Stukslaan


Ik zit in een onooglijk cafeetje, nee, een koffiecorner heet zoiets geloof ik, bij D12 in de loser's pier van Schiphol, omdat ik een uur stuk moet slaan wegens vertraging van mijn vlucht naar Edinburgh. Een vertraging veroorzaakt bij mij dikwijls een lichte existentiële crisis. Waarom moet ik eigenlijk ook weer zo nodig naar Edinburgh, wat denk ik te vinden in Edinburgh wat ik niet ook in Amsterdam zou kunnen vinden, en ook: waar was dat gehaast goed voor; reizen, hetgeen toch als een soort verhevigd leven is op te vatten, komt me nog zinlozer voor dan normaal. Maar goed, gezeten aan een straftafeltje, met een cappuccino in de hand, grappenmakend verzorgd door een guitige jongen met geblondeerd haar die mijn zoon had kunnen zijn, valt het allemaal alweer reuze mee, zo'n vertraging; sterker, je gaat het als een voordeel zien. Winst. Zo onchristelijk vroeg als die vlucht ging, was ook onzin, ik was me al aan het afvragen hoe ik twee uur in Edinburgh kon stukslaan aangezien ik me ook niet te vroeg bij mijn afspraak wil melden. Te vroeg heeft iets wanhopigs, en ik ben geloof ik niet wanhopig. Ik hou er bij nader inzien erg van om uren stuk te slaan, zolang ik maar over lees- cq. schrijfmateriaal beschik. Uren stukslaan ontslaat je van welke andere activiteit dan ook, je stelt je in staat de wereld in al zijn glorie te aanschouwen zoals die is, in plaats van als een doorgangsplaats. Ik meld me weer bij de guitige jongen achter de koffiecorner, die het niet heel druk heeft (maar wat wil je ook met die prijzen, en in deze uithoek van de luchthaven). 'Moet ik nog iets bestellen, wat vind jij? Heb ik alweer een zoetigheid verdiend?'
'Als ik verstandig zou zijn, zou ik een appel nemen.' Hij knikt naar het koelvak met de appels. 'Maar uiteindelijk zou ik toch kiezen voor de muffin.'

Luilakken aller landen, verenigt u



Voor de eerste keer in mijn 27-jarige bestaan als alumnus wijsbegeerte bezoek ik een lezing georganiseerd door de alumni-kring Wijsbegeerte. Het gaat over het basisinkomen, en de lector in kwestie, Gijs van Donselaar, gaat een argument daartegen aanvoeren. Dit alles heeft mijn interesse. Ikzelf geloof dat over vijftig jaar het basisinkomen algemeen is, robots het meeste hand- en denkwerk doen en er voor de mens alleen nog hier en daar 'leuk' vrijwilligerswerk overblijft. Maar Van Donselaar heeft niks met zulke empirische voorspellingen, het gaat hem om de redenering achter het idee. Dat idee, overigens, stamt niet van Rutger Bregman, maar van Philippe van Parijs, een filosoof aan de Universiteit van Leuven. Die probeerde, dertig jaar geleden, een middenweg te vinden tussen libertair en socialistisch, (tussen vrijheid en gelijkheid, in wezen), dat recht deed aan zijn gevoel dat zelfs iemand die van alle arbeid afziet, nog steeds recht heeft op inkomen (zijn baanbrekende artikel dat hij schreef voor een lezing aan Harvard is niet ongeestig getiteld, Why surfers should be fed.) Maar Van Donselaar is het hartgrondig met Van Parijs oneens en toonde vrij overtuigend aan dat Van Parijs' argumentatie logisch gezien spaak loopt. Ik dacht: dat komt omdat Van Parijs teveel verwacht van het UBI (universal basic income), namelijk 'real freedom for all'. Dat lijkt me teveel van het goede. Ik zou zeggen: het basisinkomen koppelt inkomen los van arbeid. Dat alleen al is een afscheid van de diepgewortelde christelijke arbeidsmoraal onder welks juk wij nog altijd zwichten maar die we voor het eerst in de geschiedenis, dankzij onze ongekende welvaart, bij het grofvuil zouden kunnen zetten. Het is mij een raadsel waarom de SP dit idee niet omarmt. Het zou Liliane Marijnissen, die er trouwens uitziet alsof ze wel een basisinkomen kan gebruiken, een enorm USP (unique selling point) geven ten opzichte van de andere linkse (en rechtse) partijen, maar ik heb er geen verstand van. Arbeid is alleen zaligmakend als het zaligmakende arbeid is.

Strepen

Jiskefet deed het corps beter dan het corps het corps deed.

Vanmiddag liet ik me voor het karretje spannen van de Volkskrant. De audiovisuele afdeling van deze krant wilde het diepte-interview van een jaar geleden, Van Corpsbal naar Knor, nog eens dunnetjes overdoen, maar dan met bewegend beeld. Tizie dus. Let wel: geen gewone tizie, want Vk zit volgens mij niet op de kabel, maar weptizie. Hoewel, wie weet nog wat tizie is? Ik heb overal ja op gezegd want ik heb een boek te verkopen. Een schrijver is geen hoer, maar een boer; hij denkt altijd aan aardappels. Gotta move product. Enfin, vandaag was het dan zo ver. De Opnames. Die vonden niet plaats op de soos van het ASC, want die waren niet zo geamuseerd door mijn roman (leid ik af uit hun passief agressieve gedrag), maar op die van de SSRA, zeg maar het kleine broertje of zusje van ASC, aan de Leidsegracht. Alles is kleiner aan de SSRA, behalve hun studentikoziteit en drankzucht (leid ik af aan de lucht die ik er aantrof). Maar ze zijn ook een beetje hippie, en dan heb je bij mij een streepje voor. Twee leden schudde ik de hand. Eentje deed de bar, de ander was praeses. Die de bar deed was een lieverd, met rommelig haar en een kettinkje om. De praeses deed vooral zijn best corporaal over te komen en slaagde daar ook wel in. Hij leerde me wat strepen is. Strepen is een bierglas waar nog een laatste restje in zit, leeg gooien op iemand anders, van een afstandje. Het bodempje eruit schieten, als het ware. De praeses deed het voor – droog. Ik begreep het. Zie hier de corporale vernieuwing in dertig jaar. Toen ik mijn boek cadeau deed, zei de praeses, die temidden van een teringbende achter een mini-laptopje zat: 'Dank je. Die gaat in de archiefkast.'

What's in a naambakje?



Omdat ik een half uur moet stukslaan op een Montessorischool terwijl de negenjarige boven wordt beziggehouden door een logopediste, verschans ik mij op een krukje temidden van balsturige naschoolse opvangpeuters en -kleuters, met op schoot Asymmetrie, Lisa Halliday's gehypte debuutroman, die Medische Broer mij even daarvoor tijdens de lunch in handen duwde omdat hij er zelf niet doorheen kwam. Het valt mij, meteen al op de eerste pagina' s, zwaar om niet te denken: 'ouwe snoeperd' en 'arm schaap' ten aanzien van respectievelijk de 'beroemde schrijver' in wie je in ongeveer 1 nanoseconde Philip Roth herkent en 'Alice', in wie je in een 1/1000ste nanoseconde de debuterende autrice herkent.
Het is altijd leerzaam om te lezen over andermans veroveringstactieken, maar ik kan Medische Broer nog niet beloven dat ik wel door dit meesterwerk heen kom. Ik had het boek van hem aangenomen zeggende: 'Dat is iets voor de Grote Gelukbrenger,' maar toen keek hij zo teleurgesteld, dat ik eraan toevoegde, 'maar ik wil het ook lezen'.
Tijdens het lezen word ik afgeleid door een roedel drie-,vierjarigen die tegen de kaft aantikken, de bladzijden ombuigen of het boek uit mijn handen proberen te rukken. De vermaning 'hou 's op' blijkt weinig effect te hebben. Waarom? Dit zijn Franse kindertjes, dat wil zeggen kindertjes van Franse expats, die niet schaars zijn in dit deel van de stad.
Nu begrijp ik de 'Victoire' op een van de naam-bakjes. Geen veelvoorkomende naam. In Nederland ken ik maar één persoon die zo heet, maar die ken ik dan wel vrij goed: mijn moeder.
'Qui s'appelle Victoire?' vraag ik aan de roedel.
'Moi,' zegt een blond jongetje, dezelfde die het boek uit mijn handen probeert te rukken, maar de anderen schudden van nee, hij liegt.
Een meisje, geen verlegen meisje, met donkere haren een eindje verderop luistert wel naar die naam. Is het sentimenteel van mij om in haar mijn moeder te willen zien, op die leeftijd?

Letter to the editor



Dankzij IDFA documentaires gebingewatched de afgelopen tijd, en ze waren allemaal te lang. Wat is dat met documentaires, dat ze de neiging hebben te lang te zijn? Natuurlijk, alles is te lang, als je eenmaal ergens aan begint wil je dat het zo snel mogelijk voorbij is, verheug je je op het einde, de pauze, de terugtocht, het afscheid, slapen. Maar bij de documentaires die ik zag, de korte niet uitgezonderd, overviel me, veel vaker dan zoiets me bij fictiefilms overvalt, het gevoel dat de editor had zitten slapen.
The Ambassador's Wife bijvoorbeeld, een korte documentaire schets van de Franse ambassadeursvrouw in Burkina Faso, die haar dagen vult met zwemmen, zingen en zitten, bevatte een aantal mooie scenes, maar de mooite van die scenes werd ernstig ondermijnd door hun lengte. Zo zien we Madame l'Ambassadeur baantjes trekken in het zwembad in haar weelderige tuin, terwijl een eindje verderop zwarte arbeiders de oude tennisbaan wegbeitelen om een nieuwe aan te kunnen leggen. Een heerlijke scene. Maar hij had de helft korter gemoeten, om een 'ja-nu-weten-we-het-wel' te voorkomen.
Ander voorbeeld, uit, alweer een commentaarloze 'slice of life'-film, The Potato Eaters, met dit keer de focus op een arme familie op het Russische platteland. Soms leek het alsof de documentairemaakster de camera had opgesteld in de leefruimte van deze aardappeleters, hem uren, zo niet dagen had laten draaien, om er daarna de beste stukjes uit te knippen.
De digitale revolutie heeft het mogelijk en betaalbaar gemaakt om op die manier te werk te gaan, en het levert ook prima beelden op. Het maakt niet uit waar je je camera op richt, als je hem maar lang genoeg aan laat staan, krijg je vanzelf prima beelden.
Een andere overweging lijkt te zijn bij met name Nederlandse documentaires die in een ver land te zijn gemaakt: 'We zijn er nou toch, dus laten we maar zoveel mogelijk schieten, en daar zo veel mogelijk van gebruiken, anders is het zonde.'
Cut!

Kreeft

Maria Kraakman door Pablo Delfos

Als de NRC schrijft dat je een dief bent van je eigen geluk als je Het jaar van de kreeft links laat liggen, het stuk van Luc Perceval naar Hugo Claus' jaren zeventig-roman, dan ben je op zijn minst een dief van je eigen nieuwsgierigheid als je niet even gaat kijken.
Ik las Claus toen ik een jaar of zestien, zeventien was – rijkelijk jong inderdaad. Mij staat eigenlijk alleen nog bij dat een groep mensen dronken en lachten en grofheden bezigden en vrijden, al naar gelang het uitkwam. Van plot, karakters of verdere eigenaardigheden uit die roman kan ik me niets herinneren.
Het toneelstuk is teruggebracht tot de onmogelijke liefde tussen een man (over wie we verder niets te weten komen) en een getrouwde moeder met klein kind, gespeeld door Gijs Scholten van Aschat en Maria Kraakman, begeleid door repetitieve solo-piano, en temidden van een driedimensionaal gordijn van opblaaspoppen (met erectie). Het enige dat ik vooraf wist was dat het fysiek theater zou zijn. Dit klopt. De lichamelijkheid maakt de meeste indruk in het stuk. Kraakman die onder Scholten van Aschats benen door piept ondersteboven hangend achter zijn rug (don't try this at home, tenzij u in de porno-industrie werkzaam bent), en hoe zij met kleine pasjes over het hele toneel bij hem weg danst: een heerlijke scène. Vechten en vrijen verbeelden ze – wijselijk – alleen symbolisch. De liefde is al vermoeiend genoeg.
Na afloop voelde ik dat dit stuk gedateerd was, maar waar ligt dit nu aan? Volgens de vrouwen in mijn gezelschap ligt het aan het beeld van de vrouw als hysterica. Volgens mij ligt het aan dat van de man als eeuwig geile bok. Misschien hebben we allebei gelijk.
Het sterkste aan het script is de manier waarop dialoog en voice over in elkaar overlopen. De acteurs schakelen naadloos over van verteller naar speler en terug. Alles kan, en het is merkwaardig dat niet veel meer (toneel)schrijvers van die vrijheid gebruik maken.

Verwende krengen



Vanochtend mochten ze hun schoen zetten en de Grote Vreugdebrenger had weer haar uiterste best gedaan om, zelfs op de vierkante centimeter, ieder op zijn wenken te bedienen. En dat in ruil voor een uitgedroogde wortel.
'Hé.'
'Zit er wat in?' vragen wij, vanuit bed.
'Ja!'
'Pak maar uit dan.'
'Een kettinkje!' Trots komt de vijfjarige haar buit laten zien. Ik zie onmiddellijk gevaren, bijvoorbeeld dat ze met dat kettinkje ergens achter blijft hangen, auto-strangulatie enzovoorts, maar ik heb niets in te brengen, want ik doe de inkopen niet.
De negenjarige blijft tactisch achter, maar komt nu toch ook zijn nest uit om te kijken wat de Grand Wizard in zijn schoen heeft gestopt. Een katapultje. Met balletjes om te schieten. Leuk. Hij is niet teleurgesteld. Nee, hij is blij, geloof ik, begint een oorlogje. Wij zoeken dekking.
De vijfjarige kijkt sip. 'Stom kettinkje.'
'Sorry maar dat is toch wel een beetje verwend, hoor,' mompel ik, terwijl ik me uit bed hijs voor nog een, nou ja, dag.
'Stomme pappa.'
'Zeg, hou 's op. Anders mag je je schoen helemaal niet meer zetten.'
De negenjarige laat nu ook een klaagzang horen. Wat nu weer? Hij is een balletje kwijt. 'Moet je beter opletten als je schiet. Gewoon even zoeken.'
Ik snap niet waarop ik hier nog woorden aan vuilmaak. Even later pluk ik het balletje onder de centrale verwarming vandaan. Hij blij, ik blij en de vijfjarige ziet inmiddels ook weer wat in haar kettinkje.
'Weet je wat wij in onze schoen vonden, als er al iets in zat?' probeert de opa in mij de discussie bij het ontbijt breder te trekken.
Wacht even, weet ik zelf het antwoord nog wel? O ja, toch wel.
Weet iemand wat taai-taai is?'
De negenjarige: 'Dat is toch van dat eten met rijst en hete pepers?'

Dear Maarten Biesheuvel,



Gecondoleerd met uw vrouw, die ik, dankzij Verhalen uit het gekkenhuis, ook een beetje heb leren kennen.
Het verlies van een geliefde geeft de grootste pijn, maar als een geliefde, zoals in uw geval – en als ik heel eerlijk ben, ook in het mijne – van cruciaal belang is om te kunnen functioneren in wat men wel noemt de maatschappij, dan is het ook een regelrechte ramp.
Laat ik meteen terzake komen: ik wil u bij deze graag een safe haven bieden, in elk geval voor de winter, in mijn kantoor in de tuin. Wij zijn niet ruim behuisd, maar wij geloven in knusheid. Als ik het goed begrijp leest u klassiekers en schrijft u tussen de bedrijven ook nog eens wat. U moet uw medicijnen innemen. Misschien moet u af en toe een wandelingetje maken. Dit alles lijkt me heel wel te combineren met onze agenda.
Misschien haalt u enige levensvreugde uit de nabijheid van mijn kleine kinderen, die zeker af en toe op uw deur zullen komen kloppen. (De deur kan op slot. In de ochtend zullen we ze bij u vandaan houden.)
Mijn kantoor in de tuin heeft weliswaar geen stromend water, wel valt het daglicht via het glazen dak naar binnen, hetgeen een heilzaam effect heeft op de gemoedstoestand (en op het animo om te schrijven, trouwens). Geen mens is immuun voor lichttherapie, als we Philips mogen geloven. U zult nog plezier beleven, en wellicht een kort verhaal willen wijden, aan de strapatsen van Tommy, onze poes, die niet alleen graag jongleert met al dan niet in terminale fase verkerende muizen, maar ook van tak tot tak vliegt om duiven te grazen te nemen (doorgaans zonder succes). Op voornoemd glazen dak klimt hij niet zelden, om te kijken wat je aan het doen bent. Ik beloof dat dit de enige inbreuk zal zijn op uw privacy.
Indien gewenst zal ik 's avonds voor u een mopje piano spelen.
De Grote Roerganger kennende, denk ik dat zij u er nog wel bij kan hebben, tegen een kleine vergoeding, uiteraard, want in de literatuur kun je niet wonen en voor niets gaat zelfs de zon tegenwoordig niet meer op.

Hartelijks, nogmaals sterkte, en hopende van u te horen,

Viktor Frölke, schrijver en ex-gek


Verkeerde boodschap



De Grote Roerganger deed een beroep op mij: onderzoeken of HifiKlubben een bescheiden tizie van onder de vijfhonderd euro in zijn assortiment had. Dat onderzoek mocht telefonisch, maar ik had goesting om het huis te ontvluchten dus rapporteerde dat ik helemaal naar buiten zou gaan en naar de winkel zou fietsen en daar zou gaan kijken hoe of wat.
Prima, zei ze, maar nog niets kopen. Alleen onderzoeken.
Ik was nog nooit bij HifiKlubben geweest. Zoals elke man heb ik een zwak voor apparatuur. De Freudiaan in mij heeft hiervoor een theorie, maar die zal ik u besparen. WELCOME LISTENERS stond er bij de ingang. Ik dacht, ik kom niet om te luisteren, maar om te kijken, maar gelukkig, zag ik vanuit mijn ooghoek, verkochten ze ook tizies.
De showroom was helverlicht en helemaal verlaten.
Hebben jullie misschien een kleine tizie van onder de vijfhonderd euro? riep ik tegen niemand in het bijzonder.
Jazeker, antwoordde een genadeloos opgewekte vijftiger met een grijze kuif, die op mij toesnelde. Hij bracht me naar de tizie. Er was niets aan gelogen, sterker: het was precies wat ik – herstel: de Grote Roerganger – zocht.
U treft het, want vandaag gaat er vijftig euro van de prijs af. Dus 429 in plaats van 479.
Ik moet even bellen met de Grote Roerganger.
De verkoper knikte begrijpend. Ik belde en bracht verslag uit. Zal ik hem kopen?
Nee! Absoluut niet! Dat heb ik je toch gezegd!
Ze hing op.
Als u hem nu koopt, zei de verkoper, die het telefoongesprek hoofdschuddend had aangezien, kunt u hem morgen weer terugbrengen. Geen centje pijn.
Ik kocht de tizie, denkende: als De GR hem niet wil hebben, hou ik hem voor mezelf.
Door de storm fietste ik terug met de tizie onder mijn arm. De GR zag me komen, opende de voordeur en beet me toe: Wat had ik nou gezegd? Ga maar weer terugbrengen. Wat ben je nou voor iemand? Ik zei, onderzoeken, niet kopen!
Ze sloeg de deur in mijn gezicht dicht.
Ik zocht een verklaring in de sterren, maar er waren geen sterren.
Toen ik de tizie in de gang had gezet, kwam de vijfjarige me troosten. Ik vind jou wel lief, hoor pappie.


Eenakter voor zeven volwassenen waarin niets gebeurt



Man A leest in zijn woonkamer de krant, als Man B met de fiets arriveert. Ze begroeten elkaar al door het venster, maar als Man A naar de deur komt en Man B opendoet en zegt: 'Welkom, Man C' antwoordt deze: 'Ik ben Man B'.
'Maar natuurlijk,' zegt Man A, 'ik haalde jullie baardjes door elkaar.'
Man B heeft een sixpack bier meegenomen. Als Man A hem vervolgens hieruit een biertje offreert, zegt Man B: 'Ja, graag.'
Man C staat voor de deur. Man A doet hem open, zijn ogen vallen onwillekeurig op Man C's schone, witte gymschoenen in een maat die, schat hij, rond de 46 moet zijn.
Man C haalt uit zijn rugzak een stapel verlijmde pakketjes drukwerk en gaat bij Man B aan de eettafel zitten. De twee kennen elkaar, raken met elkaar in gesprek. Man A schenkt voor Man C desgewenst een ijsthee in.
Op de stoep drentelt ondertussen Man D, die opvalt door zijn halflange haar en dikke bril, en niet veel later, dient Man E zich aan. Hij is lang, lacht veel en draagt een brilletje in de vorm van het NS-logo. Man E legt een plastic bak op tafel, haalt het deksel ervan af. De inhoud bestaat uit beige bolletjes, zoals die uit de maag van een heroïne-smokkelaar zouden kunnen worden gepompt.
Inmiddels staat Man F voor de deur. Man F is geheel in het zwart gekleed. Zijn ogen knijpen zich samen tot ironische spleten. Ook hij heeft een rugzak bij zich.
'Komen er nog vrouwen?' vraagt Man A.
Man B en Man C overleggen kort. Man C zegt: 'Vrouw G. heeft toegezegd.'
Even later staat Vrouw H voor de deur. Ze heeft een geschenk meegebracht, een klein geschenk, maar toch: een geschenk. 'Maak maar open als iedereen weg is,' zegt ze.
Er bevinden zich nu zes mannen en een vrouw in de woonkamer van Man A, die zorgt dat iedereen wat te drinken heeft.
Man C zegt iets., waarop Man A ook nog iets zegt, voordat hij een fles ontkurkt. Hij geeft iedereen een glas van hetzelfde goedje.
Op de kop af twee uur na de komst van Man B, zet Man A  een muziekje op. Een muziekje, waarvan Man A hoopt dat het Man C, de enige wiens muzieksmaak hij kent, zou kunnen bekoren.
Prompt kondigt Man C zijn vertrek aan, en in zijn kielzog ook Man B. Man D, E en F kunnen nu niet achterblijven.
Vrouw H houdt het ook voor gezien.
Als iedereen weg is, maakt Man A verheugd het pakje open.