23. Cher Frédéric,


Re: lafheid
  
Ik wil je allereerst bedanken voor je bijdrage aan de verbetering van mijn leefomgeving. Het is een mooi ding om dezer dagen nog mensen bereid te vinden bijdragen te leveren ter verbetering van iemands leefomgeving, spontaan, en zonder dubbele agenda bovendien. Nou ja, iedereen heeft een dubbele agenda, daarvoor hoef je de agenda alleen maar om te draaien, maar in jouw geval zou ik toch willen spreken van een inherente goedaardige, ja behulpzame impuls, en zoiets moet worden toegejuicht. Natuurlijk: je had een oog op mijn huis in Caux. Meer dan een oog, je had het willen confisqueren om het cadeau te kunnen doen aan je veeleisende vriendin. Dat was de deal. Op de vrije markt lukte het je niet een bevredigende aanschaf te doen. Jij zou een bijdrage leveren aan de verbetering van mijn leefomgeving, en die van mijn vrouw, en ik zou jou in ruil voor die daad, nobel of niet, mijn huis cadeau doen. Je was er meteen verliefd op, op mijn huis. Je was ook meteen verliefd op de deal. Je zag alles ineens samenkomen: gunst, noodlot, en liefde. Ik heb je wat aanwijzingen gegeven, die heb je opgevolgd. Ook daar ben ik je dankbaar voor. Maar je begrijpt waarom ik mijn aandeel in de transactie niet kan nakomen. Halverwege heb je het gruwelijk laten afweten. Je lafheid heeft je ingehaald, Frédéric Groeninx van Zoelen. Heb je je mooie vriendin inmiddels van ons verteld? Verbaast me niets. Het hoeft al niet meer, Frédéric. Dit is het laatste wat je van me hoort, ik hef dit emailadres op, en ik stel voor dat jij hetzelfde doet. Pouff! Hartelijks, enz.'

22. Lijkenopslag


'Il faut que je fais pipi. Immédiatement.' De supermarktallochtonen kijken elkaar verbaasd aan. 'Muß pinkeln. Sofort.' Bij de vrouw uit Wuppertal verschijnt nu een heel dun spoor van begrip. 'Need to pee. Right now?' De magere man wacht niet af of Andrei hem begrijpt. Zijn vrouw uit Wuppertal mag uitleggen waarom hij plotseling wegrent, zonder behoorlijk afscheid te nemen. Voor zijn gevoel wordt hij alras door niemand meer nagekeken. Volgens de dienstregeling bij de bushalte blijkt dat de streekbus die Caux niet overslaat net vertrokken is, maar als de magere man opkijkt zweeft hij voor zijn neus. Thuis wacht hij tot de duisternis komt – de duisternis is zijn medeplichtige – en sleept dan, heel zachtjes, het opmerkelijk lichte lichaam van Frédéric Groeninx van Zoelen naar het schuurtje achter de composthoop. Daar schuift hij het met beleid op het lichaam van de vierkante vrouw, en bespuit het geheel met een gemeen goedje tegen de kadaverlucht. 'Mijn lijken,' grinnikt de magere man bij zichzelf. Hij verheugt zich op de email die hij zo direct gaat componeren. De email naar IJburg. Er moet nog een email naar IJburg worden geschreven, om het verhaal ook aan die kant goed af te hechten. Dit om toekomstig verrassingsbezoek uit IJburg en elders te voorkomen. De magere man houdt niet van verrassingsbezoek, zeker niet uit IJburg. Hij houdt überhaupt niet van bezoek. Als er sprake moet zijn van bezoek, dan wil de magere man de bezoeker zijn, niet de bezochte.

21. Des affaires pratiques.


En dan lijken er alleen nog zaken van praktische aard te bestaan. Des affaires pratiques. Niemand houdt van praktische zaken maar ze zijn in staat een hoop schade aan te richten als je ze veronachtzaamt. Het lichaam kan wachten, maar de huurauto moet weg ook al is het een onopvallende huurauto. De magere man besluit de auto naar de dichtstbijzijnde Carrefour te rijden, alsof hij boodschappen gaat doen. Daar parkeert hij hem keurig tussen de andere onopvallende auto's maar net als hij de parkeerplaats af loopt op zoek naar de dichtstbijzijnde halte van de streekbus die hem terug naar Caux moet brengen wordt hij staande gehouden door een levensblije man met gezichtsbeharing en een aandoenlijk accent. 'Your wife also shopping?' vraagt hij. 'I'm Andrei. I live here two year. Where you live? Parler Français?' De magere man zoekt een excuus om zich los te weken uit deze onvoorziene situatie, te ontsnappen aan deze spontane conversatie waar hij allerminst om heeft gevraagd en die heel, heel slecht uitkomt, maar het is al te laat. De vrouw van Andrei die uit Wuppertal komt en nog slechter Engels en helemaal geen Frans spreekt is ineens met een tjokvol boodschappenkarretje aan komen zetten en laat hem niet meer los. Letterlijk.

20. Halo


Maandag zal de magere man uitslapen. Hij slaapt anders nooit uit, maar op deze dag aan het begin van de week heeft hij er zin in. Hij zal uitslapen tot half acht. Voor een boer is dat uitslapen; de magere man is geen boer, maar dit is een van zijn boertige trekjes. Een ander boertig trekje is dat hij met zijn kleren aan slaapt. Sinds het verscheiden van de vierkante vrouw, heeft hij bepaalde burgerlijke gewoontes afgelegd; een daarvan is het verkleden voor het naar bed gaan en na het opstaan. De magere man zal naar de logeerkamer gaan, de pan onder het lekkende dak verwisselen, en daarna beneden voor zichzelf een homp van een stokbrood afscheuren, die hij eerst langs een stuk boter heeft gehaald. Hij zal koffie zetten, uitgebreid, en ook brood in de koffie soppen, omdat hij dat al zijn hele leven doet, boer of geen boer. Pas veel later, laten we zeggen rond het middaguur, zal de magere man de behoefte voelen om een kijkje te gaan nemen bij de open haard, waar hij Frédéric Groeninx van Zoelen heeft achtergelaten. Hij zal gefascineerd zijn hoe hij erbij ligt: dramatisch achterovergebogen over de leuning van de oude bank, de babyface open en bloot en ongeschonden ondersteboven hangend, de blonde haartjes in de vorm van een halo om zijn hoofd, de benen wijd en de ogen open. De magere man zal de ogen niet sluiten. Hij zal de ogen openlaten, zo lang mogelijk.

19. De methode


'Het moet gebeuren, dat is het punt niet,' zegt de magere man, porrend in het vuur met een zwarte pook. 'Daar zijn genoeg redenen voor, maar de vraag is hoe. De methode. Alles hangt af van de methode. Écoute. Jij bent nog jong. Betrekkelijk jong. Laten we zeggen dat als je zo doorgaat je nu ongeveer op de helft bent. Ik zit op zevenachtste, als ik geluk heb. Maak daarvan achtnegende. Het slot nadert. Het maakt me allemaal niet zo gek veel meer uit. Of het dit jaar is, deze maand, deze dag, deze avond, of een tijdstip in de afzienbare toekomst, dat is een kwestie van perspectief. Hoedanook zal het niet lang meer duren, en dan kan het maar beter meteen gebeuren, n'est çe pas? Ik weet zeker dat je dat met me eens bent. Maar de methode, daarover kunnen we van mening verschillen. Grofweg zijn er botte en minder botte methodes. Er zijn geruisloze methodes, en minder geruisloze. Er zijn schone methodes, en vuile methodes. Dat is het enige wat me interesseert, Frédéric. Ga niet voor de gemakkelijkste weg. Wees creatief. Het enige wat ik van je verlang is dat je me van te voren inlicht over de methode, en dat je na afloop je sporen uitwist, maar dat spreekt voor zich.'

18. Wee


De poort gaat langzaam open, uit zichzelf lijkt wel, maar het is de magere man die voor Groeninx van Zoelen opendoet. Hij is zo mogelijk nog magerder geworden. Vooral in zijn gezicht. Er zit geen spek meer in zijn gezicht. Alleen nog botten en pezen. Zijn rood omrande ogen staren hem uitdrukkingsloos aan in het zwakke schijnsel van zijn olielampje. Dan knikt hij naar Groeninx van Zoelen, niet ongelijk de vierkante vrouw enkele weken eerder had gedaan, toen er nog geen incisie in haar halsslagader was aangebracht, toen alles nog veelbelovend was. (Nu is niets meer veelbelovend.) Groeninx van Zoelen sluit de poort achter zich en volgt de magere man naar binnen. De haard is aan, maar het is een moeizaam vuur. 'Ik dacht dat u boven was, boven brandt licht,' zegt Groeninx van Zoelen, om de stilte te doorbreken. De magere man haalt de rug van zijn knokige hand langs zijn neus, die bijna doorzichtig is. 'Ik wist dat je zou komen, maar niet zo snel. Niet zo snel, Frédéric.' Hij gebaart dat Groeninx van Zoelen op een krukje bij het vuur moet gaan zitten, en haalt een kom non-descripte soep voor hem, waar een weeë damp vanaf slaat. Waar moet hij die laten? In het vuur misschien?

17. Does that make sense?


'Fré, ik weet dat ik niet in je computer mag neuzen, maar ik zie dat je een email hebt gekregen waarvan je misschien toch wel de inhoud zou willen weten,' smst de niet-inwonende, wel logerende vriendin uit Amsterdam. Het is zondag tien uur – of vijf voor tien. De avond is gevallen. De hemel ziet zwart van de koortsachtig van niets naar niets flappende gierzwaluwen. Groeninx van Zoelen staat voor de poort van 16 Avenue de la Gare, Caux. De grafitti is verwijderd. Er brandt licht op de bovenste verdieping. Groeninx van Zoelen slikt zijn woede over de door de logerende vriendin geschonden privacy snel door, als een stuk hete pizza, voordat die de kans krijgt het verhemelte te beschadigen. De telefoon piept opnieuw. 'Een of andere idioot beweert dat jij hem vermoord hebt, als ik zijn Frans goed begrepen heb, niet omdat dat de afspraak was, maar om te voorkomen dat hij jou zou verraden. Does that make sense? Schatje, ben je dan toch... ;-) Stout hoor. Maar nog even dit: sinds wanneer sturen doden emails?' Dat is de eerste verstandige vraag die je me ooit hebt gesteld, denkt Groeninx van Zoelen, voordat hij zijn telefoon uitschakelt.

16. Geen coulantie


'Mais Monsieur Groeninx van Zoelen, c'est absolument normal, hein?' roept de aimable horlogier in Pézenas uit met Groeninx van Zoelens 1900 euro kostende vintage horloge dat vijf minuten voor loopt in de hand. 'Het is een dertig jaar oud horloge, daarvan kunt u niet verwachten dat het precies gelijk loopt! Dat is niet realistisch!' Natuurlijk eindigt het dispuut met de aimabele horlogier ermee dat er geen ruilmogelijkheid is, en niet alleen omdat Groeninx van Zoelens Frans niet goed genoeg is voor disputatie. Hij had op wat coulantie gerekend, maar er blijkt geen coulantie te zijn. Groeninx van Zoelen heeft niet gebriest, hij heeft geen rode blaasjes op zijn babyface, deels wellicht omdat hij voor een keer de raad van de niet-inwonende vriendin heeft opgevolgd – de vriendin die nu overigens wel haar facebookpagina's zit bij te werken op zijn computer in de glazen kubus – en naar Beziers is gevlogen en vandaar een huurauto heeft genomen. Hij zou wel zien waar hij overnachtte, zei hij. Misschien bij familie. Misschien nam hij een hotelletje. Dat kon er nog wel af, zei hij, want hij zou de volgende ochtend meteen weer terugvliegen naar Amsterdam. Alles bij elkaar, dacht hij, zou hij niet langer dan 36 uur op pad zijn.

15. Principekwestie


'Dit weekend naar Pézenas,' zegt Groeninx van Zoelen tegen de niet-inwonende vriendin aan de glazen ontbijttafel met uitzicht op een kaarsrecht water dat de naam gracht niet verdient. Groeninx van Zoelen spreekt zelden in hele zinnen tegen de niet-inwonende vriendin. 'Wat ga je doen in Pézenas?' 'Pézenas,' corrigeert hij onmiddellijk, 'niet Pézenà.' Hij neemt nog een hap van zijn verantwoorde muësli. 'Horloge terugbrengen.' 'Fré, dat meen je niet,' zegt zij. 'Je gaat toch niet weer met gevaar voor eigen leven 12 uur heen en 12 uur terug rijden voor een horloge dat vijf minuten voor loopt? Als het nou vijf minuten achterliep à la, maar voor.' 'Mag ik erop wijzen dat dat horloge dat vijf minuten voor loopt 1900 euro kostte?' 'Ja,' zegt zij, 'maar er zat geen garantie op.' Groeninx van Zoelen schuift zijn muësli opzij en zet zich aan zijn fruitsalade met geschaafde amandel. Zijn espresso laat hij koud worden. Op het pseudo-grachtje voor het raam gaat een bootje voorbij, een bootje met een kindje erin, een kindje met blauwe lippen. 'Principe-kwestie, zit me hoog, moet erheen, wat je ook zegt, ik ga.' Dit is een van die momenten waarop de vriendin beseft waarom ze niet-inwonend is. Groeninx van Zoelen had haar destijds wijsgemaakt dat hij naar Montpellier moest voor familiezaken, en dat hij tijdens een genoeglijk bezoekje aan het nabijgelegen Pézenas in een opwelling een vintage horloge had gekocht. (Hij heeft een zwak voor vintage horloges.) Ja, en omdat het vintage horloge het niet doet, moet hij het nu terugbrengen, tout simplement.

14. Donker gebied


'Wat is dat nu weer voor narigheid?' zegt de niet-inwonende vriendin van Frédéric Groeninx van Zoelen, als ze zijn en haar golfclubs uit de achterklep van de wel-inwonende Audi haalt, wijzend op een donker gebied ter grootte van een fors geschapen uitsmijter op de voor het overige smetteloze bekleding van de achterbak. 'Toch geen bloed, mag ik hopen. Fré, je hebt toch geen hoofd in je achterbak gehad? Of ga je me nu vertellen dat je een seriemoordenaar bent en dat je de hoofden van je slachtoffers naar de Lidl brengt in de achterbak van je Audi.' Voor de duidelijkheid, Groeninx van Zoelens niet-inwonende vriendin bedoelt dit alles schertsend. Ze is niet-inwonend, maar wel onwetend. De niet-inwonende vriendin is bezig humor te produceren, humor waarvan ze hoopt dat die een kleine glimlach kan veroorzaken op de babyface van haar geliefde, die al vroeg heeft geleerd dat lachen niet netjes is. Groeninx van Zoelen lacht niet, nooit, maar hij is wel benieuwd naar de vlek. Die gaat hij later, als de niet inwonende vriendin – na gedane zaken, uiteraard – naar haar eigen appartement is vertrokken, besnuffelen, aangezien hij zich niet kan herinneren dat hij recentelijk iets in de achterbak van zijn Audi heeft gelegd dat tot lekken in staat was, laat staan een hoofd.