Moord in de Morvan (24)



Op de terugweg naar het hotel werd ik weer bijna van de weg gehaald door een gendarme. Niet zozeer omdat ik slingerde of zo, maar omdat ik er zo zonder helm en met mijn paarse pak uitzag als iemand die van de weg gehaald wilde worden. Eenmaal in mijn hotelhokje, een hokje met uitzicht op het centrale plein van Autun, het was een genot om eindeloos naar passanten te kijken, ging ik achter mijn laptop zitten, negeerde drie emails met onderwerpen in kapitalen van Arnold van Lommeren, en tikte als een bezetene aan mijn roman. Waar kwam die inspiratie vandaan? Ergens voelde ik dat ik al mijn bevindingen in het dossier Van Lommeren zou moeten boekstaven, maar in plaats daarvan vloeide de ene na de andere scène uit mijn vingers die misschien wel goed genoeg was om verbatim te worden opgenomen in 'Omtrekkende bewegingen' – de titel van mijn boek, mocht hij ooit verschijnen.
Nadat ik als enige eter in het hotelrestaurant een bord slappe friet had verorberd met een taai stuk vlees en iets dat voor groente moest doorgaan, gelukkig had ik niet bezuinigd op de wijn, liet ik mij uitgeput op bed vallen. Ik vroeg me af of ik mijn kamergenoot moest bellen om hem te redden uit de armen van de Nederlandse vertaalster, Ingrid de Waal. Nog voordat ik iets had besloten, viel ik in slaap. De volgende ochtend zat ik nog voordat ik was aangekleed alweer te tikken. Het leek of iemand me aan de hand meenam tijdens het schrijven, ik kende dat gevoel van lang geleden, toen ik nog 'succes' had, of wat daarvoor door moest gaan (succes betekende vooral dat je je allerlei vernederingen moest laten welgevallen ten bate van de marketing; alleen wie geen boeken verkocht, zoals ik, kon zich prettig blijven concentreren op het schrijven zelf).
'Waar ben je, wat doe je, amuseer je je nog.' Dat waren de vragen voor Murat, toen ik hem eindelijk aan de telefoon had. In plaats van antwoord te geven, sommeerde hij me in alle talen hem beschikbaar hem onmiddellijk te komen ophalen. Ik sprong op mijn motorfiets. Murat stond te zwaaien langs de weg. Hij had striemen op zijn armen, een zuigzoen in zijn hals en een bloedlip. Zijn haren en zelfs zijn baard zaten door de war, en zijn kleren leken in de alle haast aangetrokken. Ik hielp hem in het zijspan.
'Wat heb je tegen cette femme gezegd?' brulde hij. 'Waarom heb je me bedrogen, Paul Krom? Ik dacht dat ik je kon vertrouwen, maar je hebt me uitgeleverd aan de duivel!'
Ik had geen flauw idee waar hij het over had, maar iets in me zei dat het zinloos was om hem tegen te spreken. Dus ik zweeg en startte de motor. In het hotel, toen hij weer wat was bijgekomen, bracht ik hem het goede nieuws.
'Vriend,' noemde ik hem (en ik meende het), 'we zijn uitgenodigd bij de weduwe op het kasteel voor een diner ter gelegenheid van de sterfdag van Sweder van Lommeren.'
Hij keek me aan alsof ik hem een versnipperd honderd euro-biljet had overhandigd.