De mantel der liefde (kerstverhaal)
1.
Stak ik mijn neus in mademoiselle’s nek, bijvoorbeeld als ik haar in haar jas hielp, dan rook ik iets van komijn. Het parfum dat ze al jaren gebruikte was het niet, het moest de combinatie zijn met haar lichaamsgeur. Ik raakte er aan gehecht, maar misschien waste ze zich toch minder dan ik dacht.
Nooit ging ze onopgemaakt de deur uit. Zwierige jurken, maar soms ook hippe, wijde broeken, boven felgekleurde sneakers, plus haar uilenbril maakten haar aan mijn arm tot een verschijning. Ze hield van kleine provocaties. Bij haar vaste restaurant riep ze tegen de ober: ‘Garçon! Eén vlieg, in mijn soep!’ Als de ober aan haar tafel stond zei ze: ‘Hij was exquis. Hebt u er nog eentje voor mij?’
Mademoiselle mr. Michelle Michaud was eenennegentig, vlijmscherp en astmatisch. Op twintigjarige leeftijd van Parijs naar Den Haag gestuurd als au pair, was ze dankzij haar geadopteerde familie rechten gaan studeren in Leiden. In de jaren zeventig werd mr. Michaud benoemd tot de eerste vrouwelijke president van de Amsterdamse rechtbank. Kinderen had ze niet. Ze wenste geen offer te brengen aan het recht, zoals ze zelf zei. Daarenboven was ze nog nooit iemand tegengekomen met wie ze het langer dan een dagdeel uithield. Niet dat ze immuun was voor romantische waanzin. Toen ik haar vertelde hoe Will mij had geschaakt, door me op te pakken bij een bushokje in Edinburgh en me over zijn schouder te gooien, – hij zweerde dat we voor elkaar waren bestemd –, was ze geroerd. ‘Maar ik had hem aangegeven wegens wederrechtelijke vrijheidsberoving.’
Soms dacht ik dat haar solitaire bestaan ook iets met haar luie oog te maken had. Met haar parelmoeren oogschaduw op, deed ze soms denken aan de dood.
Mademoiselle – haar aanspreektitel – bewoonde een droometage aan de Weesperzijde. Het contrast met het hol waarin Will en ik leefden kon niet groter zijn. In de meters hoge living met kunst aan de muur en tot aan het plafond reikende boekenkasten, viel het zonlicht met bakken naar binnen. Op de concertvleugel mocht Will graag zijn songs uitproberen als ik mademoiselle meenam naar de dokter.
In de keuken stond een tafel waar met acht mensen kon worden gedineerd; alleen was dit volgens mij nog nooit gebeurd. Het souterrain functioneerde als master bedroom. In haar spartaanse, kostschoolachtige bedje lag ze te lezen. ‘Slapen,’ zei ze, ‘ik snap niet hoe mensen het kunnen.’ ’s Nachts bestudeerde ze, paarse leesbril op de neus, Het tijdschrift voor rechtspraak en straftoemeting, de Charlie Hebdo (voor de gemene tekeningetjes) en The New York Review of Books en onderstreepte wat ze belangrijk vond – een ontroerende beroepsdeformatie.
2.
De woning die Will en ik huurden bij het Oosterpark werd slecht onderhouden (de huisbaas was permanent onbereikbaar), de muizen waren onuitroeibaar en nu het kouder werd leek het of de wind er dwars doorheen woei. Niet zelden bleven we in bed liggen kibbelen omdat de verwarming het niet deed.
Ik had hem ook niet in huis moeten nemen. Maar tegen alle voorspellingen in hielden we nog steeds van elkaar. Dat kwam goed uit, want ik was in verwachting.
‘Wil je gauw komen,’ hijgde mademoiselle aan de telefoon. Ze zat in ademnood, dat gebeurde de laatste tijd vaker, maar als ik dan op de fiets sprong was er weinig aan de hand.
Michaud was graag aan het woord. Viel er een stilte waarin ik iets te berde zou kunnen brengen, dan pakte ze met bewonderenswaardige vindingrijkheid de draad van haar verhaal weer op. Van bijna alle zaken waarin ze recht had gesproken wist ze de details, zoals de Thaise rugzakmoord. In een rugzak die in het Vondelpark door een hond was gevonden zaten de overblijfselen van een Thaise prostituée. Dankzij speurwerk van de politie kon de rugzak via de zoon worden getraceerd naar een vijftigjarige accountant uit Landsmeer. Tijdens Michauds ondervraging brak de man en legde een volledige bekentenis af. ‘Een goede rechter maakt de aanklager, de advocaat, en in veel gevallen ook de straf overbodig,’ luidde haar stokpaardje.
3.
Toen mademoiselle op een schaduwloze herfstdag bij de groene thee, die ze uit de Marais liet aanrukken, vertelde dat ze haar vermogen zou nalaten aan Juges sans Frontières, een organisatie die rechters invloog naar alle delen van de wereld, gleed ik van de bank af en porde in de open haard. ‘Weet u dat wel zeker?’
Ik was teleurgesteld dat ze mij niet wat naliet. Ze was toch zo op mij gesteld? Ze wist hoe goed Will en ik het konden gebruiken. Ik zorgde al zeven jaar voor haar. Eerst via uitzendbureau TakeCare, maar al snel één-op-één. Ze betaalde me royaal. Ik hoefde er weinig voor te doen. Wel verwachtte ze dat ik alle dagen van het jaar acte de présence gaf, al was het maar om haar nagels te lakken. ‘Niet uitschieten!’ gilde ze dan. Elk veegje moest zorgvuldig worden verwijderd. Soms kregen we de slappe lach.
Volgens Will was ik de dochter die Michaud nooit had gehad.
Maar was zij dan mijn moeder?
‘Nee, chérie, ik weet niets zeker. Waarschijnlijk is het weggegooid geld.’ Met haar trillende, bijna doorschijnende klauwtjes omklemde ze haar theekopje. ‘Waarom zou ik me bekreunen over mijn nalatenschap?’ (Bekreunen was haar lievelingswoord.)
Ze liet me een mapje uit haar secretaire halen met het testament dat ze tien jaar geleden had opgesteld maar nog altijd niet bij de notaris laten vastleggen. L’Institut Michaud zou worden opgericht ter bevordering van de rechtspraak in francofoon Afrika, onder andere door vrouwelijke rechters op te leiden in Burkina Faso.
‘Heeft u een euthanasieverklaring?’ flapte ik eruit.
Ze kantelde haar hoofd en staarde me aan met haar luie oog. ‘Dat is nonsens, chérie. Goedbedoelde nonsens, maar toch.’
De bomen stonden als skeletten voor de hoge ramen. De open haard brandde behaaglijk, al had het nieuws dat je er kanker van kreeg iets van de behaaglijkheid weggenomen.
Haar longen piepten. ‘Wie helder is, wil niet dood, en wie niet helder is, kan niet over zijn leven beslissen – uitzonderingen daargelaten, natuurlijk.’
Ik drapeerde een oude deken over haar schoudertjes. ‘Wilt u worden begraven of gecremeerd?’
‘Gevriesdroogd. Stukken bewaren in de vriezer graag… Nee, cremeren, cherie. As in de Amstel. Maar laten we het over mijn uitvaart hebben. Ik wil geen uitvaart. Wat heb ik aan een uitvaart als ik toch naar de gallemiezen ben?’ (Gallemiezen was haar andere lievelingswoord.)
Wat ze dan wel wilde stond op een handgeschreven A-viertje getiteld ‘Ma Liste de Rêves’. Er stonden drie items op. Ze wilde, hoewel ze vegetariër was, een rookworst eten bij de Hema. Varen in een gondel door de Canal Grande. En ze droomde ervan te trouwen.
‘Trouwen? Met wie dan?’
‘Met mijzelf, met wie anders? De geschikte kandidaten liggen allang onder de zoden. Bovendien, ik ben een beetje lesbisch.’
In de weken daarna leek ze nieuwe zin te hebben in het leven, maar ik maakte me zorgen over haar gezondheid. De griepprik weigerde ze. ‘Als ik griep krijg,’ zei ze, ‘dan heeft de grote griepgever dat gewild.’
Op een vrijdag in november, toen de maan als een Xenos-lamp in de heiige lucht hing, wandelden Will en ik door de natte sneeuw in het Oosterpark. In de buitenlucht had ik minder last van misselijkheid. Niet voor het eerst vroeg ik me hardop af hoe ’t verder moest, straks, met ons.
‘Zal ik met haar trouwen?’ zei Will.
Ik duwde zijn hand van mijn buik. ‘Ben je gek geworden?’
Mijn idee was om mademoiselle te verrassen met een kerstdiner dat ik met haar creditcard zou betalen. Ik gokte erop dat ze eerst wat huiverig zou zijn, om er uiteindelijk toch in mee te gaan.
Of ze ontsloeg me op staande voet, dat kon ook.
4.
De stad werd gegeseld door hagelbuien, maar het vijfgangen-kerstdiner zou doorgaan. In de amuse zat Hema-worst, maar voor de rest was alles vegetarisch. Aan tafel zaten Michauds bovenburen, twee KLM-pursers die bij uitzondering thuis waren; de Filippijnse schoonmaakster die zich bleef verontschuldigen; en, als eregast, studievriendin mr. Jikke Rijpkema-de Jou, die ik uit een adresboekje had opgeduikeld. Aan het hoofd zat ze te knikkebollen op één glas port.
Toen het tot Michaud doordrong wat we hadden aangericht en wat het zou kosten, reageerde ze gepikeerd, totdat Will zijn entree maakte in zijn fluwelen pak, als een Schotse troubadour, en haar een handkus gaf. Ze lachte haar tanden bloot, iets wat ik haar nog nooit had zien doen (ik begreep nu trouwens ook waarom).
Will ontkurkte de crémant, schonk iedereen in en hief, vanaf de andere kant van de tafel, zijn glas naar de gastvrouw. ‘Ik ben hier niet goed in, maar… welkom op de trouwerij van… mademoiselle….’ Ze keek hem aan met één opgetrokken wenkbrauw. ‘L’amour est un oiseau rebelle… Neemt gij, Michelle Michaud, Michelle Michaud tot uw echtgenote – en omgekeerd?’
‘Volgaarne!’ kraaide ze van plezier.
‘Ja of nee. Anders is het niet geldig.’
‘Ja.’
Uit zijn binnenzak haalde Will een ringetje dat mij niet meer paste. De losse huid op haar pink rolde op als een kleedje.
‘Dan verklaar ik u nu tot madame.’ Ze straalde. De KLM-pursers klapten. ‘Volgens mij mag u nu…,’ sprak de ene, ‘uzelf kussen,’ vulde de ander aan.
Michaud keek liefkozend naar beringde pink en drukte er haar mummelende lippen op. Misschien had ze nog nooit iemand of iets zo innig gekust. Ik was de eerste om haar te feliciteren.
Iedereen joelde, behalve de wakker geschrokken Rijpkema-de Jou, die met grote ogen om zich heen keek.
Will speelde Neil Youngs Harvest Moon op de vleugel. Toen niemand aanstalten maakte om te dansen, troonde ik madame mee naar de dansvloer voor de wild flakkerende open haard. Haar broze lijfje schurkte tegen mijn harde buik.
Rond een uur of tien tikte Michaud met het lepeltje waarmee we de fragilité (koffiemousse met krokante amandelwafel) hadden opgepeuzeld, tegen haar glas. Ik hielp haar met opstaan, maar ze wilde niet worden ondersteund. Haar krijtstreep-broekpak had opeens iets van een pyjama.
‘Chers amis.’ Haar ademhaling floot door de ruimte. ‘Ik weet niet hoe ik moet zeggen… L’enfant…’ Ze nam een slokje dessertwijn. ‘Ik ben mijn leven lang… Als iemand…’
Will roffelde op de tafelrand. Madame wierp een furieuze blik mijn kant op. Mijn hart klopte in mijn keel. Toen liet ze haar kopje hangen. Nog voor de druppel aan haar neus op de grond viel, stortte ze zelf neer. Als een lege boodschappentas zeeg ze voor onze ogen in elkaar.
5.
Zes maanden later, we werden in beslag genomen door ons baby-dochtertje, leek alles een vage, gekleurde herinnering. Het verrassingsdiner, de uitvaart die geen uitvaart mocht zijn maar waar wel als aasgieren neven en nichten uit Frankrijk op af waren gekomen, de as-uitstrooiing vanaf de Magere Brug, de urn die het water in kukelde.
We hadden nergens meer op gerekend. Zowaar leek Will eindelijk enig succes te boeken met een solo-cd op Spotify.
Misschien was ik labiel, ik kwam net uit het park, ik had de draagzak nog om, maar ik barstte in huilen uit bij de brief van de notaris. Het had mr. Michaud behaagd haar vermogen aan Juges sans Frontières na te laten, maar haar hypotheekvrije appartement was voor ons. Nee, dat zeg ik verkeerd, ze had het aan ons kind nagelaten. Wij mochten, zolang nodig, het daar opvoeden. In een begeleidend krabbeltje had ze mij op het hart gedrukt snel op zoek te gaan naar een baan.
Twee keer met de bakfiets en we waren verhuisd. Nooit trok ik zo voldaan de stroeve deur van ons krotje dicht.
De sleutels van de Weesperzijde, die maanden, jaren, als een tantaluskwelling aan het haakje in de gang hingen, deden het nog.
Dankbaarheid kon je overdrijven, maar het minste wat we konden doen was onze dochter op een of andere manier naar haar te vernoemen.
‘Wil je weten wat ik in de fragilité had gedaan?’ vroeg Will de eerste avond in onze nieuwe huis.
Ik keek hem sprakeloos aan.
Hij snoof kort achter zijn vrouwelijke hand.
Deceptie. Sof. Domper.
| Pornograaf van het eerste uur Peter Muller en een van zijn creaties. |
Deceptie, dat veelkoppige monster, overviel mij vanochtend. Ik sloeg de krant open, bladerde hem tot het eind door, en daar stond zij: deceptie. Sof. Domper. Waar iets had moeten zijn, was niets. Waar mijn kerstverhaal, De mantel der liefde, dat ik tot mijn eigen bejubeling aan Het Parool had verkocht, me had moeten toelachen, grimlachte de grote leegte. Een verklaring was er niet, alleen een teleurstelling. Wat te doen? Woede een kans geven? Jawel, maar niet voor lang. Want uit woede wordt zelden poëzie geboren, die verteerbaar is. Vinnige, venijnige, vlijmscherpe emails componeren en afvuren naar de aanbrengers van mijn deceptie, eisende een verklaring? Zinloos. Douchen leek me nog het beste. Daarna wandelen. Dan koekjes bakken. Dan werken, met de handen liefst. Bezig zijn, de gedachten dwingen de andere kant op te gaan. Alles om maar niet terug te keren naar de bron van de deceptie, het tobben over mogelijke verklaringen, het aantrekken van het boetekleed, de zelfhaat, de zelfkleinering. Allemaal onnodig, en zelfs destructief voor een Scheppend Kunstenaar. Het geloof in de vooruitgang van het scheppen, in de zin van het scheppen, in het scheppen an sich, mag niet worden aangetast, anders wankelt het Project, het levensplan, thans pakweg vijftien jaar oud, en 'kunnen we wel ophouden'. Onder de toonbank. Pornografie en erotica in de Nederlanden, in de kerstuitverkoop aangeschaft bij Van Oorschot, onder het genot van dunne snert met wors: ja, daar kan ik wel wat mee. Als iets troost, dan porno.
Infatuation
![]() |
| Greg Minah |
In the refreshingly empty surroundings of Marqt at Ceintuurbaan, I bumped into an infatuation from 24 years ago. That is to say, I didn't bump into her, I saw her striding through the aisles, in a fashionable vintage coat, her formerly blonde, now ashblonde-greyish hair still long, and – my god, was she in a good shape (afterwards, she would actually show off her good shape to me, opening her jacket like an exhibitionist, which was overdoing it a bit). I knew she was a mother, dividing her time between New York and Amsterdam, and well, trying to have a life (like all of us). Anyway, the reason I am recounting all this, is that yes, I thought of our infatuation back then, before all of us made decisions and got stuck etcetera. What a wonderful word. Maybe I was only infatuated with her so that I could use the word. Anyway, nothing happened, and, of course, nothing will ever happen. The opportunity passed, like a train in the night, and that train is never coming back; it got off the rails and was turned into scrap metal. I don't feel sorry about this. I was looking at her while she was bragging about her kids, her house, her everything. I looked straight into her big brown eyes. While I was looking at her, and admiring her shape, – she must have noticed that –, I thought about the awkward way she just greeted me. She took me by the arms, my face was approaching hers, but suddenly I found myself peering over her shoulder into the shelves with overpriced glutenfree products while my lips were searching for something like a fish out of water. I was being air hugged. Why? Was she afraid of germs? Was she afraid of a kiss, on the lips, a french kiss perhaps? I hadn't been planning on one.
Greg Minah's satisfying paint porn.
Muts
Meedoen of niet meedoen, dat is de vraag. Wie meedoet geeft zijn zwaarbevochten vrijheid op, waarvoor hij hartverwarmend samenzijn terugkrijgt. Dat is de trade off. Maar ik heb moeite met dat opgeven van die vrijheid. Niet omdat ik me beter voel. Niet omdat ik niet mee wil doen, want ik doe wel mee. Maar omdat het gezicht me niet bevalt, het gezicht van een eenvormig gezelschap, een groep meedoeners, sorry: deelnemers, een groep mensen die zijn vrijheid en, daar kom je niet onderuit, kritisch vermogen heeft geofferd.
Wie een gezin sticht doet per definitie mee. En daaruit volgt een hele keten van meedaden, deelnemingen, waaraan je/ik je/me niet zo 1,2,3 of 4,5,6 kunt/kan onttrekken. Zo had ik ja gezegd tegen een kerstkoortje op het schoolplein van mijn kinderen. Ik vraag me af of W.F. Hermans, die ook vader was, mee had gedaan aan een kerstkoortje op het schoolplein, of dat hij toch liever achter de gymzaal een kogel door zijn slaap had gejaagd.
In dat koor kon je ook weer meedoen. Met zingen bijvoorbeeld. Dat deed ik, want lid zijn van een koor en niet willen zingen is zoiets als neuken en niet willen klaarkomen. (Of wel willen klaarkomen maar niet kreunen; nu ja, vul zelf in.) Maar was het ook noodzakelijk om een muts op te zetten? Nee, noodzakelijk was dat niet, maar voor dat ik het wist had iedereen een muts op en werd mijn tegenargument dat ik geen muts had vermorzeld door een kerstkoorlid dat mij, tijdens de laatste repetitie, een muts in mijn maat in de hand duwde.
Ik heb een gevoel dat vrouwen beter kunnen en willen meedoen dan mannen, maar het is gevaarlijk om op dit punt te generaliseren. Het zijn toch mannen geweest die zich Hitler's Willing Executioners hebben betoond. En aan vrouwelijke verzetshelden geen gebrek (zoals Tante Truus bijvoorbeeld, over wie ik pas kortgeleden hoorde).
Gisteravond, tijdens de uitvoering, zat ik ook een beetje in het naoorlogs verzet door te zingen zonder muts.
Die was ik zogenaamd vergeten.
Een kleine overwinning op het conformisme, of ordinaire ijdelheid.
Packaged entertainment
| Het etiket was mooier dan de smaak |
Laat op de avond nog even een biertje met Nieuwe Vriend P., jawel, natuurlijk, geen probleem, leuk zelfs, maar als we bij biercafé (welk café is heden ten dage geen biercafé) Gollem aankomen is het daar poepdruk want: pubquiz, daar was ik al bang voor, er is altijd iets, mensen kunnen zich niet meer gewoon vermaken, wat oudehoeren onder het genot van een gerstenat of twee, nee, zij moeten omringd door duizend biersoorten worden verleukt met door een onzichtbare quizmaster via de geluidsversterker gestelde vragen als 'Op welk continent ligt het Victoriameer?' (een vraag waarop ik het antwoord trouwens wel wist), 'Hoe noemt men een test waarbij de vorm van inktvlekken moeten worden geïnterpreteerd?' (idem) en 'Juist of niet juist: in de derde aflevering van het vierde seizoen van Game of Thrones geeft Banisbor aan juffrouw Julenati geen oorvijg maar een klysma' (geen idee) en 'Hoeveel blokken heeft een Minecraft-speler minimaal nodig om een jacuzzi te bouwen voor een geamputeerde lama' (idem). Packaged entertainment. Tijdens ons geoudehoer werden we aldus gestoord door een vraag, die onmogelijk viel te negeren. Een pubquiz-vraag negeren is als proberen niet aan een blauwe olifant te denken. Team 'Morele winnaars', een kluitje lieverds van studenten naast ons, wonnen nipt de quiz en waren uitzinnig. Wij waren ook wel een beetje trots omdat we ze een en ander hadden ingefluisterd (ook, naar later bleek, foute antwoorden). Toen de te raden muziekfragmenten klonken, uitgevoerd op draaiorgel dan wel valse blokfluit, riep Nieuwe Vriend P.: 'Dit is toch allemaal hartstikke leuk?' Leuk, inderdaad. Maar veel leuker dan dit moet het niet worden.
Een gruwelijke vergissing
![]() |
| Max Ernst: Oedipe Rex |
Je – ik – wil nog wel eens vergeten dat Oedipus p e r o n g e l u k zijn vader vermoordde en zijn moeder huwde (zijn ogen stak hij dan weer w e l opzettelijk en bij volle bewustzijn, mogen we aannemen, uit; aan de andere kant, wellicht was hij toen van de ratten bezeken. Goed.). Dit oerdrama berust dus op een verschrikkelijke vergissing. Is het mogelijk je zo gruwelijk te vergissen? Tot twee keer toe? De moord op de vader lijkt er in de diverse varianten op de mythe met de haren bijgesleept: een zwak plotpunt. Ter opfrissing van het geheugen: Oedidpus komt per ongeluk een grijsaard tegen in een koets en krijgt het met hem aan de stok, hetgeen dus tot de abusievelijke vadermoord leidt. Een vorm van road rage avant la lettre, maar niet erg geloofwaardig. Als hij dan de troon bestijgt, die van zijn vader, zonder dat zijn moeder, de weduwe, weet dat O. haar zoon is, denk je opnieuw: dat kan beter. De persoonsverwisseling, de incognito verschijning, de dubbele identiteit, het zijn narratieve stoplappen (hoewel ik die ook heb gebruikt in FAKE). Toch blijft de vadermoord en het moederhuwelijk tot de verbeelding spreken, misschien omdat ze, nou ja, dat had Freud natuurlijk goed gezien, zij het om de verkeerde redenen, een terugkerend patroon laten zien. We kennen allemaal mannen die met hun 'moeder' zijn getrouwd (ik ben er zo een, en als u eerlijk bent, u ook), maar dan zit je nog met die vadermoord. De zoon moet definitief breken met de vader, door, ja, wat ook alweer te doen? De familienaam te schande maken?
Pap
| Jacob Jordaens: De pap eter |
Wat, if anything, moet een mens ontbijten, elke ochtend opnieuw? En wat moet een ouder bijgevolg zijn kindmens voorzetten? Onder tijdstress, ook nog, want in het weekend is er geen centje pijn, dan wordt ontbijten een nieuwe religie. Na tijdenlang yoghurt met fruit en muesli te hebben gemaakt voor de leden van mijn gezin, hoorde ik van de Zaligmaker, net terug uit Noorwegen, dat ze wel eens pap wilde proberen.
Pap.
Ik heb er geen traumatische herinneringen aan en ik sta overal voor open. Om het papverhaal in de ochtend wat, nou ja, verteerbaarder (lees: makkelijker) te maken, had ik kant en klare pap gekocht van de firma Campina. In twee smaken: havermoutpap en rijstepap. Ik dacht daarmee mijn gezinsleden een keuze te geven en daardoor meer vrijheid en geluk.
'Getverdemme, dit is geen pap!' riep de Zaligmaker. 'Dit is lijm!' Ze gooide het lepeltje erbij neer. De kinderen, die nog moedig een of twee happen door hun strotjes hadden laten glijden, moesten toegeven dat het inderdaad heel erg vies was. Fijn om dat eindelijk eens straffeloos te mogen uitroepen, las ik op het gezicht van de vijfjarige.
Zeker, het was mij bij de bereiding al opgevallen dat de substantie in de pakken een zekere overkomst vertoonde met kots, maar schijn kan bedriegen, bedroog ik mezelf en stak mijn vinger in het pannetje waarin ik een en ander probeerde op te warmen en proefde... niets. Dat wil zeggen: geen havermout in het geval van de havermoutpap en geen rijst bij de rijstepap.
Eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat het ook niet naar kots smaakte.
Minder zuur.
Enigszins beledigd stapte ik onder de douche. 'Maak jij maar ontbijt dan als je het zo goed weet!'
Later zag ik dat ze de ontbijtkommen een voor een had leeggekieperd. Eten weggooien, het blijft een van de grootste zonden in dit – maak daarvan: in mijn – huishouden, maar nu gooide ik met een perverse goesting de halfvolle Campina-pakken erachteraan.
Pret
'Sneeuw!'
De vijfjarige is extatisch, heeft naar dit moment, aangemoedigd door haar vader, Bing Crosby c.s. dagen, weken verlangd.
Snel naar buiten!
De negenjarige is niet bij de tizie weg te branden.
Ik ben nog niet aangekleed, dus ik zeg: 'Ga jij maar alvast.'
De vijfjarige wordt ingepakt en gaat de straat op.
'Stel dat we haar nooit meer terugzien,' zegt mijn vrouw bij de koffie.
Verdwijnen is het ergste. Erger dan kika, dode hoek, rape & murder misschien nog wel.
Misschien.
Misschien.
Het is 09.19. Precies een kwartier later eist ze dat ik haar sneeuwpret kom organiseren, vormgeven, begeleiden, invullen.
Ik gehoorzaam en ik moet opschieten, dat begrijp ik. Sneeuw is en blijft magie, maar in Holland duurt magie nooit lang. Magie mag niet. Magie moet zo snel mogelijk omgezet in modder.
Ik gehoorzaam en ik moet opschieten, dat begrijp ik. Sneeuw is en blijft magie, maar in Holland duurt magie nooit lang. Magie mag niet. Magie moet zo snel mogelijk omgezet in modder.
Ik neem een dienblad mee, bind daaraan een stuk touw en verzoek mijn dochter om plaats te nemen. Niet ongelijk een paard een koets in Central Park, trek ik haar een paar rondjes door het park. Nadat we wat halfslachtige sneeuwpoppogingen hebben ondernomen, ik ben een slechte poppenbouwer, en alles is vastgelegd voor de digitale couch potatoes, willen we weer naar binnen.
De sneeuwpret heeft alles bij elkaar een uur geduurd. Een uur van de wakkere zestien die er doorgaans in een dag zitten.
De sneeuw begint te smelten.
Ik verlang naar een borrel.
Scheef
Bij de kerstbomenverkoop kom ik mijn pianostemmer tegen. 'Ik heb een probleem met mijn piano, een van de toetsen zit vast en hij moet hoognodig gestemd worden.'
Hij gaat kijken of hij tijd heeft. Hij vertelt dat zijn vriendin in januari is overleden aan alvleesklierkanker. 'Het wordt mijn eerste, nou ja...' begint hij.
'Alenige?'
'Ja, eh... kerst.'
Ondertussen wordt voor mijn ogen het kruis onder de boom getimmerd. Scheef, naar mijn idee, maar ik ben te afgeleid, en te lui, om er een punt van te maken.
Thuisgekomen zet ik de boom neer. Scheef. Niet zomaar scheef, Pisa-scheef. Ik trek aan de ene kant, duw aan de andere, plaats diverse objecten onder het kruis, maar nog steeds: scheef. Deze scheefte vereist grovere maatregelen. Ik kantel de boom en begin de stam een eindje hoger door te zagen, voorbij de scheefte, totdat ik op iets hards, iets ondoordringbaars stuit in het hart van de boomstam: de spijker. Als ik het kruis eraf probeer te hameren, sla ik het tot moes.
Ik heb nu een scheve, half doorgezaagde boom en een kapot kruis.
Ik haat de kerst nu al, en hij is nog niet eens begonnen. Maar: wat te doen? Die spijker krijg ik er niet uit. Bovendien heb ik dan nog steeds een nieuw kruis nodig en dat zagen viel me ook zwaar.
Met hangende pootjes keer ik terug naar de kerstboomverkoper en plemp de gemaltraiteerde boom, die al helemaal nergens om gevraagd heeft, voor zijn voeten. 'Sorry maar ik weet het even niet meer.'
Hij trapt zijn peuk uit. 'So, daar saan we dan moai kloar meej, hè.' Hij zaagt het ding kaarsrecht af en slaat er een nieuw kruis onder.
'Wat krijg je van me?'
'Nee jôh, is goed so.'
Op de terugweg, met de boom in mijn nek, vraag ik me af of ik mijn pianostemmer had moeten uitnodigen voor kerst.
Abonneren op:
Posts (Atom)



