Moord in de Morvan (3)



Ik kwam niet verder dan iets onder Parijs. Ik had geen rekening gehouden met de regen. Ik werd gestraft voor mijn nauwe opvatting dat het weerbericht alleen voor de boeren is. Het is namelijk uitdrukkelijk ook voor de motorfietser, ook al neemt hij de dikwijls onder een bladerdak schuil gaande route national. Harder dan zestig ging ik zelden. Moest ik in het water dat tegen mijn integraalhelm sloeg een teken zien? Een teken dat deze trip wellicht, nou ja, gedoemd was? Nee, dat zou te makkelijk zijn. Regen betekent niets, zo simpel is het, hoewel men er dus wel last van kan hebben (en, onder sommige condities, vreugde aan kan ontlenen, al was dat in mijn geval alweer lang, lang geleden).
Tweede uitdaging: waar te overnachten. Drie hotelletjes in de buurt van Versailles accepteerden wegens corona geen late gasten zonder reservering (al zal mijn doorweekte verschijning ook niet hebben geholpen) of ze waren 'vol'. Ik was genoodzaakt mijn provisorische logies op te zoeken: in het zijspan, met een zeiltje eroverheen.
Vanochtend werd ik gebroken wakker. Bij de koffie in het pompstation en mijn eerste Lucky Strike kwam ik weer enigszins tot mezelf. Waar was ik mee bezig? Ja, die vraag had ik in mijn leven wel vaker gesteld, zonder een bevredigend antwoord te kunnen bedenken. Geld interesseerde me te weinig, misschien was dat het punt. Wie zijn ogen op het materiële blijft houden, zal toch vroeg of laat iets van verbetering van zijn levensomstandigheden ervaren, maar ik was een romanticus. Zoals Hermans al schreef, is elke Nederlandse schrijver per definitie een romanticus (al zou Reve daaraan toe hebben gevoegd dat de Nederlander niet in staat is tot romantiek). Ik had de pandemie moeten aanvatten om te stoppen met roken, maar ik was juist méér gaan roken (en ik had al zwakke longen). Ik had het idee dat ik in de Morvan mijn tijd mooi kon verdelen tussen veldwerk in de verdrinkingskwestie en schrijven in mijn hotelkamer, maar het moest worden bezien hoe dat zou uitpakken.
Ik belde hotel 'Mitterand' in Autun, de hoofdstad van de Morvan, dat ik het niet gered had om gisteravond laat al aan te komen, en dat ik vandaag zou arriveren, waarschijnlijk, deo volente, rond het cocktail-uur. Het antwoord van de waardin luidde niet zonder spot: 'We hadden al zoiets verwacht, monsieur. Doet u vooral rustig aan.'
Weer op de BMW, onder opentrekkende luchten, zoog ik de plattelandse zomerwind naar binnen. Het leven was goed, al moest men waken voor zelfgenoegzaamheid. Immers, de wereld was slecht. Dat moest wel, anders had ik geen werk.