Andere lijven



Behalve door het water en de warmte in de sauna, word ik getroost door de lijven die ik zie. Tenminste, als ik over de lichte schaamte voor de tentoonstelling van mijn eigen lijf heen ben. Ik  schaam me niet zozeer voor mijn buik of moobs, maar voor mijn hamer- en klokkenspel. De afmetingen. Size matters; dat zijn de genadeloze wetten der biologie. Ik had mijn badjas nog niet opgehangen of er stapt een man onder de douche met een enorme knuppel tussen zijn benen, een politieknuppel van een penis, zo een die breder wordt aan het einde. Ik wil graag geloven dat wat slap klein lijkt, in erecte staat nog wat kan worden – en omgekeerd – maar dit. Konten, ook zoiets. Als je nooit naar de sauna gaat, naar het naaktstrand of een andere plek waar naakten vrij te bezichtigen zijn, zoals bij een fotoshoot van Spencer Tunick, kun je gemakkelijk gaan geloven dat de kont van je bedgenoot maatgevend is. Maar vandaag zag ik een lege kont met een rare vouw erin, die ik nog nooit gezien had. Of er een stuk vlees uitgehaald was. Misschien was dat ook zo. Schedes: of je er nu zin in hebt of niet, in een dag sauna maak je kennis met pakweg honderd schedes, en, o God, o Schepper, o Onbewogen Beweger, hoeveel variatie hebt Gij hierin weer aangebracht! What were Thou thinking? Ik heb het nog niet over borsten gehad. Zelfs wie keurig zijn blik afwendt, zoals ik toch wel af en toe probeer te doen, ontkomt niet aan de borsten. 'Denk je dat ze echt waren,' vraagt mijn favoriete sauna-ganger, nadat we een lauwwarm bad waren ontvlucht waarin een zwaargetatoeëerde spierbundel zijn rondborstige liefje aan het opvrijen was (verboden dit, maar houd je er maar eens aan). 'Nee,' zei ik, 'daarvoor stonden ze te strak, toch? Maar, om met de verteller uit FAKE te spreken: Waren ze echt? Ze waren er.'

Geen surprise



Opa en oma willen graag de tienjarige en de zesjarige bij ons aanstaande bezoekje 'rijden'  – dat wil zeggen, een surprise voor hen maken inclusief gedicht, maar hoe dan?
'Een leeg pakje met een briefje erin gefopt,' zeg ik tegen mijn moeder aan de telefoon. 'Dat kennen ze van malle pietje van het Sinterklaasjournaal.'
Mijn moeder geeft van alles en nog wat, maar een leeg pakje zal je haar niet zien geven, ook al is het de running gag van het Sinterklaasjournaal.
Na het avondeten haalt ze twee pakjes tevoorschijn. 'Die zijn door Zwarte Piet afgeleverd,' zegt ze.
'Veegpiet zul je bedoelen,' zeg ik. 'Zwarte Piet die kennen wij niet.'
De gezichten van de kinderen lichten op. Als je een pakje laat zien aan een kind, interesseert die zich niet meer voor de herkomst van dat pakje, alleen voor de bestemming; hetzelfde effect dat gratis heeft op winkelende volwassenen.
Eerst de gedichten. De reden dat deze pakjes niet via de schoen gaan (die avond mochten ze van Dieuwertje weer worden gezet) maar nu al worden uitgepakt, is dat opa, die de gedichten schreef en benieuwd is naar hun uitwerking, niet bij de schoenpakjesonthulling kan zijn (opa is niet zo matineus). Welnu, de gedichten komen goed aan. En wat zit er in de pakjes? Een hoop snippers en als je goed zoekt een envelop met een bankbiljet.
De tienjarige is zeer opgetogen. Hij weet nu al wat hij van dat geld gaat kopen.
De zesjarige is hevig verontwaardigd. 'Dat is toch geen surprise!' roept ze uit.

Lootje

Damien Hirst: False idol

De opwinding van het lootjes trekken in het gezin, de opmaat voor dat alleraardigste Nederlandse ritueel, namelijk dat van de surprise avond, kwam bij de tienjarige helemaal binnen. Hij begreep het concept. Op school hadden ze het ook gedaan. Maar kon hij zijn geheim bewaren? Hij wel, als ik hem moest geloven, maar zijn vriendjes konden de verleiding minder goed weerstaan, of het interesseerde ze minder, en al deducerend (ziehier de pedagogische bonus) kon de tienjarige van vrijwel alle klasgenootjes voorspellen wie ze getrokken hadden.
De zesjarige had een andere, fascinerende reactie op het lootjes trekken in het gezin, namelijk stress. Het lootje – i.e. het geheim – dat ze nu droeg, samen met mij, want ik zou haar helpen met dichten en knutselen, was iets dat ze zo snel mogelijk van zich af wenste te werpen als ware het een tak op haar schouder.
Kennis is macht, zou je denken, maar daarvan is ze nog niet doordrongen. Iets weten wat de ander niet weet, iets weten wat de anderen graag zouden willen weten… het voordeel hiervan heeft ze nog onvoldoende ontdekt.
Met haar kalverliefde in de klas heeft ze wel al wat geheimen gedeeld, maar die waren van korte duur. De opwinding van het hebben van het geheim ging vrijwel gelijk op in de opwinding van het verklappen van het geheim. Ook leuk, maar anders.
Dat ik onlangs aan de eettafel een van haar kalverliefdesgeheimen verklapte beschouwde ze daarentegen duidelijk als een inbreuk op haar privacy.
Misschien moeten we van geluk spreken dat haar geheimhouding voorlopig nog niet optimaal functioneert.

Gentle reminder


Van de bladeren resteert nog een natte troep
in het verlaten parkje.

Aan de kade steekt een reusachtig skelet
dreigend in de lucht.

Maar vandaag schijnt de zon, want ik heb je gezien.
Plotseling stond je voor me, als een geestverschijning,
bij de bloemist op de hoek.

Geen gewone graffiti, maar Kunst, zoveel is zeker,
van iemand die wist waar hij (was het een zij? in mijn dromen) mede bezig was.

Jeugdig oog je, alsof je bij de pojisie zit,
lid van een katholieke knokploeg.

Ik dacht: wie weet nog wie Gerard Reve is?
Ik dacht: hoe lang ben jij al Doodt?

Lieve hemel, dat is waar ook – en het is ook zo –:
het wordt alweer tijd voor De avonden.



Sorry we missed you



Herkenbaar: de muren waar de hoofdpersoon van Sorry we missed you, de laatste film van Ken Loach, tegenaan loopt als 'zelfstandig pakketbezorger'. Rennen om je tijden te halen, dan voor dichte deuren staan, mensen die geen pakje willen aannemen voor de buren, nergens kunnen pissen, een hufterige baas, onderlinge concurrentie op depot. En de wissel die deze moderne zware fysieke arbeid trekt op, om maar iets te noemen, het gezin. De spiraal van ellende waarin alle leden van zo'n gezin terechtkomen doordat pappie en mammie (werkzaam in de thuiszorg) als verftubes worden leeggeknepen door hun veeleisende, structureel onderbetaalde werk (nog afgezien van de boetes!).
Een sociaal drama dus, een genre waarin Loach is gespecialiseerd.
Mooie scene: de vader die de puberzoon, die van school dreigt te worden getrapt, probeert over te halen zijn best te doen, want dan heeft hij tenminste kansen om er iets van te maken straks. 'Anders word je net zoals...' 'Jou?' hoont de zoon. Al eerder had de zoon hoofdschuddend kennisgenomen van vaders nieuwe bullshitjob.
De puberzoon die beter begrijpt hoe de bullshiteconomie in elkaar zit dan zijn vader.
Loach geeft ons geen troost, de spiraal wordt niet gebroken, zelfs de spaarzame muziek in de film troost niet. De humor, die gelukkig wel in de film zit, lijkt hier en daar onbedoeld.
Jammer dat Loach er een bijbelse (het boek Job comes to mind) vertelling van heeft gemaakt waarin vanaf de eerste shot duidelijk is wie goed is en wie slecht. De film was interessanter geweest als hij zijn moderne held, want dat is de pakketbezorger, iets verdorvens had meegegeven en de moderne schurk, zijn baas, iets ontroerends.
Toen Dagboek van een postbode uitkwam in 2016 sprak ik diverse film- en televisiemensen die er wat in zagen, maar toen werd het stil. Op basis van dat boek zou je een Nederlandse Sorry we missed you kunnen maken. Minder hard. Subtieler.

Andere roman

Jake Mosher

De kogel lijkt door de kerk: deze auteur maakt voor volk en vaderland, herstel uitgever en agent, een knieval voor de toegankelijkheid.
Het belangrijke deel van mijn tweeledige manuscript is bij nader inzien misschien toch niet zo belangrijk. Of: belangrijk voor de auteur, maar niet onmisbaar of 'gewoon irritant', voor de lezer.
Maar wacht, dat belangrijk deel was toch mijn roman? En dan zou nu het compendium bij die roman op zichzelf staand worden uitgegeven? Moest het niet andersom zijn? Wellicht niet, wellicht moest de roman worden geschrapt om een andere, betere roman tevoorschijn te laten komen. Want, zo heb ik me laten vertellen en ik begin er langzaam zelf ook in te geloven: dat compendium is een roman. Een bijzondere zelfs. 'Zoiets heb ik nog nooit gelezen.' Dit hoort een schrijver, behalve een zelfhatende, graag.
Nu ik langzaam wen aan mijn sterk vermagerde vorm (maar stiekem ook nog steeds in rouw ben voor het kind dat ik – zonder badwater hoop ik – heb weggegooid; of omgekeerd, ach laat ook maar), probeer ik rechtvaardigingen te vinden voor de gemaakte keuze. Zelfrechtvaardiging: de noodzakelijke bias van de homo sapiens, anders wordt hij gec.
Om een ster goed te zien moet je niet naar die ster kijken, maar net ernaast.
Less clothes is more nudity.
Toch?

De blokfluitist




Terwijl ik in een broodje haring met uitjes en zuur bijt bij Stubbe's haring, aan het begin van de Haarlemmerstraat, zie ik dat passerende toeristen of Amsterdammers - het verschil wordt kleiner - hard moeten lachen om de straatmuzikant even verderop. Er wordt druk gefilmd en gefotografeerd want dit is hilarisch, dit hebben we nog nooit gezien. Wat hebben we nog nooit gezien? Een oud mannetje met een olifantenmuts op die een witte plastic blokfluit bespeelt voor geld. Omdat hij leren handschoenen draagt kan hij geen afzonderlijke gaatjes dichten, laat staan in de buurt komen van een melodie. Daar lijkt hij ook in het geheel niet op uit: hij blijft staccato de cis spelen (die hoor je als alle gaatjes open blijven) en dan vaag met een aantal vingers tegelijk over de onderste gaatjes gaan, zodat er een soort van triller ontstaat.
Philip Glass, maar dan anders.
Ik gooi een vijftig cent munt (ik ben vrijgevig de laatste tijd) in zijn bakje maar de munt springt uit het redelijk goed gevulde bakje, landt op de tas van de blokfluitist. De blokfluitist onderbreekt zijn performance, pakt de munt.
Opgezwollen benen, zegt hij, terwijl hij de pijpen van zijn skibroek optrekt en inderdaad, zijn benen zijn opgezwollen. Allebei. Dat niet alleen, ik zie ook wonden . Binnenkort naar dokter, zegt hij. Benen omhooghouden, is het enige advies dat mij te binnen schiet. Hij knikt driftig, maar wat heeft hij eraan? Ik op straat slapen. Koud! Ja. Koud! Waar kom je vandaan? Oostenrijk. Hoe heet je? Paul. Ik weet voorlopig genoeg en wens hem het allerbeste. Het blijft een uitdaging om de mens niet te bespotten, niet te benijden en ook niet te betreuren maar te nemen als elk ander.

Respectloos



Terwijl mijn blondjes voetballen in de kille regen, zit ik in een kleine ruimte van de belendende club, die zo vriendelijk zijn kunstgrasvelden ter beschikking heeft gesteld, op een stoel te lezen. Er zitten nog meer soccer-moms in deze ruimte, die nog het meest wegheeft van een wachtkamer bij de tandarts, maar, moet ik er helaas bij vermelden (de relevantie zal straks blijken), ze zijn allemaal bruin en niet blond. Alle voetballertjes van deze club zijn bruin, terwijl de meeste voetballertjes van onze club, honderd meter verderop, blond zijn. Ik denk niet dat racisme daarvan de oorzaak is, of het moet een luie vorm van racisme zijn; soort zoekt soort. (Overigens is het wel zo, valt me op, dat een aantal fanatieke trainers bij deze club weer wit zijn, zul je net zien.)
'Wilt u alstublieft weggaan,' zegt iemand tegen mij.
Ik kijk op van mijn boek. Een bruine man van een jaar of dertig staat voor me. Hij heeft het inderdaad tegen mij. 'Waarom?'
'Dit is een privéruimte.'
Een privéruimte? En al zou het een privéruimte zijn, waarom zou dit arme voetbalvadertje dan niet mogen schuilen? Mi casa es su casa enzovoorts?
Schoorvoetend, mokkend, tsk-tsk-end, verlaat ik de ruimte – evenals trouwens een trosje witte voetbalmoeders met kleine, witte kinderen op de arm, dat niet zoals ik brutaal een stoel had uitgekozen maar zich in het halletje ophield.
Als ik buiten sta, voegt de bruine man me nog toe: 'Ik vind het respectloos, dat u niet meteen opstaat en weggaat.'
Ik kauw na op het woord 'respectloos' en dat is denk ik waar de rassenrelaties (wat een verschrikkelijk woord, maar er is geen beter) toch weer relevantie krijgen. Want tot het moment dat de man de term 'respectloos' in de mond nam, had hij net zo goed wit kunnen zijn, een witte zeikerd. Nu was het een bruine zeikerd – die het op het laatst niet kon laten de rassenkaart te trekken.
Maar dat ik daar überhaupt durfde te gaan zitten, getuigde in zijn ogen misschien wel weer van white privilege.


Seksleven

Bordspel van de Rutgersstichting

De vraag kwam onverwacht om het zacht te zeggen, als een harpoen uit de donkerte schoot hij op me af: 'Hoe is jouw seksleven?'
Ik zat ruimschoots na afloop van de herfstborrel van mijn uitgeverij in een luie fauteuil bij het nephaardvuur in de IJsbreeker min of meer per ongeluk in een huisgemaakte, in jus badende gehaktbal met Amsterdams zuur te prikken. Per ongeluk omdat ik al een keer naar huis was gegaan om halverwege terug te keren omdat ik een aldaar uitgedeelde Russische novelle was vergeten (ik keer altijd terug voor de Russische literatuur), het al laat was en mijn aanbiddelijke thuiszitter zei dat ze eten voor me had.
Ik keek de vragenstelster aan, een donkerharige vrouw van in de dertig met een scherpe neus en getatoeerde armen en een minieme, sardonische glimlach op haar gezicht, en begon uit te weiden over mijn seksleven.
Er waren nog twee andere vrouwen aanwezig: een redacteur, die ik nog nooit eerder gezien had maar met wie ik wel al buiten een gebietst sigaretje had staan paffen en een blonde vrouw met een kuiltje in haar wang, die net een contract had voor een boek over haar falen op de liefdesmarkt (waarin vast ook wel haar seksleven aan bod kwam); hoe dan ook, ze bleef verdiept in haar gebarsten telefoonschermpje.
Toen ik een stuk was gevorderd over mijn seksleven, dat toch, hoe je het ook wendt of keert, het seksleven van een getrouwde vijftiger met drie kinderen is, hoorde ik mezelf een aantal gemeenplaatsen debiteren over de verschillen tussen mannen en vrouwen. Er viel een stilte, maar geen lange, want ik oreerde alweer verder. Ik vond het een goede vraag, de vraag naar mijn seksleven, een vraag die ik niet zo vaak krijg, zeker niet in zo'n setting, maar pas toen ik naar huis fietste schoot me te binnen dat ik de vragenstelster had moeten vragen naar haar seksleven.



Turks Fruit revisited



Het eerste wat me opviel na mijn herlezing van Turks Fruit – toegegeven: long overdue – was de ongehoorde vaart van Wolkers' vertelling. Elk hoofdstuk is een lange tirade, zonder alinea-indeling, de woorden blijven komen, als mitrailleurvuur. De auteur schakelt moeiteloos heen en weer in de tijd, en dit schakelen komt niet over als een bedachte literaire constructie, maar als natuurlijke, zeer menselijke chaos, het op en neer, het rafelige patroon van een verhaal zoals je ook in de kroeg aan je buurman zou kunnen vertellen.
Na tweehonderdpagina's en nog wat is het bam! afgelopen. De kanker van de heldin, haar kaalgeschoren kop met het luikje, Wolkers besteedt er maar weinig woorden aan. Des te harder komen ze aan, denk ik. Wie durft heden ten dage nog zo beknopt te zijn? Dimitri Verhulst comes to mind.
Het uitspinnen van scenes, dat in de literatuur zo populair is, en waar ik me ook wel schuldig aan heb gemaakt – zou dat de invloed van film en televisie kunnen zijn? Wolkers raast door de handelingen, met een enorme rijkdom aan anekdotes; T.F., schijnt om die reden ook wel een parelketting van anekdotes te worden genoemd, las ik in Onno Blom's biografie. Zelden werden in een boek zo gretig moppen getapt (wie voorziet zijn literaire meesterstuk van een motto uit Kuifje?). En laten we wel wezen, moppen zijn ook heerlijk, mits goed verteld, maar nogmaals, wie durft dat nog?
'Midden in de nacht werd ik wakker van de kou en zat toen met mijn pik in haar aars.' Dat is op het randje van de geloofwaardigheid, en afgezien van Wolkers' machismo en gebrek aan zelfspot is er weinig gedateerd aan de manier waarop er in T.F. wordt 'geërotiekt'.