Moord in de Morvan (7)



De verleiding was te groot om niet 'even' langs het kasteel te gaan waar de Van Lommeren-erfenis naar verluidt zo prinsheerlijk werd opgesoupeerd. Het probleem was alleen dat het nogal in de bosjes lag, om zo te zeggen. Nu houden de rijken ervan, wist ik, om hun rijkdom zoveel mogelijk af te schermen, op te bergen, te begraven eigenlijk, uit angst dat iemand anders de rijkdom van ze zou afpakken, maar dit sloeg alles. Chateau Prébendier lag aan het eind van een vijfhonderd meter lange, slingerende, doodlopende bosweg; spotters werden onherroepelijk zelf gespot. Hoewel er geen camera's bij het hek van de ingang hingen, moest worden aangenomen (zo had de privédetective eerder uitgevogeld en gerapporteerd) dat alles in en rondom Prébendier werd vastgelegd – niet alleen beelden, maar ook geluiden en warmtebronnen. Maar ik gokte dat niet het hele bos werd bewaakt en we leefden nog altijd in een vrij Europa, mompelde ik in mijn moerstaal tegen Murat.
Ik besloot de motor een kilometer verderop op een verlaten weggetje te parkeren – Murat mocht op het zijspan passen, die boodschap begreep hij nog wel –, en baande mij een weg door het dichtbegroeide bos. De takken braken bevredigend onder mijn afgetrapte tennisschoenen. Hier en daar kreeg ik een groene veeg van een boom. Ik ben de enige met ontwijkstress hier, mompelde ik bij mezelf. Gelukkig had ik mijn motorrij-handschoenen bij me, daarmee kon ik prikkelstruiken opzij duwen. Na zo twintig minuten te hebben gelopen in de richting die GoogleMaps aangaf (hoewel de betrouwbaarheid hiervan betwistbaar was, wist ik) kreeg ik aandrang. De slappe koffie van monsieur Latour moest eruit. Op het eind van zijn college over de Morvan had hij zich alsmaar op de borst getrommeld dat hij 'le dernier Français' was van het gehucht (de rest bestond uit Britten en Hollanders). Zuchtend sproeide ik mijn plas over de varens. Alsof het zo was afgesproken, begon het te regenen. Ik herinnerde me een waarschuwing van mijn opdrachtgever, dat regen nooit ver weg was in de Morvan. 'Zoiets als Holland dus,' zei ik. 'Ja,' zei hij, 'behalve dat de regen iets enthousiaster naar beneden stort.'
Inderdaad, het getik op de bladeren werd oorverdovend. Ik ben under cover of noise, dacht ik bij mezelf en stapte nog iets driftiger voort. Eindelijk leek in de verte iets op te doemen dat niet op bomen, struiken of planten leek, maar door mensen was gemaakt. Ik haalde mijn verrekijkertje uit de binnenzak van mijn jasje. Twee torenspitsen ontwaarde ik, met leistenen belegd; één leek te zijn ingestort. Frappant. Van een ingestorte torenspits had ik niets gelezen in het dossier dat ik had meegekregen, dus in die zin kon mijn expeditie nu al als een succes worden beschouwd.