Moord in de Morvan (11)



Murat en ik besloten ons terug te trekken op onze hotelkamer. We hadden even helemaal genoeg van de buitenlucht. Ik klapte mijn laptop open, stak de ene Lucky Strike met de andere aan, en tikte koortsachtig verder aan mijn Roman Die Nergens Naar Toe Ging. Murat lag vooral op de bedbank naar het plafond te staren en met mijn als vulpen vermomde stiletto zijn nagels schoon te maken.
Ook de waardin van Hotel Mitterrand had geïnformeerd, vanochtend weer in de ontbijtzaal, wat 'dat heerschap' bij mij deed, en of hij misschien illegaal op mijn kamer logeerde, waarop ik ijzig antwoordde dat ik toch zeker niet hoefde te verantwoorden, anno 2020, met wie ik mijn double room deelde? Ik betaalde voor het recht om aan twee personen onderdak te bieden, en wie die Ander was, naast mijzelf, ging niemand wat aan. Privacy –  geen Frans woord. Intimité is echt wat anders. Hooguit wanneer Murat minderjarig was geweest, of hij als vermist was opgegeven of voor iets anders werd gezocht, kon zij mij iets verwijten, maar dat was allemaal niet het geval. Dat wil zeggen, daar ging ik vanuit. Veel bleef speculatie. Zelfs zijn leeftijd wist ik niet zeker. Gisteravond, terwijl we de tweede fles pinot noir à €3,20 van de LeClerc soldaat maakten, beweerde hij ineens dat ook hij ingénieur was, lees: daartoe was opgeleid aan l'Université de Tunis, te Tunis, maar toen ik probeerde te achterhalen wat hij dan precies gestudeerd had, welke richting enzovoorts, bleef het stil. Eerst dacht ik werktuigbouwkunde, daarna elektrotechniek, maar het enige woord waar we het over eens bleken te zijn was 'mécanique'. Misschien was hij toch gewoon automonteur, of was dat weer een geval van culturele downgrading? En wat deed het ertoe? Zelf had ik zelfs mijn middelbare school niet afgemaakt – ik had voor mijn eindexamen visitekaartjes laten drukken met Paul Krom, schrijver, omdat ik dacht dat ik geen tijd te verliezen had; dit bleek mee te vallen.
'Wat zullen we doen?' vroeg ik aan Murat, maar ook aan mezelf. Nu opgeven en terug naar huis gaan zou mijn vriend de advocaat, die me de opdracht had gegeven (en een niet onaanzienlijke werkbeurs), beslist als een nederlaag beschouwen. Ik ook trouwens. Er moest meer uit te halen zijn.
Murat staarde me zwijgend aan met zijn fonkelende ogen. Zijn nagels waren schoon, hij had de stiletto op mijn verzoek afgewassen in het badkamertje, en de dop op de vulpen gedaan.
Ik klapte mijn vooroorlogse laptop dicht. Op hetzelfde moment, alsof de duivel ermee speelde, werd ik gebeld door een anoniem nummer. 'Zeg het eens,' zei ik.
'Met Arnold van Lommeren,' sprak een bekakte stem. 'Spreek ik met de ooit gevierde, en immer nieuwsgierige schrijver Paul Krom?'
Ik kuchte in mijn elleboog. 'Daar spreekt u mede.' Murat ging verzitten, rekte zijn armen uit naar het plafond.
'Hebt u al gelegenheid gehad om de autopsiefoto's van mijn vader te bestuderen?'