Moederhaat

I.M. Anne Frank



Jouw Achterhuis leest als een coming of (c)age

Geheel op jezelf in de hogedrukpan van de schuil

Goudeerlijk, gruwelijk en genadeloos

Blijft niemand jouw scherpe pen bespaard


Onversneden is je moederhaat

Zij wil jouw vriendin zijn; jij zoekt een moeder

Zij zoekt een klankbord; jij wil een schouder

Jullie kregen geen van beiden


Wat ik me afvroeg is als niet jouw vader

Maar je moeder de oorlog had overleefd

Of jij en je voor haar vernietigende dagboek

Dan even beroemd waren geweest







International House of Mystery

In dit riante, vreemd vertrouwde pand

Aan de o zo bekende gracht

Is het een komen, blijven en gaan

van kennelijke onbekenden.


Spionnen, intriganten, boodschappers.

Passanten, voyeurs, agenten.

Neven, connecties, netwerken.

Personeel, ex-pats, studenten.


Iedereen is alles en nergens

Tegelijkertijd thuis en ver heen.

Dat eenzame eetbakje in de gootsteen.

De wens aanwezig te zijn en te verdwijnen.


Ook de geprivilegieerden hebben zorgen

Zoals het bedienen van de lichtschakelaars,

Het sluiten der gordijnen, om ze weer te openen

En: hoe krijg ik de juiste jetstream in de jacuzzi?


Mislukte pogingen

Bij de eerste poging 

Lieten de

Voorbereidingen

Te wensen over.


De tweede

Kenmerkte zich

Door fouten

In de uitvoering.


Voor mijn derde poging

Zal ik mij terdege voorbereiden

En de werkwijze vervolmaken,

Opdat zij opnieuw mislukt.

De curve van de hoop

De curve van de hoop en zijn spiegelbeeld de wanhoop

Heeft de elegante vorm van een klok.

Eerst hoop je nog niet erg veel


Maar naarmate je nadenkt over de mogelijkheden

Neemt de hoop exponentieel toe,

Om uiteindelijk – ook uit zelfbehoud – af te vlakken.


Dan snijdt de klepel van de teleurstelling

De hoop

Op zijn hoogtepunt genadeloos in tweeën.


De wanhoop die daarop volgt is niet meteen totaal

Maar zwelt langzaam aan tot een vrije val

Die pas op het allerlaatst weer wat wordt afgeremd. 

Dood en levend

What you see is all there is,

aldus Kahnemans adagium.

Ook van toepassing op mens en dier.


Zoals de uitgever voor wie ik een eeuwigheid terug

Vanuit New York stukjes schreef.

Hij dook ineens op, met zijn gebronzeerde leeuwenkop,


Toen ik het voorwiel van de fiets van mijn dochter

Trachtte te ontdoen van de spuitkak van een hond.

Viktor? Ja, en hoe heet jij ook alweer. Frank.


O ja. Woon jij hier? Ja. Ik alleen tijdelijk. Aha.

Ik kom net terug van twaalf jaar Afrika.

Wauw. Voor hetzelfde geld, dacht ik,


Was je morsdood geweest, gecrasht of verzwolgen,

Ik had het verschil niet opgemerkt,

Maar ik ben blij dat je nog leeft.









Zeilend door de Willem Frederik Hermansstraat

Lui als een koe in de wei

zeil ik op mijn elektrische fiets

door de godverlaten Willem Frederik Hermansstraat.


De bibliotheek rechts is groot en niet open.

Links doet de Mediamarkt, naar men mag aannemen,

goede zaken in parafernalia.


Ik tracht mij een dichtregel van Hermans voor de geest te halen,

of zelfs maar een flard proza maar kom niet verder

dan de geniale titel De tranen der acacia’s.


Thuis grijp ik naar het woordenboek voor de juiste spelling

en leer dat acacia in Suriname

verrassend betekent flamboyant.


Is Hermans in Paramaribo, Affobakka dan wel Kwamalasamutu gelezen?

Zo ja, wat stelden zijn lezers zich bij die titel voor?

In gedachten zeil ik overzee om het ze te vragen.


Complex

In het appartementencomplex

schuilt achter iedere deur

in iedere gang 


op iedere verdieping


een god.



We delen soms de lift


en kijken de andere kant op


in de spiegel


of voeren


een betekenisloos gesprek.



De goden trekken zich terug

 

in hun goddelijke vertrekken


van waaruit slechts sporadisch


doffe, gedempte geluiden komen


die getuigen van een leven.






De vraag

Voor de viering van hun tigste trouwdag

Hebben mijn ouders

Een doosje sushi laten aanrukken.



Mijn broer heeft lamskoteletten.


Van mijn vader mag ik


Een bordeaux uit 1990 opentrekken.



Mijn ouders, wars van wasabi, prakken de sushi.


De lamskoteletten zijn mals en sappig.


Bij het toetje wordt toch nog de vraag gesteld.



Als het misgaat pa wil jij dan per ambulance


Midden in de nacht met toeters en bellen


Naar het ziekenhuis worden overgebracht?



Ma schudt van nee, dat wil je vader niet,


Nergens voor nodig. Hijzelf werpt deadpan tegen:


Mag het alsjeblieft met één toeter en bel?




Gemoedstoestanden

Schopenhauer postuleert twee gemoedstoestanden: frustratie en verveling.

Je wilt iets. Het is onbereikbaar. Je hebt iets. Je bent het moe.

Is er misschien nog een derde gemoedstoestand?


Dat kortstondige, tijd- en plaatsuitwissende,

Ego-dodende, spel der verwachtingen tartende gevoel

Boven alles en iedereen uit te stijgen en helemaal in de ander op te gaan?


Bij Schopenhauer heet dit nirwana,

Maar misschien is dat te hoog gegrepen.

Extase is al mooi genoeg.


Niettemin kan je je met Schopenhauer afvragen

Of niet ook extase onderhevig is aan de genadeloze wetten

Der tegenwerking en ledigheid.

Gevangenissen, isoleercellen en doodskisten

Gevangenissen, isoleercellen en doodskisten


Komen in verschillende soorten en maten,


Kleuren, texturen en prijscategorieën.



Sommige blijven ongestoffeerd.


Wat je daarmee wint aan orde en ruimte,


Verlies je aan akoestiek en atmosfeer.



Van alle vormen van overlast


Is betasting de ergste, daarna stank, lawaai


En walging – die komt van binnenuit.

ik doe mijn best om de wereld te redden

ik hap in een biologisch appeltje

van binnen is hij rot


ik bijt het bruine hart eruit en spuw



ik probeer veganistische pasta carbonara


op basis van bloemkool met rauwe knoflook


mijn vrouw mokt, mijn kroost kokt



braaf scheid ik huishoudelijk afval


maar de containers zitten vol


een boete van 95 euro is mijn deel



ik doe mijn best om de wereld te redden


het wordt tijd dat de wereld 


een beetje dankbaarheid toont





nature morte

to greta thunberg


when i was your age

mutual assured destruction

was all the rage


i wonder what’s worse

world powers

bombing earth to bits


or world powers

doing nothing 

while the devil shits

De eenzaamheid van het anderszijn

Priemgetallen – zeker, die ook

maar die hebben elkaar nog

die delen hun ondeelbaarheid


Maar ik heb het over mensen

Iedereen is uniek – ja dat zal wel

Sommige mensen zijn unieker dan anderen


Uiteindelijk zit je met jezelf

Niemand begrijpt je

Ook jij niet

Huishouden

Het een mist een waterkoker,

Het ander een theepot.


Bij het een klemt de bestekla,


Bij het ander tel ik vier vorken.



De rijke heeft alles behalve


een uitklopbak en een spatel.


De arme stapelt bewaardozen


edoch ontbeert een beslagkom.



Logeren is een vak, jouw huis infiltreren een feest.


Elk huishouden vertoont strakke zwakke plekken.


Als parasiet merk ik ze op zonder ze te fixen.


Toon mij je vaat en ik zeg je waar de breuklijn loopt.



ALLES MOET KAPOT

Ik sloop, ik hak, ik boor, ik ram

Ik trek, ik scheur, ik splijt

Ik versplinter, verpulver, verbrijzel



Alles moet kapot


Alles moet weg


Alles moet vergruisd, opgeschept en afgevoerd



De gretigheid van het slopen


Het bikken en het slaan


De lust om de wereld grondig en onomkeerbaar te vernielen



O verrukkelijke privé-oorlog


Destructie had nog nooit


Zo'n subliem verzengende nasmaak




Tot ook ik


Mijn meerdere moet erkennen


In het alomaanwezige stof



En


Kapot


Ter aarde stort

Ruimtereis

Kom met mij overnachten in het landverhuizershotel

En laat ons Amerika aandoen, Antarctica en Azië

Laten we niet hier blijven maar daarheen gaan


Waar ze vreemde talen spreken en geuren verspreiden



Liefste reis met me mee naar dat land aan de andere kant


Van de wereld ik ben de naam vergeten maar die is egaal


Die plaats waar alles anders is, de volmaakte tegenpool


Dat moet een fantastisch rijk zijn, een heerlijkheid



Maar waarom op aarde blijven als we toch verhuizen


Wat hebben we helemaal nodig op onze ruimtereis


Behalve zuurstof, lef, een schip, miljoenen


En enige niet al te hete, concrete planeten?

Onbekendegracht (slot)

In dit vreemde huis word ik wakker gehouden door:


• een half-Noorse boskat roepnaam Monster

die onder het bed aan fantoom-wondverzorging doet

door de binnenkant van de plastic kap om zijn nek

stelselmatig te likken;


• een bovenbuurman die in zijn slaap neuriet,

gromt, kreunt, zingt, tegen zichzelf praat,

in zichzelf praat, tegen imaginaire bewoners praat

edoch niet snurkt, nochtans;


• voetstappen over de 

interessant krakende

kale houten vloer

met loszittende planken;


• de eeuwig draaiende ventilator;


•mijn eigen verontrustende gedachten.




Begrensde aansprakelijkheid

Men kan


Een mens


Niet kwalijk nemen


Dat hen


bestaat.

Ver haal

Een gedicht zonder verhaal is als een verhaal zonder pointe

Dichtte de verhalenverslaafde, doceerde de parttime dichter


Aan een groep juristen in een Parijs hotel bijeen.



Wie kan mij een verhaal vertellen, spontaan


Ik! Op de heenweg in de trein was het een komen en gaan


Van snuffelende douane-honden en stillen met armlinten.



Aardig, maar hooguit het begin van een verhaal.


Bij Brussel had er iets kunnen gebeuren, ging hij verder.


Quod non! interrumpeerde de plothongerige bruut.



Enfin. Op de terugweg bij Rotterdam, men dommelde,


Vond ik het nodig hoog in mijn rolkoffer te rommelen.


Uit een vak viel in het gangpad een lang vergeten joint.