19. Schennis



De hoofdhuurder is daadwerkelijk – met de nadruk op daadwerkelijk – doende Hasso's ledematen en romp in hanteerbare hompen te zagen. Hij knielt voor het lichaam, zet zijn Japanse zaag aan en trekt. Opmerkelijk soepel, en geruisloos, dat moet gezegd, beweegt de zaag zich door het lijf van mijn voormalige indringer. De hoofdhuurder weet wat hij doet, dat kan niet anders. Hij heeft dit eerder gedaan. Hij vraagt mij een arm omhoog te houden, een knie, zodat hij er beter bij kan. Hij concentreert zich op de gewrichten. Waarom je een weg banen door het merg, als het ook langs het gewricht kan? Om mijn walging in toom te houden, probeer ik me te concentreren op het proces, op het werk, en op de aanstaande voltooiing ervan, in plaats van op de schennis. Als alle ledematen verwijderd en opgedeeld zijn, en er alleen nog een romp op de grond van de slaapkamer ligt, met een hoofd erop, dat overigens nauwelijks meer als zodanig herkenbaar is, draait de hoofdhuurder het geheel op zijn rug, alsof het om een ziek veulen gaat, kiest met zorg twee wervels, en trekt hij het verfijnde gereedschap, waaraan nu trouwens wel wat bloed-, huid- en vleesresten kleven – dat is onvermijdelijk – naar zich toe. Zo gaat hij telkens een paar wervels omhoog, tot hij bij de nek aankomt. In no time ligt de hele slaapkamer bezaaid met hompen slordig verpakt vlees.

18. Chaos

Charles Krafft.


Ik draai door. Het wordt me teveel. Als stevig aan de weg timmerend K.K. ben ik chaos gewend, ik kan goed met chaos omgaan, verwerk het in mijn installaties, maar de chaos van het totaal in de war geschopte appartement van de hoofdhuurder, en vooral zijn kennelijke onverschilligheid ten opzichte van die chaos, alsmede de nieuwe chaos die hij aan het aanrichten is in de slaapkamer - hij heeft Hasso van het bed afgesleept en is met hem bezig op de vloer - kan ik niet meer aan. Ik zou het liefst stilletjes de deur achter me dicht willen trekken, met achterlating van mijn spullen. Alleen mijn iPad, mijn American Express en mijn paspoort heb ik nodig, in die volgorde, ik kan overal heen waar ik maar wil, ich bin ein Hotelmensch, daar ligt het niet aan, ik ben totaal onthecht van mijn omgeving, losgezongen van iedere materie, maar de hoofdhuurder heeft de deur afgesloten, met een ingewikkelde sleutel, van binnenuit, en de muur in de tuin kom ik niet over. Die komt niemand over. Althans niet van deze kant. Iedereen heeft te stellen met de muur. De muur staat er nog en zal er altijd staan. Ik speel met het idee om met een bloedhete theepot (geen IKEA) de kamer in te lopen en deze per abuis over het hoofd van de hoofdhuurder uit te storten. Chaos met chaos bestrijden heet dat.

17. Ik moet inpakken.



'Ik weet genoeg,' zeg ik als de hoofdhuurder routineus de derde lege fles Grauburgunder over de muur heen werpt. Ik ben op een punt aanbeland dat ik niet meer weet wat ik moet geloven. Ik teken er meteen bij aan dat ik erg van dat punt houd. Niet alleen als Konzeptkünstler, ook als toeschouwer en deelnemer. Als ik weet wat ik moet geloven vind ik er niets meer aan. Dus ik houd de waarheid liever in het midden. Need to know? Neen. Need to doubt. Need to wonder. Need to fear. Maar ik dwaal af. Ik moet inpakken. Ik moet inpakken en wegwezen. Ik moet inpakken, wegwezen en nooit meer terugkomen. Maar zo makkelijk gaat dat niet, want ik krijg de indruk dat de hoofdhuurder steeds meer op me gesteld raakt. Eerst dacht ik dat ik hem kon gebruiken, nu denkt hij dat hij mij kan gebruiken. Waarvoor? Het lichaam, om te beginnen. Ik heb sterk het vermoeden dat de hoofdhuurder mij niet laat vertrekken voordat het langzaam afkoelende lichaam uit de weg is geruimd. Voor mij was Hasso een cosmetisch probleem, een hygiënisch probleem, een sanitair probleem, zo je wilt. Voor de hoofdhuurder is Hasso een existentieel probleem. Mogelijk ben ik dat daarmee voor hem ook.

16. New woman




'How are the kids?' vraag ik om het gesprek met de hoofdhuurder, we zitten inmiddels met een glas Grauburgunder in de achtertuin met uitzicht op een met graffiti – KILL KAPITALISM – besmeurde muur, een andere wending te geven. Als hij vragend terugkijkt, wijs ik op een rondslingerend stuk IKEA-speelgoed. 'The vakking kids never came,' lacht hij. 'I date new woman, with kids, I redo my apartment, to accomodate new woman and kids, then: new woman leaves, kids gone too. I never even saw them!' 'Good for you,' zeg ik, omdat ik niets beter weet te zeggen. Het is even stil. Dat is het met deze hoofdhuurder: hij laat stiltes vallen op ongebruikelijke momenten, en ik kan niet in zijn getattoeerde hoofd kijken. Hij speelt met de Glock in zijn hand, hij is gefascineerd door de Glock. Ik ben ook gefascineerd door de Glock maar hij had hem eerst. Hij was het die hem uit Hasso's vingers peuterde. De Geige liet hij zitten. 'The new woman was a violinist?' probeer ik de losse eindjes aan elkaar te knopen. Ja, ja, ze was, en is, violiste. Op het allerhoogste niveau nog wel, vandaar dat de hoofdhuurder in zijn hoedanigheid van armzalige Konzeptkünstler bij de scheiding bijzondere belangstelling toonde voor haar Stradivarius. Bij wijze van compensatie voor gemaakte kosten, zeg maar. 'But the one you used is fake,' buldert hij. 'Die Geige in Hasso's hand is made in vakking China.'

15. Blood art

Blood art by Kubrick.


Ik heb veel uit te leggen, besef ik. Maar de hoofdhuurder heeft ook veel uit te leggen. Hasso heeft nog meer uit te leggen, maar hem zijn de uitlegmogelijkheden ontnomen. Ik wil beginnen met uitleggen, maar de hoofdhuurder is mij voor met vragen stellen. Hij zegt: 'Where the vak did you get that violin?' En: 'Don't tell me that guy is really dead?' En: 'What about that blood? Is that vakking pigblood from the slaughterhouse? To create chaos in my apartment voor art's sake I don't mind, but to pour vakking pigblood in my bed is something else?' Even overweeg ik het uitleggen te laten voor wat het is, de Glock uit Hasso's hand te peuteren en de hoofdhuurder onschadelijk te maken. Maar dat zou mijn probleem alleen tijdelijk oplossen, en uiteindelijk juist nieuwe problemen opleveren. Ik kan beter proberen antwoorden op zijn vragen te formuleren waar hij mee kan leven. Dus ik zeg dat ik die viool even geleend heb, dat die vent echt dood is, dat dit blood art is – is hij daar soms niet mee bekend? – en dat ik alle stomerijkosten zal vergoeden. Even krabt hij beteuterd aan zijn kale kets. Dan zegt hij: 'And what the vak were you planning to do with the vakking body?' Zonder een moment na te denken zeg ik: 'That, my friend, is where you come in.'

14. De hoofdhuurder



Als ik honderd foto's van Hasso heb gemaakt met mijn iPad – ik doe alles met mijn iPad tegenwoordig – voel ik een vinger tikken op mijn schouder. Ik schrik me dood. Ik draai me om en kijk in het gezicht van een kleine, in het leer gehulde, kale man, met bovenop zijn schedel een tatoeage van een anarchisten-A. Dit moet de hoofdhuurder zijn. Ik heb hem nooit ontmoet. Voor het wereldwijde uitwisselingsproject van Konzeptkünstler is het niet nodig elkaar te ontmoeten. Het is misschien zelfs beter van niet. De sleutels cq. deurcodes worden discreet uitgewisseld. 'What the vak is going on here?' zegt hij in vlekkeloos Duits-Amerikaans, hetgeen hysterischer klinkt dan de uitdrukking op zijn biefstukrode gezicht doet vermoeden, want dat staat op neutraal. De hoofdhuurder kijkt als een buurman die komt vragen of de auto een stukje kan worden verplaatst. Sorry about the mess, zeg ik, I didn't know you would be back so soon. I thought I had at least another week to return your apartment to its original state... Having said that, it strikes me how extremely well organised you are. And tidy. For a conceptual artist, that is. I bet you thought my apartment was a pigsty. 'Not at all,' antwoordt hij. Zijn leren outfit kraakt als hij langs mij heen kijkt naar de dode op het bed. 'I don't know your work, but I must admit it looks intriguing.'

13. Concatenatie, geen connectie.

Spatzen.

Als ik de douche uitkom, me heb geschoren, geurtje opgedaan, aangekleed, eieren gebakken, koffie gedronken, enzovoorts enzoverder, muziekje opgezet, Gesualdo nota bene, merk ik opeens dat ik me niet meer alleen voel, of misschien moet ik het zo zeggen, opeens besef ik hoe alleen ik ben geweest in de maanden dat ik hier verblijf, eenzaam zelfs, ook al waren de Berlijners sympathiek, Berlijners zijn altijd sympathiek, dat is algemeen bekend, maar zelfs ondanks dat sympahieke, ja, welwillende Berlijn, bleef ik solitair. Ja, ik dronk cappuccino met Berlijners op de Helmholtzplatz, ja, ik dronk Riesling met ze op de Oderbergerstraße, ja, ik dronk witbier in de Wrangelstraße, alles onder toezicht van Spatzen, maar er gebeurde niets. Concatenatie, geen connectie. Maar misschien straalde ik ook te weinig uit dat ik bronstig was. Misschien straalde ik uit dat ik, Marius Mobius, Konzeptkünstler, meer dan genoeg had aan mezelf. Maar nu, met een doorboorde Hasso in de slaapkamer, voel ik me plotseling bijzonder op mijn gemak, ontvangen, thuis in deze stad, in deze IKEA modelwoning zelfs. Gezelligheid: een vreemd ding.

12. Voyeurisme

Forensics.


Het kogelgat fascineert me. Als ik Hasso's bleke hoofd – het Hitlerhaar zit nog altijd intact –  voorzichtig kantel door aan het hoofdkussen te trekken, komt de exit-wond mooi in beeld. Ik ben blij dat ik aan deze verwonding part noch deel heb. Het geeft een vreemd soort voldoening om leed dat men niet heeft berokkend te aanschouwen. Het is iets anders dan leedvermaak. Er komt geen sadisme aan te pas, geloof ik. Het is voyeurisme in de lijn van de kijkfile en het omstanderseffect. Leed is fascinerend punt. Dat het leed mijn indringer is aangedaan is een cadeautje van het noodlot. Ondertussen heb ik er wel een probleem bij, maar dat kan wachten, en trouwens, ik heb er ook een Geige bij. Nog een cadeautje. Per saldo kom ik er dus niet zo slecht vanaf, op deze vroege grijze ochtend in Berlijn. Ik heb slechtere ochtenden meegemaakt, grijzere en vroegere, hoewel waarschijnlijk niet zulke bizarre. Zelfs niet in Damascus. Net als ik mezelf wil feliciteren met de goede afloop, naar omstandigheden, voel ik mijn darmen stuipen, een vlaag die zich door mijn slokdarm omhoog pompt, maar als ik naar de WC hol, en boven de pot ga hangen, is de produktie nihil. Vals alarm. Story of my life. Eerst maar eens douchen, denk ik, aankleden, koffie drinken en daarna een foto van het lijk maken. Je weet nooit waar het goed voor is.

11. Verdammt nochmal, der Mann ist tot.

Caravaggio


Als ik om Hasso heen loop, tenminste ik denk dat hij Hasso heet want dat lees ik op het naambordje aan het kettinkje om zijn nek, dat in zijn shirt verborgen zat, bespeur ik tot mijn niet geringe schrik een niet gering gat in zijn schedel, vlak achter zijn oor. Een kogelgat. Er is een flinke stroom bloed uitgelopen, uit dat gat, dat moet wel, maar de donkerpaarse bloedstroop heeft zich subtiel een weg gebaand in de ruimte tussen het hoofdkussen en de dons naar een onzichtbare holte. Zowel geschokt als gerustgesteld kniel ik naast het bed neer. Onmiddellijk moet ik denken aan een Bijbels tafereel, waarschijnlijk Maria die neerknielt bij Jezus, een of ander 16e eeuws schilderij, maar meteen daarna dwalen mijn gedachten af naar Winston Wolf, 'I solve problems', enz. Dat ik het schot niet gehoord heb verbaast me niet zoveel. Dat is het wonder van de geluidsdemper. Dat mijn indringer een kogelgat in zijn schedel heeft en niet ik, verbaast me daarentegen behoorlijk, want hij had gedreigd dat ik de ochtend niet zou halen, en nu heeft hij zelf de ochtend niet gehaald, nota bene met de Geige die hij zocht in zijn hand. Ik leg een vinger in zijn hals. Daar zit inderdaad geen muziek meer in. En nu treft het me. Verdammt nochmal, der Mann ist tot. Opeens vind ik dat Hasso er morsdood uitziet, terwijl ik nog niet zo lang geleden dacht dat hij rustig lag te slapen. Dat is het wonder van het voortschrijdend inzicht.

10. 'Sleeping beauty.'



Liefst wil je een val zetten en in de tussentijd iets anders gaan doen, maar de mogelijkheden zijn uitgeput. Ik klink als een plaat die blijft hangen. In de badkamer valt niets meer te halen. Daarom besluit ik, als een schichtig hertje, mijn schuilplaats stilletjes te verlaten, en naakt – die ene hand die het handdoekje vasthoudt om mijn middel kan ik nu niet meer missen –, en met mijn Zahnseide in de aanslag, het IKEA-modelappartement te inspecteren. Daar ben ik gauw klaar mede, want meteen al de in het kille ochtendlicht badende slaapkamer betredend, tref ik op het ronde IKEA-bed mijn indringer aan, op zijn rug, met de ogen dicht, in zijn ene hand de Glock en in de andere de Geige. Op de grond een open vioolkoffer met strijkstok; het was mijn indringer denkelijk niet om een vertolking van zeg Khachaturian te doen. Ik sluip langzaam op het bed af en sleep met een teen de vioolkoffer naderbij. Antonio Stradivari, lees ik in de voering. 'Sleeping beauty.' Ik ben geen vioolkenner, maar noch mijn conceptuele kunst, noch die van de hoofdhuurder van dit IKEA-appartement, vermoed ik, zal in de buurt komen van de waarde van dit instrument.