achter alle deuren. Toen kwam ze bij mij uit. Ik keek naar haar reusachtige schoenen. Ze moet mijn hand hebben gezien, mijn haar of misschien heeft ze me geroken. Ze sleurde me aan mijn arm uit mijn verstopplek. Met een klein gilletje werd ik wakker.

Wat maak jij daarvan, Mutti? Wat zijn dromen toch vreemd. En vooral angstdromen. Ik kan me voorstellen dat de menselijke geest zich door angstdromen voorbereidt op reëel gevaar. Maar waarom droom ik dan niet van een beer, of een ander gevaarlijk dier? Dat zou toch veel logischer zijn geweest, gegeven mijn huidige omstandigheden?

Schreef ik logisch? Moedertje, ik ben zeer opgewonden, omdat ik geloof dat ik eindelijk begrijp hoe het fundament van het menselijk denken in elkaar steekt. Het is zowel heel eenvoudig, als bijna oneindig complex. Het kan allemaal in één propositie worden weergegeven, maar hoe die propositie luidt, daarmee zal ik u niet vervelen.

Denkt u nog veel aan Papi? Ik, als ik heel eerlijk ben, niet. Ik denk alleen aan hem als ik aan u denk. Maar ik weet niet zeker of u hem mist.

Maakt u zich maar geen zorgen om mij, liebe Mutti, ik kwijn hier niet weg. Integendeel, ik leef op, ik heb zelfs sterk het gevoel dat ik hier in dit desolate oord, helemaal op mezelf aangewezen, werkelijk gelukkig kan zijn. Nu nog een manier vinden om te schrijven zonder dat mijn vingers eraf vriezen.

Voor eeuwig de jouwe,


Ludwig



Honderd verhalen in honderd dagen: 14. De geheime fiets







Pakjesavond. Het is stil op straat. Ergens in een middelgrote stad in Nederland spuugt een jongen, laten we hem Malcolm noemen, op de stoep. Door de open gordijnen van de rijtjeshuizen ziet hij hier en daar groepjes kinderen bij elkaar zitten, omgeven door pakpapier. Sommigen zingen, anderen staren groepsgewijs zwijgend naar een laptop waarop een deepfake haatbaard zijn ding doet. Ergens brandt een vuur.
Malcolm trekt de capuchon van zijn skijack over zijn hoofd. Hij weet dat sommige mensen bang voor hem zijn als hij er zo bij loopt. Lachen. Laat ze bang zijn.
Zal hij bij zijn homeboy langs? Wacht, die zit bij familie ver weg zijn straf uit. Er is nog wel een jonge oom een paar straten verderop maar die kan hij niet meer serieus nemen sinds hij het licht heeft gezien. Malcolm grinnikt. Laat hem bidden.
Het is koud. Windstil. De wolken trekken open om toch nog wat kankersterren te laten zien. Malcolm loopt om een verlaten voetbalstadion heen, dat 's avonds iets dreigends krijgt, zeker sinds er niet meer wordt gespeeld. Geen toegang voor onbevoegden. Fok dat. Malcolm vindt een brokje in zijn jaszak, blaast het stof eraf en steekt het in zijn mond. Hij voelt zich mellow worden. In slow motion, lijkt het, ontwijkt hij een man met een kinderwagen, een vrouw met een mondkapje en een oudere man met een herder.
Nee: zij ontwijken hem.
De witte angst. Ha!
Maar hij moet pissen en hij heeft nog geen zin om naar huis te gaan. Home is where the hatred is. De muren kwamen op hem af en zeiden dat hij minder dan een huismijt was.
Malcolm kijkt om zich heen. De bosjes rondom het sportterrein? Te dun. Misschien achter dat elektriciteitshuisje? ACAB. Heeft mijn homeboy die gesprayd?
Hij kijkt om zich heen en wurmt zich dan door de struiken langs het bakstenen muurtje.
Kanker.
Er staat een fiets en niet op slot.
Een VanMoof, een matzwarte SmartX!
Verlekkerd zucht hij voor zich uit, terwijl hij zijn slome geslacht te voorschijn haalt en watert.
Zouden de kankergoden hem dan toch goed gezind zijn? Hij snuift. Met een hand ziet hij op zijn telefoon dat zo'n ding 850 doet op marktplaats.
Dan: licht. Malcolm baadt in het licht. Verblind, droge keel, het duurt even tot het tot hem doordringt dat hij wordt beschenen door twee politie-agenten die aan weerszij van het elektriciteitshuisje staan opgesteld. Op de hoek van de straat, bij de lantaarnpaal, ziet hij in zijn ooghoek, de wagen.
Waakzaam en dienstbaar.
ACAB.
Zo, zegt de agent links, een oudere man. Lekker bezig, zie ik?
Malcolm frommelt zijn broek dicht en draait zich om naar de agent rechts, in wie hij een vrouw denkt, hoopt, bidt te zien.
Wat heb ik gedaan? Discriminatie godverdomme!
Ja, en mijn zus is professor in de natuurkunde, zegt de agent links, een man met een pafferig gezicht. Hij richt zijn zaklantaarn op de Van Moof. Hoe komen we aan die fiets?
Die is niet van mij!
In de verte aan de overkant van het sportveld rent een man met een volle jutezak in de hand.
Dat is 't 'm nou juist. De agente, rustig, geduldig, richt haar lamp, die op haar voorhoofd zit, als bij een mijnwerker, naar de grond. Met je benen wijd tegen de muur. Ze fouilleert hem. Geen onaangename sensatie.
Jij dacht ik doe mezelf een fiets cadeau.
Jij dacht ik speel voor sinterklaas.
Ik stond hier gewoon te pissen man! Hij haat het dat zijn knieën trillen.
Ik ben je man niet, zegt de agente achter hem, toonloos.
De oudere agent weet te melden dat de fiets een week geleden als gestolen is opgegeven.
Daar kan ik toch niets aan doen. Fok!
Wij kunnen er ook niets aan doen, zegt de agent, en slaat hem in de boeien.







 
 

Honderd verhalen in honderd dagen: 13. Een spontaan uitstapje




'Weet je nog,' zei zij, hem steels aankijkend, nadat ze een tijdje in stilte met een slakkengang arm in arm hadden gewandeld door het park, 'dat we het deden in die perenboomgaard in Vermont, op klaarlichte dag? Toen we door New England reisden in die bloedhete zomer?'

Hij wist precies waar ze het over had.

Ze glunderde. 'Vóór de kinderen. In 1962, als ik me niet vergis.'

Ze stapten verder, pootje voor pootje, heel voorzichtig, omdat ze voor de verandering zonder rollator naar buiten waren gegaan.

Langzaam brak een jongensachtige glimlach door rond zijn zware ogen. 'Een gouden greep was dat om je mee te nemen naar Boston. Maar het was geen perenboomgaard. Het was een appelboomgaard.'

'Nee, een perenboomgaard, dat weet ik zeker, ik heb nog een peer geplukt maar die was keihard, zo hard als een appel. Even zuur ook... Het was een prachtige dag. We reden in zo'n Amerikaanse slee –'

'Een Cadillac,' vulde hij aan, hoofdschuddend. 'Een Cadillac El Dorado. Een belachelijke auto.'

'Zo'n lange inderdaad, met open dak, mijn haar sloeg me de hele tijd in het gezicht. We reden door het glooiende landschap... volgens mij was het in de buurt van Bennington...  en het leek wel of we de enige waren, alsof iedereen weg was. de wereld was van ons.'

Hij kneep haar in haar schouder. 'Niet in Bennington. Het was in Burlington. Ik zag een bord langs de weg Apples For Sale.'

'Het waren peren, dat weet ik zeker.'

'Ik remde af en in een reflex reed ik het terrein van die boer op. Zo door naar achter, alsof we er woonden. Er was niemand.'

'Waren we niet op zoek naar een plekje? Ik dacht dat we het er al de hele dag over hadden gehad.'

'Volgens mij ging het instinctief, spontaan.'

'Je wilt graag geloven dat jij het initiatief nam.'

'Ik zat achter het stuur.' Hij grinnikte. Ze gingen op een bankje zitten. Het was druk in het park. Als er ijs lag op het meertje, zou er worden geschaatst. Het leek wel of iedereen opeens een hond had. Die van hun was alweer jaren dood, niet de enige reden waarom ze nog maar zelden in het park kwamen.

'Jij was bang,' ging ze verder, geeuwend van de kou.

'Om betrapt te worden?'

'Ik moest jou geruststellen, in plaats van jij mij.'

'Ik kan me herinneren dat ik het wel spannend vond ja. Je riskeert toch door een boer met een jachtgeweer –.'

'Of een riek...'

'Politie... het waren preutse tijden...'

Hij knikte naar een vage bekende en wachtte tot deze buiten gehoorsafstand was. 'Hoe lang zouden we daar gelegen hebben?' Hij nam haar hand en stopte die met die van hemzelf in zijn jaszak. Daar stuitten ze op vochtige proppen papieren zakdoekjes.

'Twintig minuten? Misschien korter. Je denkt altijd dat het heel lang duurt, dat het een heel concert wordt, met verschillende delen, in allerlei tempi enzovoorts, maar uiteindelijk is het toch verrassend snel voorbij.'

Hij schraapte zijn keel. 'Dat is nu wel anders. 'Nu zijn we een half dagdeel in touw om iets gedaan te krijgen.'

'We hebben nu ook meer tijd,' zei zij, opgewekt. 'Dus dat is alleen maar winst. Zullen we naar huis gaan? Ik heb de elektrische deken al aangezet.'







Honderd verhalen in honderd dagen: 12. De man die nul (0) boeken in huis had

Bookopolis, Eric Drooker

De man die 0 (nul) boeken in huis had vermaakte zich doorgaans prima, althans dat zei hij. Hij zei ook dat hij een leeg huis erg op prijs stelde, dat troep hem deprimeerde, en dat een boeken toch vaak leidden tot troep, hoe goed je ze ook organiseerde. Als je ze aan het lezen was, lagen ze ergens. Op een tafeltje bij de bank, op een tafeltje bij het bed, op een plankje bij de wc. Boeken waren, hoe je ze ook wendde of keerde, bakstenen. Bakstenen van papier weliswaar, en van verschillende dikte en omvang (sommige leken meer op langwerpige tegels), maar toch: rechthoekige (zelden vierkante) objecten met een rommelig aanzien en bepaald gewicht, dat lager lag dan dat van een baksteen, maar voor het oog maakte dat geen verschil. Het oog van de man die 0 (nul) boeken in huis had zag bakstenen en bakstenen beschouwde hij als troep, hoe goed hij zijn boekenkast/bakstenenkast ook zou organiseren op kleur, titel, auteur, grootte, publicatiedatum, geslacht auteur of het Dochters Van Dijk Criterium voor Literatuur. Dat had allemaal geen enkel effect op zijn heilige overtuiging dat boeken niet thuishoorden in zijn huis.

Nu woonde deze man, laten we hem voor het gemak even Nihil Boeken noemen, opdat de lezer het overzicht behoudt, opdat de lezer weet over wie het gaat, de plot kan volgen en wat dies meer zij, in een oud huis in de Saenredamstraat met boven zich een oude man met veel, heel veel boeken. Laten we die oude bovenbuurman Legio Boeken noemen. De naam Legio Boeken doet eigenlijk geen recht aan de collectie van de man, want die viel eerder te omschrijven als mega, giga enzovoorts, maar mega noch giga is een naam voor een personage, althans niet in dit verhaal.

Overigens zij aangetekend dat we, op dit punt aanbeland, duidelijk kunnen zien dat we ons in een fictief universum bevinden en niet in een factief, omdat de tegenstelling te schematisch is, de namen te absurd (wie heet er Nihil? Hoewel, Elon Musk en zijn vrouw acht ik er toe in staat, en in Namibië is een politicus actief genaamd Adolf Hitler).

Schiet nou eens op, verzucht de lezer, je hebt een belofte in te lossen, met alleen een introductie van de personages, een expositie, zoals dat heet, ben je er nog niet. Was het maar zo makkelijk. Er moet nog meer bij. Drama. Of op zijn minst een handeling. Een motorisch moment, zo je wilt.

Welnu, welk noodlot zullen we aan deze twee mannen, so close and yet so far away, familie misschien wel, laten voltrekken?

De oplettende lezer heeft vanaf alinea 2, zin 1, zien aankomen wat er gebeurt, dus hen kan nu ophouden en iets anders gaan doen (masturberen bijvoorbeeld).

Ik maak het verhaal even 'af' voor de minder oplettende lezers – waartoe ik interessant genoeg ook mezelf reken, aangezien ik nog niet precies weet hoe en waar dit eindigt.

Midden in de herfst, op een doordeweekse dag, om vijf uur 's nachts of daaromtrent, – Legio lag te lezen omdat de kat hem met zijn klagelijke miauw had gewekt en hij niet meer in slaap kon komen; Nihil sliep de slaap der boekenlozen –, begaf de vloer het. De boel stortte in. Ja! Legio's vloer bezweek. Dat moest een keer gebeuren volgens de wetten der narratieve logica, onder het gewicht van al die bakstenen herstel boeken, misschien was het zijn laatste aanschaf geweest, die dag ervoor was bezorgd, en die hij, helemaal in zijn nopjes met zijn aankoop, bovenop de overvolle boekenwand had geplaceerd.

Het einde van het liedje? Allebei de pijp uit.

 

Honderd verhalen in honderd dagen: 11. De glazenwasser


Als een engel uit de hemel verscheen een niet onaantrekkelijke glazenwasser voor mijn raam in Kanaleneiland. Ik was vergeten dat ik een week eerder ja had geantwoord op een email waarin mij een glazenwasser werd aangeboden. Self Clean© zou arriveren met zijn eigen hoogwerker, herinnerde ik mij nu, die wel tot twintig meter kon. 100% zelfbediening, overal werd voor gezorgd.

Ik zat achter mijn bureau en deed alsof ik werkte.

Hij stond in zijn bakje en deed alsof hij werkte, maar bij hem ging het doen alsof hij werkte naadloos over in werken. Het resultaat was onmiddellijk en verbluffend. Wat je met sop, spons en trekker niet zoal kan bereiken! Zeker, ik verdien meer dan een glazenwasser (hoeveel keer meer vraag ik me af) maar de elegante efficiency van het glazenwassen zal voor mij altijd onbereikbaar blijven.

Bij alles wat Self Clean deed, schudde zijn bakje lichtjes. Was het doodeng om in zo'n bakje te werken? Misschien niet.

Plotseling keek hij geërgerd naar beneden, schreeuwde wat, – ik kon het niet verstaan, ik kon ook niet zien naar wie of wat hij schreeuwde. Hij zocht mijn blik. Toen pas, daarvoor had hij hem niet nodig gehad. Ik begreep wel waarom hij me tot dan toe had genegeerd, maar schrok toch van het oogcontact – omdat ik nog in mijn ochtendjas was? Wat wilde deze man? Ik moest denken aan The Unbearable Lightness of Being. Nee toch? Niet met mijn medewerking. Eh, me too?! Misschien verbeeldde ik me maar wat. Nu opstaan en weglopen zou raar zijn dus ik bleef zitten en deed alsof er niets aan de hand was.

Self Clean keek op zijn telefoon, belde, kreeg kennelijk geen gehoor, want hij gebaarde naar mij. 'Doe open,' las ik van zijn lippen. 'Doe dat raam open, alsjeblieft.'

Was zijn water op? Had hij zijn trekker laten vallen?

Ik stond op en opende het raam. Dat gaat niet zo eenvoudig. Het is een kantelraam, het is niet gemaakt voor communicatie met de buitenwereld. Ik geloof niet dat ik het in de drie jaar dat ik hier woon heb gebruikt.

'Mevrouw,' zei hij met een accent, zijn hoofd scheef, alsof ik hem dan beter zou verstaan. 'Sorry dat ik stoor.'

'Hallo meneer de glazenwassser,' zei ik. 'Waar kan ik u mee van dienst zijn?'

Zijn bakje trilde vervaarlijk. Ik vroeg me af hoe het mogelijk was dat hij zo precies voor mijn raam kon manoeuvreren, met zijn afstandbediening, dat het bakje niet het glas raakte en hij toch dichtbij genoeg kwam om te kunnen glazenwassen.

'Een of andere idioot heeft de sleutel uit het contact gehaald daar beneden, en nou kan ik mezelf niet meer besturen.'

'Dus?' flapte ik eruit. Deze vraag klinkt nooit erg intelligent, maar ik wist geen betere. Het antwoord wist ik wel al. Hij wilde door mijn raam naar binnen.

Ik deed het raam verder open.

Hij is precies een uur gebleven.


 




Honderd verhalen in honderd dagen, 10. Het privékamertje

General Idea, Cigarette burn


Vier mannen zitten aan de soep rond een tafeltje in een duistere ruimte, je ziet dat ze het koud hebben, de stoom komt uit hun mondholte en neusgaten, je ziet dat ze zich proberen kleiner te maken, zichzelf dieper proberen te begraven in hun jas. Man 1 hangt recht boven zijn soep en eet heel langzaam, niet alleen om zo lang mogelijk te profiteren van de warmte in de mond, maar ook om de damp die afslaat van de substantie zo lang mogelijk in het gezicht te kunnen voelen. Man 2, recht tegenover man 1, heeft een andere strategie, hij probeert zoveel mogelijk te bewegen, te praten, te gesticuleren, zelfs de spieren in zijn gezicht lijkt man 2 overmatig te gebruiken. Maar tegen wie hij praat en waarover hij het heeft blijft onduidelijk. Daar gaat het hem ook niet om. Het gaat hem om de circulatie zegt hij, de circulatie moet op peil blijven, en daar heeft hij een punt als de circulatie stopt is alles voorbij, maar, zo merkt man 4 (rechts van hem) op, hij verbruikt ook veel energie met al dat theater, en zal dus eerder honger krijgen, en er is alleen maar soep, voor iedereen evenveel bovendien, dat is rechtvaardig, maar misschien toch ook niet, gezien de lichamen van de mannen, en hun metabolismen, die zijn uiteraard verschillend, – of althans, het betreft hier geen eeneiïge vierling, of klonen. Man 3 zegt niets. Hij rookt. Ongelooflijk dat iemand dat nog doet, maar hij doet het, en met verve. Maar niet voor de nicotine, de teer of een van de zeventig andere kankerverwekkende stoffen die in een sigaret schijnen te zitten volgens mensen die niet van roken houden. Nee, man 3 rookt om altijd een vuurtje bij zich te hebben, een mini-straalkacheltje, hij maakte een holletje van zijn handen en steekt de sigaret met het brandende gedeelte naar binnen. Hij verkneukelt zich bij dat kamertje dat hij gemaakt heeft, dat privékamertje waar alleen hij bij kan, en waar het gezellig is, knus, enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen; alles wat het in de ruimte waarin de mannen zich bevinden niet is, dat deze vier mannen rond een tafel zitten in een ruimte is een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde voor gezelligheid, er is nog iets meer nodig, behalve warmte, en een beetje licht, iets ondefinieerbaars, maar dat is er 'dus' niet, meent man 3, en hij niet alleen, ook al kan het hem weinig schelen. 'Wie-oe-wie-oe-wie-oe-wie-oe!' doet man 4 opeens. 'Wie-oe-wie-oe-wie-oe!' 'Wat doe je?' zegt man 2, 'ben je gek geworden?' 'Nee,' zegt man 4, 'bij hem gaat het rookalarm af.' Met zijn koude rode neus – zijn handen wenst hij niet tussen zijn benen vandaan te halen, die zitten daar prima – wijst hij naar man 3. 'Sinds wanneer kun jij niet tegen een beetje rook?' zegt man 3, geërgerd, het ene oog samengeknepen. 'Ik zeg niet dat ik niet tegen rook kan,' zegt man 4, 'dat heb ik nooit gezegd. Ik rook al jaren met jou mee. Daar heb ik nooit bezwaar tegen gemaakt. Als ik straks onder de zoden lig door jouw toedoen, dan nog zal ik je geen haat nadragen.' Man 1 kijkt traag als een reptiel op van zijn soep en grijnst. Hij is als enige nog aan het eten, de rest is allang klaar, maar hij heeft niet veel meer. Hij is nu overduidelijk tijd aan het rekken. Dan houdt man 2, die nog altijd in en voor zichzelf aan het praten was, drukke bewegingen makend die nergens verband mee schenen te houden, ineens stil en zucht diep. 'Dat was weer mooi, mannen.' Allen staan op en verlaten zwijgend de ruimte.

Honderd verhalen in honderd dagen: 9. Twaalf seconden



Net zit ik in de geluidsbibliotheek van mijn computer te grasduinen, de geluidsbibliotheek die jarenlang met al mijn computers is meeverhuisd, of gemigreerd moet je geloof ik zeggen, – ik ben allang weer vergeten waar ik naar op zoek was –, of ik stuit op het wav-bestandje Eric.

Er gaat een siddering door mijn lichaam, zoals wanneer je 's avonds buiten in de kou een plasje doet.

De twaalf laatste seconden van mijn vriend Eric. Nou ja, vriend, voorzover dat woord in New York enige betekenis heeft. Ik ken hem uit mijn stamkroeg in Soho. Maar ik heb in zijn ogen gekeken. Misschien heeft hij mij wel zijn diepste geheim verteld.

Ik wilde het bestandje onmiddellijk openen en tegelijk niet openen, altijd en nooit meer openen, publiceren en deleten. Het gehijg, het gesmak, het geknisper, het paniekerige geschreeuw (van een vrouw op de achtergrond), de suizende wind, de snoeiharde klap aan het eind, vermengd met steeds luider wordende brandweersirenes.

Dan: de herhaalde liefdesverklaring aan zijn dochter, Josey. Zeven indertijd. Ik heb haar wel eens gegoogled. Ze is DJ. Reist de wereld rond. Oogt niet ongelukkig. Maar dat zegt 'dus' allemaal niet zoveel. Haar muziekstijl is niet de mijne. Hoewel, ik heb nu een set van haar op staan uit New Delhi uit 2017 en ik raak bedwelmd door het gestamp en gedreun. Eén grote, grommende machine die alles en iedereen tussen zijn kaken vermaalt, daar doet het me aan denken. Toen net dacht ik dat ik een flard uit Eric hoorde, maar dat moet inbeelding zijn.

Hoe zou het met zijn vrouw zijn, Kathryn? Hoe zou zij het hebben gevonden dat Eric de laatste seconden aan zijn dochter opdroeg? Misschien heeft ze gedacht dat zijn liefde door hun dochter tot de moeder kwam.

Waarom heeft hij het gedaan? Waarom heeft hij zijn boodschap niet opgenomen voor de sprong? Hij kon toch weten, financial wizard als hij was, dat hij na zoveel seconden, – hoeveel waren het er geweest? vier, vijf? – letterlijk buiten adem zou zijn? Dat zijn dictafoon uit zijn hand viel, dat er alleen ruis over zou blijven?

Misschien was er geen tijd meer, kwam hij te laat op het idee.

Hij wilde de dood te slim af zijn, denk ik, zo lang mogelijk bewijs leveren van zijn leven (vandaar ook dat zijn laatste stemgeluid meer wegheeft van zang, dan van een gil, maar misschien wil ik dat erin horen).

Misschien dacht hij dat hij nog inzichten kreeg die de moeite van het delen waard waren. Absurd, maar zo'n ongeneeslijke optimist was hij.

Die inzichten zijn niet bewaard gebleven. De rest dus wel.

Heeft Kathryn hier ook maar enige troost uit geput, uit deze schreeuw uit het graf? Misschien heeft ze er nooit naar durven luisteren.

We waren nooit close, Kathryn en ik. Na mijn terugkeer naar Europa heb ik haar niet meer gesproken. Moet ik haar alsnog een berichtje sturen, om haar te laten weten dat ik aan Eric denk, zoveel jaar na dato? Dat Eric nog leeft, omdat hij leeft in mijn gedachten, ook al gebeurde dit dan serendipitously?





Honderd verhalen in honderd dagen 8. Arthur Schopenhauers klappen

Henry Moore


Over Schopenhauer wordt veel onzin beweerd. Bijvoorbeeld dat hij zijn vrouw zou slaan, zijn zus zou slaan, zijn moeder zou slaan en zijn werkster zou slaan, omdat hij een hekel had aan vrouwen. Niets is echter minder waar. Schopenhauer sloeg vrouwen omdat hij meende dat ze daarom vroegen. 'Iedere vrouw die ik voor me zie,' zei hij, 'beschouw ik als een uitnodiging voor een oorvijg.'

De klappen die Schopenhauer gaf waren altijd dezelfde, en konden dus na verloop van tijd door de vrouwen in zijn leven gemakkelijk worden ontweken. Hij gaf altijd een klap met de vlakke linkerhand – Schopenhauer had zulke worstige vingertjes dat hij nauwelijks een vuist kon maken. Eerst gaf hij een soort backhand op de rechterwang van de vrouw in kwestie, daarna pakte hij door, door met zijn handpalm een goede klets te verkopen op de linkerwang van het slachtoffer. Soms, als hij er aardigheid in kreeg, en de vrouw bleef voor hem staan, herhaalde hij de procedure.

Twee dingen zijn opmerkelijk aan dit gedrag, dat kennelijk Schopenhauers hele volwassen leven voortduurde. Ten eerste, het aantal vrouwen dat terugsloeg. Meer dan de helft van de vrouwen in zijn leven sloeg terug, maar slechts een kwart raakte. Weer een ander kwart bleek uiteindelijk toch niet gediend te zijn van zijn klappen en verdween. Dit was bijvoorbeeld het geval met zijn huishoudster, Frau Jakobi. Deze vrouw had Schopenhauers klappen vijfendertig jaar ondergaan, telkens als zij hem onder ogen kwam bij het uitbetalen van het weekloon. Halverwege het zesendertigste jaar hield ze het voor gezien, zonder iets te zeggen trouwens, dus het was niet vreemd dat Schopenhauer dacht dat ze wegging omdat ze een filosoof had gevonden die beter betaalde.

Mevrouw Schopenhauer had in de loop der jaren een speciale modus gevonden om de klappen te pareren. Zij wist wanneer ze kwamen (namelijk steeds wanneer zij de badkamer uitkwam, 's ochtends, en hij bezig was zich aan te kleden) en ontweek ze behendig, als een bokser in de ring. Dit werd een spel, waarbij beide echtelieden vroeg of laat de slappe lach kregen – zij trouwens nog net iets eerder dan hij. Dat dit aspect van hun huwelijk nooit erg bekend is geworden in de bestaande biografieën over Arthur Schopenhauer, zou ermee te maken kunnen hebben dat er in het Duits geen woord is voor slappe lach.

Die Welt als Wille und Vorstellung, Zweiter Band. Kapittel 8. Zur Theorie des Lächerlichen.



Honderd verhalen in honderd dagen: 7. Endgame



Naakt en uitgestrekt zwevend in het midden van de lege unit componeerde S*//  verder aan Endgame, hen magnum opus. Hen haalde beelden voor hen geestesoog, zoals een kolibrie aan de Californische kust, ruimtestation Harmony dat een eeuw eerder spectaculair uit elkaar spatte door toedoen van de Anti's en twee non binaries en vijf intersekse personen die telesex hadden op drie verschillende planeten, maar de Mentaposer gaf geen geluid, of nou ja, wel geluid maar dat viel, zelfs anno 3189, niet als muziek te interpreteren. Maak daarvan: interessante muziek, muziek die langer dan een paar tijdseenheden bleef boeien. Waar een structuur, een opbouw, een spanningsboog (het woord was wonderwel nog steeds niet uitgestorven) in viel te herkennen.

Ook al was iedereen componist, gebruikte iedereen dezelfde technologie en componeerde iedereen sinds enige eeuwen uitsluitend voor zichzelf, dat betekende nog steeds niet dat alle composities inwisselbaar waren geworden.

In chaos was vooralsnog slechts een select groepje geïnteresseerd, dat bekend stond als De Autisten. Chaos was oneindig gecompliceerd en leek toch steeds verdacht veel op andere chaos. Zonder ordening geen differentiatie, en hoewel het aantal mogelijke ordeningen nog steeds niet was uitgeput (in tegenstelling tot wat eerder door technosofen van de Universiteit van Wega werd aangenomen bleek dit aantal wel degelijk eindig), vond S*// het steeds moeilijker om gebieden, gedachten en gevoelens op te zoeken in de verbeelding die nog niet waren gecoverd.

Telkens als een sequentie van Endgame af was, kreeg S*// te horen middels een irritant bliepje of de sequentie doubleerde met die van een andere componist.

De wens om origineel te zijn viel geheel en al samen met de angst voor overtolligheid.

Misschien toch wat random schoonheid toevoegen, overwoog S*//, op basis van minieme hartslagfluctuaties. Meteen daarop commentarieerde AE, hen alter ego: 'Of op basis van de vorm van huidschilfers. Wat dacht je daarvan , S*//?'

S*// nam het idee over en schakelde AE's commentaarfunctie uit door een keer met de tong te klakken.

Vorige week had hen getracht een dertien uur durende cantate te schrijven, een lofzang eigenlijk, getiteld [>.<]; ook die pakte teleurstellend uit. Er was contrapunt, maar waar was de climax? Er bleef weinig van hangen. Lag het aan de Mentaposer, die hoognodig moest worden geüpdate? Nee, die smoes was te makkelijk. Hen moest beter hen best doen, zo was het. Zo was het altijd geweest en zo zou het altijd zijn.

Maar waarom?

De vraag stellen was de vraag stellen. S*// deed wat hen deed, omdat iets anders doen iets anders doen was en hen kon nog altijd slechts één pad volgen in het ruimte-tijd continuüm (Andromeda werkte aan multi-universale manifestatie, maar de uitrol liet nog enkele decennia op zich wachten). Vrijheid was een ontroerende illusie geweest op Planeet 3 in Q3 en Q4 van Millennium II. Toch bleef, ook in het IIIIe, de waarom-vraag even hardnekkig als kanker. (Het bleek neuro-chirurgisch onmogelijk om de waarom-functie uit te schakelen zonder het bewustzijn aan te tasten.)

S*// manoeuvreerde zich in een zithouding en nam een paarse inspiratie-pil in, plus twee roze anti-vervelingpillen, met een exact afgemeten hoeveelheid water. Hen communiceerde kort met Hash Tag op planeet Gaugoi, maar veel verder dan het uitwisselen van wat algemeenheden (er was een meteorietstorm op komst; op Gaugoi droeg men nog kleren, weliswaar van lotax, maar toch, op die planeet hadden lichamen zich nog niet volledig geadapteerd aan de omgeving), en ging verder met componeren.

Wat wil ik uitdrukken? Ook al zo'n vraag die zich, als een puist op een puberhuid, te pas en te onpas manifesteerde. S*// lachte om de zinloosheid van de vraag, maar verspeelde daarmee 50 humorpunten. Hen dwong hen voorhoofd in een frons en riep een historische voorstelling op die hen weemoedig maakte: een 'baby' die zich 'voedde' aan de 'borst' van een 'moeder'.

Niets kon onmogelijk het antwoord zijn.

Een componist die niets wilde uitdrukken was dood zonder het te weten.