49. Aksel (IV)

Claus Johansen, Bornholmsk landskab



Martin stond op, met zijn kromme rug, en leek even naar de voordeur te komen om zijn aanstaande, of in elk geval aspirant, moordenaar binnen te laten en te verwelkomen, maar vlak voor de hal sloeg hij rechtsaf naar zijn study. Wat ging hij daar doen? Was dit het moment voor Aksel om binnen te komen? Moest hij misschien toch aankloppen (een deurbel hadden ze niet want dat was 'bourgeois')?

Aksel vloekte nog een keer binnensmonds toen hij boven zich, in de kamer van Luna, een zwak lichtje zag branden, als van een telefoon. Had hij haar gewekt? Hing ze zo direct met haar hoofd en haar heerlijke diep roodbruine haar uit het raam: daddy, wat doe jij hier? Ik kom je springtouw brengen. Mijn springtouw? Je springt toch graag touw, Martin weet zulke dingen nog niet, dat kun je hem ook niet kwalijk nemen... Daddy, hoe oud denk je dat ik ben? Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen.

Misschien kon ze niet slapen door de warmte. Misschien lag ze al die tijd al te appen daarboven met god weet wie en had hij het niet gezien. Hij had berekend dat het gezicht van zijn dochter ongeveer acht uur per etmaal kleefde aan het scherm van de spiksplinternieuwe telefoon die ze van haar moeder had gekregen. En dat was een voorzichtige schatting.

Mouska lag languit op de stenen vloer voor het aanrecht. Slechte waakhond. Daar had je helemaal niets aan. Maar Aksel 'dus' wel. Wat als hij vlug het huis in sloop en haar baasje van achter te lijf ging met de pizzasnijder, wat als hij zo in één haal zijn keel doorsneed, zoals hij in zijn fantasieën al een paar keer had gerepeteerd? Zou Mouska hem verdedigen, dat wil zeggen: de indringer, de pizzasnijder, aanvallen, tegen hem opspringen, blaffen, het bloed oplikken?

Zou Luna naar beneden komen vanwege het tumult?

That was where het sinaasappelnetje came in. Dat zou hij namelijk in de mond van de afpakker proppen, lekker diep zijn strot induwen met zijn wijsvinger van de ene hand terwijl hij de mond open kneep met de andere, hij had ergens op internet gelezen dat zo'n netje er vrij makkelijk ingaat maar er heel lastig weer uit te halen is, dat het zich als het ware achter de huig vastzet, aan de tanden, en dat het in elk geval praten, zo niet ademen moeilijk zo niet onmogelijk maakte.

Ah, daar kwam Martin alweer terug uit zijn study. Hij had een Moleskin in zijn hand, zo'n zwart luxe notitieboekje. Echt iets voor Martin Sonnergaard om met een moleskin rond te lopen. Hij behoorde tot dat slag mensen dat werkelijk geloofde dat iedere ingeving, waar of wanneer ook opgekomen, immer de moeite waard is om vast te leggen.

'Wraak. De verschillende vormen van wraak.' Zo'n soort aantekening zat Martin Sonnergaard nu waarschijnlijk te maken op de bank, met een streep eronder. Nee, wacht, hij schreef een citaat over uit het boek dat naast hem lag. 'De beste manier om iemand te wreken is om niet op hem te lijken.' Marcus Aurelius. Zoiets. Tevreden over zichzelf, over zijn intellectuele inspanning op de late maandagavond, leunde hij achterover.

Natuurlijk ging hij een film maken, Martin Sonnergaard, hij was altijd bezig met een film, hij was filmmaker, die restaurants deed hij er alleen maar bij voor de lol.

Hij ging een film maken over wraak. Wraak, een mooie titel alvast. Het ging over een wraakneming. Een wraakactie. Een man waarschijnlijk in de hoofdrol. Mannen zijn wraakzuchtiger. Hoe kwam dat? Of kende hij vrouwen slecht en had zij zich op haar manier tegenover hem gewroken?

Er trilde iets in het huis. Martins telefoon ging af. Door het hout in het huis was de vibratie duidelijk waarneembaar, tot aan waar Aksel stond.

Zij dacht hij, om te checken hoe het ging, met Luna enzovoorts. Deed ze altijd als ze weg was, tot vervelens toe, Aksel schatte dat 80 procent van haar telefoontjes behoorde tot de overbodige soort.

'Nu al?' zei Martin Sonnergaard. 'Wat, heb je het niet gezellig of zo?'