Moord in de Morvan (5)



Ik weet niet of het door Moby Dick kwam, waarin ik me zoals gebruikelijk weer vanaf de eerste pagina in verloor, maar ik had een akelige droom. Een nachtmerrie, waaruit ik met een schok ontwaakte. Murat was ook meteen klaarwakker, en vroeg verschrikt: 'Qu'est ce qui se passe?'
Ik droomde niet dat ik door een walvis werd verzwolgen, maar dat ik in een rustig meertje zwom, zo'n  sereen, idyllisch meertje als waarin ir. Van Lommeren zou zijn verdronken, en dat er, toen ik een stukje onder water zwom in het gitzwarte, ijskoude water, zich een potvis bij mij naar binnen drong. Door de mond. Hij duwde met zijn neus mijn mond open, de lippen van elkaar, tot maximale ontsluiting, en wurmde zich naar binnen. Een omgekeerde bevalling daar leek het nog het meest op. Je denkt: dit kan niet, dit hier is veel te groot om door dat gat te passen, maar dan begint het persen en dan blijkt het toch te kunnen. De potvis ging ook mijn strot door, ik stikte bijna, ja, wat wil je, maar ik overleefde de verzwelging, om zo maar te noemen – uiteraard overleefde ik het, want in een droom schijn je nooit dood te gaan, je slaat alleen doodsangsten uit, een schrale troost. Anyway, toen ik de vis had verzwolgen en hij in mijn buik zat, begon hij zich een weg door mijn ingewanden te eten. Dat was het moment dat ik gillend wakker werd en Murat als een knipmes zo snel in paniek uit de bedbank omhoog kwam.
'Het is niets,' zei ik. Het moment dat ik in de stralende, troostrijke ogen van Murat keek, verbeeldde ik me dat ik op zomerkamp was als kind. Een zomerkamp waarin veel gevist werd en ik heel, heel erg vaak misselijk was, herinner ik me. 
Murat wreef zijn ogen uit en sprong uit bed, hij hoefde zich niet aan te kleden want hij had zich de nacht ervoor nooit uitgekleed, en begon een heel verhaal in het Frans waar ik niets van begreep. Ik ving alleen de woorden cauchemar op en guerre, waaruit ik afleidde dat hij misschien een vluchteling was, maar ik vroeg er niet naar, ik hoefde zijn antecedenten niet te weten, dan hoefde ik die van mij ook niet te geven. Ik noem dat het gelijk oversteken van anonimiteit. Ik had een plannetje met Murat. Ik zou hem inzetten om dichterbij de Nepalese weduwe Van Lommeren op het kasteel te komen. Immers, zelf kon ik maar één keer proberen haar te benaderen (even afgezien van vermommingen). Als dat misging waren mijn kansen verkeken. Maar met zijn tweeën kon het twee keer.
Om te voorkomen dat ik hem kwijt zou raken – Murat leek me zo'n vriend die je even makkelijk maakt als kwijtraakt – nam ik hem mee naar mijn afspraakje bij monsieur Latour, de streekhistoricus.