'Er zit een lijn in,' zei mijn gesprekspartner sinds '83 een paar keer, gisteren aan de biertafel bij Hesp, waar we hadden afgesproken om te spreken, onder andere, over Het dispuut, dat hij net uitgelezen had. Over wat hij er van vond, met name.
Vriendschap of de waarheid is een onjuist dilemma, een goede vriend kan de waarheid aan,
maar ik dacht wel: welke kant gaat die lijn op, waar hij het over heeft. Of blijft hij vlak, zoals de koers van een aandeel op de beurs waar geen leven in zit?
'Een stijgende lijn,' verduidelijkte hij, net op tijd. 'Bij FAKE was je misschien nog zoekend, Zalig uiteinde en Dagboek van een postbode hadden al meer focus, en dit, nou ja, is strak. Heel strak geschreven.'
We nipten aan onze speciaalbieren.
'Maar,' ging hij voort, voordat ik te zelfingenomen zou worden, 'ik zou wel wat meer psychologie willen. Wat meer Hermans. Dat je echt diep in dat karakter duikt. Nu is het een soort reportage.'
'Wat je bedoelt met Hermans begrijp ik wel en dat neem ik ter harte,' zei ik, 'maar reportage is dodelijk. '
'Ja, reportage... Dat neem ik terug. Vergeet dat ik dat gezegd heb. Vergeet het woord reportage.'
Ik probeerde het te vergeten. Ik wist dat mijn gesprekspartner sinds '83 zich sinds enige tijd probeert te bekwamen in het complimenteren; dit beschouwde ik als een onhandigheid. Hij zit niet voor niets in de muziek.
Hij had ook nog een vraag over het brilletje. Het brilletje van Mulder speelt een rol in de plot van Het dispuut; welke rol precies, mag de lezer zelf bedenken, zo luidde mijn antwoord. Deze lezer had een eigen theorie over dat brilletje. Een mooie theorie. Dat streelde me, als schrijver, en als vriend.
Moeder? Nee. Vader.
Tot mijn verbazing heeft mijn moeder mijn boek nog niet gelezen. Ik heb haar dit niet gevraagd, maar als zij mijn boek wel had gelezen, dan zou zij mij zeker gezegd hebben wat ze ervan vond, ongezouten enzovoorts, in my face & what not, en dat heeft ze nog niet gedaan. Mijn vermoeden wordt bevestigd als ik afzak naar de achtergebleven gebieden, en Het dispuut op de tuintafel zie liggen, met bladwijzer ergens tegen het einde.
Mijn vader.
Ik had hem al aan de telefoon gehad, toen het boek net zijn kant op was gegaan, en hij nogal heftig kond deed van een 'fout' die hij was tegengekomen: Michiels Kessenich. 'Hoe kom je aan die naam?'
'O, ergens tegengekomen. Het is een adellijke naam.'
'Het is Michiels VAN Kessenich!'
'Weet je dat zeker?'
Stilte aan de andere kant van de lijn. (Ik haat die vraag ook; als lieftallige mij deze stelt, neig ik er toe te antwoorden met de gemeenplaats dat de enige zekerheid die ik heb is dat ik ooit zal sterven, hoewel die zekerheid met de huidige stand der technologie ook alweer i e t s minder zeker is geworden.)
'O, dat ga ik dan corrigeren. Voor de volgende druk.'
'Ik wist niet dat het er zo hard aan toe ging bij jullie,' zei hij, na een korte pauze. 'Bij ons destijds was het allemaal wat...'
'Braver?' vulde ik aan.
'Het waren andere tijden. En dan die termen... Vrucht.'
'Heb ik zelf bedacht. Leuk toch?'
'Ja. Pik.'
'Da's een ouwe.'
'Poep.'
'Ook. Maar wat dacht je van godfriedbomans? Als vloek?'
'Ik vraag me altijd af: waar haalt hij het allemaal vandaan.'
Dat vraagt mijn vader zich altijd af als er weer eens wat fictie van me is verschenen. Ik beschouw het maar als een compliment.
Mijn vader.
Ik had hem al aan de telefoon gehad, toen het boek net zijn kant op was gegaan, en hij nogal heftig kond deed van een 'fout' die hij was tegengekomen: Michiels Kessenich. 'Hoe kom je aan die naam?'
'O, ergens tegengekomen. Het is een adellijke naam.'
'Het is Michiels VAN Kessenich!'
'Weet je dat zeker?'
Stilte aan de andere kant van de lijn. (Ik haat die vraag ook; als lieftallige mij deze stelt, neig ik er toe te antwoorden met de gemeenplaats dat de enige zekerheid die ik heb is dat ik ooit zal sterven, hoewel die zekerheid met de huidige stand der technologie ook alweer i e t s minder zeker is geworden.)
'O, dat ga ik dan corrigeren. Voor de volgende druk.'
'Ik wist niet dat het er zo hard aan toe ging bij jullie,' zei hij, na een korte pauze. 'Bij ons destijds was het allemaal wat...'
'Braver?' vulde ik aan.
'Het waren andere tijden. En dan die termen... Vrucht.'
'Heb ik zelf bedacht. Leuk toch?'
'Ja. Pik.'
'Da's een ouwe.'
'Poep.'
'Ook. Maar wat dacht je van godfriedbomans? Als vloek?'
'Ik vraag me altijd af: waar haalt hij het allemaal vandaan.'
Dat vraagt mijn vader zich altijd af als er weer eens wat fictie van me is verschenen. Ik beschouw het maar als een compliment.
Sandwichborden en censuur
Om mijn sandwichbordlopers op de Uitmarkt halverwege hun slavendienst van een natje en een droogje te voorzien, en vooral ook hun moreel op te krikken, hadden we afgesproken op het terras van de OBA, en omdat de Grote Vakantie nog steeds niet voorbij is, en er dus elke dag weer een Activiteit moet worden georganiseerd, dachten we er goed aan te doen om de minderjarige vakantievierders mee te torsen. Dat laatste bleek een misverstand. Wie een media-oorlog op meerdere fronten probeert te voeren, en dat is noodzakelijk gezien de tsunami van aandachtslurpende uitingen waarin heden ten dage de cultuurminnende medemens dreigt om te komen, laat zijn kinderen thuis. Toen ik op de uitkijk ging om mijn sandwichbordlopers te spotten (want ze lieten nogal op zich wachten) met mijn krijsende peuter op de arm (om de moeder te ontlasten), liep ik mijn oud-redacteur Bart Kraamer tegen het lijf, thans uitgever bij Koppernik. Ik probeerde me te verontschuldigen voor mijn nageslacht, maar die verontschuldigingen kwamen slecht tot zijn recht, niet alleen door het toenemende lawaai van de peuter, maar ook door haar tamelijk geslaagde pogingen mij het spreken handmatig onmogelijk te maken. Censuur had nog nooit zo'n fysieke vorm aangenomen, in mijn gezin of daarbuiten. Ik knikte naar Kraamer dat hij zonder verdere plichtplegingen het gesprek kon afbreken en zijn weg vervolgen – niet dat het oponthoud hem veel uitmaakte, want de Uitmarkt was wat hem betrof, literair gezien, een doodgeboren kindje.
Nog meer gunstige berichten
Il Grande Commentatore in ruste, wiens oordeel ik hoog acht, meldt niet alleen, van het inhoudelijke front, dat de eerste pagina's van Het dispuut hem treffen als het 'proza ener gerijpt auteur', maar ook, van het commerciële, dat boekhandel Jimmink (ook al zo'n boekhandel die zijn poorten niet mag sluiten omdat ik mijn poorten dan ook moet sluiten) niet één, niet twee, zelfs geen drie, maar liefst vier (4) exemplaren van mijn roman reeds over de toonbank heeft doen gaan en, alsof dit nog niet genoeg is, ook nog openstaat voor het ophangen ener affiche.
Weer een andere kleine boekhandel die mij aan het hart gaat, Casperle, voor al uw kinder- en jeugdboeken, aan het Sarphatipark, heeft al zo'n affiche opgehangen. De vriendelijke eigenaar bovendien, Oliver Schmidt Reps, wiens oordeel ik ook graag hoor, had mijn boek in twee avonden uitgelezen. Snel worden uitgelezen: dat is misschien toch het hoogst haalbare in het huidige tijdsgewricht.
Weer een andere kleine boekhandel die mij aan het hart gaat, Casperle, voor al uw kinder- en jeugdboeken, aan het Sarphatipark, heeft al zo'n affiche opgehangen. De vriendelijke eigenaar bovendien, Oliver Schmidt Reps, wiens oordeel ik ook graag hoor, had mijn boek in twee avonden uitgelezen. Snel worden uitgelezen: dat is misschien toch het hoogst haalbare in het huidige tijdsgewricht.
Gunstige berichten
Het eerste gunstige bericht kwam van mijn gesprekspartner sinds 1983. Die smste: Ik ben bij hoofdstuk 8, Lunchen bij de Eunuch, en ik vind het heel goed! De passage bij Mulder in de flat blijft schuren, maar wel erg grappig.
Het tweede gunstige bericht kwam van mijn zuster die mij mailde: 'Je bent een kado!' Zij doelde op de puzzelpagina van Het Parool. Zij die de Zweedse Puzzel van de dag zonder fouten invullen, maken kans op een Thomas Rap-boekenpakket ter waarde van €60, waaronder mijn boek. Mijn eerste impuls was om met mijn achtjarige als een razende die Zweedse Puzzel te gaan invullen en opsturen, maar misschien moeten we dat juist n i e t doen.
Het derde en tevens laatste gunstige bericht, – alhoewel ik hoop dat dit niet het einde is van de gunstige berichten in mijn leven, of in het leven van Het dispuut –, is dat mijn boek in de etalage ligt bij Boekhandel Schimmelpennink.
Boekhandel Schimmelpennink is zo'n boekhandel die je niet uit de stad weg kunt denken. Dat kan wel, maar wat is de stad dan nog waard? Ik beloof hierbij plechtig dat als Boekhandel Schimmelpennink zijn deuren sluit, ik ook mijn deuren sluit. Maar ik moet de toorn van de goden niet over me afroepen met deze onheilspraat.
'Hou toch op over die marketing,' probeerde Ton Schimmelpennink mijn anxiety over de ontvangst van mijn derde roman weg te nemen. 'Literaire kwaliteit bewijst zichzelf. Die komt vanzelf bovendrijven.'
Mijn dag was weer goed.
La fillette morte
Hoe minder je meemaakt, hoe contemplatiever je wordt, en omgekeerd, bedacht ik in bed (in bed heb ik de beste gedachten, maar houd ze maar eens vast). Zou het kunnen dat een mens geen tijd heeft voor bespiegeling als haar geest in beslag wordt genomen door avonturen, nieuwe indrukken en keuzestress? Dat zou zeer zeker kunnen. Aangezien een schrijver is, wat zij schrijft, heeft dit ook ongetwijfeld zijn weerslag op haar schrijverschap. Een schrijver die veel meemaakt schrijft minder beschouwend proza, dan een schrijver die veel meemaakt. Je zou de literatuur kunnen indelen in boeken waarin veel gebeurt en boeken waarin weinig gebeurt. In de boeken waarin weinig gebeurt, wordt veel bespiegeld (is het niet expliciet door de schrijver, dan wel door de lezer). En omgekeerd. Gisteravond las ik een mooi boekje uit dat ik in Parijs had gekocht, La Petite Roque, een verhaal van Guy de Maupassant. Daarin gebeurt het volgende: een postbode ontdekt het levenloze lichaam van een jong meisje in het bos bij de rivier. De burgemeester wordt verwittigd, die op zijn beurt de dorpsarts, en ook de juge d'instruction (rechter-commissaris) erbij haalt. Men gaat kijken. Het meisje ligt er decent bij, slechts een klein beetje bloed. De médécin merkt cynisch op dat het spatje op haar gezicht door sommige vrouwen met opzet zou worden aangebracht, als mouche de beauté. De moeder van het meisje stort haar tranen. Enige tijd verstrijkt, de misdaad blijft onopgelost. Dan wordt de burgemeester, alleen in zijn kamer, nachtenlang geteisterd door hallucinaties. Door het raam in zijn kamer ziet hij het meisje, la fillette morte, telkens opnieuw, in alle gedaanten. Hij overweegt een kogel door zijn kop te jagen, want hij is schuldig, natuurlijk is hij schuldig, hij heeft haar verkracht en vermoord (dat laatste nadat zij weigerde zwijggeld aan te nemen, leren we in een flashback), maar hij durft het niet. Uiteindelijk besluit hij een brief te schrijven aan de rechter waarin hij alles bekent. Maar als hij die brief gepost heeft, slaat de twijfel toe, en wil hij alles terugdraaien. Hij smeekt de postbode die de bus komt legen, om hem de brief terug te geven, maar die weigert. Hij laat zich niet omkopen, ook niet voor honderdduizend francs. (Dat waren nog eens tijden.) De burgemeester trekt zich wanhopig terug in zijn kasteeltje; even later verschijnt hij aan het venster boven in de toren. 'Puis soudain, pareil à un nageur qui pique une tête, il se lança dans le vide, les deux mains en avant'. Meer heeft een schrijver niet nodig.
Uitgeappt
6 juli jongstleden raakte ik telefoonloos. Ik was daar aanvankelijk erg blij mede, maar mijn blijdschap werd niet breed gedeeld en om eerlijk te zijn begon ook ikzelf na een poosje terug te verlangen naar de mogelijkheid te allen tijde, en van waar dan ook, met wie dan ook te komnunietzeuren. Afijn, die telefoon kwam er, met dit verschil dat ik weigerde er nog langer op te appen. Zie het als mild verzet tegen onze telefonomanie.
De 'stilte' op dit front (sms'en doe ik wel; kun je ook niet uitzetten) bevalt me nog steeds prima, maar ik vermoedde dat diverse 'contacten' niet of onvoldoende op de hoogte waren van mijn app-defectie. Ze bleven me namelijk appjes sturen, zo kreeg ik mondeling dan wel via email te horen, en ik reageerde maar niet. (Wat was er in godsnaam met me aan de hand?) Voor een vriend die slechtziend is, zeg maar gerust blind, was het moeilijk zeg maar gerust onmogelijk om na te gaan dat er maar één vinkje stond, en nooit twee, laat staan twee blauwe vinkjes, als hij mij een voice-appje had verstuurd, waaruit hij zou kunnen afleiden dat ik uitgeappt was. (Nu zal hij me moeten bellen. Ik verheug me op zijn telefoontjes.)
Wat nodig was, was niets meer maar zeker ook niets minder dan het verwijderen van mijn account.
Ik ben goed in het verwijderen van accounts. Accounts die ik in het verleden heb verwijderd: mijn linked-in account, mijn facebook-account, diverse twitter-accounts, en nog wat accounts waarvoor ik me schaam (of zou moeten schamen).
Vraag me niet waarom, maar gisteren leek mij opeens het moment daar om de whatsapp-account definitief op te heffen. Daarvoor was het wel nodig, o paradox, om het vermaledijde programmaatje opnieuw te installeren, en toen ik dat deed, betrapte ik me erop toch wel weer een k l e i n b e e t j e benieuwd te zijn naar de appjes die ik sinds 6 juli had gemist.
Ik werd niet teleurgesteld.
Post-publicatie blues
Gisteren bijna de hele dag in bed doorgebracht. Wat moet ik anders? Aan mijn nieuwe roman werken? Boekhandels af fietsen om te zien of ik er lig, hoe ik er bij lig en temidden van wie? Gratis exemplaren aan mensen rondbrengen van wie ik meen dat die er een verdienen, met doorwrochte opdracht in rouille d'ancre?
Ik had een goede smoes om in bed te blijven: ik wilde Bonita Avenue uitlezen. Dat boek stond me al zo'n jaar of vijf vanuit mijn boekenkast aan te kijken. Drie dagen geleden besloot ik dat ik het in evenzoveel dagen tot mij wilde nemen.
Natuurlijk was ik er al eens eerder in begonnen. Toen knapte ik af op de gespierde toon, de haast, de overspannen beeldspraak. Niet mijn stijl, dacht ik. Maar nu ik het uit heb moet ik toegeven dat alles vrij kunstig in elkaar past.
Buwalda schakelt soepeltjes tussen tijden en perspectieven. Soms slaat hij zijpaden in, ik denk uit een behoefte aan volledigheid, die minder boeien (bijvoorbeeld de jeugd van de hoofdpersoon). Sigerius is geloofwaardig als judoka, wiskundige, rector en zelfs als minister (alleen Mulisch had het aangedurfd om zijn hoofdpersoon tot minister te laten benoemen), tot hij doorslaat. Welke minister gaat zijn eigen – toegegeven: gevaarlijk ontspoorde – zoon te lijf met een bijl nadat deze hem halfhartig geprobeerd heeft af te persen? En al eerder, dat zijn leven geen betekenis meer had na de ontdekking van de porno van zijn stiefdochter. I didn't buy it.
Maar dat is een klein smetje op een strak gecomponeerde roman die staat als een huis en die de lat voor elke Nederlandse romanschrijver een stukje hoger heeft gelegd.
Niet het meest geschikte boek om mijn post-publicatie blues mee te bestrijden.
Of toch.
Ik had een goede smoes om in bed te blijven: ik wilde Bonita Avenue uitlezen. Dat boek stond me al zo'n jaar of vijf vanuit mijn boekenkast aan te kijken. Drie dagen geleden besloot ik dat ik het in evenzoveel dagen tot mij wilde nemen.
Natuurlijk was ik er al eens eerder in begonnen. Toen knapte ik af op de gespierde toon, de haast, de overspannen beeldspraak. Niet mijn stijl, dacht ik. Maar nu ik het uit heb moet ik toegeven dat alles vrij kunstig in elkaar past.
Buwalda schakelt soepeltjes tussen tijden en perspectieven. Soms slaat hij zijpaden in, ik denk uit een behoefte aan volledigheid, die minder boeien (bijvoorbeeld de jeugd van de hoofdpersoon). Sigerius is geloofwaardig als judoka, wiskundige, rector en zelfs als minister (alleen Mulisch had het aangedurfd om zijn hoofdpersoon tot minister te laten benoemen), tot hij doorslaat. Welke minister gaat zijn eigen – toegegeven: gevaarlijk ontspoorde – zoon te lijf met een bijl nadat deze hem halfhartig geprobeerd heeft af te persen? En al eerder, dat zijn leven geen betekenis meer had na de ontdekking van de porno van zijn stiefdochter. I didn't buy it.
Maar dat is een klein smetje op een strak gecomponeerde roman die staat als een huis en die de lat voor elke Nederlandse romanschrijver een stukje hoger heeft gelegd.
Niet het meest geschikte boek om mijn post-publicatie blues mee te bestrijden.
Of toch.
De dag na de dag van verschijnen
Hoogtepunten van de mini-boekpresentatie bij Fa. Pekelharing: de plotselinge emotie bij Medische Broer; de Senecaatjes van Rob van Essen (Innerlijke rust – 'noodzakelijke teksten nu er weer een boek van je verschijnt'; eerste regel: "Als ik mijn blik naar binnen richt, zie ik daar diverse zwakheden."), de little red dress van teerbeminde, de lol van mijn zuster met de wildvreemden aan de belendende tafel, die zich met onze tafel wensten te bemoeien.
Zelf moest ik voor het toetje weg voor het radioprogramma Podium.
'Je moet nog wat zeggen,' zei mijn vrouw. 'Je kunt er niet zomaar vandoor gaan.'
Dus stond ik op en tikte tegen mijn glas. Het was belachelijk om te willen spreken in een overvol, luidruchtig restaurant, maar ik hield het kort. Ik bedankte mijn uitgever voor het doen verschijnen van mijn boek en voegde er aan toe, in lijn met wat ik Woody Allen in een documentaire op Canvas had horen zeggen, dat ik gelukkig was als mijn boek ertoe zou leiden dat ik n o g een boek zou mogen schrijven. Vervolgens liep ik naar buiten en sprong op mijn fiets op weg naar het Vondelpark, waar ik in een anti-alt right demonstratie belandde inclusief overvliegende politie-helikopters, en van interviewster Mieke van der Weij hoorde dat er een aanslag was geweest in Barcelona. Het valt niet mee om je in bubbel te blijven zitten, maar misschien moet je dat ook niet willen.
Zelf moest ik voor het toetje weg voor het radioprogramma Podium.
'Je moet nog wat zeggen,' zei mijn vrouw. 'Je kunt er niet zomaar vandoor gaan.'
Dus stond ik op en tikte tegen mijn glas. Het was belachelijk om te willen spreken in een overvol, luidruchtig restaurant, maar ik hield het kort. Ik bedankte mijn uitgever voor het doen verschijnen van mijn boek en voegde er aan toe, in lijn met wat ik Woody Allen in een documentaire op Canvas had horen zeggen, dat ik gelukkig was als mijn boek ertoe zou leiden dat ik n o g een boek zou mogen schrijven. Vervolgens liep ik naar buiten en sprong op mijn fiets op weg naar het Vondelpark, waar ik in een anti-alt right demonstratie belandde inclusief overvliegende politie-helikopters, en van interviewster Mieke van der Weij hoorde dat er een aanslag was geweest in Barcelona. Het valt niet mee om je in bubbel te blijven zitten, maar misschien moet je dat ook niet willen.
Dag van verschijnen
Ik heb dat pak nog nooit aangehad, maar het leek me een goed idee om het nog een kans te geven. Voor mijn gevoel was ik naar dat pak toegegroeid. Het is immers ook een bijzondere gelegenheid, zo'n dag van verschijnen. Het is de vierde dag van verschijnen in mijn leven, en je weet nooit hoeveel er nog volgen. Als Kim Jong-Un bijvoorbeeld al dan niet per ongeluk zijn raket niet op Alaska richt, maar op de Amsterdamse Rivièra, dan is dit denkelijk de laatste voor mij.
Toen ik vanochtend bij de koffie mijn nieuwe ouwe pak kwam showen, riep mijn geliefde costumière verschrikt uit: 'Wat heb je n u weer aan? Je ziet er uit als een clown!' Ik sputterde tegen dat dit toch echt het pak was dat ze jaren geleden voor mij had gekocht. 'Om te beginnen moet je het strijken! Die broek is een en al kreuk. En dat jasje ook!' 'En mijn overhemd?' vroeg ik. 'Ook.'
Ik weet dus wat mij te doen staat.
Abonneren op:
Posts (Atom)