IJzersponsje

Na afloop van Becoming, een moderne dansvoorstelling van Iván Pérez met elektronische muziek, of beter gezegd: een 'landschap van geluid', liep ik naar het tafeltje vol apparatuur van waarachter Rutger Zuydervelt (Machinefabriek) dat landschap had voortgebracht. Tot mijn verbazing trof ik op zijn tafeltje geen laptops, iPad etc. aan, maar diverse cassettebandjes en een transistorradiootje (en natuurlijk ook allerlei panelen met schuiven en knoppen, want daar had ik hem aan zien schuiven en draaien tijdens de voorstelling). Ik stond daar nog geen tien seconden of Zuydervelt kwam zelf aangelopen, vanuit de kleedkamers, alsof hij voorvoelde dat er nog vragen waren. En niet alleen van mij. Er had zich een groepje mensen verzameld rond zijn intrigerende electronica-opstelling. 'Er ging van alles fout,' verontschuldigde hij zich, maar dat hadden wij onmogelijk kunnen opmerken, want hij 'plays to tape', zoals hij uitlegde, en wij wisten niet wat er op die tape stond of wat hij daaraan toe had moeten voegen. Mij deed zijn uur durende compositie af en toe prettig denken aan Mogwai, maar soms deed hij ook minder prettig een schepje bovenop mijn tinnitus, (maar dat had Zuydervelt niet kunnen weten). De drie dansers in de voor de rest lege zaal boden, en kregen, weinig aanknopingspunten. Improvisatie maakt een voorstelling spannender maar ook kwetsbaarder. Het geluid kwam in golven en de dans kwam in golven en soms kwamen ze samen. Ik wees op een ijzersponsje dat op een ijzeren plankje lag, met nog wat ijzeren staafjes erbij, die op antennes leken, en vroeg: 'Hoe werkt dat?' 'O,' zei de Geräuschmacher verontschuldigend, 'als je dat een beetje zo op en neer wrijft, krijg je gekraak en geschuur. Werkt heel goed. Lekker goedkoop ook.'

Lieve porno

Al een tijdje probeerde ik de 'vieze films' bij de VPRO te streamen, maar dat kan, ter bescherming van de tere kinderziel, alleen na 22.00 (hoe doen ze dat?), maar dan slaap ik de slaap der rechtvaardigen. Gisteravond lukte het dan eindelijk toch. Gelukkig waren het korte filmpjes, maar dat was dan ook, afgezien van onbedekte lichaamsdelen en kortcyclische bewegingen, de enige overeenkomst met porno. Want deze filmpjes waren lief. In het eerste, MF, deden ze het in het maïsveld, in het tweede filmpje, Interracial, deden ze het in het donker, en in het derde, GAY, deden ze het bij een meertje. Nu heb ik niets tegen lief, integendeel, maar liefde gaat niet goed samen met porno. Liefde introduceren in porno is zoiets als marktkooplui introduceren bij de Bijenkorf (misschien andersom). Zou het niet toch iets met schaamte te maken hebben, dat zelfs de VPRO, in 2017, niet all the way durft te gaan? Geen schaamte voor seks, nee dat niet, Ari Deelder, die het liefste filmpje maakte, verklaarde ook niets tegen seks te hebben – wel tegen porno, hetgeen bij mij de vraag deed rijzen: waarom wordt een regisseur die niets met porno heeft gevraagd een 'porno' te maken? Rudy Kousbroek schreef jaren geleden eens dat het probleem met porno niet de daad is, maar de afstotende lelijkheid waarmee die wordt vormgegeven, maar volgens mij was ook bij hem de schaamte er toch via de achterdeur in gekropen. Echt vieze filmpjes zijn, nou ja, vies. Enigszins verontrustend, weerzinwekkend zelfs. Wie zijn fantasie gebruikt, of wat rondklikt op zijn favoriete site, weet wat ik bedoel. Het fascinerende is dat wat in onopgewonden staat weerzinwekkend is, in opgewonden staat, nou ja, geil kan worden. 'Kom je nog naar bed,' vroeg lieftallige gisteravond. 'Ik moet nog even deze gay neukscene afkijken,' zei ik vanaf de bank. 'Van wie?' 'Van de VPRO.' En inderdaad, het was leerzaam. Educatief wellicht. Waarvoor dank. Maar porno was het niet.

De jas van buurman Jan

'Viktor, ik heb nog een jas,' zegt buurman Jan, niet voor het eerst. 'Neckermann.' Hij had, de schat, al diverse malen gewag gemaakt van een jas die hij nog had, Neckermann, en die volgens hem voor mij uiterst geschikt was. Ik heb geen jas nodig, en ik twijfelde aan de geschiktheid voor mij van zijn Neckermann-jas, maar hoe maak je zoiets beleefd duidelijk? Dat kan niet. Dus ik bel aan bij buurman Jan, die, moet ik er denk ik wel bij vermelden, in de zeventig is, sinds zeven jaar weduwnaar en een tevreden roker bovendien.
'Viktor, kom binnen. Koffie?'
Ik wil eigenlijk geen koffie. 'Ja, graag.'
De buurman verdwijnt in de keuken om koffie te zetten. De jas hangt in de gang. Hij is niet te missen. Hij hangt aan een hanger, met een plasticje om zijn schouders. Het is een lange, donkere jas. Een ouderwetse jas. Aardiger is het om te zeggen: een klassieke jas.
Buurman Jan haalt het plasticje van de schouders en geeft mij de jas. Ik trek hem aan. Hij zit mij als gegoten. Eindelijk een heertje, of zo. 'Er zit een split aan de achterkant. Dat is handig, want dan kun je er ook mee op de fiets.'
Society Shop zie ik in de voering staan , maar buurman Jan herhaalt: 'Neckermann' en ik corrigeer hem niet. Schuldgevoel maakt zich van mij meester. 'Hoe kom je aan die jas?'
'Heeft mijn vrouw gekocht. Maar mij past hij niet. Te groot.'
'En je zoon?'
'Die heeft mijn schouders.'
'Je hebt hem al die jaren hangen en toen dacht je: misschien iets voor mij?'
Hij knikt. Straalt. 'Ik heb hem nog laten stomen.'
Ik trek de jas weer uit. 'Moet je er wat voor hebben?'
Jan schudt hevig zijn hoofd, gebaart naar de zitkamer, waar de televisie aanstaat op formule 1, zonder geluid, hetgeen mij de beste manier lijkt om formule 1 te kijken.
We kletsen wat, maar ik wil eigenlijk naar huis. Dus als hij een nieuwe sigaret draait, loop ik naar de keuken met mijn koffie, giet de koffie in de gootsteen en zeg: 'Ik moet gaan.'
Thuisgekomen incasseer ik bewondering alom voor mijn klassieke, perfect passende jas, behalve van de vierjarige, die haar neus in de wol steekt en zegt: 'Je stinkt.'

Rode vlaggen

Nieuwe Vriend P. heeft een nieuwe, lees: veertien jaar oude auto op het oog bij een tweedehandsdealer in het Gooi. Of ik zin heb om mee te gaan. Later denk ik: hij heeft een chauffeur nodig, maar ook: een tweedehandsdealer in het Gooi? Anytime.
Op weg erheen, het zonlicht schittert over de weilanden, vertelt P. dat hij telefonisch had gevraagd of het mogelijk was een aankoopkeuring te laten doen. Daar had de dealer nogal onwelwillend op gereageerd. Eerste rode vlag, maar je kunt je vergissen.
We lopen door de showroom die vier keer zo groot lijkt vanwege de spiegels rondom. De dealer is nergens te bekennen. Wel een man die bezig is een auto te stofzuigen. We kijken naar een glimmende Jaguar voor nog geen 4000 euro. Dat is niet veel voor een glimmende Jaguar, maar als het geen goede Jaguar is, is het weer  w e l  veel.
De man stopt met stofzuigen, haalt een ring tevoorschijn tjokvol autosleutels en neemt ons mee naar een belendende garage. Daar staat de Saab op gas uit 2003 voor minder dan 3 mille waar P. zijn oog op heeft laten vallen. Hij is nog nat van het wassen. Een mooie auto, maar is hij ook goed?
P. start hem, ik ga achterin zitten en probeer alle knopjes. 'De stoelverwarming achter werkt!' kraai ik, als een klein kind. 'Maar een van de lichtschakelaars is lam.'
'De koplampen flikkeren als je ze aandoet,' ziet P. in de auto voor hem. 'Soort disco lights. Heel raar.'
Dan komt de dealer, een grote, ongeschoren vent, gekleed in een krap zittend jack. P. doet de motor uit, dat werd ook tijd, ik had niet zo'n zin te worden vergast.
'Je mag alleen een proefrit maken als we het eens worden over de prijs,' zegt de dealer. Tweede rode vlag.
P. protesteert dat hij juist een proefrit wil maken om te kijken of de Saab die prijs waard is.
'Ik ga hier niet de hele tijd groene kaarten uitlenen aan mensen om ze dan, als ze terugkomen, te horen zeggen: we zien ervan af, er zit een kras op de bumper.'
De dealer blijft tijdens het gesprek, als een roestige versnellingsbak, weinig soepel schakelen tussen vriendelijk en onvriendelijk.
Uiteindelijk neemt hij plaats achter het stuur en start de auto. Als hij de koplampen aandoet, klinkt er een hard kloppend geluid. Hij zet de auto meteen weer uit.
'Lastig beroep, tweedehandsautoverkoper,' zeg ik, op de terugweg.
P.: 'Zeker, maar de strategie van deze man werkt in elk geval n i e t .'



Kleine komedie

Omdat mijn verlangen op te gaan in de boeventronie van Dimitri Verhulst eindig is, en uit verkeerde zuinigheid, kocht ik enkele weken voor de voorstelling 'Godverdomse dagen op een godverdomse bol' met en door Corrie van Binsbergen c.s. in de Kleine Komedie, het allergoedkoopste kaartje.
'Slecht zicht' stond er nog bij, maar ik dacht dat dat wel zou meevallen. En anders was het niet zo erg. Het viel ook mee, daar op het tweede balkon helemaal rechts, en nogmaals, mijn goesting naar Verhulsts smoelwerk kent haar grenzen, maar er was nog een probleem.
Ik zat daar, in mijn eentje, totaal voor lul.
Mensen wezen omhoog en opzij, begonnen met hun telefoon foto's te maken. Verdomd, daarboven zit nog iemand! Moet je kijken, daar in het schellinkje, un enfant du paradis!
Of het plaatsvervangende schaamte was, een brandvoorschrift, of welwillendheid weet ik niet, maar nog voor de voorstelling begon kwam een allervriendelijkste plaatswijzer me weghalen en dirigeerde me naar een leeg gebleven plek vlak voor het podium.
In korte tijd was ik van de allerslechtste naar de allerbeste plek verhuisd. Zonder ervoor te hoeven betalen. Of ik nu wilde of niet, ik kreeg de volle lading.

Pulitzer

Het is zondagochtend. Ik zit op een krukje voor mijn ouders, die pontificaal op twee fauteuils zijn geplaceerd in de lounge van het Pulitzer Hotel, waar ze de nacht hebben doorgebracht op uitnodiging van Broer de Miljonair, die recent een appartementje op de kop heeft getikt om de hoek.
'En,' vraagt mijn moeder, 'heb je goed geslapen?'
'Nee,' zeg ik. Daaraan is niets gelogen.
'Ik ook niet,' zegt mijn moeder, opnieuw hoofdschuddend over de kamer in het Pulitzer. 'Bespottelijk! Weet je wat de duurste kamer hier kost?'
'Duizend euro?'
'Vijftienhonderd. Ik heb het zelf gevraagd. En weet je wat je dan krijgt? Een eigen opgang vanaf de Keizersgracht...'
'...ok´, dat kan prettig zijn...'
'En kunst aan de muur. Kunst! Voor 1500 euro!'
'Wat voor kunst? Mag je mee naar huis nemen?'
Ze hoort me niet meer. Morele verontwaardiging is niet bevorderlijk voor de communicatie.
Ik moet toegeven dat ik vijftienhonderd euro wat aan de hoge kant vind, per overnachting. Aan de andere kant, er zijn ongetwijfeld duurdere hotels in Amsterdam. Dat wil mijn moeder best geloven.
'En wie zijn al die mensen?' wijst ze om zich heen in de drukke lounge. 'Ze zien er niet heel erg, nou ja, wat zal ik zeggen...'
'Toeristen,' opper ik.
'Toeristen?'
'Amsterdam wordt gezien als een prime destination in de toeristenbrans.'
Mijn moeder schudt opnieuw, of nog steeds, haar hoofd.
Mijn vader kent de waarde van de stad, maar hij zal blij zijn als hij weer thuis is.

Veiligheidsactie

De dienstdoende reparateur voor onze dysfunctionele oven, een man van in de veertig met een oorringetje, huppelde opgewekt met twee kunststof koffers het huis binnen. Ik had niet zo veel reden tot opgewektheid. Ik dacht aan de voorrijkosten.
'Wat is het probleem: de koppeling, of de verwarmingselementen?' vroeg hij, een blik werpend op het apparaat, dat ik voor zijn komst braaf had schoongemaakt.
Ik wist niks van een koppeling. 'Hij verwarmt slecht,' zei ik. 'Maar hij is dan ook al tien jaar oud en wordt intensief gebruikt.'
De reparateur dook in de oven en meldde even later, nog steeds opgewekt, dat een van de elementen was ontploft, hetgeen de gebrekkige verwarming verklaarde, en dat de reparatie daarvan ongeveer even duur was als een nieuwe oven. Dat was het slechte nieuws, dat ik ook al min of meer had verwacht. Het goede nieuws was dat hij de gaskoppeling ging vervangen in het kader van een wereldwijde veiligheidsactie van de fabrikant, die op radio televisie en in kranten was wereldkundig gemaakt maar waarvan wij niets wisten, om explosiegevaar tegen te gaan, en dat in het kader hiervan de voorrijkosten kwamen te vervallen.
'Het gaat om een hele kleine kans,' zei hij, nog altijd opgewekt. 'Als het je overkwam dat je oven ontplofte zou je meteen een staatslot moeten kopen, want daarmee win je dan geheid.'

Aanzoek (roddel)

Zodra je me too of I have aan de koffietafel laat vallen, komt het gesprek pas goed op gang. Ongepast seksueel gedrag: echt een conversation starter.
'Ken je dat verhaal al van Dieter van Zwanenburg?'
'Nee, wat is er met Dieter van Zwanenburg? Dat is toch die vent van dat ene liedje, kom hoe heet het ook alweer?'
'Die ja. Nou, die zag eens in een café een bekoorlijke jongedame staan voor de toog, die haar handen ontspannen achter haar rug hield, zo losjes in elkaar gevouwen, met de handpalm naar buiten, en weet je wat die Dieter van Zwanenburg toen gedaan heeft?'
'Nee. Vertel me wat Dieter van Zwanenburg toen gedaan heeft.'
'Hij is achter die bekoorlijke jongedame gaan staan, heeft zijn lid uit zijn broek gehaald en heeft hem zo bij haar in de handen gedrukt.'
'Ook een manier.'
'Ik zou bang zijn voor scherpe nagels. Je moet er toch niet aan denken dat zo'n bekoorlijke jongedame haar nagels in je lid zet. Of in je balzak.'
'Was ie hard, Dieter van Zwanenburg?'
'Hoezo?'
'Nou ja, het lijkt me voor een bekoorlijke jongedame aan de ene kant een nadeel om een harde Dieter van Zwanenburg achter je te hebben staan, maar aan de andere kant is het misschien ook een belediging om een zachte Dieter van Zwanenburg achter je aan te treffen.'
'Geen idee. Maar weet je wat het mooie is: ze zijn dus wel met elkaar getrouwd, die twee.'
'Het was dus een huwelijksaanzoek.'
'Zo zou je het kunnen zien.'
'Romantisch.'

Spinnen en sadisme

Eigenlijk had ik een hagiografisch katten-stukje willen schrijven, zo'n irritant kattenstukje waarin de schrijver en lezer een complot aangaan waarin alleen katten er zogenaamd toe doen. De aanleiding was het spinnen van onze logeerpoes. Dat doet hij nogal vaak en het blijft een nogal vreemd geluid. Eigenlijk wilde ik het daar ook niet over hebben, maar over ronronner, de prachtige onomatopee voor spinnen die de Fransen hebben bedacht. (In het Nederlands zou spinnen een accuratere beschrijving van het geluid kunnen zijn, ware het niet dat niemand meer weet hoe een spinnewiel klinkt.) Ik ging me afvragen of er nog meer mooie onomatopeeën waren (in het Noors bijvoorbeeld), maar ik heb geen zin om te googelen of mijn schoonmoeder lastig te vallen. Bovendien eist ander kattengedrag mijn aandacht op: sadisme. Een keer trof ik de huispoes aan in de gang jonglerend met een halfdode muis. Hij lag op zijn rug, de poes, terwijl hij de halfdode muis, versuft, nauwelijks in staat nog enige overlevingsdrang te tonen, met zijn klauwtjes in de lucht hield. Heel knap inderdaad, maar mag het misschien ook ietsjes minder wreed? Vanochtend was het weer raak. De vierjarige was van streek omdat ze logeerpoes met muis in bek door de kamer zag banjeren. Ik heb de laatsten met succes naar buiten gejaagd, want hoe je het ook wendt of keert, beesten horen buiten. Een uur later was hij nog niet klaar. Het weerloze schepsel bibberde en zijn vacht was doorweekt. Zijn gepiep ging door merg en been. De angst van de muis deed me denken aan die van een gemartelde gevangene. Ik heb hem tenslotte met stoffer en blik opgeraapt en hem aan gene zijde van de schutting aan een nieuw hoofdstuk in zijn leven laten beginnen.

Verstoring

Gisteravond, bij de monoloog Montyn die acteur Yorick Zwart hield in Saskia's Huiskamer, waar we op uitnodiging van Jans weduwe, Hi-en, samen waren gekomen, werden we opeens ruw gestoord in ons semi-geheime samenzijn. Terwijl we met een man of dertig, gezeten aan een lange tafel, aandachtig luisterden naar Yoricks theatrale versie van Montyns nog altijd krankzinnige verhaal, geënt op Dirk Ayelt Kooimans gelijknamige roman, klonk er gelal vanaf de Albert Cuyp. Een stel gabbertjes, zag ik door het grote vensterraam, was doende met een brommer op de stoep, ginnegappend, stoned of dronken. Ze leken niet van plan weg te gaan, omdat er toevallig daarbinnen iets gaande was dat stilte vereiste. Ik stoorde me niet alleen aan hun geluid, ik stoorde me ook aan hun moedwil en daar ging het fout. Ik dacht aan een uitspraak van Yorick/Montyn, dat van alle ontberingen afstomping en onverschilligheid de ergste zijn. Toen is er kennelijk een stofje in mijn hersenen aangemaakt, dat een serie pulsjes in gang zette, waardoor ik opstond van mijn stoel, zachtjes de deur opende naar de straat en siste of het wat zachter kon. 'We zijn hier bezig.' Ik sloot de deur en ging weer zitten. Of mijn actie het gewenste doel had bereikt, werd niet lang daarna duidelijk. 'O, we moeten weer stil zijn ha ha!' brulde een van de jongens door het raam naar de zwijgende menigte. 'Voor een of andere vergadering. Boeien!'