Voorafgaand aan de ochtend VII
Als betrof het hier een eeuwenoude traditie, werden in stilte alle tafeltjes en stoelen aan de kant geschoven en ontblootten alle mannen hun ruggen, de ene na de andere werd zichtbaar, en stelden ze zich zodanig op, dat Timeu en Inzig, maar vooral Timeu, er makkelijk bij kon. De vrouw achter de bar, Zenu heette ze, ging van de weeromstuit, omdat ze niet dacht binnenkort nog bestellingen te ontvangen, de toog schoonmaken, waarbij ze de neusvleugels van haar haviksneus, waarschijnlijk een of andere tic, wijdopen zette. Inzig keek uit over de zee van mannenruggen en verbaasde zich erover, dat zij allen behaard waren, maar daarvoor waren het mannenruggen. En zij waren niet alleen behaard, maar ook bespikkeld, beschadigd, gekloofd, gehavend, en wat dies meer zij, en er zouden, gegeven de geestdrift waarmee Timeu de zweep hanteerde, vermoedelijk nog meer oneffenheden op deze blote mannenhuiden ontstaan. Timeu deelde de eerste klap uit, zonder ook maar een woord of gebaar van ceremonie, aan een kleinere, oudere man die als een gebalde vuist op de koude stenen vloer lag en die, voordat hij ineen was gedoken, en zijn neus naar zijn knieën had gebracht, Inzig een blik had toegeworpen van intense tevredenheid, onder zijn niet te missen want volstrekt detonerende haarstuk. IJdelheid was, ook in C, een factor om rekening mee te houden. De man gaf een korte gil, na Timeu's zweepslag, maar dat leek geen uiting van pijn, maar van ontzetting, omdat Timeu zijn haarstuk eraf had gezweept. Het sneue lapje was aan het uiteinde van de zweep blijven hangen.
Voorafgaand aan de ochtend VI
'Waarom draag je eigenlijk een berenvel en zwarte schmink op je huid,' vroeg Inzig aan Timeu, terwijl ze, na een kopje zeer sterke koffie samen richting C hobbelden, waar ze, zo hadden ze gemakshalve besloten, op zoek gingen naar mensen die graag de zweep over de rug gelegd wilden hebben. 'En, now we're at it, waarom draag je een dozijn koebellen op je rug? Zo maak je het hele dorp wakker.'
'Het hele dorp is al wakker,' zei Timeu, met zijn zweep voor zich uit knallend naar een zwerfkat. Dit was niet dezelfde zwerfkat als dewelke Inzig had gevolgd door het landschap; dit was een andere, met een hoek van bijna 90 graden in zijn staart. De kat gaf een klagelijke miauw.
'En die vermomming, wat moet ik daarvan maken?'
'Wat jij wil,' sprak Timeu, en hees het koord waarmee het berenvel bij elkaar gehouden werd nog eens aan. 'Mensen denken dat ze niet vermomd zijn, maar dat zijn ze wel degelijk. Ze dragen de vermomming der middelmatigheid.'
Inzig bekeek zichzelf in het licht van de straatlantaarns die bungelden in de wind. Zoals gezegd droeg Inzig te weinig kleren, maar straalden zij middelmatigheid uit? Dat was niet meteen duidelijk. En trouwens, ging het, ceteris paribus, niet om het innerlijk? Deze overwegingen hield Inzig echter voor zich.
Ze bereikten een piepklein, licht hellend, pleintje. In een grotachtige, helverlichte bar was, Timeu had gelijk gehad, een grote uitsnede van de bevolking van C was samengepakt rondom kleine formica tafeltjes. Zo naar hun vermomming te oordelen alleen mannen; alleen achter de toog stond een vrouw, met een haviksneus en meer horloges om haar polsen dan strikt noodzakelijk. De mannen, die woeste, roodbruine koppen hadden, dronken donkerpaarse drankjes. Ze vielen en masse stil toen Timeu en Inzig binnenkwamen.
'Het zal me benieuwen,' dacht Inzig bij zichzelf, 'wie van deze mannen behoefte voelt om zich Timeu's zweep over de rug te laten leggen.'
Voorafgaand aan de ochtend V
Uren was Inzig nu al onderweg, uren die dagen leken, misschien zelfs weken, maar een bordje "C: x km" was nog niet gezien, en dat kwam niet door de duisternis. In dit landschap was men niet scheutig met naamborden, afstandsborden, of wat voor borden dan ook. Alles sprak voor zich voor wie hier al eeuwen woonde; voor de buitenstaander, zoals Inzig, bleef er weinig anders over dan gokken. Culturen hadden de neiging zich af te sluiten voor de buitenwereld; een open cultuur tekende in zekere zin zijn eigen doodsvonnis. Maar dat was allemaal academisch voor Inzig. Er was een doel, sort of, en dat doel diende, sort of, te worden bereikt. De ochtend was nog altijd niet aangebroken, de dag had nog altijd geen verlichting gebracht, toen Inzig eindelijk aankwam bij een vervallen loods aan de rand van het bergdorp, waar Timeu, gekleed in een wollen berenpak, en helemaal zwart geschminkt, drukdoende was om zweepslagen te oefenen. Verfijning of precisie was kennelijk niet Timeu's belangrijkste oogmerk; het maakte een hels kabaal. Timeu keek nauwelijks op toen Inzig de vochtige, slechts door enkele flikkerende TL-buizen verlichte loods betrad, liet alle plichtplegingen achterwege en kwam meteen terzake. 'U wenst dat ik de zweep over uw rug leg, over die van mijzelf, of dat wij op zoek gaan naar andere ruggen waaroverheen ik de zweep zou kunnen leggen?' De vraag werd meer gegromd, dan gesteld. Inzig moest hier even over nadenken; ontbraken er trouwens niet enkele opties, bijvoorbeeld dat Inzig de zweep over Timeu's rug zou leggen? Niet dat Inzig daar nu de energie voor had, maar toch. Het ging om het idee. Waarom zou Timeu een monopolie moeten hebben op het toebrengen van lichamelijke pijn?
Voorafgaand aan de ochtend IV
De professionele zaklantaarn was leeg, maar Inzigs nacht was nog niet ten einde; het verhaal moest zich afspelen in natuurlijke duisternis, die dankzij de hemellichamen, altijd relatief is. Het spoor liep steeds steiler omhoog, C was nog altijd niet bereikt, hoewel er in de verte zweepslagen klonken, hetgeen op menselijke bedrijvigheid wees. Rustige, beheerste zweepslagen, met een interval van negen seconden – zonder bijbehorende pijnschreeuw, evenwel. 'Wat een vreemd tijdstip voor zweepslagen,' dacht Inzig, opkijkend naar de maan, die lui als een banaan op zijn rug in het grote zwart hing. Inzig had nog meer gedachten, en ze gingen niet uitsluitend over de vraag of Timeu een rol speelde bij het toedienen, dan wel ondergaan van voorgenoemde zweepslagen. De gedachte die telkens weer terugkeerde bij Inzig, was een oude, namelijk die van de nietigheid van het menselijk bestaan, volgend uit de grootte van het heelal, zowel qua omvang als qua leeftijd, en de vergeefsheid van het menselijk streven, dat immers altijd zou eindigen in de dood. Inzig werd niet somber van deze gedachten, die op een bepaalde manier met elkaar verband schenen te houden, maar opgetogen. Ja, er ging een troostende werking van uit. Het maakte niet uit, tot op zekere hoogte, wat je deed in de beperkte tijd die gegeven was; alle verrichtingen, pogingen en al dan niet tijdelijke betekenissen zouden vroeg of laat wegspoelen in het doucheputje van de kosmos – en juist dáárom had Inzig er zin in, of zoiets.
Voorafgaand aan de ochtend III
Eindelijk stuitte Inzig op een weg. Of een pad. Eigenlijk niet meer dan een spoor. Iemand was hier eerder door het landschap gegaan, zei dit spoor – hoewel het niet sprak, het getuigde alleen maar, maar dat was voor Inzig genoeg. Wie op een spoor stuit, heeft een nieuw probleem, namelijk welke kant het op te volgen, maar Inzig wist: omhoog. Inzigs weg was altijd omhoog gegaan, nooit omlaag. Alles wat de moeite waard was, lag in de hoogte. Inzig was niet van ambitie gespeend, maar de ambitie had vooralsnog weinig teruggegeven.
Honger was ondertussen een factor die de koude, moede en donkerte begon te overtreffen. Het weinige dat in het licht van de zaklantaarn eetbaar leek, prikte. Aan een plant had Inzig een felle artisjok zien hangen, ter grootte van een handgranaat, maar hieraan haalde de hongerige de vingers open. Rauw viel er eigenlijk aan deze vrucht geen lol te beleven. Eindeloos kauwen kon Inzig ook op de vijg van de vijgencactus, waarvan het hier wemelde, maar het viel niet mee die los te werken zonder de weerhaakvormige stekels te incasseren. Het blad van de cactus zelf leek op een pingpongbatje en smaakte navenant. Geduld moest Inzig hebben. In C, dat boven aan de berg zou moeten liggen, moest er van alles te eten en te drinken zijn. In C zou Inzig zich kunnen warmen, voeden en troosten, mits Timeu zich liet zien.
Even dacht Inzig de zwerfkat te hebben afgeschud, maar die volgde hem nog steeds, op gepaste afstand. Gezelschap was gezelschap. Wie zich verloren voelde kon niet te kritisch zijn.
Voorafgaand aan de ochtend II
Het begon te motregenen, maar er bewoog meer dan lichte regendruppels in beweging konden zetten. Inzig had het gevoel dat de achtervolging was ingezet. Dat gevoel werd bevestigd toen, nadat de motregen was opgehouden en de sterren eindelijk zichtbaar werden, een zwerfkat vanachter een struweel verscheen, Inzig in de ogen keek, met doordringende, zij het verveelde, blik, en pas weer begon te lopen toen Inzig liep. Omdat er verder niemand was om gesprekken mee te voeren, voerde Inzig gesprekken met het pluizige dier. Veel wijzer werd Inzig daar niet van, de zwerfkat ook niet; uiteindelijk namen ze genoegen met zwijgen. Toen ze bij een rommelige wei kwamen waar langharige schapen lagen te slapen, nam ook Inzig van de gelegenheid gebruik om zichzelf te rusten te leggen. Inzig schakelde de zaklantaarn uit en vergaapte zich aan het uitspansel, maar vergiste zich in de grond. De koude trok langzaam Inzigs lijf binnen. Zoals gewoonlijk droeg Inzig te weinig kleren, alleen het noodzakelijke – maar wat is noodzakelijk, in this day and age? De koude infiltreerde, als een idee, in de rug, in de benen, in de armen, in de longen. Toen de koude bij het hart kwam, stond Inzig weer op en liep verder, op de voet gevolgd door de zwerfkat, die grijnsde.
Voorafgaand aan de ochtend I
Alle opsluiting is relatief, dacht Inzig, met een professionele zaklantaarn op de grond voor zich uit schijnend, onder een inktzwart wolkendek dat zich traag als kauwgum uit elkaar liet trekken. Het landschap was onregelmatig, voor zover Inzig kon beoordelen, maar niet vijandig; nat maar niet doorweekt of zompig; steenachtig maar niet meedogenloos. Inzigs reisdoel was beperkt en daardoor haalbaar: telkens lukte het Inzig een stap vooruit te zetten, zonder een stap terug te hoeven doen. Een keer loodste Inzig zichzelf weliswaar in een doodlopende hoge strook, die uitkwam op iets dat op een ravijn leek, maar het niet kon zijn; toch maakte Inzig toen voor de zekerheid een U-turn rondom een reusachtige distel, waarop Inzig voldaan ademhaalde. Dat was goed afgelopen: Inzig leefde nog en had zich niet bezeerd. Niets was hier eetbaar, of zelfs maar vruchtbaar. Nergens werd iets verbouwd. Gebouwen en huizen en parken en wegen en voertuigen waren zeldzaam, hooguit in contouren of theoretisch aanwezig, en toch voelde Inzig dat op een plek, zeg C, mensen moesten leven die verwachtingen koesterden ten aanzien van Inzig. Inzig meende zelfs zeker te weten dat Inzig op weg was naar C, hoewel niemand Inzig dat had gevraagd en er zelfs voorzover bekend niets voor Inzig in zeg C te halen was; het viel zelfs niet uit te sluiten dat zeg C Inzigs eindpunt voorstelde, the point of no return zogezegd, omdat Timeu daar wachtte, maar dat betekende allerminst dat Inzig verlangde naar C, of naar Timeu, wat dat aanging, of wie of wat dan ook. Inzig wist allang niet meer wat verlangen was. Inzig was het verlangen verleerd, ja, dat was het, maar dit betekende niet dat Inzig was opgehouden te bewegen, o nee. 'Wie het eerst beweegt, sterft het laatst,' herinnerde Inzig zich ooit ergens te hebben gelezen. Hieruit putte Inzig hoop.
Dopje
Vlak voor de finale van het ABN/AMRO tennistoernooi, dat ik met mijn vader bijwoon, om hem, namens Medische Broer, die dit uitje eigenlijk had bekokstoofd maar zelf niet kon omdat hij moest skiën, Roger Federer in levende lijve aan het werk te laten zien, de oudste nummer 1 van de wereld ooit, ga ik een flesje spa halen, maar ik krijg het dopje niet mee.
'Mag ik niet meegeven,' verontschuldigt de barjuffrouw zich.
'Het is voor mijn vader.'
Ze blijft nee schudden en haalt haar superieur erbij, een vlotte jongen met een kuif. 'Kunnen we niet aan beginnen, meneer.'
'Het is voor mijn 88-jarige vader,' leg ik nog eens uit, 'die wil graag een dopje op zijn flesje. Misschien wil je een uitzondering maken.'
'Sorry,' zegt hij, 'als ik voor iedereen een uitzondering ga maken –'
'– dan zou het geen uitzondering meer zijn,' onderbreek ik hem, maar hij houdt voet bij stuk. 'Mag ik vragen w a a r o m het flesje doploos moet blijven?'
'We willen niet dat mensen met doppen gaan gooien. Ik begrijp dat dat risico bij uw vader misschien niet bestaat, maar ik kan er helaas ook niets aan doen.'
Ik ben net op tijd terug voor de pre-game show met Afrojack, die letterlijk uit de lucht komt vallen, onder luid discogedreun en met zwaailichten. 'Verschrikkelijk,' zegt mijn vader.
De aangekondigde droomfinale tussen Federer en Dimitrov is binnen een uurtje gepiept; na de eerste paar ballen weet je dat Federer de tien jaar jongere, in het roze geklede Bulgaar met weinig games naar huis gaat sturen. 'Wie gaat er dan ook in het roze de baan op?' zegt mijn vader.
Recht voor ons zit een Federer-fan, die het hardst klapt op momenten dat zijn tegenstander een (onnodige) fout maakt.
Als ik een dopje had gehad had ik het naar zijn hoofd gegooid.
Lunch in Antwerpen
Lunch in Antwerpen: research voor mijn nieuwe roman. Klinkt als een snoepreis. Is het ook. In de trein, als om mij heen het landschap in glitterend zonlicht aan me voorbijtrekt, bedenk ik dat Antwerpen toch eigenlijk wel soort van in een ander land ligt, en dat Europa, Schengen of zelfs maar de Benelux nog niet dermate geïntegreerd zal zijn dat je daar OV-kaartmatig heen kunt chippen. Dit blijkt inderdaad het geval. Ik kan in Rotterdam een retourtje Roosendaal – Antwerpen kopen maar dan mis ik mijn trein. Online een kaartje kopen blijkt niet zo ingewikkeld, als je het installeren van een app, online bankieren, en wat niet al niet als ingewikkeld beschouwt. Leven is wandelen door een zee van stroop, maar als het openbaar vervoer meewerkt, is er heel wat gewonnen.
Waarin verschilt Antwerpen van Amsterdam en waarom vind ik die stad daarom leuk(er)? De blinkende, gruizige diamantairs rondom het station. Den Botaniek (zie hierboven). Op de Groenplaats drink ik een Westmalle Tripel in de zon, maar aan pinnen doen ze niet – alleen zwart geld. In een shopje gerund door een hipster met sik, knoopsgaten in zijn oorlellen en een vierkante zonnebril op valt mijn oog op Moet just niks. Zo'n t-shirtlijn kan ik ook beginnen, en ik zou het ook moeten doen, moneywise, maar ik heb het niet gedaan. Bij Leonidas, dat, hoe krijgen ze het voor elkaar, nog steeds een monopolie heeft, hoor ik in het Frans bestellen waardoor ik het ook wil, maar ik doe het niet, want dat zou onzin zijn, en ik zou denkelijk onmiddellijk worden gecorrigeerd. Bij het wisselgeld vind ik drie centjes, aandoenlijk op een hoopje. 'Die zijn bij ons allang afgeschaft.' 'Zulks heb ik gehoord ja,' zegt de winkeldame die een opmerkelijke overeenkomst vertoont met de vrouw van Abraracourix.
Fees
Uitgeput, maar ook opgeladen en aangenaam rozig, meldden we ons bij de receptie om het dagje bij de sauna af te rekenen. Een nieuwe sauna, moet ik erbij zeggen, waar we nog niet eerder waren geweest.
‘Was alles naar de zin?’ vroeg de goedverzorgde blondine met de getrainde blik en de paardenstaart terwijl ze de bon uitprintte.
Wij knikten. Lieftallige haalde een portemonnaie tevoorschijn. Ik zocht naar een pepermuntje op de balie, maar er was geen pepermuntje. Wel een assortiment aan cosmetica-, massage- en aanverwante artikelen.
‘75 euro bovenop de reservering?’ riep lieftallige uit. ‘We hadden toch het verjaardagsarrangement?’
‘Dit totaal is met aftrek van het verjaardagsarrangement.’ De blondine draaide behulpzaam de monitor naar ons toe. ‘Er zijn een paar extra fees bijgekomen.’
‘Fees?’ zei ik, als schrok ik wakker uit een fee-loze droom. ‘Waarvoor?’
‘Kijkt u maar even mee... Tien euro per persoon voor een handdoek is samen 20 euro…’
‘Maar we hadden ieder een handdoek!’ wierp lieftallige tegen.
‘Dat kan wel zijn, maar die gebruikte u niet. U bent tot tweemaal toe gespot op de bankjes in de sauna zonder de om hygiënische redenen verplicht gestelde handdoekjes.’
‘Beweert u hiermee,’ sputterde ik tegen, ook al wist ik dat ik dit argument ging verliezen, ‘dat wij onhygiënisch zijn? En trouwens, al waren we onhygiënisch, dan kunnen anderen zich daartegen toch beschermen door zelf een handdoek te gebruiken?’
De blondine negeerde glimlachend mijn verweer en wachtte totdat lieftallige een volgende kostenpost had ontcijferd. ‘Wat is dit? Dertig euro voor intimiteiten?’
‘U bent een keer in het bubbelbad gesignaleerd in een innige omhelzing. Dat is tien euro. En een keer in de stoomcabine lag u boven op elkaar, en raakten uw vier lippen elkaar zodanig, dat van een kus op de mond kan worden gesproken. Voor op de mond kussen rekenen wij een fee van twintig euro. Samen dertig euro.’
Onze ogen rolden als aardbeien in een fruitautomaat. Ondertussen had zich achter ons een kleine rij gevormd van mensen die ook wilden afrekenen maar tegelijkertijd het tafereel met een zeker genoegen gadesloegen.
‘En deze laatste vijfentwintig euro, hoe zit het daarmee?’
‘Ik wil de manager spreken,’ zei lieftallige.
De blondine wees met haar beige gelakte nagel op het reglement dat achter haar aan de muur hing en dan in het bijzonder op de regel: ‘Zowel gewenste als ongewenste intimiteiten worden niet getolereerd.’
‘Ongewenste intimiteiten?’ gilde ik. ‘Wat probeert u daarmee te suggereren?’ Ik klonk bozer dan ik daadwerkelijk was, maar ik was toch wel een beetje boos. In een wereld waarin geen enkele plaats meer is voor intimiteit wens ik niet te leven, en ik denk lieftallige ook niet.
‘U weet donders goed wat ik daarmee probeer te suggereren, meneer.’
‘Heeft u een klacht gehad of zo?’
Ze schudde zo fel haar hoofd, dat haar paardenstaart de uitgestalde cosmetica op de balie bijna omverzwiepte. ‘Het gaat om ongewenste intimiteiten tussen u beiden. Bij het afdouchen belaagde u mevrouw met een hoofd vol shampoo, en zij was daar niet van gediend. Wilt u de videobeelden terugzien of gelooft u het zo ook wel?’
Abonneren op:
Posts (Atom)









