Moord in de Morvan (16)



Hoestend en proestend werd ik wakker. Ik keek op mijn telefoon: elf uur in de ochtend. Affreus voelde ik me: barstende koppijn, schrijnende keelpijn (ik kon amper slikken), en, dat baarde me nog de meeste zorgen: pijn in de borst. Goed, ik ben pas vierenveertig, dus ik zit niet in de hoogste risicogroep maar dat roken van mij kan onmogelijk als een verstandige levensstijlkeuze worden genoemd, en trouwens, mijn buikje was ook geen reclame voor wat dan ook (behalve misschien voor de bourgondische cultuur, maar wie haakte daar nog naar? Het was fit-fit-fit wat de klok sloeg. Depressief werd je ervan, maar dat is een ander verhaal).
Ik duwde de dons van me af, kwam half overeind en wierp een voorzichtige blik op de bedbank om te zien hoe mijn kamer- en studiegenoot erbij lag. Er stond me vaag iets bij dat we op het dorpsfeest als laatste gasten waren overgebleven met Ingrid de Waal, de Nederlandse vertaalster, die zowel de mondkapjes-regel als de anderhalve meter-regel aan haar hoge, glimmende laars lapte, maar dat zij de bedbank zou gaan delen met Murat, verbaasde me toch nog enigszins. Totaal verstrengeld lagen ze daar, een grote onhandige hoop vlees.
Toen ze hem in de smiezen kreeg gisteravond had Ingrid de Waal mij onmiddellijk terzijde geschoven en zich met heel haar hebben en houwen, en dat was nogal wat, op Murat gestort. De communicatie met de Tunesisch-Franse Adonis leek haar geen enkel probleem op te leveren. Hij liet zich willig inpalmen door deze doortastende dame, die, zo bleek, enige reputatie had hoog te houden om haar Proust-vertalingen, maar daar ging het gesprek volgens mij al snel niet meer over. Toen ze Murat in haar Renault Espace probeerde te duwen, om hem mee te tronen naar haar eigen heiligdom, op een berg in de buurt van St. Léger sous Beuvray, had ik daar een stokje voorgestoken. Ik voelde me niet alleen verantwoordelijk voor het welzijn van mijn verloren zoon, maar ik had hem ook nodig. Aan de andere kant bleek Ingrid de Waal, ik durfde niet naar haar leeftijd te vragen maar ik vermoedde dat die aan de verkeerde kant van de zestig lag, wel erg veel af te weten over de zaak Van Lommeren, dus haar bruuskeren na zo'n bijzonder genoeglijke avond onder het Franse gepeupel, in haar habitat zogezegd, dat was onverstandig geweest. Daarom had ik De Waal in het zijspan gemanoeuvreerd en Murat bij me achterop gezet en daar gingen we. Ik had natuurlijk ook veel te veel gedronken, maar ik reed niet harder dan veertig en zonder kleerscheuren bereikten we Hotel Mitterrand. Gelukkig was er niemand aanwezig bij de receptie.
Nu stapte ik nog altijd hoestend en proestend onder de douche. Toen ik klaar was voelde ik me een stuk beter, maar bij de tortelduifjes op de bedbank was nog steeds geen teken van leven te bekennen.