Liefde slaat alles

je hoort wel fluisteren bij haardvuur

onder snoepende ogen in de bioscoop

in de kerk ook de vrijgemaakte

en in plattelandsdiscotheken

vlak voor het licht aangaat


liefde slaat alles


vertel dat de Afghaan de Taliban

vertel dat de uitbehandelde uitgezaaide

huidhongerende uitgekotste kapotgemaakte

vertel het aan hen die zijn veroordeeld

tot een naar oorlog verlangende vrede


liefde slaat alles


en toch ben ik van mening excuus voor deze afwijking

voor het moedwillig uitzetten van het kille verstand

voor deze behoefte aan een gemoedstoestand

voor dit ongefundeerde geloof dit blind vertrouwen

in een gloed een roes een vlucht


liefde slaat alles


Briefschrijverette



Geen mensenmassa's gisteren op het Museumplein, noch hinderlijke autoriteiten. Windstil (zo goed als), prettig warm (niet heet of benauwd), kortom ideale condities, als die bestaan, voor het tikken in de buitenlucht van brieven van liefde en haat.

Maar werd er ook geld verdiend?

Meteen al bij het opstellen van mijn gouden statafel, viel mijn blik op een jong stelletje dat op een bankje aan het uitrusten was (ja, van wat eigenlijk? van het blowen waarschijnlijk). 'Mag ik een liefdesbrief voor jullie schrijven?' vroeg ik. Dat mocht, maar toen ik begon over €10 per pagina, zei hij: 'Wat dacht je van drie stroopwafels?'

Ruilhandel kan ik niet aan beginnen, zou nooit de goedkeuring krijgen van mijn CFO. Bovendien eet ik alleen verse.

Er kwam een gay couple aanzetten, twee kortgeknipte sportschooltypes uit Mexico by way of Los Angeles. Ik heb het eerder vastgesteld: vooral Amerikanen zien de lol in van mijn performance en zijn ook bereid daarvoor cash neer te tellen. Dus daar ging ik: 'Dear Renato:' Het werd een beetje een brave brief, behalve het einde: 'I wish I were a dog.' Dat sloeg hierop, dat Renatoliefje eerst nogal tegen de honden was van Luis, zijn geliefde (en mijn opdrachtgever), maar daarna dusdanig voor ze viel, dat hij Luis niet meer zag staan. Mijn tiksel ontlokte een brokje in het keeltje van de geadresseerde en dat is me zoveel meer waard dan die luizige tien euro. Ik moest nog wel even poseren voor de Insta Story, een hit ongetwijfeld in LA en omstreken, maar voor de kunsten en voor de (heren)liefde ben ik tot veel, zo niet alles bereid.

Toen werd het stil. Natuurlijk zit een schrijver het liefst in een ivoren toren of een grafkelder zonder aanziens des persoons zijn fantasieën uit te walsen, maar ik moest er op uit, mensen aanspreken, de blijde/wrede boodschap verkondigen.

Niemand hapte.

Als vingeroefening begon ik aan een haatbrief.

Vervolgens kreeg ik bezoek van een jonge zwerver uit Finland. Konsta was klein van stuk, en droeg naast een rugzakje, een lange sliertige baard en een smoezelige stropdas met speelkaarten erop. Hij trok aan een half vergaan stickie. 'Waar is meer vraag naar, liefdesbrieven of hatemail?'

Ik antwoordde naar waarheid dat de vraag naar de liefde vooralsnog groter is, maar dat kan aan het weer liggen, en/of schaamte.

Het deed hem deugd dit te horen. 'Ik vertel moppen voor geld,' zei hij, en schoot zijn peuk weg.

'Als jij mij een mop vertelt, schrijf ik voor jou een brief.'

'Laat die brief maar zitten... Wat wil je: family friendly, dirty of dark?'

'Doe maar dark,' zei ik.

Na even te hebben nagedacht zei hij: 'Wat kreeg het kind zonder armen voor zijn verjaardag vorig jaar?'

'Een gitaar?'

'Geen idee, want hij heeft het nog steeds niet uitgepakt.'

Niet slecht, maar als ik hier €3 voor had moeten betalen, zou ik me toch bekocht voelen. Zo niet de Rus, vertelde Konsta, die zag hoe zijn vriendin schaterde van het lachen, terwijl hij er zelf niets van begreep. Om ervan af te zijn drukte hij de moppentapper 250 euro in de hand. 'Dat waren nog eens tijden,' zei Konsta. 'Eh, heb je nog wat kleingeld voor me?'

Net voordat ik mijn boeltje wilde oppakken, passeerden er twee grijze duiven met die typische, jeugdige oogopslag van verliefde mensen. Ze kenden elkaar nog niet zo lang, maar zij durfde het wel aan. Ze las de brief. 'Ik moet er bijna van huilen,' zei ze.

Hij trok aan zijn elektrische sigaret en vond het ook mooi, maar mijn aanbod om haar een brief terug te schrijven, sloeg hij af.







Zondag 12 september op het Museumplein: Tweede Poging tot Liefdesbrief & Haatpost-sessie

Van 15.00 tot 18.00 (of daaromtrent)

Op het Museumplein vlak voor het Stedelijk Museum

Zal uw tikker, Rev. Viktor Frölke, a.k.a Holy Vik, weer liefdesbrieven tikken op zijn Adler, en ja, ook haatpost, voor de liefhebber.

€10 per pagina (liefde)

€7.50 per pagina (haat).

Het kan in het Engels, hoeft niet. Nederlands is ook nog steeds een mooie taal om in te zingen en te hekelen.

Let wel: het betreft hier A5 formaat (met de mogelijkheid, tegen bijbetaling, tot luxepapier)

Denk vast na over een gegadigde (liefde) of slachtoffer (haat) (of omgekeerd).

'You do the feeling, and I'll do the writing'

NB: ook het laten schrijven van een liefdesbrief of haatbrief zorgt al voor ruime voldoening, leert de ervaring. Opsturen is optioneel.

Bid met mij tot de weergoden (en de demonstranten cq. autoriteiten) dat ze meewerken (niet tegenwerken) deze epistolaire performance, net zoals twee jaar geleden, tot een succes te maken.





Plaatsvervangende vertroetelingen

 


Mono-poly

 


Implants

 


Zondag 29/8/21: Liefdesbrieven (en hatemail) op verzoek, geschreven door Rev. Viktor Frölke [GECANCELD]

 



Jawel, jazeker en jahoe! Deze zondag deo volente, 29 augustus, laat in de middag,

op het Museumplein te Amsterdam, met de rug naar het SM.

€10 per pagina (liefdesbrief)

€7.50 per pagina (hatemail).

Bedenkt u alvast een begunstigde/slachtoffer

en meldt u bij de reverend.


Laatste nieuws: Sorry. Gaat niet door. Liefdesgoden willen wel, en de haat is immer beschikbaar, maar weergoden werken tegen. Motregen en wind is niet bevorderlijk voor het tijpen ener epistel op goudeerlijk papier, leert de ervaring, over de liefde of over wat dan ook. Ik beloof dat ik mijn stinkende best zal blijven doen om de weergoden te tarten en de rest van de wereld te overtuigen van het belang van deze onderneming.

Glasachtig lichaam

 


Twee vrienden

 


Dood of levend

 


De onderbroeken van mijn vader

 


Zeer Kort Gedicht



Sociale zaken

 


Weerkaatsing


 

Paradoxale verlustiging

 


Life row – voor de happy few

 


Gewelddadig gedicht

 


Het vogeltje in het zelfgemaakte huisje

 


Schouderklopje

 


Wat als als wat als?

 


Oplossingen voor problemen

 


Het doorbreken van de stilte

 


Iets groters

 


Aan huisratten, aasgieren en geldwolven

 


Botsende deeltjes

 


Nachtelijk verhoor

 


Recente ontdekkingen

 


Ramsey Nasr is een genie

 


Huh dat is waar ook de lente

 


Lage dekkingsgraad







Een leven ongeleid

 


Eindelijk gedoopt

 


Exclusieve woonruimte

 







Jawel, het is gelukt, ik heb weer vertrouwen in de mensheid (een beetje)

Kerry James Marshall


Jawel, het is gelukt, u hebt mij op deze plek weer aan het tikken gekregen – herstel: de aardige lezers die de moeite namen om te bunqen. Mijn dank is groot, ik ga voor u op mijn knieën, ik schrijf een vers met bloed op mijn borst (dan wel ondersteboven) aan u allen opgedragen.

Een eenvoudige, op mijn leeftijd niet zo eenvoudige rekensom leert dat mijn fundraising drive €139,50 heeft opgeleverd in 1 maand tijds.

Tel daarbij op het boek dat ik kreeg van W.H. Jansen, een premium donateur if there ever was one, en 'we' zitten op €165,40.* Een alleszins behoorlijk bedrag. Geen bedrag om je voor te schamen, denk ik. Hier kan Stichting Sehnsucht even mee vooruit. Een schrijfhuisje in de Italiaanse alpen zit er nog niet in, maar misschien wel een vintage schrijfmachine (de Tippa Adler hapert enigszins). Een digitaal kunstwerk? Een nieuw tuigje? Andere suggesties welkom op het welbekende emailadres (ik heb al een boek).

Nieuwe Vriend P., overigens geen donateur ('ik kom niet zo vaak op je site'), suggereerde Informaticus een bitcoin-donatieknop te laten installeren.

'Iemand uit Californië moet toch ook makkelijk op jouw site kunnen doneren? Mombassa? Charkov?'

Quite right!

Zo kan deze have not misschien toch nog wat meepeuzelen van de grote taart die wordt gebakken en die alsmaar verder rijst rondom een (voorzover ik kan overzien maar ik heb weinig overzicht) nauwelijks functionerend betaalsysteem.

Enfin, u heeft helemaal gelijk: laat het tikken beginnen. Waarover te tikken, hoe te tikken en in welke vorm, daar moet ik nog even op broeden. Nog even geduld, graag.

Nogmaals bedankt voor het vertrouwen!


PS: Nagekomen donatie van €15 van V. Belunina. Yay!


* Met aftrek van €7,99 aan Easy Money, de divisie van Bunq die het bunqen mogelijk maakt. Au.

Ik ga weer tikken als tien mensen bunqen, wie maakt me los?

 


Bunqen kan, zoals bekend, hier, en wel vanaf €0,01. Voor niets gaat de zon op. De zonsondergang daarentegen is onbetaalbaar.

Indien men anoniem wil blijven, vermeld dit op de storting (nooit gedacht dat ik deze zin ooit zou schrijven) aan de Stichting Sehnsucht, ter bevordering van de literaire activiteiten van Viktor Frölke.


Geef en u zal gegeven worden (Lucas 6:38)


Laatste stand van zaken: 19/3/21

1. €50...........W.H. Jansen

2. €25...........P.G.C. Frölke en V.M.Th. Frölke-Petit

3. €2.50........M.I. Tjaden

4. €10...........G.B.P van Crevel

5. Een boek....W.H. Jansen (Bert Esseling: De Amsterdamse Rivierenbuurt. Honderd jaar schoonheid en schuld)

6. €2.............M.I. Tjaden

7. €20...........Gravin Alexandra (ik ben blij dat de oude adel me ook eindelijk gevonden heeft) 

8. €20............J.A. Blom (that's the spirit! Ik word *bijna* emotioneel)

9. €10............een niet zo anonieme anonymus (geld is geld)

10. €10..........E. Frankemölle (goed dat er ook – weer – umlauten bij zijn).


Honderd verhalen in honderd dagen: 100. Het privérestaurant




Met de opbrengst van de verkoop van zijn monumentale herenhuis, waar hij vijfendertig jaar had gewoond, besloot Johan Eerdmans na enig wikken en wegen zijn favoriete restaurant in de stad over te nemen en het appartement erboven te betrekken. Hij hoefde dan eindelijk niet meer elke avond te bedenken wat hij ging eten, en waar, laat staan boodschappen te doen en af te ruimen en meer van dat soort prozaïsche handelingen, waarvoor hij zich eigenlijk te oud voelde. Hij hoefde alleen maar voorzichtig de trap af te schuifelen, aan tafel te gaan zitten en aan het eind van de avond weer omhoog te klauteren.

Het zou mooi zijn, had hij bedacht, als hij dan ook nog af en toe iemand te spreken kreeg.

Dan kon hij dat voor die dag ook afvinken.

Johan Eerdmans’ eenzaamheid was geen gewone eenzaamheid; het was niet zo dat hij elk menselijk contact, al was het maar het Poolse echtpaar dat sinds jaar en dag bij hem schoonmaakte of de man die de wifi kwam fixen, aangreep om zijn verhaal te doen. Eigenlijk had hij aan boeken genoeg, zo bleek na de dood van zijn vrouw nu twaalf jaar geleden. Toch miste hij nu en dan een gesprekspartner, iemand die hem weerwoord gaf, die het niet met hem eens was – liefst een vrouw trouwens, maar ook een vermogend man kon niet te kieskeurig zijn.

Zijn restaurant lag goed verstopt in een vergrijsde woonwijk aan de rand van de stad. Er werd goed gekookt, maar uiteindelijk ging het Eerdmans om de sfeer. Er hing een ondefinieerbare opwinding rondom de permanent wisselende student-obers en de lichte chaos in de open keuken. Eerdmans had het gevoel dat er elke avond iets opmerkelijks kon gebeuren, al kon hij niet zeggen wat. Het gevoel was belangrijker dan de daadwerkelijke invulling.

Afgezien van de luxe nooit meer te hoeven reserveren, te bestellen of te betalen, was Joosje een niet onbelangrijke factor voor Eerdmans om zich als horeca-ondernemer te manifesteren. Voor deze restaurantmanager had hij een zwak gehad vanaf het moment dat hij het restaurant ontdekte. Niet dat hij zich wijsmaakte dat hij door de nieuwe eigenaar te worden, zich ook een nieuwe echtgenote had verworven – ze was zesenveertig jaar jonger dan hij– , maar het vooruitzicht haar dikwijls te zien en te zien werken, maakte hem op een kinderlijke manier gelukkig.

Sinds de dood van zijn vrouw kwam Eerdmans erachter dat hij geen vrienden had. Eerdmans had iedereen overleefd, behalve zijn broer Renger, die leed aan Alzheimer en die irritant met zijn kaakgewrichten knapte. Eerdmans bezocht hem een keer per maand op de gesloten afdeling en deed dan net alsof hij mee-at, totdat hij merkte dat Renger hem niet eens aankeek en alleen maar bromgeluiden maakte naar de grond. Toen had Eerdmans zijn hand op de schouder van zijn broer gelegd met de woorden: ‘Hou je taai, jongen. Ik zie je.’

Een van de weinige dingen die Eerdmans veranderde was de naam van zijn restaurant. Die luidde Zut , ooit gegeven door Antoine, de kogelronde Vlaamse kok die zijn sporen had verdiend bij sterrententen maar nu alweer jaren deed waar hij zin in had, zoals hij zelf zei. De langzaam gegaarde buikspek met boudin noir was in zijn zoetzoute knapperigheid zo troostrijk dat Eerdmans hem wel elke avond kon eten. Zijn desserts waren legendarisch, die zorgden voor kleine ontploffingen op de tong.

Eerdmans doopte zijn restaurant Mandelbrot. Niet alleen deed hem dat denken aan amandelen en brood, maar ook en vooral aan fractalen, de kronkelige, zichzelf herhalende oneindigheden, lang geleden door Benoît Mandelbrot ontdekt.

Geen modern kunstwerk, meende Eerdmans, die lang geleden een galerie had bestierd in een straat vol galerieën, kon tippen aan deze mysterieuze, imperfect-perfecte, duizelingwekkende structuren.

‘Joosje, ik wil graag dat je op de achtermuur een afbeelding van een Julia Set ophangt,’ zei hij.

Schoorvoetend was ze ermee akkoord gegaan. ‘Ik weet het niet hoor, die wormgaten van jou –.

‘Fractalen,’ hapte Eerdmans.

‘Misschien neem je ze wat te, eh, serieus.’

Plagerig, vanonder zijn nog altijd imposante haardos, zocht Eerdmans haar lieve, aansprekende ogen.

‘Jij bent de baas.’

‘Hm-hm.’

Eerdmans had nog één andere nieuwigheid in petto. Hij wilde dat Joosje elke week een disgenoot voor hem regelde. ‘Alles op mijn rekening uiteraard.’

Hij zag haar nadenken. Ze veegde een haarlok uit haar licht besproette gezicht, keek hem geamuseerd aan en vroeg: ‘Als mijn vriendinnen geweest zijn, en de afwasploeg heeft ook een keer met de excentrieke eigenaar gedineerd, moet ik dan iemand van straat pikken?’


‘Wat jij wil,’ glimlachte Eerdmans. ‘Verras me.’



De eerste eter die Joosje die maandag voor Eerdmans had geregeld, was haar buurvrouw Welmoed de Rooij, een alleenstaande moeder van negenveertig met op beide armen ingewikkelde tatoeages (ze droeg een mouwloos topje om een en ander te etaleren). ‘Mijn dochter heeft een opleiding tot tatoeerder gevolgd, we hebben een shop op het oog in de stad, maar de concurrentie is op dit moment moordend.’


Eerdmans knikte. Hij behoorde tot de school volgens welke alleen zeelieden en Maori’s een excuus hadden zichzelf met inkt te impregneren, maar hij was stiekem ook gefascineerd door de kennelijke behoefte om het lichaam blijvend te bewerken.
Toen Welmoed hem begon uit te horen over zijn huwelijken – hij had er drie overleefd – kapte hij haar af en zei: ‘Sorry, maar ik ben niet uit op een relatie. Zelfs niet op seks.’


Dit laatste was niet helemaal waar, hij had wel degelijk, zijn oude penis als een zachte, zwartgeworden banaan in zijn hand, gefantaseerd over Joosje, maar hij maakte zich tegelijkertijd geen illusies.


De avond was verpest. Zelfs Welmoeds verhaal over hoe ze werd vastgehouden door ELN-rebellen in Colombia en pas vrij werd gelaten toen haar dochter onder dwang ‘ELN forever’ boven haar billen tatoeëerde, kon Eerdmans niet meer boeien.


De tweede gast die Eerdmans een week later aan zijn tafeltje vond was een lange, gesoigneerde man van een jaar of zeventig, in pak, met permanent opgetrokken wenkbrauwen en een spotlachje rond zijn mond. Hij had zijn servet al op schoot toen hij binnenkwam en was nu zijn bestek recht aan het leggen. Telkens als hij zijn mes goed dacht te hebben neergelegd, moest de positie van de vork worden aangepast, en omgekeerd, ad infinitum.


Traag liet Eerdmans zich in zijn stoel helpen.Met wie heb ik vanavond de eer? Nee. Wacht. Zeg maar niets. Knowledge ruins the appetite.’


De gast van vanavond leek aangenaam verrast door de uitspraak. ‘Wie zei dat, als ik vragen mag?’


‘Ik. Johan Eerdmans, adagium-automaat.’


Het voorgerecht werd geserveerd. Eerdmans vroeg zich af of de man die tegenover hem zat gay was, maar dacht er meteen achteraan: en dan? Hij bleek in elk geval overtuigd vegetariër, zweerde bij natuurwijn en bezat uitstekende tafelmanieren.


‘Tafelmanieren is iets,’ dacht Eerdmans. ‘Het is niet genoeg, maar het is iets.’


De avond kabbelde voort. Politieke koetjes en culturele kalfjes passeerden de revue. Bij het toetje, Antoines hemelse met amaretto overgoten sticky toffee cake, verontschuldigde de man zich dat hij naar huis moest om verder te werken aan zijn roman.


Nu was het Eerdmans beurt om zijn wenkbrauwen te fronsen. ’U schrijft romans?’


‘Ik ben romancier,’ verklaarde de man koket, zijn hoofd lichtjes kantelend.


Hij noemde wat titels, sommige van zijn boeken waren genomineerd voor literaire prijzen, maar Eerdmans las al jaren geen hedendaagse literatuur meer, alleen klassiekers. ‘Ik heb niet meer zoveel tijd, ziet u. En ik ben een beetje te laat begonnen, mijn vrouwen maakten mij het lezen onmogelijk.’


De man stortte zich op het toetje. Eerdmans' woorden ‘mijn vrouwen’ leken zijn interesse in het etentje definitief te hebben verdampt.


Waar was Joosje? Eerdmans keek bijna in paniek om zich heen. Hij verheugde zich op haar gezicht, dat, hoe vermoeid ook, niets aan beminnelijkheid inboette. Hij had haar nodig. Ze was toch niet ziek?


‘Ik heb nog een vraag voor u,’ zei de romanschrijver. ‘Staat u mij toe? Misschien vindt u de vraag impertinent.’

Eerdmans nam een slok water en grinnikte. ‘Ik vind een vraag zelden impertinent. U gaat mijn antwoord zeker in uw roman verwerken.’


‘U bent niet snel beledigd?’


Eerdmans schudde zijn hoofd, een keer. Dat was inderdaad een van de dingen waaraan hij enige eigenaarde ontleende: hij kon zich niet herinneren zich ooit beledigd te hebben gevoeld, behalve misschien jaren geleden toen Renger, bij diens afscheid als vooruitstrevend gevangenisdirecteur, aan iedereen die het horen wilde vertelde dat zijn oudere broer niets voorstelde, nooit iets had voorgesteld. ‘Het enige waartoe Johan in staat is, is teren op de erfenis van papa.’ Maar hij, Renger, was dan ook behoorlijk aangeschoten geweest.


De romancier haalde zijn servet van zijn schoot en begon omstandig zijn mondhoeken te poetsen. Toen hij daarmee klaar was, zei hij, met die geaffecteerde stem van hem: ‘Hoe zou u liever willen sterven, als een licht dat langzaam dimt, of zichzelf in een keer uitschakelt?’



‘En?’ vroeg Joosje de volgende avond, toen Eerdmans aan de bar zijn vaste glas cognac ingeschonken kreeg terwijl Joosje de kas opmaakte. ‘Was het gezellig?’


‘Een beleefde man. Goede manieren.’


‘Daar hou je toch van?’


‘Zeker, maar voor een geanimeerd gesprek heb je nog meer nodig.’ Eerdmans tuitte zijn oude, dunne lippen en nam een piepklein slokje. ‘Wat, dat is helaas niet zo makkelijk te zeggen.’


‘Je moet in de stemming zijn.’


‘Ik geloof niet dat ik in de stemming was.’


‘Het spijt me.’ Joosje keek op van haar computerscherm en staarde in de verte. ‘Die romancier is een oom van mij. Hij schrijft. Jij leest. Ik had gehoopt dat jullie het met elkaar konden vinden.’


‘Misschien ga ik wat van hem lezen.’


Eerdmans trommelde met zijn magere vingers op de toog. De zegelring die hij droeg was eigenlijk te groot geworden, hij draaide voortdurend naar beneden.


‘Heb je al iemand voor volgende week?’ Hij keek Joosje hoopvol aan. Hij hoopte dat ze niemand had en in plaats daarvan zelf de honneurs waar zou nemen. 


‘Ik zit er bovenop. Het wordt in elk geval geen persoon die uit is op je nalatenschap of levensverhaal.’


‘Dat wordt nog lastig.’


Joosje sloeg geruststellend haar ogen neer.


‘Is de omzet gedaald sinds de naamsverandering of lijkt dat maar zo?’ Niet dat zulke dingen hem werkelijk bezighielden – hij had het financiële management uitbesteed –,  en trouwens, ook bij teleurstellende resultaten kon hij het nog wel even uitzingen.


‘Nee hoor,’ zei Joosje, met een lachrimpel rond haar ogen die hij niet helemaal kon duiden. ‘Hoezo?’


‘Het restaurant lijkt leger dan gewoonlijk… Misschien zet de naam ze op het verkeerde been.’


Die avond, toen hij zoals gebruikelijk om half acht binnenkwam in Mandelbrot, zag hij Joosje aan zijn tafel zitten. Niet in haar normale werktenue, maar in een fleurig jurkje met zangvogels erop dat hem aan een Franse boerendochter deed denken, op wie hij in zijn jeugd, toen hij op kostschool zat in Bordeaux, hopeloos verliefd was geweest. Zijn wrakke hart maakte een sprongetje, waardoor hij zowat buiten adem raakte. Er stond een rollator voor hem klaar maar die weigerde hij te gebruiken.


‘Ah, meneer de restaurateur,’ zei Joosje, terwijl ze opstond om hem in zijn stoel te helpen.


‘Ik heb er zin in… Wat drink je?’


‘Gewoon, de Pesquié, ik wil je niet op kosten jagen. Bovendien, ik blijf niet zo lang.’


‘Ik doe met je mee.’ Eerdmans hoefde zo’n zin alleen maar te fluisteren, of zijn wens werd vervuld. Alsof de sommelier zijn gedachten kon lezen. Een van de leukste dingen van een eigen restaurant was het mogen bepalen van de huiswijn. Hij had over de vaucluse nog geen klachten ontvangen.


‘Eten wij vanavond samen?’


Hij wilde niet gretig klinken, maar ook niet onverschillig. Misschien zat de gretigheid in de woordkeus.


Joosje grinnikte in haar wijnglas. Je gast van vanavond is wat later. Hij kan elk moment worden gebracht.’


Eerdmans roffelde met zijn perkamenten vingertoppen op de tafelrand. De spanning stijgt…’ Hij bekeek haar zoals hij vroeger een schilderij taxeerde. Wat maakte Joosje zo aanbiddelijk? Dat was moeilijk te zeggen. Ze was geen natural beauty. Ze was klein van stuk, tenger, had geen gave tanden. Haar geprononceerde neus zou in de weg hebben gezeten als hij haar probeerde te kussen. Misschien, bedacht Eerdmans, lag het toch aan die verraderlijke, jongensachtige twinkeling in haar ogen.

Eerdmans was niet de enige die Joosjes aantrekkingskracht was opgevallen. Aan het eind van haar dienst kwamen mannen en vrouwen, de meeste in de vijftig, niet altijd ongebonden, een afzakkertje drinken, maar het leed geen twijfel dat het hen uitsluitend te doen was om haar. Ze verlangden tevergeefs, want Joosje had iemand naar het scheen (alhoewel niemand die iemand ooit te zien had gekregen), maar dat kon die aanbidders weinig schelen. 


‘Daar zul je hem hebben,’ haalde Joosje hem uit zijn gedachtentrein. ‘Ogen dicht, dat vergroot het effect.’


Eerdmans gehoorzaamde.


Daar zat hij dan, de man op hoge leeftijd, die zich bijna alles kon veroorloven, zolang zijn lichaam, dat nochtans in goede staat verkeerde (afgezien van zijn moeizame tred en enkele zwakke functies) en zijn enigszins verdofte geest het toelieten.


Gerommel van stoelen die opzij werden geduwd en de zacht dwingende stem van een verzorger. Het zal me benieuwen, dacht Eerdmans, maar toen zijn disgenoot eindelijk tegenover hem was geïnstalleerd, met behulp van Joosje, en hij zijn ogen mocht openen, mocht het hem eigenlijk niet verbazen om zijn broer tegenover hem aan te treffen. Zijn onmiskenbare knappende kaakgewrichten hadden hem verraden.


‘Ach kijk nou toch. Renger.’ Eerdmans deed geen poging zijn teleurstelling te verbergen. Hij keek op naar Joosje, met een blik van waarom doe je me dit aan, maar meteen daarna susten zijn oogleden nou ja, dat kon je ook niet weten, laat ik er maar het beste van maken.


Renger, onderuitgezakt, kromme rug, op zijn lippen het schuim der opwinding, keek Eerdmans niet aan. Hij was afgeleid door Joosje. Vanaf het moment dat hij binnen was gebracht, was hij volkomen gebiologeerd. Als een roofdier zocht hij de ruimte af naar haar verschijning. Waar mensen als Eerdmans vooral gecharmeerd waren van Joosjes ‘je m’en fou’-achtige uitstraling, haar stoere, brutale oogopslag, en haar cynische optimisme, raakte zijn seniele broer niet uitgekeken op haar decolleté. Joosje had weinig boezem, maar ze droeg vrijwel elke avond laag uitgesneden topjes, of bloesjes met een of twee knoopjes te veel open. Hoewel haar borsten meer op schelpen leken dan op artisjokken (zo had ze ze zelf eens omschreven) ging er van haar blote hals een uitnodiging uit die Renger niet bij machte was louter esthetisch, of als prettig randverschijnsel, op te vatten. Hij scheen te denken dat zij het liefste wilde dat hij haar de nek omdraaide, of overlaadde met schuimbek-kussen; mogelijk in die volgorde.


Als horecadier was Joosje wel wat gewend. Toch voelde ze zich duidelijk niet op haar gemak.


‘Eerdmans en Eerdmans!’ riep Eerdmans, overdreven articulerend, nam een slok wijn en keek om zich heen. Het restaurant was vrijwel leeg. Heel even werd de Eerdmans tegenover hem afgeleid door het roepen van zijn naam. Lui richtte hij een halfopen oog op degene die zojuist geluid had gemaakt, om daarna onmiddellijk weer de jacht op Joosje te hervatten. Voor de zekerheid had ze zich verdekt opgesteld in de keuken.


Toen de jonge, bebaarde ober het eerste gerecht omstandig begon toe te lichten, onderbrak Eerdmans hem met de woorden: ‘Misschien wil je alle gerechten tegelijk uitserveren, dat vinden wij fijn. Net als vroeger.’ Renger reageerde niet, hij roerde met zijn vinger in het halfvolle wijnglas dat Joosje had laten staan; haar lippenstift zat nog op de rand.


De ober verdween, even later stond de hele tafel vol eten.


Renger stortte zich op de arancini, gefrituurde risottoballetjes met een scherpe mayonaisesaus erbij. Toen die op waren, keek hij verwachtingsvol naar Eerdmans, als een hond die hoopt te worden uitgelaten. Eerdmans liet nog een bakje arancini aanrukken, en nog een. Zelf kreeg hij nauwelijks zijn flinterdunne carpaccio door de keel.


Waar moesten ze het over hebben? Zijn broer en hij leefden in volmaakt verschillende werelden, dat hadden ze altijd gedaan. Toen Renger nog goed was, toonde hij zich een pragmatische bedrijfsleider. Eerdmans hechtte meer belang aan een beschaafd leven waarin kunst en cultuur centraal stonden. Voor Renger was wat Johan belangrijk vond franje; en omgekeerd. Hij herinnerde zich eens gekscherend bij een verjaardagstoast te hebben opgemerkt dat de enige cultuur die zijn broer opsnoof bestond uit de lucht van rotte vis dobberend in de haven waar zijn zeilscheepje lag.


Een erg lang uur later verscheen Joosje aan hun tafeltje. Eerdmans haalde diep adem door zijn neus, het einde leek nabij.

‘Alles naar wens?’ Ze had een sigaret gerookt, rook Eerdmans. Zelfs dat dodemansparfum paste haar goed.


‘Ik denk dat mijn broer graag naar huis wil.’ Eerdmans knikte naar Joosje. ‘Het is mooi geweest.’


Renger leunde naar voren, hij leek op te staan, maar hij stond niet op, hij leunde alleen naar voren, zijn zitvlak kwam van de stoel, zijn romp steunde op de rand van de tafel, en hij boog over de borden met eten heen met zijn verwrongen skelet. Zijn mond opende zich voor de arancini-bolletjes die vrijwel ongewijzigd, dat wil zeggen, zo goed als onverteerd, een uitweg zochten, ze maakten onderdeel uit van een soep, een arancini-soep, een gerecht dat nog nog niet op Mandelbrots menu stond, en die soep werd, onder luid, angstaanjagend gebrul, in een vrijwel rechte lijn op Eerdmans afgevuurd. In een reflex deinsde de restauranthouder naar achter, waarbij hij met stoel en al achterover viel.




 



 








99. De corona oorlogen




Je kunt erop wachten dat het ene land het andere land binnenvalt om vaccins te roven, je kunt erop wachten dat terroristen voorraden vaccins doen ontploffen omdat de uitrolstrategie ze niet bevalt, je kunt erop wachten dat de laatste geïnfecteerden de ongeïnfecteerden uitmoorden, of andersom, je kunt erop wachten dat de ene buurman de andere zijn hersens inslaat – niet uit jaloezie, maar uit waanzin –, je kunt erop wachten dat er gevochten gaat worden om schoon water en lucht, je kunt erop wachten dat populisten elkaar om de oren slaan met leugens, je kunt erop wachten dat een volk zich laat voorlichten door een clown, je kunt erop wachten dat de verkiezingen je niets meer kunnen schelen, je kunt erop wachten dat we allemaal bewapend worden, je kunt erop wachten dat we niet gaan wachten op die bewapening maar onze eigen wapens kiezen, je kunt erop wachten dat we gevaarlijke mensen gaan opsluiten, je kunt erop wachten dat gevaarlijke mensen zich beter bewapenen dan ongevaarlijke en zich op die manier succesvol verzetten tegen hun opsluiting, je kunt erop wachten dat mondkapjes bij honderdduizenden worden verbrand, je kunt erop wachten dat kiezers stemmen op partijen die tegen hun eigenbelang ingaan, je kunt erop wachten dat democratie overbodig wordt, niet meer voldoet, niet meer volstaat om weerstand te bieden tegen dominante machtsblokken en virussen, je kunt erop wachten dat er een virtuele pandemie uitbreekt, je kunt erop wachten dat de cyberoorlogen die ons al zo lang zijn beloofd door visionairen eindelijk zullen losbarsten maar dat niemand komt opdagen, je kunt er op wachten dat avondklokrellers met feestende starters op de vuist gaan, je kunt erop wachten dat viruswappies in alle richtingen agressief om zich heen gaan slaan, je kunt erop wachten dat de koning en de koningin vluchten naar Zweden (per schip), je kunt erop wachten dat de ongeletterden de geletterden gaan bekogelen met hun eigen boeken, je kunt erop wachten dat de afstammelingen van tot slaaf gemaakten de afstammelingen van slavenhouders tot slaaf maken, je kunt erop wachten dat landen zichzelf opheffen om vrij baan te geven aan oorlogvoerende multinationals, je kunt erop wachten dat er alleen nog tech-reuzen overblijven die elkaar op alle continenten eerst juridisch, dan politiek en economisch en ten slotte militair bestrijden, je kunt er op wachten dat gezinnen uiteen vallen door huiselijke oorlogen en scheidingsveldslagen, je kunt erop wachten dat alleenstaanden wraak nemen op de tweeliggenden, je kunt erop wachten dat de kinderlozen wraaknemen op de babydumpers, je kunt erop wachten dat het ondrinkbare water ons aan de lippen staat, dijken of geen dijken, je kunt erop wachten dat er geen geld meer is om geld te verdienen aan de grillige koers van bitcoin, je kunt erop wachten dat het leger van de ene cryptomunt het leger van de andere cryptomunt gaat vermorzelen middels onbegrijpelijke blockchains, je kunt erop wachten dat deze litanie aan jobstijdingen ergens eindigt, maar je kunt ook ophouden met lezen.


98. Geen verhaal maar wel waar (III)

Meneer en mevrouw Tsjechov



Mijn vader aan de telefoon. Dat het hem toch wel dwars zit, zoals ik hem op deze plek recentelijk heb geportretteerd. Dat hij mijn helpende hand weigert – weigeren is een te groot woord bij nader inzien, hij neemt hem gewoon niet aan. 
Aha, ik raak aan een gevoelig punt.
Weet je, zegt hij, ik heb mijn hele leven aan de andere kant gestaan. Ik was degene die hielp. Ik ben het niet gewend om geholpen te worden.
O, dus dat was het. Het heeft inderdaad niets met de oorlog te maken (of misschien toch een beetje want in de oorlog hielp iedereen zichzelf stel ik me zo voor), maar vooral met het feit dat hij zijn werkzame leven een zorgberoep heeft uitgeoefend. Eerst huisarts, daarna bedrijfsarts aan de TU Eindhoven.
Mooi beroep trouwens, huisarts. Ik zou bijna zeggen een literair beroep. Van alle beroepen vormt niet advocaat, journalist, dominee, natuurkundige of psychiater maar huisarts denkelijk de beste ondergrond voor literaire grootheid. Denk aan Tsjechov, Céline, Vestdijk. Ik heb mijn vader om die reden wel eens geprobeerd aan het schrijven te krijgen, maar dat is op niets uitgelopen; nu probeer ik het, met meer succes, bij mijn moeder.
'Jij bent ook nooit ziek geweest,' zeg ik. 'Ik kan me niet herinneren dat jij ooit ziek was. Een huisarts mag niet ziek zijn.' (Meteen denk ik erachter aan, dat is mijn beroepsdeformatie, mooie titel voor een verhaal of novelle: De zieke huisarts, die gaat op mijn lijstje van te schrijven verhalen.)
'Inderdaad.'
Daarom schrok ik ook zo toen ik hem een aantal jaar geleden voor een zware operatie in het ziekenhuis zag liggen. Ik had nog nooit zoiets gezien: een zwakke vader. Een zwakke vader vreet aan je existentie.
'Vaders mogen niet ziek zijn, ze mogen geen zwakte tonen,' ga ik verder. Traditionele vaders bedoel ik. Moderne vaders wel, die doen niet anders, die gebruiken de zwakte als een ironisch schild.
Het is even stil. Vroeger zou je samen luisteren naar het gezellige gekraak van de telefoonlijn, alsof je samen rond het haardvuur zat. Nu hoor je helemaal niets meer en vraag je je af of de ander er nog is.
Mijn vader is er nog. En hoe.
Mooi dat we een gesprek hebben over gevoelens. Gevoelens zijn lang taboe geweest in mijn familie, en misschien wel in elke huisartsenfamilie. Pijn was weliswaar een gevoel – fysieke pijn –, maar daar moest je tegen kunnen. Daar werd je hard van. Alleen in geval van nood nam je een pil.
Die hardheid heeft denk ik wel weer te maken met de oorlog; gelukkig maar.
'Trouwens erg fijn dat je mijn scootmobiel weer aan de praat kreeg,' zegt hij nog. Hij maakt geen grap. Toch moet ik lachen.
'Dat was mazzel. Hij maakte gewoon weer even contact.'
Net zoals wij.