Moord in de Morvan (4)



Die nacht, die eerste nacht in Hotel Mitterrand, deed ik geen oog dicht. Niet omdat ik niet moe was. Ook niet zozeer omdat ik last had van een rommelende maag en vreesde een buikgriepvirus te pakken te hebben (door corona was ik even, heel even vergeten, dat er nog andere geniepige virusjes rondwaren), maar door Murat. Murat had ik onderweg opgepikt, hij stond bij Arnay le Duc te liften, en zijn verschijning ontroerde me. Ik heb zelf jarenlang gelift en ik heb later alsmaar de gunst willen retourneren, maar het lukte nooit. De lifters voor wie ik stopte moesten steeds ergens anders heen. Maar Murat zei: 'I'll go wherever you go.' Dat sprak me aan.
Ik waarschuwde hem dat ik geen tweede helm bij me had, en dat hij dus op eigen risico in het zijspan plaatsnam. Ook dat vond hij geen punt (of hij begreep me niet). Verbazingwekkend hoe meegaand deze lifter bleek te zijn.
Converseren tijdens het rijden, toch een van de aardigheden van liften, is er niet bij: wie bij een motorrijder achterop, of in mijn geval als bijrijder plaatsneemt, kan niet meer doen dan op zijn kont zitten en de zonnestralen opvangen (die eindelijk begonnen waren neer te dalen). Ik ben niet zo iemand die in zijn helm een telefoon heeft zitten of een ander communicatiemiddel; wat mij juist bevalt van het motorrijden is dat je gedwongen bent je op het niets te concentreren. Ik weet niet of dat meditatie is want ik heb nog nooit gemediteerd, maar het komt volgens mij in de buurt.
Murat was een man van een jaar of dertig, met een koffiebruine baard en stralende ogen, die wel licht leken te geven. Zijn flinke postuur rijmde niet met zijn verlegen lach. Hij droeg een blauw overall, alsof hij net van zijn werk kwam als automonteur, en misschien kwam hij dat ook, maar ik zou het niet weten, want er was geen conversatie.
Bagage: 1 polstasje.
Aangekomen bij het hotel, het was inmiddels alweer laat – hoe kan het toch, dat de heenreis zo lang duurt?  – maar nog steeds licht, kwam de aap uit de mouw, dat wil zeggen: Murat hees zich uit het zijspan, liep nerveus handenwringend op mij af en informeerde of ik misschien een slaapplaats wist voor de nacht.
Ik huldig het principe dat in elk mens, zelfs de op het oog minst veelbelovende, iets schuilt dat de moeite van het verder leren kennen waard is dus ik zei ja en smokkelde hem de hotelkamer in. Ik moest nogal lachen toen de waardin, een strenge Française van middelbare leeftijd, mijn smokkelwaar niet scheen op te merken; misschien dacht ze dat hij iets kwam meten of repareren.
Thans werd ik gestraft voor mijn goedheid. Ik lag wakker om alle scenario's af te lopen, en hij sliep als een roos. Het lot van de welwillende maler.