Moord in de Morvan (23)



Na de bezichtiging, die bar weinig had opgeleverd, bracht Salman mij terug naar het terras. Suni was in een taal die ik niet verstond aan het videobellen met een vrouw in, ik meen, Kathmandu, die wel een mondkapje droeg, en ook een hoofddoek trouwens. Er werd weer veel gelachen; naar de aanleiding van de hilariteit kon alleen worden gegist. Ik dacht dat het om mij ging, als mensen lachen in mijn omgeving denk ik dat het om mij gaat, en misschien gaat het vanaf dat moment ook om mij; zeker weten doe je het nooit. Even overwoog ik Salman, die geen aanstalten maakte om mij alleen te laten, om voor mij te tolken. Toen verbrak Suni opeens de verbinding en schonk mijn pernod bij. 'Monsieur Krom, zit, zit, vertel mij over die roman van je die nergens naar toe gaat.'
Ik probeerde te glimlachen maar het was een vermoeide glimlach. Ik knoopte mijn jasje open en ging zitten. 'Heb je er bezwaar tegen dat ik rook? Ik kan niet over mijn werk praten zonder te roken.'
'Mijn broers roken alles wat maar te roken is dus je gaat je gang maar.' Suni lachte haar imperfecte tanden bloot en ik moest denken aan de vermeende biologische functie van dat gebaar: laten zien dat je niets kwaad in de zin hebt. Waarom lachten wolven niet? Waarom lieten die hun tanden zien om te dreigen? Suni gebaarde naar Salman om een asbak, waarop deze prompt terug het kasteel in beende.
Ik stak een Lucky Strike op. 'Wat wil je precies weten over de roman die nergens naar toe gaat?'
'Waar gaat hij heen?' Ze lachte opnieuw. Er werd veel gelachen hier ten kastele, misschien iets te veel, naar mijn smaak.
'Dat weet ik pas als hij af is,' zei ik.
'Zolang je schrijft heb je geen idee.'
Ik schudde mijn hoofd. Hoewel ik geen steek verder kwam met mijn research, en me misschien zelfs een beetje zorgen moest maken over mijn veiligheid, voelde ik me op mijn gemak. Dat kwam door de drank, de sigaret, de weduwe die anders bleek te zijn dan ik me had voorgesteld. Een vrouw van vlees en bloed die niet bang was om haar schaamlip aan een vreemde te flaunten.
Ik besloot haar eens een vraag te stellen. 'Waar moet een roman volgens jou naar toe gaan?'
Ze haalde een hand door haar. 'Naar de dood natuurlijk, waar anders?'