Grapes of wrath

John Steinbeck


Deze keer heette hij Matthew en kwam hij uit Queens, New York, maar het random anti-eenzaamheidstelefoontje kwam nog steeds erg ongelegen. Dat zei ik ook tegen hem. 'Ik vind dat Dialup heel erg leuk, ik praat graag met mensen die ik niet ken van de andere kant van de wereld, in zekere zin komt hier de eigenlijke bedoeling van internet, de Global Village enzovoorts, heel mooi tot uiting, maar ik ben net bezig een trampoline in elkaar te zetten met een vriend van me en mijn vrouw gebaart dat ik moet opleggen. Hoe gaat het met je?'
Het ging helemaal niet zo goed met hem, zei hij met licht stotterende stem. Zijn vrouw en dochter zaten sinds begin maart in quarantaine in Kentucky, waar zij vandaan komt. En hij had een corona-dode in de familie te betreuren. De man van een nicht van hem. 'Een jonge vent, kerngezond. Ineens, patsboem. Dood. En het tragische was dat we niet bij de begrafenis aanwezig konden zijn. Allemaal heel onwerkelijk en treurig.'
Gelukkig had hij zijn baan nog, Matthew, bij een bank. En hij las. Hij had eindelijk tijd om boeken te lezen. Dat trof, want de Dialup subcategorie waar ik me in een vlaag van romantiek voor had opgegeven, heette Books Int'l. Ik besloot ter zake te komen – mijn vrouw keek steeds nijdiger mijn kant op terwijl mijn vriend sussende gebaren maakte dat hij de trampo prima in zijn eentje op kon zetten – en stelde de vraag die bij deze groep hoort: what are you currently reading.
Een uitstekende conversation starter. Wie niets aan het lezen is, hoef ik ook niet te spreken.
'Ik ben bezig in een boek van John Steinbeck gelezen. Heb je wel eens van hem gehoord?'
Van John Steinbeck had ik wel eens gehoord.
'Grapes of wrath,' ging hij verder. 'Een tragische vertelling over ongelijkheid. Kan eigenlijk niet actueler en relevanter. De context is veranderd, maar de issues zijn nog precies hetzelfde.'
Ik moest echt gaan opleggen, want ook al werden hier belangrijke zaken besproken over de telefoon met een persoon wiens bestaan ik tot voor kort niet kon vermoeden, in de wereld van vlees en stenen om mij heen, the meat space, stonden mensen te wachten om zich tot mij te verhouden.
Toch heb ik zin gekregen om die Amerikaanse klassieker te lezen. 

Hoofdpijn



Plotseling heeft iedereen hoofdpijn. Mijn vrouw heeft hoofdpijn, de vriend die komt eten, van wie je het totaal niet verwacht, heeft hoofdpijn en ik heb hoofdpijn. Je zou graag willen dat deze hoofdpijnepidemie toevallig is, dat deze hoofdpijnepidemie helemaal geen epidemie is, maar een voorbijdrijvend statistisch wolkje. Maar het zou ook kunnen, het is zelfs veel waarschijnlijker, dat de hoofdpijn noodzakelijk is, dat we er niet onderuit komen, omdat de hoofdpijn een symptoom is van ons bestaan.
Hebben we covid 19, de hoofdpijnvariant? Zou kunnen, we zijn nooit getest. Maar het lijkt me dat deze hoofdpijn niet voorkomt uit een coronavirus. Deze hoofdpijn heeft te maken met spanning. Het is spanningshoofdpijn. We kunnen niet ontspannen. Telkens als ik denk dat ik ontspannen ben, dan blijken er nog hele spiergroepen in mijn nek en in mijn gezicht strak te staan. We staan allemaal strak. We staan allemaal al maanden strak, als een springveer. Iemand hoeft het palletje maar omlaag te doen, het schuifje omhoog, het haakje eraf te halen of we schieten de ruimte in, de Falcon 9 achterna.
Elon Musk, heeft die ook hoofdpijn? Vast. Als iemand reden heeft om hoofdpijn te hebben, dan is het Elon Musk. Zelfs al ontploffen zijn raketten niet op weg naar ISS, zelfs al blijven zijn astronauten volgens script lachen en beweren dat ze geen hoofdpijn hebben, ook al komen de raketten keurig netjes weer terug op aarde, dan nog heeft Elon Musk diverse redenen om hoofdpijn te hebben. Thuis heeft hij zeven kleine redenen tot hoofdpijn, plus nog een grotere reden tot hoofdpijn (en daarachter nog een). En dan al die projecten. Alleen het idee al geeft mij hoofdpijn, en dan hoef ik ze nog niet eens te verzinnen en te leiden en ervan overtuigd te zijn dat ze een succes worden, zoals hij.
Naar verluidt barst Musk uit zijn vel als hij zijn zin niet krijgt. Is dat een kenmerk van modern leiderschap, of van leiderschap tout court? Misschien is uit je vel barsten het medicijn tegen hoofdpijn.
Voorlopig doe ik het met paracetamol.

Meelijwekkende mannen (2)

Joost Swarte


Meelijwekkende mannen heb je in allerlei soorten en maten, als je er op gaat letten; het is misschien zelfs bijna onmogelijk om mannen niet op de een of andere manier als meelijwekkend te categoriseren, maar hier is er in elk geval een: achter in de vijftig of begin zestig, in bezit van imposante haardos, besmuikt spotlachje om de mond en wat wel wordt genoemd een vlotte tekstverwerker; vanzelfsprekend gezien lange staat van dienst af en toe gevraagd voor het een of het ander. Dan, hier komt het: een beroep hebbende dat niet per se bovenaan de droomlijst van beroepen staat. Goed, dat mag zo wezen, maar toch, dankzij jarenlang in de boeken opgeklommen tot chef. Chef: nog steeds niet iets waar een kind van droomt, maar het komt al in de buurt. Macht! Willen we allemaal wel. Macht over de machtelozen – nog beter. Maar ondertussen kalft het genre verder af. Jan en alleman pleurt zijn of haar smaakoordeel in de berm van de elektronische snelweg. Eén dodelijk sterretje op Bol.com kan meer effect hebben op de verkoop van mijn meesterwerk dan de vertogen van de heren en dames aan de Jacob Bontiusplaats. Velen in het boekenvak zijn gefrustreerd, sommigen wat meer dan anderen, maar de frustratie van de recensent is soms voelbaar door zijn of haar recensie heen. Een jurylidmaatschap hier en daar maakt iets goed, hoewel literaire prijzen, als ze ooit al iets zijn geweest, ook niet meer zijn wat ze geweest zijn, want opgeheven, bijvoorbeeld. Blijft over: flirt met aandachthongerige schrijver. Tit for tat. Een middernachtelijk appje, ondertekend met liefs. FF lunchje doen kon niet meer in coronatijd, maar kan binnenkort weer wel; ik trek alvast mijn meest sexy lunch-pak aan in afwachting van een middernachtelijk appje van Michel Krielaars. Enfin, zo waren de perks, die het leven van een chef nog enigszins draaglijk maakten. Niet eens naar bedje toe of zelfs maar stoutigheid in de toilethokken, nee: dat ie een uurtje in een hoofdstedelijk restaurant met voornoemd schrijvertje gezien mocht worden. Ocherm.

Meelijwekkende mannen

Schultenbrau Zwaar bier blik


Kletsmajoor, 11, is geboeid door de twee mannen die hij heeft gezien, en ik ook wel, moet ik zeggen. Man I stond gisteren om 11 PM aan de deur; Man II zagen we vanochtend bij onze ochtendwandeling op een bankje bij het water. Ze waren alle twee voorbij de vijftig, zestig wellicht. De een leek dader, de ander slachtoffer, maar zoals altijd kon je die rollen makkelijk omdraaien, wat het toekennen van medelijden ingewikkeld maakt. (Sommigen, zoals Nietzsche, zouden, mede om die reden, willen afzien van medelijden tout court, maar dat is gezien de constellatie der menselijke emoties een onmogelijkheid. Alleen machines kennen geen ((mede))lijden; hier wordt aan gewerkt.)
Man I had een vieze, volle baard en keek woest uit zijn ogen. Op luide toon begon hij aan een incoherente smeekbede. Op zich sta ik open voor smeekbedes, maar als ze incoherent worden haak ik af.
'Wat wou die man?' vroeg KM.
'Geld. Maar hij verpestte het voor zichzelf. Als hij zich had toegelegd op één reden, dan had ik hem best geld willen geven, misschien zelfs 20 euro, maar hij gaf teveel, vage redenen op. Hij was zijn sleutels kwijt, de slotenmaker kwam pas om twaalf uur, hij moest naar het ziekenhuis en zijn OV-kaart was leeg.'
'Een slotenmaker kan toch helemaal niet om twaalf uur komen?' merkte hij scherp op.
'Dat bedoel ik.'
Man II tuurde op een bankje met een blikje bier schuldbewust voor zich uit, terwijl een vrouw op hem foeterde. 'Wat is dat nou weer voor kutsmoes! Weet je hoeveel ik voor je gedaan heb? Weet je hoe ik de afgelopen dagen voor je bezig ben geweest? En wat doe jij?' Of woorden van gelijke strekking.
Het werd theater toen de vrouw het bierblikje uit zijn hand pakte en in het water smeet.
KM en ik theoretiseerden over de rolverdeling. We concludeerden dat de vrouw waarschijnlijk de zus van de man was, die probeerde hem op het goede pad te krijgen. Of zijn ex. Of zijn hulpverlener. Eerst voelden we mee met de man. Daarna met de vrouw.

Telefonische buurtborrel



Ik heb me nog niet geïnstalleerd op het matje, ik heb de heiige, Hollandse windmolen-oneindigheid nog niet dankbaar in me opgenomen, of mijn blinde buurman belt. 'Buurman, 'kom je een wijntje drinken bij mij op de stoep?'
'Buurman,' zeg ik, 'heel graag, maar ik ben op het strand.'
Onze lichamelijke verwijdering blijkt geen enkel obstakel voor een buurtborrel. Het enige verschil is dat ik hem niet mijn wijn kan inschenken, en hij mij niet de zijne. En dat we elkaar niet kunnen ruiken. Sinds hij gestopt is met roken, en we afstand bewaren ruik ik hem toch niet meer, dus dat verlies kunnen we ook afvinken.
We nemen de toestand in de wereld door. Mijn blinde buurman is goed op de hoogte, beter dan ik. Je zou hem een nieuwsjunkie kunnen noemen. Anders was hij niet begonnen over de laatste waanzin uit het witte huis (waarom dit nog met hoofdletters schrijven). Trump die beweert dat een of andere kritische talkshowhost een moordenaar is. Overdrachtelijk bedoeld dan toch, hoop ik, omdat zijn kritiek op Trumps beleid leidt tot meer corona-doden of zoiets? Niet eens. In de studio van de talkshowhost schijnt ooit iemand te zijn overleden en nu eist de president van de verenigde staten (idem) een onderzoek, hij roept het volk op om in deze zaak te duiken. Tja.
Als voormalige 'Amerikaan' (lees: iemand die een paar jaar in Amerika heeft gewoond) wordt mij niet zelden nieuws uit dat land voor de voeten geworpen, zo van: wat vind je daarvan, hè? Mijn blinde buurman heeft hier geen last van; zijn eigen zoon woont aan de Westkust. Iedereen bij die zoon in de buurt, heeft hij net van hem gehoord, loopt met MAGA-petten en T-shirts rond.
MAGA?
Ik haal maar weer eens historicus H.L. Wesseling van stal, die zei dat alles in Amerika groter is, dus ook de domheid.
Al met al lekker geborreld.

De stad, de suburb en de dood



Een reprimande was het niet, meer een terechtwijzing. Een aanmerking, toch op zijn minst. Het is moeilijk om een woord te vinden, want ik was het idee ontwend. Na je vijftigste verwacht je geen directieven meer in de persoonlijke sfeer, zelfs niet van je ouders. Die hebben het tegen die tijd wel opgegeven. Maar deze kritiek kwam niet van mijn ouders, of zelfs mijn schoonouders. Hij kwam van mijn Brits-Nederlandse schoonbroer (zijn vrouw, mijn schoonzus dus, was het overigens geheel met hem eens en ik denk dat mijn schoonouders zijn standpunt ook onmiddellijk zouden onderschrijven, maar hij sprak het uit).
Wat deed ik verkeerd?
Ik woonde in de stad. In een poppenhuis. Een huurhuis. Ik bouwde niets op. Straks was ik tachtig en liet ik een verramsjt oeuvre na. En dan? Dit kon ik mijn kinderen niet aandoen. Dus waarom verhuisde ik niet naar een premie A woning in een suburb, bijvoorbeeld zo een waar hij al ruim tien jaar, als in een Truman Show, woonde?
Losjes somde ik enkele voordelen van de stad op, maar die kon de Brits-Nederlandse schoonbroer niet overtuigen.
De Brits Nederlandse schoonbroer, die, moet ik erbij vermelden (en misschien was dit te verklaren uit zijn taalachterstand), nogal eens de tijd neemt om zijn punt te maken, ging er nog eens goed voor zitten.
Ik liet me niet vermurwen. Ik woonde in de stad uit overtuiging. De stad of de dood, zo dacht ik erover.
Mijn vrouw gelukkig ook. Ze is de enige in haar familie die niet voor de suburb heeft gekozen.
Later las ik ergens dat de stad wellicht zijn beste tijd gehad heeft. Epidemiologisch gezien, virologisch en bacterieel ook, is het niet zo'n goed idee om op een kluitje te wonen. Misschien gaat mijn schoonbroer gelijk krijgen om redenen die hij niet bevroedde.

Op zoek naar de uitgang van het kerkhof



Ik zou het bijna vergeten, maar ik had mijn vadertje naar het kerkhof gebracht. Per ongeluk, wil ik eraan toevoegen, alsof toeval bestaat in menselijke verhoudingen (je zou willen van wel, maar ik betwijfel het). Ik stelde voor met hem te gaan wandelen in de rolstoel en op mijn telefoon had ik gezien dat er een stukje groen was niet ver van Résidence Hemelpoort vandaan. (Waarschijnlijk had ik, toen ik het opzocht, heus de woorden RK Begraafplaats zien staan; die informatie bevond zich in mijn onderbewuste of zoiets.) De begraafplaats, midden in de stad, was open, maar werd kennelijk niet vaak gebruikt voor wandelingen, want de paden waren dikbemost, overwoekerd door boomwortels of onvindbaar. Mijn vader liet zich zonder protest tussen de graven door manoeuvreren. 'Zie jij jezelf hier liggen?' vroeg ik, toch maar, hoewel ik het antwoord wel kon raden. 'Nee. Wij willen worden gecremeerd.' Ook dat wist ik, maar nu wist ik het zeker. Was dit mijn doel geweest? Wilde ik hem bang maken? Het was een onschuldig uitje, hoewel die misschien niet bestaan; zeker niet in deze tijden.
We passeerden een grote grafsteen met daarop twee namen. Vader en zoon. De zoon, Daniël heette hij, was op dezelfde dag als ik geboren, een jaar eerder. Zijn vader bleek hem ruimschoots te hebben overleefd.
Omdat het onbevredigend is om dezelfde weg terug te moeten wandelen, zochten mijn vader en ik naarstig naar een uitgang, een andere kant, waar we het kerkhof konden verlaten. Die vonden we gelukkig, maar niet dan nadat we op een achter bomen verscholen plaatsje uitkwamen met kiezelsteentjes en een groot Christusbeeld.
'Wil je nog een schietgebedje doen?'
'Nee,' zei mijn vader. 'Ik heb mijn pistool niet bij me.'


Dagboek van een gemondkapte



Het eerste wat opvalt als je met een mondkapje in de trein gaat zitten, zoals ik gisteren, is dat je wordt uitgelachen. In mijn geval, het kon erger, door een meisje met een koptelefoon op dat schuin tegenover me zat. Ze begon, nadat ze me gemonsterd had, vrij luid te lachen tegen haar telefoonscherm. Volgens mij heeft ze foto's en films van me gemaakt en die naar al haar vrienden gestuurd. 'Word ik uitgelachen?,' wilde ik vragen (omdat je het nooit zeker weet en het is de onzekerheid die knaagt), maar daarop zou ze denkelijk niet eerlijk antwoorden, dus vroeg ik: 'Waar luister je naar?' Eerst merkte ze niet op dat ik iets aan haar vroeg omdat ze niets hoorde; zij hield haar oren verborgen en ik mijn lippen. Toen ik mijn vraag herhaalde, met mijn smoelwerk als een schooiende hond haar richting op, antwoordde ze: 'Ja, heel toevallig, Walking in the sun.'
Op Station Eindhoven werd ik benaderd door een medegemondkapte. Voordat hij mij vroeg naar het 18 Septemberplein, schoof hij zijn kapje omlaag. Zo wordt het nooit iets.
Op de markt in Eindhoven toch dichtbij ground zero in de corona-crisis, was ik een van de weinigen die 'bescherming' van de luchtwegen nodig had gevonden. Door tenminste een groepje jongeren werd ik nagekeken en -gewezen. Een sensatie die ik eigenlijk niet meer kende sinds ik als foet door de stad paradeerde in mijn studententijd.
Bij de notenbar schrok ik: daar kwam mijn moedertje aan. Ze moest me tegemoet zijn gelopen. Toen ze me herkende bleef ze stokstijf staan met een verbaasde, cq. verrukte blik. Haar verrukking won het van haar verbazing. 'Nu kun je hem wel afzetten,' zei ze. 'Natuurlijk niet,' zei ik.
Toen ik het appartement betrad in Résidence Hemelpoort en op mijn puzzelende vader afliep, in zijn vaste stoel bij het raam, zei hij, met het stemgeluid van Marty Funkhauser: 'Even dacht ik: wat een enorme baard en snor.'
'Je weet toch dat ik nauwelijks baardgroei heb?'

Groeimarkt



Ik heb nog niet op de website gekeken, laat staan dat ik plannen heb om opnieuw naar Dortmund af te reizen, maar mijn gevoel zegt me dat het poppenbordeel van Evelyn Schwarz, waarover ik twee jaar geleden in de Volkskrant schreef, thans en in de afzienbare toekomst goede zaken doet.
'Maar het virus blijft ook zitten op plastic!' protesteerde A., toen ik mijn analyse met haar deelde aan de ontbijttafel.
Kan wel wezen, maar een sekspop desinfecteren lijkt me, vergeleken met het testen van een mens, een peulenschil. Daar hebben ze ervaring mee, daar in Duitsland. Ze moeten daar sowieso die siliconen humanoïden ontdoen van alle mogelijke lichaamssappen, daar kan een alcoholbad tegen corona ook nog wel bij (misschien dat de tepels van de dames en de ogen van de heren verbleken, maar dat is een kleinigheid).
De Amsterdamse vereniging voor de belangen van prostituées is met voorstellen gekomen om de sekswerkers weer aan het werk te laten gaan in het nieuwe normaal. Als kappers mogen knippen, waarom zouden ... dan niet mogen ...? Het advies uit de branche: het kan, maar alleen van achteren. Oraal? Uitgesloten. Zoenen was altijd al verboten (maar vaak toch een optie als men maar genoeg betaalde). Ik voorspel hoogtijdagen voor fetisjisten. Iedereen die seks niet zozeer ziet als een manier om zo dicht mogelijk bij elkaar te komen, maar om min of meer gelijktijdig een idee uit te werken, ziet kansen. Hoezo is seks op 1.5 m niet mogelijk? Gebruik je fantasie. Neem een voorbeeld aan de Japanners.
Sekspoppen in restaurants is een logische consequentie. Waarom saaie mannequins in restaurants neerzetten als opvul-clièntele, om een sfeer te creëren, en niet aanlokkelijke Liebespuppen, aan wie je je, tussen de gerechten door, bij wijze van amuse, mag verlustigen? Ik zie een groeimarkt.

Bescherming



Eerste corona-taxirit in tijden. Ik neem plaats op de achterbank achter een spatscherm, het woord alleen al heeft iets onsmakelijks. 'Sorry,' zegt de chauffeur, een compacte, breedgeschouderde man. Het doet mij denken aan New York, waar veel taxi's een zogenaamde partition hebben – niet zozeer tegen besmetting, als wel tegen opdringerige passagiers. Ik herinner me een golf van taximoorden, moorden op taxichauffeurs, in de jaren negentig. De taxi stopt voor een man langs de weg, de man stapt in, rijdt een eindje, en laat de taxi vervolgens op een stil stukje stoppen. De chauffeur wacht op betaling, of op verdere instructies (zo stel ik me voor). De passagier haalt een wurgdraad tevoorschijn, of een pistool of een mes, en slaat toe. Een laffe daad.
Ik betwijfel of het spatscherm ook geschikt zou zijn tegen zulke vormen van agressie. Daarvoor is het te slap, je zou het zo opzij kunnen duwen, of, nog makkelijker, er dwars doorheen schieten met een krachtig vuurwapen.
Die partitions in New Yorkse taxi's hebben een schuifraampje, herinner ik me, dat vrijwel altijd open staat (of misschien alleen bij mij; zo ongevaarlijk zie ik eruit).
Ik kan me voorstellen dat het spatscherm ook voordelen heeft; bijvoorbeeld als passagiers met een kegel instappen, of met heel erg veel knoflook achter de kiezen. Waarschijnlijk allemaal academisch, deze voordelen, want er valt nauwelijks iets te taxiën zolang de restaurants en theaters dicht zijn, de toeristen weg blijven en de vermogende ex-pats naar huis zijn gegaan.
In een mum van tijd hebben we het over iets anders: boksen. De chauffeur vertelt dat hij twintig jaar bokste. Ben je wel eens knock out gegaan? vraag ik. 'Ja, maar buiten de ring,' zegt hij. 'Ik was zestien. Het gebeurde bij de FEBO. Ik deed de deur achter me dicht. Een man die net naar binnen wilde dacht dat ik de deur in zijn gezicht sloeg.Toen ik bijkwam keek ik naar de onderkant van de koelkast.'