Maskerade



Joechei, we zijn gered. Drie weken nadat A. een bestelling deed op Alibaba zijn de life saving facemasks gearriveerd. Type PM 2.5. Inclusief 5 schone filters. Alles keurig verpakt in plastic met onbegrijpelijke opdruk. Prijs: €3. Afzender: Wu Qunyu via Alibaba. No 22, Chang Cheng Street, Xiacheng District, Hangzhou, Zhejiang, China. Met de groeten van Xi Jinping.
Het lijkt rechtvaardig, zij het op een een vreemde manier, dat de veroorzaker van het leed, – let me rephrase that: de bron van de pandemie – ook voor de bestrijdingsmiddelen zorgt. Het is als de  snoepwinkel die ook een tandartspraktijk runt, of, dat bestaat geloof ik echt, de tatooshop die achter een gordijntje een lasershop voor het verwijderen van deszelven bestiert.
Als er één land van alle markten thuis is, dan China. Zou het geen idee zijn als de WHO China verplicht voor de hele wereld maskertjes te produceren? Dat doen ze al, maar dan gratis? Toch weer €3 winst!
De Belgen, begrijp ik, zijn massaal aan het naaien. Wij noorderlingen doen dat niet. Want wij zijn sceptisch. De werkzaamheid van kapjes voor de goegemeente zou onbewezen zijn. Hele dure kapjes worden uiteraard gedragen door de zorgprofessionals, maar zelf in elkaar geflanste lompen hebben geen zin, sterker: zijn schadelijk, want geven schijnzekerheid.
Mij lijkt het, met mijn non-virologische blik, tamelijk evident dat maskertjes, in welke vorm dan ook, wel degelijk een verschil kunnen maken. Alles wat besmetting via de lucht verhindert, alles wat een obstakel opwerpt voor de luchtwegen, houdt iets tegen en iets is bij mijn weten nog altijd beter dan niets. Die miljoenen Chinezen die al jaren met kapjes rondlopen over de hele wereld, zijn niet bijgelovig. Zij weten iets wat wij niet weten. Namelijk dat je elk middel moet aangrijpen om een potentieel dodelijke ziekte te verhinderen door te dringen tot je meest vitale orgaan, het orgaan dat bij falen het snelst de dood tot gevolg heeft: de longen. Je loopt wel voor lul inderdaad, maar dat moet dan maar.

Filmhuis



Goed alternatief voor een gecancelde reis naar Lombardije: Call Me By Your Name van Luca Guadagnino, op groot scherm liefst. In afwachting van de drive in bioscoop die film- en praatjesmaker Martin Koolhoven op de Dam wil installeren, bevindt dat scherm zich nochtans vóór mijn boekenkast.
Zelden zo'n heerlijke liefdesverklaring aan dit deel van Italië gezien. Nu is elke film die zich in Italië afspeelt een liefdesverklaring aan dat land, maar Lombardije kende ik eigenlijk niet zo goed (totdat Bergamo ongewild het centrum van de wereld werd).
Het liefdesverhaal tussen een wonderkind en een irritante Amerikaanse onderzoeksassistent vond ik minder geloofwaardig dan de liefdesverklaring aan Lombardije. Dat huis! Die bibliotheek! Die abrikozen en perziken in de tuin! Dat 'zwembad', dat geen zwembad is maar een zo te zien eeuwenoude bron. Die stoffige dorpjes als Crema waar de hoofdpersonen heen fietsen op schitterende Italiaanse fietsen gedurende de siësta, als er geen ziel is te bekennen, laat staan een toerist...
Guadagnino heeft zijn verhaal begin tachtiger jaren gesitueerd, vóór HIV, vóór, nou ja, alles. De onschuld! De verrukkelijke naïveteit (waar ook huichelarij een onderdeel van is, want homo zijn mocht niet terwijl iedereen het was, maar goed). Die plattelandsdiscotheek waar ze gaan dansen. Ik werd er niet alleen lyrisch van (excusez les points d'exclamation), maar ik dacht ook: ik ben op vakantie. Ik hoef de deur niet meer uit, want mijn geest is al de deur uit.
Zoals gezegd vertrouwde ik de zinderende verliefdheid tussen het wonderkind (een fantastische rol van Timothée Chalamet en de onderzoeksassistent (Armie Hammer) niet helemaal. Hij werd wel goed uitgebeeld. Ik begreep dat de assistent een arrogante eikel moest zijn, – een goddelijke arrogante eikel weliswaar – maar ik bleef hem een eikel vinden en ik snapte niet dat het wonderkind (dat emotioneel veel volwassener bleek dan de eikel) alleen zou vallen voor dat atletische lijf.
Google zegt dat het huis in de film, ook bekend als The Perlman's House, voor 1,8 miljoen te koop staat. Wie heeft er nog 1,8 miljoen?

Existential threats

John Martin: The Great Day of his Wrath, 1851

Sinds ik vanochtend in The Guardian las dat moral philosopher Toby Ord heeft berekend dat er een kans van 1 op 6 is dat de aarde in deze eeuw zal ophouden te bestaan, pieker ik over de vraag hoe. Ords punt is dat de geschiedenis heeft aangetoond dat de mensheid uiterst slecht in staat is gebleken om zich te beschermen tegen niet eerder voorgekomen, maar toch waarschijnlijke rampen. Simpel gezegd: als een ramp zich niet eerder heeft voltrokken, kunnen we ons zo slecht voorstellen dat hij zich zou kunnen voltrekken, dat we ook geen voorzorgsmaatregelen nemen.
Case in point: de onderhavige pandemie. Deskundigen hadden die allang zien aankomen, en zelfs Bill Gates, – geen deskundige maar deskundig genoeg kennelijk – voorspelde hem al in een Ted Talk in 2015, getiteld: 'The Next Outbreak? We're not ready.'
Het probleem is dat mensen in het algemeen en politici in het bijzonder korte termijndenkers zijn, en dat niet alleen, ze denken niet graag na over wat Tobv Ord noemt existential threats. Als Sylvia Witteman in plaats van over haar Jan Steen huishouden over existential threats columns zou schrijven, dan was De Volkskrant een stuk minder gezellig geweest. Als Willem Alexander in zijn toespraken over existential threats zou spreken, in plaats van over saamhorigheid, dan zou zijn moeder de kroon terugeisen. Als mijn favoriete thema tijdens het eten de vernietiging van alle leven was, zou mijn vrouw me eerder hebben ingeruild voor een tandarts.
Niettemin, als er een kans is van 1 op 6 dat mijn kinderen het einde van deze en dus hun eigen beschaving gaan meemaken, dan zou ik er best wat voor over hebben om het scenario alvast met hen door te nemen. Science fiction is dol op supernova-inslagen, supervillains en super-artifical intelligence – als er maar super in voorkomt. Toby Ord denkt zelf dat het prozaïscher zal worden: zelfvernietiging door kernwapens, want daarvan zijn er nog steeds veel te veel in verkeerde handen. Maar waarom, dacht ik, zou de wereld niet in de ban kunnen raken van een idee, bijvoorbeeld dat het allemaal wel mooi is geweest?

Majesteit!



Van harte met het bereiken van uw 53ste lente (ikzelf heb niet lang geleden mijn 53ste winter aangetikt). U ziet er patent uit – ook en vooral de vrouwen die u om u heen hebt verzameld trouwens. Mijn dochter wilde niet van de ontbijttafel komen om op de tizie van dichtbij echte prinsesjes te zien. Her loss. Als iets voor troost zorgt dezer dagen, dan is het de engelachtige immuniteit van onze kinderen; prinses Schoffie incluis. Hoe het kan weet ik niet, maar Wraakgodin Corona heeft geen zin in kinderen, zij laat ze ongemoeid. In die zin is deze pandemie niet Bijbels. Het is een Disney-pandemie. Wraakgodin Corona begrijpt dat ze teveel vijanden gaat maken, nog veel meer vijanden dan nu het geval is, wanneer zij dood en verderf gaat zaaien onder tieners en pre-tieners en zuigelingen en studenten. U heeft nog geen studerende kinderen, u bent laat aan uw voortplanting begonnen, (daar zult u uw redenen voor hebben gehad); ik wel, en ik kan u melden dat het erg goed gaat met de studenten. Ze zijn wat minder massaal lam dan gebruikelijk; dit zal enige krentenbaarden schelen.
U sprak in uw praatje de hoop uit dat dit de laatste keer zal zijn dat uw verjaardag op deze, mag ik zeggen ingetogen?, wijze gevierd wordt. Waar is die hoop op gebaseerd? Het oorlogskabinet spreekt van het nieuwe normaal. Als Amsterdammer met een beperking bevalt dat nieuwe normaal mij wel, maar ik zie wel een verlies: de gederfde bronsttijd. Als Koningsdag of Koninginnedag iets was, in het verleden, dan een mating ground, een huwelijksmarkt, een paringsdag. Geloof me, ik kan het weten. Als voormalig reverend van de Church of the Good Life (dit klinkt heel lang geleden, is het ook) heb ik talrijke tortelduiven in de echt verbonden, en het gros gaf aan elkaar te hebben leren kennen op deze dag. Ik maak mij zorgen, ik denk u ook, want iemand moet de engelen voortbrengen die uw land gaan bevolken en ons op onze oude dag, – vooral de mijne trouwens –, als we die insjallah, deo volente en b'ezrat hashem, ooit nog bereiken, van ons natje en droogje voorzien. Misschien twintigers en dertigers verplicht laten testen opdat ze elkaar vrijelijk kunnen bevruchten?

Vorstelijke groeten, ook aan HM de Koningin, was getekend, enz.

Aan de andere kant van de heuvels



'Er komt altijd een volgend moment, en de kunst is om benieuwd te blijven naar dat moment.' Ik weet niet of het een citaat is van Ramses Shaffy, maar het is een goed citaat.
Er was een intelligente lockdown voor nodig om mij de vierdelige serie Ramses (2014) van Michiel van Erp (regie) en Marnie Blok (script) te doen bingen waarin dit citaat een paar keer voorkomt. Ik wist wel van het bestaan van de serie, maar vreesde voor waardering-erosie. Biopics over geliefde musici kunnen verkeerd uitpakken. Of de muziek krijgt een te grote rol en er blijft nix van de film over, of het levensverhaal wordt dusdanig opgepompt dat de muziek wordt vergeten.
Ramses heeft een sterke troef: Maarten Heijmans en Noortje Herlaar. Ik had deze acteurs nog nooit mogen bewonderen. Hoewel ze te jong zijn voor de rollen van Ramses Shaffy en Liesbeth List, ga je toch van ze houden (als je vier keer 50 minuten met twee mensen opgesloten zit, ga je sowieso van ze houden). Dankij de serie ben ik opnieuw gezwicht voor Aan de andere kant van de heuvels (kijk alsjeblieft ook even naar het originele, vertederende videoclipje; zo stuitte ik weer op het Franse origineel, A l'autre coté des collines van de mij voorheen onbekende Les Troubadours, met de aanbiddelijke Franca di Rienzo. Franse chanson-schrijvers hebben de feel good niet uitgevonden, maar o, wat krijg je er een goed gevoel van. Of eigenlijk: je wordt heel gelukkig treurig, treurig heel gelukkig.)
Ik weet weinig van Ramses' levenswandel, maar zijn 'alleen op de wereld'-achtige jeugd kwam niet uit de verf in Ramses. Het fiasco van het Roomse avontuur met Joop Admiraal had moeten worden geskipt ten gunste van een aflevering over Ramses en de complexe relatie met zijn moeder (een ideale rol zou dat zijn geweest voor Kitty Courbois).
Het getrek aan sigaretten en het gezoen der mannen begon mij naar verloop van tijd wat tegen te staan. Stellig was het ene in die tijd usance en het ander een provocatie, maar roken en zoenen do not a movie make. Ik krijg bijna zin om mijn eigen Ramses-film te schrijven, werktitel De wereld heeft mij failliet verklaard.

Lieve pedicure

René Magritte: Le Modèle Rouge III (1937)

'Wil je mijn teennagels doen?' Het is een vraag die ik niet dagelijks stel, ook niet wekelijks. Hooguit maandelijks.
Dat wil ze wel, A., als ik het setje pak en me bij haar installeer op de bank. Of moet ik zeggen pijnbank?
Ze pakt mijn rechtervoet en gaat aan de slag. Begint bij de grote teen. 'Aaah!' kerm ik het al onmiddellijk uit. 'Dit doet pijn.'
'Echt?' Ze klinkt verbaasd.
'Ja.'
Ze gaat door met het pedicure-instrument. Het is een instrument om prutjes uit de kozijnen van de teen te peuren, zeg maar het vuil langs de randen van de nagels. Ik vind dit pijnlijk. Het is niet zo dat A. ervan geniet om mij pijn te doen, geloof ik. Het moet gebeuren. Eindelijk kan er worden geknipt. Dat verloopt, als ze niet per ongeluk een stuk teen meeneemt, pijnloos.
Andere voet. Veilen. (Ook pijnlijk.) Ik kijk uit het raam naar de wuivende bomen en de eindelijk weer teruggekeerde wolkenluchten, o wat ben ik blij met die wolkenluchten, ik werd gek van dat blauw, somber ook.  Klaar. Ze bekijkt trots het resultaat. Ik ben ook in mijn nopjes.
'Echte liefde,' zeg ik, terwijl ik mijn jezussandalen aanschiet.
'Jij mag de nagels opzuigen.'
'Zal ik doen... Maar je vindt het ook leuk.'
'Wat?'
'Dit.'
'Het is vooral echte liefde.'
Ik zou haar voeten nooit onder handen nemen, bedenk ik me. Niet omdat ik geen echte liefde voor haar voeten voel, integendeel, maar omdat ik het niet kan, er is geen groot pedicurist in mij opgestaan.
Wat doe ik dan?
O ja, ik masseer, dat is waar ook. We staan quitte. Gelukkig maar.

De verliefdheid in de lucht

Ed van der Elsken: Vali Meijers voor haar spiegel (1953)

De balts blijkt sterker dan het virus. De bloemetjes en de bijtjes houden geen anderhalve meter afstand. De feromonen gaan door het mondkapje. Ik geef toe, mijn bewijsmateriaal is dun, maar het was vrijdag, het begin van de 'vakantie', wat dat ook moge betekenen, het was weer een van die gekmakend staalblauwe dagen, en het leed geen twijfel: de verliefdheid hing in de lucht. Eerst, tegenover het Portugese luxehotel, fietste ik in een flits Oppas 1 voorbij, een stoer meisje met een ontwapenende lach en een beugel. Ze hing over het stuur van haar fiets. Tegenover haar de jongen, die ook over het stuur hing van zijn fiets. Hij ging schuil achter/onder een hoodie. Maar ik had de blik van Oppas 1 opgevangen. Je hebt aan een blik genoeg om vast te stellen dat de verliefdheid heeft toegeslagen. Het is dat mengsel van verlegenheid en driestheid, van terughoudendheid en baldadigheid, die fonkeling van verlangen, ook naar de verliefdheid zelf.
Honderd meter verderop zat Oppas 2, op een bankje (waar zou de verliefdheid zijn zonder bankjes?), ze steunde met haar elleboog op de rand terwijl de hand door haar haar ging; schuin tegenover haar de jongen. Misschien was het geen jongen, het zou aardiger zijn geweest als het geen jongen was, in meerdere opzichten. In een oogopslag wist ik dat ook Oppas 2, even oud als Oppas 1 (zestien, zeventien), zij het met een complexere achtergrond (Amerikaanse ouders, haar moeder hertrouwd, ze hebben er net een baby bij) diezelfde gelukzaligheid uitstraalde, dat gevoel helemaal op te gaan in het hier en nu en het jij en ik, het gevoel dat het leven eindelijk op het punt staat te beginnen.

Kritieke idylle



Of een idyllische crisis, wat je wilt.
We maken een fietstocht langs de Amstel naar Ouderkerk – we zijn niet de enigen – en als ik om mij heen kijk moet ik vaststellen dat de crisis er nog nooit zo idyllisch heeft uitgezien (toegegeven, zoveel crises heb ik niet meegemaakt). McMansions die druk worden verbouwd, tuinen omgespit, garages aangelegd. Langsvarende jachten met mooie mensen die op hun telefoon kijken. Een dorp dat een jaren vijftig-achtige welvaart uitstraalt: iedereen wit, weldoorvoed, happy. Olijke grijsaards in de Plus Markt.
Ik probeer de idyllische crisis, of de kritieke idylle, te ontdekken in de lammetjes in de wei aan de oostelijke rivieroever. In alle soorten (hier wel): 100 % zwart, 50/50 zwart/wit, 100% wit. Ze springen niet in het rond, ook niet op bevel. Ze lopen loom in de lentezon achter hun moeders aan. Vaders (bokken zijn dat toch? Zo slecht zit ik in mijn vee) zijn nergens te bekennen maar dat is het probleem niet. Deze lammeren zien er terneergeslagen uit. Niet ziek, levensmoe. Down. Bij een boom ligt er eentje, een 50/50, als een hondje te slapen maar niet omdat ze zoveel slaap heeft. Nee, zij ligt met haar ogen dicht om de dag zo snel mogelijk voorbij te laten gaan. Ik kan me dat herinneren uit de tijd dat het minder goed met me ging (beter met de wereld maar minder goed met mij): zo vroeg mogelijk naar bed om de dag zo snel mogelijk af te kunnen sluiten. Het werkt niet. Zoveel slaap is een mens niet gegund (een kat hooguit). Wij worden gedwongen toch op zijn minst de helft tot tweederde van het etmaal bewust door te maken (tenzij je drugs gebruikt maar dat is valsspelen).
Het moedersschaap achter de boom (vermoed ik, ik heb geen DNA-test gedaan), houdt de fotograaf in het oog met een air van: ik zou maar niet te dichtbij komen.

Boulevard of broken dreams



Goed nieuws en slecht nieuws. Het goede nieuws: thuisschool Frölkini wordt binnenkort geliquideerd dankzij Ruttes geleidelijke afbouw van de corona-maatregelen. Het slechte nieuws is dat ik dit jaar niet op de Parade sta. En ik had er nog nooit gestaan, boehoe. Had er zin an. Maar ook plankenkoorts en twijfels. Het gevoel af te gaan voor publiek is mij bekend, vooral uit mijn puberteit en studententijd trouwens, maar ik zoek het niet vrijwillig op. Of toch? Een auteur verschuilt zich achter de stilte van zijn boekomslag. De acteur daarentegen staart recht in de ogen van zijn vernedering. Ik dacht het voordeel van het ene te combineren met het nadeel van het andere, door te schrijven voor publiek, achter een katheder. Noem het action writing. Allemaal leuk en aardig, want in de dertigjarige geschiedenis van de Parade nog niet eerder vertoond, maar hoe vermoeiend zou het zijn, hoeveel spataderen zou ik verzamelen, hoeveel testikels zouden zich loszingen, en, niet onbelangrijk als ik even naar mijn Chief Financial Officer kijk, en dat doe ik de laatste tijd steeds vaker, hoe zat het eigenlijk met de emolumenten? Die TOZO gaat niet eeuwig door; moet wellicht in zijn geheel worden terugbetaald! Het financiële plaatje was, met andere woorden, nog helemaal niet uitgewerkt. Hoeveel zou een van de chardy giechelige bimbo bereid zijn neer te tellen voor een door mij ter plekke op maat gecomponeerd epistel? €0,50? €2? €20? Ik had mezelf al rijk gerekend voordat ik een bestelling had gekregen. Misschien toch maar weer op het Museumplein, dan, en mijn handel veranderen van liefdesbrieven en haatmail in beterschapswensen en grafschriften.

Junior Weinstein



Paniek in thuisschool Frölkini: de tienjarige heeft in een persoonlijke videoboodschap een uitbrander gekregen van de meester. Waarom in godesnaam? Ik bedoel, als je de pupil zo ziet, met zijn rommelige haar, zijn Tadzio-mond en guitige lach, dan geef je hem toch meteen het voordeel van de twijfel? Neen. Meester Grindr is ziedend. Want? De pupil blijkt geen klap te hebben uitgevoerd, de afgelopen periode, zeg maar toen de maatregelen begonnen en de scholen zeg maar sloten en wij het werk van meester Grindr en zijn collegae zeg maar dienden over te nemen (onbezoldigd, nochtans, hoewel TOZO, etc.).
Wat the? Maar hij zat toch braaf achter zijn iPad met koptelefoon op, in bed, liefst? En hij kreeg toch prachtige bijlesjes van knobbel Jappe? Natuurlijk heb ik hem wel eens betrapt op brawlstarren, ik heb hem zelfs wel eens betrapt als hij een nieuwe game installeerde (heterdaadje: de game werd simultaan op mijn telefoon geïnstalleerd), en zijn buurtvriend was wel erg eager om samen 'huiswerk' te maken, maar een klein stemmetje in mijn achterhoofd zei altijd: hij  d o e t  wel net alsof hij niets doet, maar eigenlijk doet hij... ook niets. Die stem bleek dus gelijk te hebben.
Als de pupil met het charmante kuiltje in zijn rechterwang, Kleine Leeuw of hoe heet ie, niet als de wiedeweerga aan de slag gaat, dan krijgt hij als pre-advies circusschool. Of hij gaat direct bij PostNL werken. (What's not to like, dacht ik, dan hoef ik 's avonds ook geen reactievergelijkingen voor hem te maken of een stuk Punische Oorlog te vertalen).
Evenwel, Grindrs dreigement maakte indruk op de pupil. Sinds vandaag doet hij zijn best.  E c h t . En ik geloof hem, want ik kan het zien. Ik moet ook aan de bak; eigenlijk was de uitbrander bedoeld voor mij.
Een van de lessen die hij de afgelopen weken grandioos had laten schieten was aardrijkskunde. Wat zijn de kenmerken van een esdorp? Op de Junior Einstein-website – bijna schreef ik Junior Weinstein – kon je zien dat het onderwerp hem 18 seconden had weten te boeien. Best lang nog, vind ik.