55. De man die elke achtentwintig jaar een vrouw van achtentwintig trouwde




Otto Bennewitz, rechtenstudent te Bern, trouwde op zijn achtentwintigste met de achtentwintigjarige Lucette. Tijdens de huwelijksnacht zei hij: 'Over achtentwintig jaar trouw ik weer met een achtentwintigjarige.' Lucette kon dit onmogelijk serieus nemen, aangezien haar man net nog eeuwige trouw had beloofd, en wat al niet. Misschien is hij dronken, dacht ze. En: ik zal hem eens zo aan me binden dat hij ik over achtentwintig jaar onmisbaar ben.

Hun huwelijk, gekenmerkt door de typische ups and downs, verliep naar volle tevredenheid van beide echtelieden. Vlak voor hun achtentwintigste trouwdag echter kondigde Bennewitz, hij studeerde nog altijd rechten, in een onderhoud aan de keukentafel zijn vertrek aan.

'Wat is er aan de hand,' vroeg Lucette verbijsterd, 'wat doe ik fout? Otto! Hou je dan niet meer van me?'

'Jawel,' zei Bennewitz, 'maar ik wil met Charlène trouwen, en aangezien je naar de letter van de wet, en ook naar de geest trouwens, maar met een vrouw tegelijk getrouwd kunt zijn  – wie die wet verzonnen heeft zou met een zware kei aan zijn poten in het Meer van Genève moeten worden afgezonken – moet ik bij je weg.'

'Wie is Charlène?' vroeg Lucette. 'Ik heb het recht om dat te weten, Otto.'

'Een vrouw van achtentwintig jaar,' zei Bennewitz, toch nog verlegen. Hij voegde er na een stilte aan toe: 'Zeg niet dat dat als een verrassing komt. Ik heb het op onze huwelijksnacht aangekondigd.'

'Ze trouwt je natuurlijk om je geld.'

'Ik heb geen geld, dat weet je.'

'Ja, maar het lijkt alsof je geld hebt, dat is het probleem.' Lucette smeet de deur dicht en pakte haar biezen.

Bennewitz trouwde met Charlène. Zij was inderdaad achtentwintig; hij was zesenvijftig. Aan die logica viel niet te tornen.

Het was weer een mooie bruiloft, al waren er een derde minder gasten dan bij Bennewitz' eerste huwelijk.

Aan het ontbijt, op de eerste dag van hun huwelijksreis, zei Bennewitz: 'Ik hou van je, dat weet je, anders was ik niet met je getrouwd, en jij ook niet met mij, maar weet dat ik over achtentwintig jaar met een achtentwintigjarige zal trouwen.'

'Dat had je me wel eerder mogen vertellen,' zei Charlène, geprikkeld maar ze was niet helemaal oprecht want ze wist dit al, Bennewitz had in de omgeving een reputatie op te houden als de man die elke 28 jaar met een achtentwintigjarige trouwt.

'Kalm aan,' zei Bennewitz. 'We moeten eerst nog maar eens zien of ik het haal. Misschien ben ik voor die tijd allang de pijp uit en dan is het dus lood om oud ijzer. Maar ik wil het wel graag hier en nu gezegd hebben, dat je niet voor verrassingen komt te staan. Als ik ergens een hekel aan heb is het hypocrisie.'

Charlène liet het er bij, ze vergat de deadline, want het huwelijksleven met Bennewitz was aangenaam. Natuurlijk, er waren ups en downs, maar de ups overheersten.

Bennewitz had een van zijn vrienden, Markov, verteld over zijn obsessie met achtentwintig. Met jeugdige schoonheid, enzovoorts, had het weinig van doen. Achtentwintig was volgens hem een perfect getal. 'Acht plus twee is tien,' zo legde Bennewitz uit aan Markov, alsof hij een belangrijke kosmologische ontdekking had gedaan.

'Dat kan ik nog volgen,' glimlachte Markov, van huis uit wiskundige. 'En verder?'

'Achtentwintig is twee keer veertien, vier plus 1 plus vier plus 1 is ook tien.'

'Prachtig,' zei Markov. 'Ik ben onder de indruk van je gegoochel met getallen.'

'Ja, maar dit is nog niet alles,' zei Bennewitz. 'Achtentwintig is zeven keer vier, zoals je weet. Zeven plus vier is 1 plus... nou, zeg het zelf maar?'

'Tien.'

'Juist. En drie keer tien is magisch. Dus moet het kloppen.'

Markov schudde zijn hoofd in ongeloof, maar hij protesteerde niet. Wat het ook was dat een mens gelukkig maakte, een gevoel van volmaaktheid schonk, ook al was het quatsch, dat deed er niet toe. Geluk was een ongrijpbaar iets, en volmaaktheid bestond helemaal niet, zelfs niet in de getallenleer. Ja, je had perfecte getallen, maar dat was een afspraak. Zo kon je priemgetallen ook perfect noemen.

Het huwelijk met Charlène liep ten einde. Zij liep tegen de zesenvijftig, en hij tegen de vierentachtig. Bennewitz riep zijn vrouw bij zich. 'Ik moet helaas een scheiding aanvragen.'

'Waarom in hemelsnaam Otto, we hebben het zo goed!'

'Dat kan wel wezen, maar ik ga trouwen met een vrouw van achtentwintig.'

'Wie is die vrouw dan, waar heb je haar vandaan?'

'Ik heb zo mijn adresjes. Je weet dat vrouwen nog altijd, hoe geëmancipeerd ze ook zijn, omhoog kijken, althans qua leeftijd, en mannen omlaag. Dus.'

'Ik haat het als je dus zegt. Dus is geen zin.'

'Sorry.'

De vrouw die er kennelijk geen bezwaar tegen had om met de hoogbejaarde Bennewitz te trouwen, Sonja heette ze, was inderdaad achtentwintig. De bruiloft was alweer geslaagd, hoewel er nu nog maar eenderde van de mensen aanwezig was van Bennewitz allereerste huwelijk (een deel was via natuurlijke weg afgevloeid, het was niet alleen maar onmin.) Bennewitz voorvoelde dat het geen zin had om Sonja te waarschuwen dat hij over achtentwintig jaar met een achtentwintigjarige zou trouwen, dus waarschuwde hij haar niet, en zijn voorgevoel bleek juist, want na tien jaar, op vierennegentigjarige leeftijd, verslikte hij zich in een kaasstengel en stierf niet lang daarna.

Op zijn begrafenis waren alle vrouwen aanwezig, die op hun achtentwintigste met Bennewitz waren getrouwd. Ze konden het goed met elkaar vinden, nee: ze bleven een magische connectie met elkaar te hebben.

Enige wrok ten aanzien van Bennewitz bleek hen allen vreemd.

Lucette, vierennegentig, was nog extreem vief. Ze was altijd alleen gebleven, omdat ze niemand was tegengekomen die kon tippen aan Bennewitz.

Charlène was zesenzestig en zag er ook nog goed uit, om niet te zeggen dat ze bijzonder sexy en aantrekkelijk was, voor elke leeftijd en sekse. De man met wie ze na Bennewitz was getrouwd, was onlangs aan een hartaanval overleden, en nu had ze het aangelegd met Sonja, de kersverse Bennewitz-weduwe, achtendertig jaar jong. Trouwen deden ze niet, dat vonden ze niet nodig, maar ze leefden nog lang en gelukkig.

En Markov? Die had in zijn grafrede Bennewitz getallenleer uit de doeken gedaan; om 's mans domheid hadden alle aanwezigen hartelijk moeten lachen.



Dit is denk ik het punt dat mijn gebedel vervelend begint te worden...




...en dat is precies de bedoeling.

Zeuren helpt. Telkens als ik alsmaar nee zeg tegen mijn kinderen en ze na veel gezeur toch hun zin geef, roepen ze uit: Yesss!

Dat moment, daar wacht ik ook op. Gunt u mij het?

Honderd euro, voor honderd verhalen in honderd dagen, is dat teveel gevraagd? Is dat een te hoog, te ambitieus target?

Als honderd mensen 1 euro schenken ben ik er, maar omdat il Grande Commentatore al een chunk van dit bedrag voor zijn rekening heeft genomen, hoeft u nog maar een fractie... Tast in uw e-buidel, al was het alleen maar om te laten zien dat u van goede wil bent. Is u dat dan helemaal niets waard?

'Dit geldt voor mij niet, want ik...' hoor ik u denken.

'Die Frölke komt uit een puissant rijke familie, die ga ik echt niet ook nog eens subsidiëren.' En in het verlengde hiervan: 'Wat is er gebeurd met het Fonds der Letteren, dat mensen zoals Frölke zichzelf tot de bedelstaf veroordelen?'

Nog eentje dan: 'Waarom belt ie niet even met zijn moeder? Die heeft toch een gat in haar hand?'

Maar, lieve lezers, Het Gaat Om Het Principe.

Nu hebt u gelijk als u volhoudt dat ik zelf tot de minst principiële mensen op aarde behoor, Hoer van Babylon enzovoorts, maar op dit punt wil ik graag even kijken hoe ver ik kan gaan.

Mag ik?

'Waarom zou ik €1 storten op die Bunq-rekening, hij schrijft toch wel; die Frölke is schrijfziek.'

Maar denk eens aan de waardering die spreekt uit €1 aan deze kant van de vergelijking. Geloof me, er gaat niets boven een financiële vergoeding voor geleverde arbeid. Nu hebt u een punt dat u nooit om deze arbeid hebt gevraagd, maar ondertussen plukt u er wel de, toegegeven soms rotte, vruchten van. En dan vind ik het niet meer dan redelijk om daarvoor een – kleine! – vergoeding terug te verwachten.

Nee, ik ben geen Hemingway, Tsjechov, Kafka, Carver, Maugham, Murakami, Poesjkin, Poe, Hermans, Van Essen, 't Hart, Biesheuvel, Mizee, Platonov, Gogol, Andersen, Wilde, Agawa, Dahl en hoe ze allemaal heten. Maar dat betekent niet dat u niet aardig wat tijd hebt doorgebracht in mijn masochistisch universum! Helpt u mij dit voor u mogelijk te blijven maken.

http://bunq.me/geefmaargeld


54. Een ellendig hoopje mens




Ja, ik was Wim kwijt, de afstandbediening. Wat wel vreemd is, want ik ben de enige die hem gebruikt en ik leef zo'n beetje op de bank. Dat ik nu even achter de computer ben gaan zitten om dit op te tikken, de oude vooroorlogse computer die ik eigenlijk nooit meer gebruik omdat ik 'dus' liever, nou ja, televisie kijk, is daaraan te danken. Als ik Wim de afstandbediening (naar mijn overleden broer) niet kwijt was geweest, had ik dit nooit geschreven, had ik u op deze manier niet deelachtig gemaakt van mijn bestaan, had u nooit geweten dat ik bestond!

Gut, ik wist niet dat het zo leuk was om te schrijven. Zo'n woord als deelachtig bijvoorbeeld, had ik nooit in mijn mond genomen (ik zou ook niet weten tegenover wie), maar als je gaat schrijven dan komt zulke taal vanzelf naar boven. Je moet er gewoon even voor gaan zitten.

Waar wil ik het over hebben? Nou ja, dat ik moet opruimen, om te beginnen. Dit is dus in de eerste plaats een brief aan mijn andere ik, de ik die wel eens opruimt. Of ooit, in een ver verleden, heeft opgeruimd. Kennelijk moet ik die ik, laat ik haar Via noemen (dan ben ik Syl) af en toe tot de orde roepen, anders ontstaat er dus een ongenadige puinhoop. Niet dat ik last heb van die puinhoop, dat is het gekke, maar ik voel 'dus' toch een behoefte om op te ruimen (of moet ik zeggen: ik voel de afkeurende blik van mijn moeder, dat zal het wel weer zijn, ook als is die wat is het dertig jaar dood, en van nog een paar mensen).

Had mijn leven er anders uitgezien als ik een man had gehad, of een vrouw, vraag ik mezelf dezer dagen nogal eens af. Waarom dezer dagen? Omdat ik meer nadenk over mijn sterfelijkheid, nou goed. Niet alleen omdat ik met mijn omvang tot de risicogroep behoor, maar ook omdat ik hartstikke ongezond leef, dat weet ik ook wel, dat is evident, en de genen uit mijn familie nou niet bepaald uitblinken in, nou ja, wat dan ook. Wij Brinkmannen leven gewoon niet lang. Daar blinken we in uit. Ik sta er eigenlijk al van te kijken dat ik nog leef. Ik had allang dood moeten zijn!

Zie ik het als een gemiste kans dat ik nooit een vaste relatie heb gehad en mezelf heb voortgeplant etcetera, zoals dat comme il faut is in de bourgeoisie (alweer zo'n woord, heerlijk, ik denk dat ik dit vaker ga doen, achter de computer kruipen, als ik de energie kan vinden en genoeg cola bij de hand heb om mezelf wakker te houden).

Nou nee, dus. (Ik moet oppassen met dat woordje dus, ik voel dat dat een stopwoordje is, een woord dat helemaal nix betekent. En ik moet trouwens ook spaarzaam zijn met haakjes.)

Ik heb nooit de behoefte gevoeld (daar ga ik weer) om mezelf te committeren, aan een man, vrouw, kind of zelfs maar aan een hond. Als ik een hond langs zie lopen, en geloof me, dat gebeurt vaak, het lijkt wel alsof de hele wereld een coronahond heeft (en wat moet er post-corona met die beesten gebeuren, nou, hè, worden ze dan allemaal afgemaakt? Dat bedoel ik.) Ik heb niet eens een kat. Ik zal je sterker vertellen: ik heb niet eens planten in huis! Ik heb één cactus, die Wim me eens geschonken heeft voor mijn zeventigste verjaardag, en dat vind ik qua levende organismen om mee samen te leven (ik tel de huismijten even niet mee), meer dan voldoende!

Wacht. Ik zie op de televisie dat er brekend nieuws is... ach gut, is dat het? En wat zou dat? Daarom zocht ik Wim, omdat ik van dat verdomde nieuwskanaal af wilde met al die beuzelarij. Ik wilde naar First Dates. Weet je waarom dat zo'n geniaal programma is? Omdat het glashard duidelijk maakt dat alleen de eerste date de moeite waard is! Daarna wordt het stomvervelend, een hersenloze herhaling van zetten...

First Dates bewijst het gelijk van de misantroop.

Hé jakkes, nou gooi ik een stapel papier om. Nou ja, het is niet dat iets uitmaakt, maar toch. Er zit post tussen vermoed ik, die ik nog niet open heb gemaakt. Een nieuwjaarswens van Lieke. Het vervelende is dat ik slecht bij de grond kan komen. Ik kan niet bukken en ik kan niet hurken. (Nooit geleerd, hèhè.)

Hoe moet het nou verder? Met alles? Goeie vraag. Waarom zou ik dat moeten weten.

Kijk, daar heb je die man weer die hier elke avond langsloopt, ik noem hem Gerard, naar mijn vader die ik nooit heb gekend (die was al weg voordat ik was geboren). Die Gerard loopt hier elke avond langs en spiekt door de luxaflex, hij denkt dat ik hem niet in de smiezen heb maar natuurlijk heb ik hem in de smiezen, dat ik niet opkijk vanaf de bank terwijl ik televisie kijk wil niet zeggen dat ik hem niet in de smiezen heb. Hij lijkt op mijn vader, tenminste wat ik van foto's heb. Misschien komt het door dat malle hoedje dat hij draagt... Waar is die foto? Die moet hier ergens zijn... Dat is zeker een minpuntje van deze opeenhoping van goederen, zoals ik het maar even zal uitdrukken, dat ik nooit iets kan vinden, maar ja, daar staat tegenover dat ik ook nooit hoef op te ruimen.

Wat zou ik kwijt moeten raken? Ik heb geen mobiel en mijn vaste telefoon zit vast, die gaat nergens naar toe. Geld wordt door mijn nichtje geregeld, Lieke, Wims dochter, die zorgt ook dat ik te eten krijg, echt een engel. Natuurlijk geloof ik niet in engelen, anders hadden die me wel geluk, liefde en weet ik wat bezorgd, geld en zo, macht misschien, maar ik geloof wel dat er mensen zijn, vooral vrouwen en meisjes trouwens, zorgverleners, die zo belangeloos hun zorgtalent over de zorgnemer uitstorten, dat je denkt: dit kan niet waar zijn. Waar komt dit vandaan? Waar heb ik dit aan verdiend? Ik kan u (lees: mezelf) uit de grond van mijn hart bekennen dat ik niets verdiend heb van wie dan ook, gewoon omdat ik nooit ene mallemoer heb uitgevoerd.

Zo, dat is eruit. Lucht op, schrijven. Dat moet toch wel een van de grote voordelen van schrijven zijn, dat je kunt cursiveren (maar volgens mij is het uit de mode).

Dat je gedachten verder kunt ontwikkelen dan: op Nederland 1 is nix, wat zou er op Nederland 2 zijn? Of: ik moet naar de wc, zal ik nu gaan of nog even wachten tot het reclameblok? (Trouwens, dit weet niemand, ik plas tegenwoordig in een urinaal. Ik kende het woord ook niet tot Lieke er een meebracht. Ik vind het nogal onsmakelijk woord, maar wie ben ik. Het ding bespaart me hele wandelingen, iedere dag weer.

Lieke biedt wel eens aan om samen iets te kijken, maar dat sla ik meestal af. Ik heb het liefst dat ze meteen weer gaat als ze klaar is.

Ik schaam me toch.

Voor het ellendig hoopje mens dat ik uiteindelijk ben, in de ogen van velen (van Gerard in elk geval, de strenge blik die hij naar binnen werpt, waarom? Wat heb ik misdaan? Stoort het hem, dat ik mijn leven laat wegsijpelen, zoals een bad dat langzaam leegloopt? Wat kan hem dat schelen?)

Ach ja schaamte. Je raakt het niet kwijt. Elk weldenkend mens, Ria bijvoorbeeld, Wims vrouw, had gezegd, Syl, jij bent de schaamte allang voorbij. Als jij je nog schaamt, wat moet ik dan wel niet?

Overigens ben ik blij dat die Ria onder de zoden ligt.

Al die mensen die het allemaal zo goed wisten: dood.

Maar goed, ik dus, die absoluut geen cent te makken heb en die werkelijk over geen enkel zorgtalent beschik, dat juist ik zo uitstekend verzorgd word, om niet ook nog, ja, dat doet mij soms toch geloven dat sommige mensen engelachtige wezens zijn, anders kan ik het ook niet verklaren.

Ach, daar ligt ie, onder die pizzadoos op de salontafel. Maar goed ook.

 

Update literaire bedelarij. Of: Het opvoeden der Nederlandse internetgebruiker




Het idee van een bedelronde zoals ik me die herinner uit New York, van bijvoorbeeld de National Public Radio (NPR, u misschien bekend van podcaster Ira Glass), de enige zender die het waard was om naar te luisteren, was dat ze je om de drie maanden of daaromtrent lastigvielen met een fundraising drive. Ik zeg lastig, want leuk was dit niet. Mijn favoriete radioprogramma's werden vrij bruut onderbroken door mensen die mij op het hart drukten dat ik, wilde ik blijven genieten van mijn favoriete programma's, nu toch echt wat geld over moest maken. Ik mocht zelf weten hoeveel, en ik kreeg een mok, een tas of een pet met NPR erop als dank.

Natuurlijk heb ik nooit geld gegeven, want ik kwam uit Nederland, waar dit soort dingen ongekend waren. Bedelen voor publieke radio? Bananenrepubliek! Daar is toch belasting voor?

Pas toen ik terugkwam uit het land van melk en honing en mij nestelde in land van de kop en het maaiveld, en ik dagelijks een keer of drie, vier, vijf gebruik ging maken van Wikipedia, wat mij betreft nog steeds de mooiste toepassing van internet, werd ik door oprichter en directeur Jimmy Wales periodiek lastiggevallen met fundraising drives. Maak 1 euro over! Dan kunnen we ... Maak 2 euro over! Dan kunnen we nog meer... Nu dacht ik: misschien moet ik toch maar eens wat geld overmaken want ik wil echt niet dat WP verdwijnt (en ook niet dat WP wordt ingebed in advertenties of dat ik lid moet worden van WP of, mijn beeld van de hel, dat WP wordt overgenomen door FB of Elon Musk).

WP bestaat nog steeds dankzij donaties van mensen zoals... ik!

Nu u.

53. De moffenhoer




Toen Alice Turkenburg met een mandje de deur uitging om bij de kruidenier boodschappen te doen, werd ze gevolgd door twee opgeschoten jongens van een jaar of zeventien, achttien, die geen enkele poging deden om onopgemerkt te blijven. Ze wezen naar haar, lachten, en riepen naar een groepje mannen dat op een bankje aan de waterkant zat te roken: 'Moffenhoer!'

De mannen op het bankje lachten terug en riepen, bijna in koor: 'Neem haar te grazen!'

Alice versnelde haar pas. Ze zette het, toen de jongens achter haar ook sneller gingen lopen, op een drafje. Uitgeput kwam ze aan bij Vanenkamp. Gelukkig gingen de jongens niet achter haar aan de winkel binnen.

Er was een oudere dame in de zaak en een klein meisje. Het was niet duidelijk of het meisje bij de dame hoorde; Alice dacht van niet. Het meisje leunde met haar voorhoofd tegen de vitrine met de koekjes.

'Goedemiddag,' zei Alice tegen de forse man achter de toonbank. Ze durfde hem niet aan te kijken.

'Juffrouw Turkenburg,' zei Vanenkamp, terwijl hij plakjes vlees sneed. 'Wat doe je hier?'

'Nou, ik eh...'

'Je weet toch dat ik niet aan een moffenhoer verkoop?'

Ze kromp ineen. Het was onmogelijk om de kwetsende werking van dit woord uit te schakelen, hoe vaak ze het ook had gehoord.

'O,' zei de dame, zich tot Alice richtend. 'Kijk me eens aan.'

Heel langzaam, als een geslagen hond, draaide Alice haar gezicht een klein stukje naar de dame.

'Je moest je schamen. Heb je dan helemaal geen gevoel van eer?'

Vanenkamp pakte het stapeltje vlees dat hij had gesneden in en overhandigde het aan de dame. 'Je kunt maar beter gaan,' mompelde hij tegen Alice.

'Maar ik heb boodschappen nodig!' protesteerde ze, haar stem verheffend.

Vanenkamp reageerde niet. De dame keek haar een tijdje aan, als een stuk vuil, en diepte toen een gifgroene appel uit haar tas. 'Hier, helemaal voor jou alleen. En nu wegwezen.'

Alice liep zijwaarts, als een kreeft, de winkel uit. Het meisje voor de snoepvitrine staarde haar van opzij aan met een vragende, meelijwekkende blik.

Zo laag ben ik gezonken, dacht Alice.

Op straat knipperde ze tegen het licht, de zon was doorgebroken, de jongens die haar hadden gevolgd waren nergens te bekennen.

Via een andere weg liep ze terug naar huis, en nam een hap van de appel. Ze genoot niet zozeer van de zure smaak, als wel van het krakende geluid dat hij maakte.

Ze dacht aan Werner. Ze was precies een keer met hem naar bed geweest – of niet eens naar bed trouwens.... Ze straalde inwendig van trots. Hij was een mof, daarover bestond geen twijfel, maar hij was grappig en hij zong liedjes voor haar. Toen hij een week eerder op de trein was gestapt naar Leipzig, had ze hem een brief meegegeven, die hij pas mocht openen als hij in Duitsland was. In de brief had ze geschreven dat zijn geur haar gelukkig maakte, en dat ze nog nooit zulke originele complimenten voor de kleren die ze maakte had gekregen dan van hem. Ze had ook een adres van een vriendin in de brief gezet waar hij haar veilig kon terugschrijven.

Alice voelde de opwinding in haar buik bij het idee aan Werner en van hem een brief te ontvangen, die ze na lezing onmiddellijk zou verbranden.

Ze gooide het klokhuis van de appel in de gracht.

Vanachter een stroomhuisje doken de twee jongens weer op. Ze werden vergezeld door een van de mannen die op het bankje had gezeten. Het was een gecoördineerde actie. De jongens namen ieder een arm van Alice beet en de man dwong haar achter het stroomhuisje op de stoep op haar knieën. Vliegensvlug haalde hij een scheermes tevoorschijn en zette het in haar haar. Op de grond stond een emmertje met sop. Hij ging niet bepaald zachtzinnig te werk. Hij trok, raspte en sneed.

Ze gaf geen kik, ook niet toen ze bloedde. Ze stribbelde niet tegen. Niet omdat ze geen pijn had, maar omdat ze haar belagers geen respons gunde, geen emotie, geen menselijkheid.

Haar moeder had haar gewaarschuwd. Om die reden was ze twee weken na de bevrijding binnen gebleven. Ze had niet mee gefeest, ze had ondergedoken gezeten. 

Bij het zien van de plukken, lokken, strengen haar die als afgerukte bloemen op de grond vielen, dacht ze: ik ga kort Amerikaans proberen. Werner hoeft het niet te weten. Of: ik schrijf hem wat hij ervan vindt. Een kort kapsel, à la Carole Lombard... Over haar hebben we het nog gehad nota bene, hij kende haar favoriete actrice!

Toen de man klaar was en haar zwijgend op de stoep had achtergelaten, raapte Alice haastig haar eigen haar bij elkaar en deed het in haar mandje. Huilend, ingehouden gillend rende ze naar huis en vloog de trap op. Gelukkig was alleen opa er, die zat in zijn vaste stoel te dutten.

Ze durfde niet in de spiegel te kijken. Dat zou ze dagen, weken proberen niet te doen. Ze waste haar hoofd in de keuken en zocht een rood mutsje op zolder, dat ze die winter nog gedragen had.

Een vreemd gevoel. Een prikkende bescherming. Het zou wennen, het wende nu al.

Ze opende het slaapkamerraam en stak een sigaret op van haar moeder. Het was nog steeds heerlijk weer. De wereld lag er nog steeds hoopvol bij.

 







52. De wonderbaarlijke wederopstanding van Ward van Waveren




Ward van Waveren, een goedlachse, sportieve veertiger op weg om miljonair te worden met een bierbrouwerij die hij had opgericht, vader van drie kleine kindjes, ging met de hoofdpijn die hij nu al een paar dagen had, mede op aandringen van zijn vrouw toch maar naar de huisarts, werd doorverwezen naar steeds specialistischere medici en kreeg van de laatste te horen dat er een tumor in zijn hoofd zat ter grootte van een avocadopit.

Deze dokter, Wu heette hij, gaf hem nog een jaar, hooguit. Dan was het gedaan. 'Het is niet anders.'

Er viel een eigenaardige stilte in de spreekkamer. De woorden van Wu waren duidelijk bedoeld om in te slaan als een bom, maar hij wist toen nog niet dat Ward van Waveren onbekend was met het principe van het fait accompli. Feiten waren voor Ward nooit voldongen, feiten waren het begin van iets, en in het geval van nieuwe feiten, het begin van iets nieuws.

'Kan die tumor er niet uit?' vroeg hij lacherig, meer aan Georgette, die naast hem zat, dan tegen Wu, die zijn ogen niet van het computerscherm af had gehaald, alsof hij het computerscherm het woord wilde laten doen.

Wu begon een heel verhaal, eigenlijk een variatie op het verhaal dat hij al eerder had verteld, en dat er op neerkwam dat er teveel risico verbonden was aan de operatie om de avocadopit te verwijderen. De kans dat er grootschalige hersenschade zou optreden was te groot. Hoe graag hij als chirurg ook wilde ingrijpen, niet snijden was wijzer dan snijden. Hij vond het nog nodig te verwijzen naar de eed van Hippocrates. Hij zette zijn bril af en keek met opgetrokken wenkbrauwen naar Georgette en daarna naar Ward. 'U zult met deze nieuwe werkelijkheid moeten leren leven.'

Ward van Waveren creëerde liever zijn eigen werkelijkheid, zoals hij daarvoor ook al als ondernemer had gedaan. Hij veranderde drastisch van levensstijl, werd veganist, ging mediteren en zwoor eenvoudige geneugten zoals alcohol en koffie af.

Gezelliger werd het leven met Ward van Waveren er niet op, maar zijn tumor slonk.

Dat was niet het enige. Hij verkocht zijn aandeel in de bierbrouwerij en reisde stad en land af op zoek naar iemand die hem wel wilde behandelen. Lijdzaam afwachten tot zijn verwachtte levensduur voorbij was en hij in de verbrandingsoven kon worden geschoven, was niet zijn ding.

Zijn inspanningen wierpen vruchten af. Hij vond een dokter in België, die bereid was om te snijden.

Waarland heette de chirurg. (Zo'n naam verzin je niet; zoek maar op.) Ze had niet alleen een grote staat van dienst als tumorverwijderaar, ze was ook bijzonder aimabel. Zij werd niet alleen zijn redder in nood, maar ook zijn licht in de duisternis, en wat je verder nog kunt zijn voor iemand die een doodvonnis heeft gekregen.

Een jaar later, rond de tijd dat Nederlandse doktoren hem definitief hadden afgeschreven, werd Van Waveren 'schoon' verklaard.

Zijn leven ging in een hogere versnelling door. Niets leek hem nog te kunnen stoppen. Er was alleen een probleem. Hij was onuitstaanbaar geworden. Een narcist tegen wil en dank. Een kankernarcist, om precies te zijn.

Toen Georgette erachter kwam dat hij haar uitgebreid voorloog en bedroog, zette ze hem rigoureus aan de kant.

Hij had zijn leven terug, en het tegelijk verspeeld.

Waar we nu zijn qua bedelen: bij het begin pas (sorry)




Mijn Chief Financial Officer, René van den Berg, meldt dat de eerste donatie binnen is, en niet zomaar een donatie. Donateur W. te A., ook bekend als Il Grande Commentatore, mag dankzij zijn niet kinderachtige ondersteuning niet alleen een getikt unicum van de gerenommeerde samizdat uitgeverij 1 + 0 = 1 tegemoet zien, getiteld Lang leve de crisis, maar hij is ook per onmiddellijk uitgeroepen tot Beschermheer van de Stichting Sehnsucht (zonder vergaderverplichting).

Wie volleg, om met Jacobse en Van Es te spreken?

Een donatie is al mogelijk vanaf 0,01 euro.

Toe, laat u eens zien van uw gulle kant, die staat u zo goed.

Voor wie te lui is om naar de rechterbovenzijde van de website te gaan:

http://www.bunq.me/geefmaargeld

Mijn dank is groot.


51. Aksel (slot)

Claus Johansen


Aksel was verstijfd, hij kon niet bewegen; met een bezweet hoofd, het zweet sijpelde in zijn ogen, luisterde hij naar de bloeddruppels die op de blankhouten vloer tikten. Martin Sonnergaard kon ook niet bewegen maar dat had een andere oorzaak: zijn hart liep leeg. Zijn lijf was een land dat plat lag. Gelukkig had hij zijn gezicht weggedraaid, het was niet te zien of hij zijn ogen nog open had, of dat zijn mond nog iets wilde zeggen.

De grote computer vertoonde nog steeds allerlei porno, hoofdschermen en zijschermen, onderaan, links, rechts en bovenin floepten filmpjes, webcams, what have you, het hele smörgåsbord aan vunzigheid. Het krioelde van de porno, maar Aksel was er niet meer zo zeker van dat het kinderporno was, laat staan dat hij het diepe bruinrode haar van Luna voorbij zag komen.

Een deel van Aksels lijf wilde naar boven rennen, de trap op, de kamer van zijn dochter binnenstormen en haar meesleuren naar huis. Zijn huis. Haar huis.

Het huis waar ze geboren was.

Een ander deel wilde ter aarde storten, in het bloed van Martin Sonnergaard, de grote afpakker die hij had afgepakt, en dat eventueel vermengen met het zijne. Twee afpakkers, in bloed verenigd. Ja, dacht dit deel, laten we er een groot bloedbad van maken, een Grand Guignol, een Griekse tragedie waarbij iedereen sterft, en liefst op de wreedst denkbare manier (stilletjes sterven kan iedereen).

The Pizza God Strikes Back. Daar had je al een titel, Martin Sonnergaard, voor je nieuwe film. Vind je het wat?

Of: Let's Slice, of A Slice of Me & You – Een elfdelige serie. Raken we zo kwijt aan Netflix, Martin, mag ik je agent zijn?

Hij grinnikte, en verbaasde zich erover dat hij daartoe nog in staat was, als moordenaar, ook gegeven zijn verregaande staat van uitputting. De Grinnikende Moordenaar, zou dat een film zijn waar mensen naar toe willen, Martin Sonnergaard? Even pitchen misschien?

Hij gaf geen antwoord.

Luna kwam ook al niet naar beneden. Waarschijnlijk had ze al die tijd oortjes in met Billie Eilish. Snoeihard haar laatste album op repeat. Slapen ho maar. Slapen was voor losers.

Alleen Mouska, de hond, kwispelde met haar staart, een witte vlag eigenlijk meer. Ze gaf zich over. Lieve beesten, honden, overwoog Aksel, maar: immoreel. Amoreel eigenlijk. Alle beesten waren in wezen nihilisten. Dat beetje moraal dat ze soms lieten zien was schone schijn, dat deden ze om ons en Frans de Waal te behagen.

Het laatste deel, – Aksel bestond uit drie delen vanavond –, wilde zijn tas pakken en maken dat hij wegkwam. Dat was het deel dat het meest op zijn zuiverste instincten afging, het deel dat haar kapot wilde maken, maar ook zichzelf soort van, en tegelijk zielsveel van haar hield, het deel dat gedoemd was om uit onmacht in eenzaamheid zijn dagen te slijten.

Voor hij het wist zat hij in de auto. Hij was nog wel vlug met een alcoholdoekje langs de deurknop gegaan, zoveel tegenwoordigheid van geest had hij nog wel, hij was niet helemaal mesjogge, Aksel. Hij keek nog een keer omhoog of er nog licht brandde bij Luna, maar hij was al te ver of er was geen licht.

Het begon zachtjes te regenen. Zul je net zien Martin, zulke dingen willen de mensen. Ze willen dat het op zo'n moment zachtjes gaat regenen. Geef ze dan die regen, wees niet zo eigenzinnig!

Hij grinnikte nog een keer, krabte aan zijn kalknagel en startte de motor.

Toen zoefde hij weg, geruisloos, een andere route nemend, om eventuele tegenliggers te voorkomen. Haar kon hij er niet bij hebben. Niet nu. Zijn telefoon had hij ook uitgezet.

De tranen sprongen hem in de ogen. Alles was verknald. De perfecte moord! Ha. Vergeet het, een contradictio in terminis. Ten eerste was zijn alibi op zijn zachtst gezegd zwak, omdat hij geen getuigen had, behalve een machine. Ten tweede: het slachtoffer zou misschien verdwijnen en ooit zou er een dag komen dat hij niet meer werd herdacht, ooit zou er een dag voorbijgaan zonder dat iemand aan hem dacht – zelfs zij niet – maar de moordenaar moest verder. De moordenaar zou op de hielen worden gezeten door zijn eigen moraal. Die zou hem voor de rest van zijn leven schaduwen, als een alter ego. De paranoïa zou een marteling zijn.

Hij had de deur open laten staan, wijd open, om voedsel te geven aan de hypothese dat het kwaad van buiten was gekomen en dat Luna er niets mee te maken had – mocht zij, of de politie van Århus, haar ergens van verdenken.

Terwijl Aksel door het donkere landschap schoof, het monotone Deense landschap, bedacht hij dat hij net zo goed ergens het water in kon rijden, of tegen een boom. Het had weinig uitgemaakt. Toch deed hij dat niet. Het deel dat door wilde was sterker. Misschien moest hij verhuizen naar Zweden, naar Malmö. Niet meteen, over een paar maanden.

Bij een kruising meende hij haar in haar Uber te zien passeren, maar het kon ook iemand anders zijn geweest.

Hij hoopte oprecht dat ze het naar haar zin had gehad met haar maandagavondse vriendinnenclub, al begreep hij niet goed waarom ze het nodig had gevonden al zo vroeg naar huis te komen.

Dat was, op zijn zachtst gezegd, verdacht.

Op dit punt zou in een film van Martin Sonnergaard, een posthuum verschenen film, simpelweg getiteld Wraak, nog een kind ergens in beeld verschijnen, maar dat verscheen niet in beeld.

Thuis stond Aksel een half uur onder de douche. Hij nam de tas met zijn moordwerktuigen, de werktuigen die hem niet in de steek hadden gelaten, mee onder de douche, om alle sporen eruit te wassen met zeep en een nagelborsteltje.

Het pizzames kreeg hij schoon. Het springtouw was nooit bezoedeld geweest.

Het sinaasappelnetje.






50. Aksel (V)

Claus Johansen


Als ze had aangekondigd dat ze naar huis kwam, dan moest Aksel opschieten. Ze zou een Uber nemen, dat deed ze altijd, ze was verslaafd aan Uber, en die rit, vanuit Hedda's, het cafe waar ze met haar vriendinnen zat, duurde 20 minuten.

Zoiets. Om en nabij.

Twintig minuten! Een eeuwigheid en minder dan een tel.

Veel tijd had hij niet nodig, wist Aksel. Hij had dan geen ervaring in het moorden, hij dacht toch wel te weten dat het zo gebeurd kon zijn. Een kwestie van de juiste slagader raken. Daar had hij nog wel een korte studie van gemaakt, waar die zaten in de hals, er waren er meerdere, en hoe die met een maanvormig pizzames te bereiken. De gemeenschappelijke halsslagader, die moest hij hebben. Die was het grootst en lag het meest aan de oppervlakte. Schuin onder het oor. Naast een spier. Hij moest niet de spier hebben maar de ader. Niet de spier maar de ader!

Had Aksel met zijn Birkenstocks sporen achtergelaten, die naar zijn persoon te herleiden zouden zijn? Hij dacht van niet. Iedereen droeg Birkenstocks. Behalve Martin Sonnergaard...

Misschien was het tijd om de boel af te blazen. Dit sloeg helemaal nergens op. Stel dat Luun naar beneden zou komen. Met die mogelijkheid had hij natuurlijk rekening gehouden. Hij zou dan een toneelstuk opvoeren. Dat er een afschuwelijk ongeluk was gebeurd. Hij had dat toneelstukje zelfs thuis geoefend voor de spiegel.

Luna, help! zou hij roepen. Help! Het gaat niet goed met Martin! Haal de verbandtrommel! Bel 112!

Hè, wat? Geschokt maar ook slaperig. Wil je dat ik eerst de verbandtrommel zoek en daarna 112 bel, of andersom?

Doe iets schatje, vlug, anders is het te laat!

Ik weet niet eens waar de fucking verbandtrommel ligt! zou ze zeggen, trillend op haar magere beentjes, in haar lange Billie Eilish-pyama, terwijl ze 112 probeerde te bellen op haar veel te dure telefoon.

Hoe moet ik dat weten!

Enzovoorts enzoverder tot in de eeuwigheid amen.

Misschien was het tijd om terug naar huis te rijden, het springtouw over de kapstok te hangen, het netje in de vuilnisbak te gooien (niet in de plasticbak, maar in de vuilnisbak!) en het pizzames op te bergen in de keuken bij de andere messen, waar het hoorde. De tas met The God of Pizza ook in de vuilnisbak.

Rustig verder leven. Doen alsof er niets was gebeurd.

Kon dat? Kon hij nog terug?

Martin Sonnergaard ondertussen had haast. Het boek Wraak en de moleskin had hij terzijde geschoven. Nogal koortsachtig was hij bezig op een grote desktopcomputer. Aksel moest een paar stappen opzij doen, door de tuin, om door het grote raam aan de voorzijde, te kunnen zien wat zijn beoogd slachtoffer aan het doen was. Hij ging er helemaal in op, dat was duidelijk.

Hij zocht naar porno met het geluid uit. Aha. Martin Sonnergaard zocht naar porno-sites en binnen die sites klikte hij behendig door naar genres en subgenres. De ene na de andere clip werd kort beoordeeld.

Hij voelde zich onbespied, dat moest wel, of hij probeerde de ex van zijn geliefde een geraffineerde loer te draaien. Een afleidingsmanoeuvre. Misschien was het hele moordplan al bekend bij hem (vandaar dat gedoe met Wraak) en nu probeerde Martin hem, Aksel, op andere gedachten te brengen door hem porno voor te schotelen. Want ja, dat kon porno, dat was waar; een van de onmiskenbare eigenschappen van porno was dat die in staat was de kijker op andere gedachten te brengen.

Aksel hield zijn adem in toen hij zag waar Martin Sonnergaard naar keek.

Kinderporno?

Aksel was geen expert op dit terrein, maar het leek er op. Meisjes van Luna's leeftijd? Zat Luna erbij, was Luna een van die meisjes? Had Martin Sonnergaard in de tijd, hoelang eigenlijk, dat hij Luna kende –

Met het pizzames in zijn hand, maanvormig lemmet voor zich uit, stoof Aksel het huis binnen. In tien passen stond hij recht voor de nietsvermoedende, kromme Martin Sonnergaard, die hem met grote ogen aankeek. Aksel hijgde. Eén haal langs de halsslagaders bleek niet voldoende, hij ging een paar keer op en neer, alsof hij aan het zagen was... en al die tijd leek het wel alsof Martin Sonnergaard meewerkte, alsof hij hem terwille was, alsof hij zich niet verzette.

Mouska, die had waarschijnlijk in haar mand had liggen slapen, kwam kijken.

Martins armen hingen slap naast zijn lichaam en hij bracht geluiden uit die nog het meest leken op dat van een kraai.

Eindelijk viel hij om op de bank, terwijl het bloed uit zijn hals gutste. Op het tempo van zijn hartslag golfde het eruit, als rood braaksel, over de bank, over zijn blond behaarde kuiten die onder zijn korte broek uitstaken, zijn sloffen...

Dit krijg ik nooit schoon, dacht Aksel bij zichzelf. Hoe krijg ik dit ooit schoon?

In paniek keek hij om zich heen, naar de trap naast de study die naar de slaapkamers leidde.

49. Aksel (IV)

Claus Johansen, Bornholmsk landskab



Martin stond op, met zijn kromme rug, en leek even naar de voordeur te komen om zijn aanstaande, of in elk geval aspirant, moordenaar binnen te laten en te verwelkomen, maar vlak voor de hal sloeg hij rechtsaf naar zijn study. Wat ging hij daar doen? Was dit het moment voor Aksel om binnen te komen? Moest hij misschien toch aankloppen (een deurbel hadden ze niet want dat was 'bourgeois')?

Aksel vloekte nog een keer binnensmonds toen hij boven zich, in de kamer van Luna, een zwak lichtje zag branden, als van een telefoon. Had hij haar gewekt? Hing ze zo direct met haar hoofd en haar heerlijke diep roodbruine haar uit het raam: daddy, wat doe jij hier? Ik kom je springtouw brengen. Mijn springtouw? Je springt toch graag touw, Martin weet zulke dingen nog niet, dat kun je hem ook niet kwalijk nemen... Daddy, hoe oud denk je dat ik ben? Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen.

Misschien kon ze niet slapen door de warmte. Misschien lag ze al die tijd al te appen daarboven met god weet wie en had hij het niet gezien. Hij had berekend dat het gezicht van zijn dochter ongeveer acht uur per etmaal kleefde aan het scherm van de spiksplinternieuwe telefoon die ze van haar moeder had gekregen. En dat was een voorzichtige schatting.

Mouska lag languit op de stenen vloer voor het aanrecht. Slechte waakhond. Daar had je helemaal niets aan. Maar Aksel 'dus' wel. Wat als hij vlug het huis in sloop en haar baasje van achter te lijf ging met de pizzasnijder, wat als hij zo in één haal zijn keel doorsneed, zoals hij in zijn fantasieën al een paar keer had gerepeteerd? Zou Mouska hem verdedigen, dat wil zeggen: de indringer, de pizzasnijder, aanvallen, tegen hem opspringen, blaffen, het bloed oplikken?

Zou Luna naar beneden komen vanwege het tumult?

That was where het sinaasappelnetje came in. Dat zou hij namelijk in de mond van de afpakker proppen, lekker diep zijn strot induwen met zijn wijsvinger van de ene hand terwijl hij de mond open kneep met de andere, hij had ergens op internet gelezen dat zo'n netje er vrij makkelijk ingaat maar er heel lastig weer uit te halen is, dat het zich als het ware achter de huig vastzet, aan de tanden, en dat het in elk geval praten, zo niet ademen moeilijk zo niet onmogelijk maakte.

Ah, daar kwam Martin alweer terug uit zijn study. Hij had een Moleskin in zijn hand, zo'n zwart luxe notitieboekje. Echt iets voor Martin Sonnergaard om met een moleskin rond te lopen. Hij behoorde tot dat slag mensen dat werkelijk geloofde dat iedere ingeving, waar of wanneer ook opgekomen, immer de moeite waard is om vast te leggen.

'Wraak. De verschillende vormen van wraak.' Zo'n soort aantekening zat Martin Sonnergaard nu waarschijnlijk te maken op de bank, met een streep eronder. Nee, wacht, hij schreef een citaat over uit het boek dat naast hem lag. 'De beste manier om iemand te wreken is om niet op hem te lijken.' Marcus Aurelius. Zoiets. Tevreden over zichzelf, over zijn intellectuele inspanning op de late maandagavond, leunde hij achterover.

Natuurlijk ging hij een film maken, Martin Sonnergaard, hij was altijd bezig met een film, hij was filmmaker, die restaurants deed hij er alleen maar bij voor de lol.

Hij ging een film maken over wraak. Wraak, een mooie titel alvast. Het ging over een wraakneming. Een wraakactie. Een man waarschijnlijk in de hoofdrol. Mannen zijn wraakzuchtiger. Hoe kwam dat? Of kende hij vrouwen slecht en had zij zich op haar manier tegenover hem gewroken?

Er trilde iets in het huis. Martins telefoon ging af. Door het hout in het huis was de vibratie duidelijk waarneembaar, tot aan waar Aksel stond.

Zij dacht hij, om te checken hoe het ging, met Luna enzovoorts. Deed ze altijd als ze weg was, tot vervelens toe, Aksel schatte dat 80 procent van haar telefoontjes behoorde tot de overbodige soort.

'Nu al?' zei Martin Sonnergaard. 'Wat, heb je het niet gezellig of zo?'



Het is zondagochtend. Mag ik even bedelen?



Dankzij de interventie van de speciaal uit Delft overgevlogen Informaticus, is deze plek verrijkt met een betaalknop (zie rechtsboven). Ik ben dus winkelier geworden, kruidenier, webshophouder, what have you, iets wat ik altijd heb willen zijn, maar dan een winkelier die zijn winkel wijd open heeft staan en tegen voorbijgangers roept: pak wat je pakken kan, en als je het wat lijkt, maak dan een bedrag over aan Stichting Sehnsucht, een rechtspersoon die ik een paar jaar geleden bij de goedkoopste notaris van Amsterdam in het leven heb geroepen om de 'literaire activiteiten' van 'Viktor Frölke', ‘in de breedste zin des woords’ te 'bevorderen'.

Overigens zou het bestuur van Stichting Sehnsucht allang bij elkaar hebben moeten komen maar daar is het nog niet van gekomen. Onmisbare bestuursleden: ik ben u niet vergeten!

Ja, als er een boek van me in de winkel had gelegen – en dan bedoel ik Atheneum, Linnaeus, Scheltema, Jimmink, Zwart op Wit, enzovoorts, laten we bidden dat Bol niet als enige overblijft – dan had ik u daarmee gespamd, maar er ligt geen boek van me in de winkel. Hopelijk ergens dit jaar wel, maar hoop is gratis en veel is onzeker.

Maar! En! Dus! Het eind van TOZO komt in zicht en ook ik moet als vader van een groot gezin mijn broek ophouden, de schoorsteen laten roken, de boterham van mijn kinderen versieren etc. Voor niets gaat alleen de zon op, een zonsondergang is niet te betalen.

Ik weet, onder websites van kranten en tijdschriften is het tegenwoordig bon ton om firewalls op te trekken, maar dit is niet mijn stijl. Ik hou wel van vuur, maar niet van muren. Ik houd meer van deuren die openstaan. Het hele idee van het interweb, dacht ik, is dat mensen overal mogen klikken, scrollen en browsen. U weet wel: free flow of information enzo.

Maar iemand zal ergens ooit iets voor moeten betalen, is mij verteld. 

Waarom plakt u uw blog dan niet vol met advertenties, luidt een veelgestelde vraag (vooral door mezelf trouwens). Zoiets regelt de God Google toch eenvoudig voor u? Of anders een stukje product placement voor Mail en Female, wellicht? Testosteron-pillen? Rollators?

Ik weet niet hoe het met u is, maar ik heb een broertje dood aan advertenties. Ze bezoedelen mijn geest. Ik heb niets nodig en als ik iets nodig heb dan koopt Anne het voor me.

Vandaar deze bedelronde, afgekeken van Wikipedia. Bedelen heeft de toekomst.

Prettige vaccinatie en blijf lezen,

Uw Eeuwige Krabbelaar


PS: Ik begrijp ook wel dat bovenstaande kan overkomen als een eh, advertentie. De slang bijt zichzelf altijd in zijn staart... Vooruit dan, ik doe er nog een aksie bij: de eerste tien donateurs ontvangen een getikt unicum (handgeschept papier, uitgeverij 1+ 0 = 1).










48. Aksel (III)

Claus Johansen



Het was half elf en donker, Aksel zat nog steeds in de auto voor zich uit te staren. Martin Sonnergaard, zijn doelwit, het brandpunt van zijn jaloezie en frustratie, was een paar minuten geleden naar binnen gegaan met zijn witte wijn en zijn boek. Hij was opgestaan van zijn bankje, en krom – hij liep krom, o ja, dat was waar ook, maar over dat gebrek had zij zich heen kunnen zetten; anderzijds was hij, Aksel, ook niet zonder gebreken, denk alleen al aan zijn kalknagels), zijn huis in gesukkeld, het huis dat hij met Aksels ex bewoonde, en bij tijd en wijle, de helft van de tijd om precies te zijn, zijn dochter Luna.

Wat las Martin Sonnergaard?

Een vraag die geen mens op de wereld iets interesseerde, afgezien van Sonnergaard zelf, maar hij werd van het allergrootste belang voor Aksel. Met de titel van het boek stond of viel zijn missie, daarvan was hij overtuigd. Het was het enige wat er nog toe deed.

Hij ging rechtop zitten. Dit was wat hij zou gaan doen. Hij zou rustig het huis binnengaan – de deur in deze contreien stond gewoon open, aan sloten deden ze niet; nee, sloten werden zelfs uitermate bourgeois gevonden, kinderachtig misschien zelfs, want bezit was volstrekt arbitrair en inwisselbaar – en op de verschrikte reactie van Martin Sonnergaard zou hij glimlachend hebben gezegd: 'Hej, ik kom even het springtouw van Luun brengen... Je weet toch dat ze niet zonder kan?'

Hij zou daarbij zijn tas met moordwerktuigen omhooghouden en er het touw uitvissen en het omhooghouden voor Martin Sonnergaard, de afpakker van zijn vrouw.

Waarschijnlijk zou Sonnergaard hierop vreemd opkijken toch wel, wat was dat voor iets raars, de kersverse ex van zijn vrouw die op maandagavond onaangekondigd langswipt, op de avond nog wel, wisten ze allebei, die heilig was voor haar?

Maar ja goed, emotioneel turbulente tijden, wederzijds begrip enzovoorts... Hej Aksel, ben jij daar.

Ja, ik dacht ik kom maar meteen even langs om het te brengen, je weet dat ze vroeg op staat, en touwtje springen is dan iets dat ze graag doet. Dat weet je toch?

Daarna zou hij vragen, Aksel, zijn hoofd een kwartslag draaiend om het omslag beter te kunnen ontcijferen: Martin. Wat lees je.

Wat ging Aksel dat aan, wat Martin las?

Als hij rustig gehoor zou geven aan de vraag, als hij rustig zou antwoorden wat hij las, dan –

Tevreden over zijn actieplan hees Aksel zichzelf uit de auto, pakte de tas met benodigdheden (THE PIZZA GOD stond er op de zijkant, hij kon een grinnik niet onderdrukken) en duwde de portier zachtjes dicht. De vogeltjes waren eindelijk opgehouden met tsjilpen, maar goed ook anders had hij ze een voor een tot zwijgen moeten brengen, en er was geen verkeer meer.

Aksel luisterde naar zijn eigen voetstappen, knisperend, piepend.

De avond was gevallen. Ja, hij viel echt. Als het doek in een theater. Aksel voelde zich geborgen in de duisternis, Aksel, hij had de mensen, zoals zijn vrouw, nooit begrepen die angst voelden voor het donker, hij voelde zich juist getroost. De dag was voorbij. Dat was één. De wereld werd kleiner. Twee. En drie was dat hij zich werkelijk gekoesterd voelde door het donker, als in een omhelzing.

Zij had daar niets van begrepen – een van de vele gebieden waarop hun gevoelens totaal uit elkaar liepen. Angst versus geborgenheid.

Toen hij voor het huis van de afpakker stond en opkeek naar het openstaande dakraam, waarachter zich zijn prachtige dochter bevond, de enige van wie hij nog kon houden, klopte zijn hart als een razende. Hij zou haar naam willen roepen, heel hard willen schreeuwen, zonder ophouden...

Aksel deed een stap opzik en keek door een klein vierkant raam dat, omdat het precies op ooghoogte zat, gemaakt leek voor bespionering.

Martin Sonnergaard zat op de bank in de ruime, ultramoderne woonkeuken. Abstracte kunst afgewisseld met oude filmposters aan de muur.

Het boek dat Martin aan het lezen was lag opengevouwen naast hem. Op dit moment was hij op zijn telefoon bezig.

Aksel pakte zijn telefoon, stelde scherp en nam een foto. Het geluid van de ontsluiting van een fake fototoestel verbrak de landelijke avondstilte. Aksel vloekte in gedachten. Nou ja. Vervolgens bekeek hij de foto die hij had gemaakt en zoomde in op het omslag van het boek op de bank.

Wraak



 


47. Aksel (II)

Claus Johansen, Untitled



Tot zijn eigen verbazing parkeerde Aksel zijn elektrische auto niet uit het zicht, maar bijna voor de deur. De man die zijn vrouw had afgepakt zat te lezen op het bankje in de voortuin, zag hij, met een glas witte wijn binnen handbereik.

Hij keek niet op of om, hij leek volstrekt gelukkig, of in elk geval op zijn gemak.

Martin heette hij. Martin Sonnergaard. Een waardeloze naam. Een waardeloze naam voor een waardeloze man.

Hij had een korte broek aan.

Het slaapkamerraam van Luna stond open, maar de gordijnen waren dicht. Sliep ze, was ze zich van niets bewust?

Aksel mocht geen lawaai maken, dat was een absolute vereiste. Ieder geluid was een geluid te veel. Alleen de vogeltjes. Af en toe in de verte wat verkeer. Misschien een telefoon die ergens aandacht opeist. Een gedempt gesprek, hooguit.

Wacht: de hond. De hond van Martin Sonnergaard. Mouska. (Luna was dol op Mouska, and how could she not.) Mouska kwam uit de openstaande voordeur gewaggeld, met haar eeuwig wapperende staart. Ze ging languit liggen op het stenen paadje. Legde haar bek op de ene voorpoot. Op de andere. Stond weer op, rekte zich uit en waggelde terug naar binnen, na kort het scheenbeen van Martin Sonnergaard te hebben besnuffeld.

Sonnergaard gaf Mouska een aaitje over de bol zonder zijn blik van zijn boek af te halen.

Voorlopig bleef Aksel in zijn auto zitten, met de tas op schoot. Hij keek nog eens naar wat hij had meegenomen.

Waarom een sinaasappelnetje?

De beweegredenen van een moordenaar.

Aksel was geen moordenaar maar hij zou er een kunnen worden vanavond, hij solliciteerde naar het moordenaarschap.

Hij streek met de nagel van zijn duim langs het lemmet van het pizzames. Dat pizzames had hij kortgeleden aangeschaft, mede om de pizza's te snijden voor Luna als zij bij hem at. Luna hield van pizza. Aksel hield ook van pizza. Wie hield er niet van pizza?

Het pizzames bestond uit een rond, blankhouten handvat. Het lange maanvormige lemmet was scherp. Meteen toen hij het ding in de winkel had zien liggen schoot er iets door hem heen. Het beeld van dit pizzames tegen een keel.

Aksel grinnikte, en grinnikte daarna nog een keer, om zijn gegrinnik. Hij dacht aan de verklaringen van moordenaars in rechtbanken die in de krant stonden. Hoe ongeloofwaardig die klonken. Hoe rommelig, hoe rafelig. Amateurs, allemaal!

Afgezien van enkele opvallende uitzonderingen, zagen moordenaars er nooit uit als moordenaars, ze spraken nooit als moordenaars en ze hadden geen idee wat ze aan het doen waren.

Doe ik ook maar wat? vroeg Aksel zich in de beslotenheid van zijn elektrische auto af. Hij ging een stukje verzitten in zijn leren stoel. Nee. Ik weet wat ik doe. Ik kom iets rechtzetten. Ik laat me niet zomaar vernederen. Niet door mijn vrouw, met wie ik twaalf jaar samen ben geweest, en niet door de nieuwe man van mijn vrouw, met wie zij al hoelang? samen is, God only knows.

Met duim en wijsvinger wreef hij zich in de ogen. Hij was moe, Aksel, hij werd moe van zichzelf, hij zou het liefste willen gaan slapen, hier en nu, in de auto. Rugleuning naar achter, tas over zijn ogen tegen het licht.

Misschien als ze het anders had aangepakt, misschien als ze het anders had gebracht, minder als een gewapende roofoverval midden in de nacht terwijl hij naakt in bed lag, dat hij dan beter met dit nieuws, deze nieuwe werkelijkheid, om had kunnen gaan.

Ik wil mijn leven niet langer vermorsen, als een druppende kraan in een overvolle wasbak. Ik heb een man gevonden die goed voor me is. Die van me houdt. Hij heet Martin Sonnergaard. Hij heeft twee restaurants en maakt films. Misschien ken je hem. Zijn restaurants. Hij kan goed koken. Hij kan ook goed met Luun. We hebben het met haar besproken. Ik trek over twee weken met Martin in een nieuw huis dat we hebben gekocht op de dijk hier niet ver vandaan. Wil je dat ik tot die tijd bij je blijf of zal ik maar meteen gaan?

Ze stonden in de keuken.

's Middags, Luna was op school.

Hij was aan het opruimen, eeuwig aan het opruimen; zij kwam op hem toelopen. Op hakken. Toen opende ze het vuur.


46. Aksel (I)

 Claus Johansen, Solnedgang


Er zat weinig anders op, vond Aksel, dan de man die zijn vrouw had afgepakt, want zo voelde het, zelf af te pakken.

Over de precieze details had hij niet goed nagedacht. Hij handelde impulsief. Dat voelde goed. De kick van de roekeloosheid.

Hij gooide wat spullen in een tas die hij zo gauw bij elkaar had gesprokkeld: een pizzasnijder, het springtouw van zijn dochtertje en een leeg sinaasappelnetje, en stapte in zijn auto.

Het was stralend weer, een fantastische zomeravond zoals die in dit deel van Denemarken maar zelden te beleven zijn: geen wolken, niet te heet, een warme gloed die, vooral later op de dag, als zomersneeuw over het landschap hangt. Alleen het oorverdovende getjilp, getrjip en gekwinkeleer van de verzamelde vogels werkte op zijn zenuwen.

In zijn spiksplinternieuwe elektrische auto voerde Aksel het adres in van het huis waar zijn vrouw en de afpakker van zijn vrouw waren ingetrokken: een huis aan een stille dijk aan de rand van de stad, en reed geruisloos weg.

Hij voelde de adrenaline naar zijn hoofd pompen. Hij sloeg met de palm van zijn hand op de rand van het stuur, uit ongeduld, uit woede.

Toen hij stilstond voor een stoplicht barstte hij in lachen uit, maar het was geen komisch lachen, het was de lach van de waanzin. Hij herkende die, maar zijn vrouw had hem het eerst herkend.

Je dacht zeker dat ik daartoe niet in staat was? gilde hij met overslaande stem tegen de vooruit. Je dacht zeker dat ik gewoon lekker op de bank ging zitten thuis, in ons huis, en mijn lot ging zitten aanvaarden, beetje mediteren, rouwverwerking, therapiesessietje of twee (daar zou jij dan op aansturen, nota bene) en dan weer de draad oppakken...

Dat dacht je zeker? Well, you'd be surprised! Hij spuugde de woorden uit. Het spuug zat op het dashboard.

Aksel trok pijlsnel op, maar minderde weer vaart toen hij een politie-auto zag naderen uit een zijstraat. Hij was sinds hij de elektrische auto had al een paar keer van de weg gehaald; het leek er op dat de Deense politie het sinds kort op auto's zoals die van hem gemunt had, dat ze van zijn soort een speciaal programma hadden gemaakt, een target.

Hij was dichtbij nu. Het was tien uur en nog licht. Hij wist dat zij niet thuis was. Het was maandagavond en op maandagavonden was ze bij haar vriendinnenclub in Århus. Dat was een traditie waarmee ze nog niet zou breken in tijden van oorlog.

Alleen Luna. Luna was een liability.

Luna was bij hem vanavond. Bij hem, for fuck's sake! Welk recht had hij, afpakker van zijn vrouw, om ook nog zijn dochter af te pakken? Ja, dat was iets wat Aksel witheet maakte. Gewelddadig, of in elk geval tot grof geweld in staat. Dacht hij. Natuurlijk, hij had de scheidingspapieren koel ondertekend. Natuurlijk, hij was akkoord gegaan met de omgangsregeling – het woord alleen al! – maar toen het idee, de nieuwe werkelijkheid, tot hem doordrong, dat zijn bloedeigen dochter, alleen thuis was met de afpakker van zijn vrouw...

Hij keek in de achteruitkijkspiegel en haatte zichzelf.

In de verte doemde het dijkhuisje op. Een mooi dijkhuisje, dat moest gezegd. Ze hadden goede smaak, met zijn tweeën. Maar ze hadden, hun inkomens opgeteld, ook iets te besteden, en hij zat in de vastgoed, dus dat was allemaal geen prestatie. Hijzelf, Aksel, was al een tijdje op zoek naar iets kleiners. Een appartement.

Hij, Aksel, had afgezien van iedere vorm van financiële claim. Zijn vrienden hadden hem dat afgeraden; zijn broer, zelf gescheiden, had hem voor gek verklaard, hij schreeuwde door de telefoon dat hij daar heel, heel veel spijt van zou krijgen, maar zo had hij het gedaan.

Jazeker, maar nu ging hij iets anders claimen.

O, wat hoopte hij, nee, bad hij, dat Luna al in bed lag. Luna moest in bed liggen.


 


45. Leven als gedicht



De dichter die eenzaamheid, verval en de dood als thema's had omarmd, maar bekend blijft door twee dichtregels waarvan de ene simpele blijdschap uitdrukt en de ander zuinige tevredenheid, verwekte een zoon bij de dichteres met wie hij een kort huwelijk vol wist te houden, maar de zoon emigreerde, zodra hij kon, naar het verste continent.

Het leven van de dichter stond in het teken van geldgebrek, stupide baantjes en drankzucht maar daarover dichtte hij niet.

Hij had een voorliefde voor oude versvormen, die, naarmate de tijd voortschreed, steeds oubolliger, ja onbedoeld pathetisch-hilarisch klonken; toch had hij gelijk, dat de bevrijding van die vormen geen vooruitgang met zich meebracht, althans geen stilistische.

In de herfst van zijn leven nam zijn – twintig jaar jongere – ex hem weer op in haar verafgelegen boerderij en verzorgde hem tot zijn dood.

Als het leven van de dichter een gedicht is, dan moet de titel Geboorte luiden en de opdracht Aan mijzelf. De dichtregels zelf blijven voor altijd ongeschreven.




44. De colporteur



Gisteravond stond er voor de deur bij Hein van Helmond een man die een stel hersens aanbood. Verse. Ze zaten in een blauwe koelbox, die de man met beide handen vasthield.

Het was tien uur in de avond, de maan stond nogal overdreven aan de hemel. Normaal gesproken doet Van Helmond niet open op dit tijdstip, maar hij verwachtte een vriend die nog een glas kwam drinken, en bovendien: hij was voor de duivel niet bang, het bordes van zijn landhuis was uitstekend verlicht en achter de deur, in de paraplubak, bewaarde hij een Smith & Wesson voor noodgevallen.

'De linkerhersenhelft is nauwelijks gebruikt,' zei de man. 'De rechter wel, maar daar zult u geen last van hebben. Hoog IQ gegarandeerd.'

De man leek op een boswachter. Hij had rode wangen, dikke brillenglazen en hij droeg een groene, stoffen pet. Van Helmond meende een raar luchtje uit zijn mond waar te nemen, als hij sprak. Toen hij een hand naar zijn pet bracht om die even te lichten en weer op te zetten, als om zijn schedel te luchten, bespeurde hij bloedspetters op de rug van zijn compacte, behaarde hand.

'Waarom denkt u dat ik hersens nodig heb,' vroeg Van Helmond, terwijl hij links en rechts om zich heen keek, langs de oprijlaan, of hij zijn vriend, Brokkema, zag aankomen. Hij had hem net nog aan de telefoon gevraagd om langs te komen en hij zei dat meteen ja. Aangezien hij een paar huizen verderop in het villapark woonde, kon hij er elk moment zijn.

'Iedereen heeft hersens nodig,' zei de colporteur. 'Vooral in deze tijden.' Nadat hij de koelbox tussen zijn bergschoenen had geplaatst, alsof het een schatkist was, pulkte de man zijn bril achter zijn oren vandaan en begon de bolle glazen uitgebreid te poetsen met een smoezelige zakdoek die hij uit zijn jaszak viste. 

Deze hele operatie, dit poetsen, leek erop gericht te zijn om tijd te rekken, om zijn klant meer bedenktijd te geven.

Nu viel Van Helmonds oog op iets blikkerigs in de jaszak van de man, maar hij kon niet goed zien wat het was. Een aardappelschilmesje. Een zilverpapiertje.

Van Helmond keek op zijn horloge. Het was een kostbaar, groot uitgevallen apparaat, maar heel duidelijk gaf hij de tijd niet aan. Hij moest de wijzerplaat omhoog houden tegen het licht, om vast te kunnen stellen dat het zeven over tien was. Stond hij nu al zeven minuten te praten? Het hadden zeven seconden geleken.

'Wat kosten die hersens?' Van Helmond wees achteloos met zijn kromme, gezegelringde ringvinger in de richting van de koelbox. 'Misschien heeft Brokkema interesse,' voegde hij er aan toe. 'Een vriend van mij.' Van Helmond lachte kort; zijn lach klonk als een geëxalteerde kuch.

De man zette zijn bril op, borg zijn zakdoek op en keek Van Helmond recht in de ogen. 'Tienduizend euro. Speciaal voor u. In natura te voldoen, dat wel.'

Van Helmond sloeg zijn armen over elkaar en helde achterover op zijn oude leren wintersloffen. Pas nu betrapte hij er zichzelf op dat hij zijn kamerjas nog aanhad. Hij was de hele dag de deur niet uit geweest. 'Mensenhersens, mag ik aannemen?'

'Gecertificeerd en al. Echt een goede prijs hoor, vooral ook omdat ze zo vers zijn.' De colporteur boog voorover. en pakte de koelbox op om hem te openen, maar Van Helmond maakte een afwijzend gebaar. Hij kon niet tegen dit soort dingen, hoewel hij toch behoorlijk wat gejaagd had in zijn leven.

'Van een man?'

'Wat dacht u?' Nu was het de beurt aan de colporteur om te lachen. 'Waarom zou ik u vrouwenhersens aanbieden?'

'Leeftijd?'

'Ongeveer die van u, schat ik zo.'

Van Helmond wilde terug zijn huis ingaan en de deur achter zich sluiten, maar halverwege bedacht hij zich, pakte zijn telefoon en belde Brokkema. Hij nam niet op.

'Vreemd,' zei hij hoofdschuddend, tegen zichzelf vooral.

De colporteur keek Van Helmond geamuseerd aan. 'Wat is vreemd?'

'Moet u luisteren, ik heb een afspraak met een vriend, hij zou nog even langskomen voor een afzakkertje, en nu staat u voor de deur.'

'Is dat die Brakkema waar u het over had?'

'Brokkema ja.'

'Maar meneer, die heb ik hier voor u bij me. De rest van zijn lichaam laat zich verontschuldigen.'

 

 

43. Bescherm me tegen mijn nieuwsgierigheid

L. Verschuier (detail)

Ze brachten me naar het voordek. Het schip kraakte. Ik mocht mijn kleren aanhouden. Er werd een touw aan mijn enkels bevestigd en een touw aan mijn polsen. Ik was dus eigenlijk von Kopf bis Fuß auf Wasser eingestellt. Ik wierp een blik over de reling. Dat de zee kalm was, stelde me enigszins op mijn gemak, maar ik probeerde mezelf te behoeden voor optimisme. Er was absoluut geen reden om optimistisch te zijn, over wat dan ook.

Overal waren mensen, in sloepen, van heinde en verre waren ze komen kijken.

En toen? Dat zal ik je vertellen, als je er tegen kunt. Kun je er tegen?

Ze vroegen of ik wilde worden geblinddoekt. Het schijnt de ervaring iets dragelijker te maken, als je niet kan zien wat er gebeurt of te gebeuren staat.

Dus ik zei, ja graag, blinddoek me maar. Bescherm me tegen mijn nieuwsgierigheid.

Hetzelfde gold voor de spons die ze me aanboden, voor in mijn mond. In eerste instantie dacht ik, waar heb ik een spons voor nodig, waarom in mijn mond? Maar stel dezelfde vraag aan een barende vrouw.

Ik opende mijn mond, ze staken een oude, droge spons ter grootte van een ei in mijn mond. Het idee was dat ik daar nog wat lucht uit zou kunnen halen. Hoe dat werkt weet ik niet. Misschien werkt het niet. Sommige suggesties blijven vruchtbaar, ook al weet je dat je wordt voorgelogen.

Ben je er klaar voor?

Het was tijd voor de te water lating. Ik wist dat die niet zachtzinnig zou zijn, dat was onderdeel van de ervaring, maar ik schrok toch nog toen ik bruut overboord werd gesmeten. Die boeg is best hoog, ik schat toch zeker vijf meter, misschien zeven. Vanaf de boegspriet tien. Met een klap belandde ik in het ijskoude water.

Misschien was ook dit onderdeel van hun poging om de ervaring dragelijker te maken. Niet met beleid maar met geweld.

'Wees blij dat we je lichaam niet verzwaren met stenen,' hadden ze nog gezegd.

Ik heb niet gevraagd waarom dat mij blij zou moeten maken, en ik heb ook niet gevraagd waaraan ik deze gunst te danken had.

Ik heb helemaal niets gevraagd.

'Wees blij dat dit een nieuw schip is,' zeiden ze ook nog. 'Een betrekkelijk nieuw schip.'

Ik probeerde mijn hoofd boven water te houden, dat heb ik altijd geprobeerd en ik denk dat dat een loffelijk streven is. Door mijn neusgaten snoof ik lucht op, alle lucht die ik kon krijgen. Ik luisterde naar mijn eigen snuiven, ik luisterde naar paniek, nu al. Maar niet voor lang. Ik zag en voelde dat er beweging kwam in het touw waaraan ik vastzat. Het schip was over het touw heen gevaren, en nu werd het van de andere kant strak getrokken. Ik zou gaan duiken. Nee, ik dook al. Of duiken kon het niet worden genoemd, ik werd meegesleept, en niet door een verhaal, of het moest mijn eigen verhaal zijn.

Ik ging kopje onder, dieper en dieper. Naar het laagste punt.

Ik moest naar het laagste punt, dat wist ik, pas als ik daar was geweest kon ik weer omhoog. Maar hoe lang duurde dit nog?

Ik had me voorgenomen helemaal niets te doen. Alles wat ik zou doen kostte energie, waardoor ik meer lucht nodig zou hebben, lucht die ik niet had.

Ik botste met mijn schouder tegen de kiel van het schip, daarna draaide ik een kwartslag en mijn borstkas schraapte langs het hout. Ook al was dit een 'betrekkelijk nieuw schip', op de kiel hadden zich toch al wat schelpen en mosselen vastgeklonken, scherpe punten die in mijn rug (ik was weer gedraaid, ik draaide voortdurend om mijn as) krasten, in mijn buik, benen, kuiten, armen.

Ik verging van de pijn maar ik kon niet krijsen.

Ik troostte me met het idee dat de ijskoude zee mij enigszins verdoofde.

Ik beet op de spons, maar mijn beet werd al minder, ik deed er alles aan om hem binnen te houden, als hij mijn mond uit zou gaan was ik verloren, wist ik.

Mijn blinddoek bleef achter iets scherps haken en vloog af. Ik kneep mijn ogen dicht.

Mijn kleren scheurden, het leek alsof mijn hele lijf openscheurde, alsof mijn huid een krant was die aan flarden werd getrokken.

Ik probeerde mijn gezicht van de romp weg te houden, van alles weg te houden dat het kapot kon maken. 

Ik was nog niet eens op de helft want 'we' gingen nog steeds dieper, dacht ik.

Waar was het einde? Was er een einde?




42. Nachtvlucht




Rutger E. Waterman, de man die vannacht in zijn eentje in een jumbo jet naar Zuid Afrika vloog, was behoorlijk tevreden over zichzelf. Hij had zijn zaakjes goed op orde.

In agenda's op tenminste twee continenten was zijn reis al lang geleden aangekondigd. Waterman komt, heette het in Kaapstad, en, dienovereenkomstig, heette het op de plaats van vertrek: Waterman gaat. Business natuurlijk. Waterman vloog al zijn hele leven business. Hij ging nog liever dood, dan dat hij economy vloog.

'Alles naar wens, meneer Waterman,' vroeg een van de twee stewardessen die was meegereisd. Ze droeg een blauw mondkapje. Alles bij elkaar leek ze nog het meest op een rechtstandige dolfijn. 

Waterman gaf geen antwoord, hij knikte alleen. Hij was in gedachten verzonken. Hij wenste eigenlijk niet gestoord te worden.

Waterman dacht na over de toekomst, in de context van het nu, met inachtneming van het verleden. De conclusie die hij trok had iets onvermijdelijks. Waterman hield van onvermijdelijkheden, hij was in feite een en al onvermijdelijkheid, onvermijdelijkheid was zijn handelsmerk.

De stewardess, Nancy heette ze, was alweer verdwenen.

Waterman keek opzij en drukte loom op het rode knopje.

Niet veel later keerde Nancy terug. 'Heeft u nog iets nodig, meneer Waterman?'

'Hoe laat is het, Nancy?' Hij vond het fijn om haar naam uit te spreken. Ze droeg niet voor niets een naambordje. Trouwens, zij noemde zijn naam ook. Het voelde vertrouwd. Alsof ze een relatie hadden, en die hadden ze natuurlijk ook.

Nancy keek op haar horloge. 'Vijf over half drie meneer... Verder nog iets?'

Waterman snoof. 'Liggen we op schema?'

'Voor zover ik kan beoordelen liggen we op schema, maar ik wil dat nog wel even checken met de gezagvoerder als u dat wilt.' Nancy liep weer naar voren, om zich in de ruimte bestemd voor de cabin crew te voegen bij haar collega.

Waterman vouwde zijn handen, knakte zijn knokkels en sloot glimlachend zijn ogen.

Hij dacht na over zijn missie. De urgentie ervan. Hoe onmisbaar zijn aanwezigheid was, zijn fysieke aanwezigheid, in Kaapstad. Hoe hij zich de facto en in principe niets gelegen had laten liggen aan welke beperkende maatregel opgelegd door wie dan ook.

Sommige mensen noemden dit vrijheid.

Anderen noemden het eigenzinnigheid.

Waterman noemde dit onverstoorbaarheid. 'In de grond ben ik een stoïcus,' zei hij graag plompverloren tegen mensen op feestjes, alvorens ander gezelschap op te zoeken.

Nadat Waterman een paar uur licht had geslapen, licht slapen was het niet eens, meer rusten en overpeinzen, zeer nuttige bezigheden want aan dromen had niemand iets, sprak een heldere stem uit de cockpit: 'Good morning Mr. Waterman, this is your captain speaking. How do you do? It's the first time in my career I am speaking from the flight deck to a single passenger. Let me tell you, we are really grateful you didn't cancel your flight. It's so wonderful to be flying again. For me as a pilot, can you imagine how redundant I have felt on the ground?'

Waterman geeuwde, strekte zijn armen uit en voelde in zijn knellende kruis een ochtenderectie opkomen. Hij opende een luikje. Het was nog steeds donker.

41. M. in plaats van F.

Fernand Léger, The City



Ze was met de verkeerde getrouwd. Ja, zo moest de conclusie wel luiden, na zoveel jaar. Hard, maar de waarheid was hard. Ze had het alleen nog aan niemand durven toegeven, behalve nu misschien, aan zichzelf.

Destijds had ze voor de keuze gestaan, toch wel, tussen F. en M., zoals we ze maar even zullen noemen, allebei ongeveer even oud, charmant en aardig en niet onknap, maar ze hadden 'dus' wel een nogal uiteenlopende persoonlijkheid en levensstijl. F. gaf haar het gevoel dat ze leefde, M. gaf haar het gevoel dat ze niet dood zou gaan.

Ze had voor zekerheid 'gekozen', of nou ja, gekozen, het was eigenlijk geen keuze, het lot had haar in de armen van zekerheid gedreven, en nu had ze alweer een eeuwigheid met M. een gezin, maar F. was nooit helemaal uit haar gedachten verdwenen, hij bleef op de achtergrond aanwezig, en soms, als ze de liefde bedreef, ook op de voorgrond, maar dat mocht niemand weten.

Hoe zou het nu met F. gaan? Ze durfde hem niet te googelen uit angst voor teleurstelling. De laatste keer dat ze hem in levende lijve zag was in de lente, in dat piepkleine koffietentje, waar je gemakkelijk aan voorbijliep, maar waar mogelijk de lekkerste koffie werd geschonken. In elk geval hing er een ongedwongen, intieme sfeer. Er werkten twee vriendelijke vrouwen die wisten wat je nodig had, en wanneer, zonder je af te zetten.

Ze kwam er wel eens toen ze nog in de stad woonde. M. en zijn goede baan hadden haar mee geloodst naar een echt huis buiten de stad en hoe heerlijk ze het daar ook vond, de stad bleef lokken. Wat was de stad anders dan een verlokking? 

Daar zat hij, in zijn eentje, amper uitgeslapen. De rommelige bos krullen had hem meteen weggegeven. Hij las de krant, een kop koffie naast zich. De zon scheen weldadig door het glazen dak van de serre. F. leek volmaakt, nou ja, op zijn plaats.

Ze ging aan de leestafel beneden zitten, bestelde wat en vroeg zich af of ze hem moest aanspreken.

'Hé hoi, wat grappig, wat doe jij hier?'

'Dat kan ik net zo goed aan jou vragen, darling.'

Hoe hij achterover zou leunen in zijn stoel, hoe een brede grijns op zijn mooie mond zou verschijnen, hoe hij daarna met een hand door zijn krullen zou gaan. Darling, het woord alleen al. Alleen hij kon het met de juiste mengeling van ernst en spot uitspreken. Was hij een dandy? Nee. Maar ook geen hippie. Iets er tussenin.

Vroeg of laat zou ze aan hem moeten opbiechten dat ze getrouwd was, eeuwen alweer, dat ze drie schoolgaande kinderen had enzovoorts, enzoverder bla bla. Verbazingwekkend hoezeer haar biografie haar de keel uithing. Het zou ronduit pijnlijk zijn als hij daarvan gewag zou maken. Ze zou iets kunnen verzinnen, ze zou kunnen liegen, dat was een aantrekkelijke optie, maar als hij door haar leugen heen zou prikken was het nog pijnlijker.

'Maar je bent toch wel gelukkig?' Dat soort vragen zou hij stellen. Daar had ze 'even' geen zin in. Ze kon die wel pareren met 'ach ja', 'wat is geluk heden ten dage' of 'en jij dan?' maar dan zou hij ongetwijfeld met een oneliner komen zoals 'Happiness is a warm gun' en dan zou hij daarbij suggestief zijn dikke lippen tuiten.

Nee, dat gesprekje zou vreselijk zijn. Het zou teleurstellend zijn, want het zou tot niets leiden. Ze kon hem maar beter van een afstandje blijven observeren, haar droomcatalogus aanvullen met wat recent beeld.

Terwijl ze dat deed, behoorlijk schaamteloos – ze verwonderde zich hoe weinig het object van haar verlangen om zich heen keek – dacht ze na over M.

Hoeveel ze van hem hield. Ja, hoe kon dat ook anders? Ze had kinderen met die man! Hun levens waren totaal met elkaar verstrengeld, ze waren ongeveer in elkaar opgelost...

Behalve dan dat ze bij tijd en wijle aan F. bleef denken na al die jaren. Zeker als ze alleen in de stad was, zoals nu, hield ze altijd rekening met de mogelijkheid dat ze hem zou tegenkomen. Was ze naar deze straat gekomen, naar dit koffietentje, omdat ze wist dat hij hier in de buurt woonde?

Ze had niet gelogen, maar toch ook niet helemaal de waarheid verteld toen ze tegen M. zei dat ze hier in de buurt moest zijn om een broek te ruilen. Daarna, al in het koffietentje, had ze wel de feiten verdraaid toen ze volkomen onnodig ook nog het thuisfront had geappt dat ze een vriendin was tegengekomen.

Moest ze straks weer die leugen gaan uitbreiden als M., altijd nieuwsgierig, vroeg: 'Wie dan?'

Ach! Je moest eens weten! Je hebt geen idee hoe groot de rol is die F. speelt in mijn leven! Pathetisch gewoon! Ze schudde haar hoofd bij het idee. Probeerde aan andere dingen te denken, ze schoof het tijdschrift dat voor haar op tafel lag een beetje rechter zodat ze het omslag kon lezen.

Een minuut later, nee minder nog, keek ze op en F. was weg.

Weg? Hoe kon dat? Ze vloekte in zichzelf. 

O nee, natuurlijk. Hij was naar de WC. Hij moest naar de WC zijn, want hij kon alleen weg door haar te passeren (wat ze dan zou doen was achter haar tas die op tafel stond wegduiken had ze bedacht).

Wat deed hij op de WC? vroeg ze zich bijna hardop af en moest lachen om de bespottelijkheid van die vraag.

Moest ze hem volgen?

Net toen ze opstond om gehoor te geven aan een innerlijke lokroep, die haar hele bestaan tot dusver geleid zou kunnen kantelen, voelde ze van achter een hand bovenop haar haar neerdalen. Er klonk een krak-achtig geluid, alsof iemand een ei brak boven haar hoofd.






40. Herinneringen aan een vuurwerkverslaafde



Pijlen zette je niet in een fles, maar hield je in je hand. De vingers schermde je af met een deel van de mouw van je jas. Dan richten op een vriendje. Psjieuw! Die dan op zijn beurt een pijl op jou afvuurde. Pfgoeh, pang! Meestal miste zo'n pijl, maar ik heb er wel eens een tegen mijn bovenbeen gekregen. En een tegen mijn voorhoofd. Dat was even schrikken.

'Wat doe je, idioot?'

'Sorry.'

Meestal bleef het bij een blauwe plek, een schaafwondje of een lichte brandwond.

Wacht even, ik heb aan al dat geknal wel een scheurtje in mijn trommelvlies overgehouden en bijbehorende levenslange gehoorbeschadiging – maar goed, je moet wat voor je lol overhebben.

Gelukkig droeg ik een bril. Er ging een verhaal over een jongen die twee fonteinen tegelijk had aangestoken, niet begreep waarom ze niet wilden opstarten en er met zijn gezicht boven ging hangen om te kijken wat er aan de hand was – en toen begonnen ze te spuiten natuurlijk. In ieder oog één.

Tja.

B. schepte er aardigheid in om bij villa's strijkers in de brievenbus te gooien – zo'n donkergroene, hardplastic bak met een klep erop. Die stonden in die tijd aan de straat om postbodes de lange tocht naar de voordeur te besparen. Dit 'bommetje posten' gaf een gedempte knal. Een sonoor geluid, buitengewoon bevredigend. Als het bommetje sterk genoeg was, vloog de deksel van de brievenbus.

Dit was voordat villabewoners op het idee kwamen om een paar dagen voor oudjaar hun brievenbussen van de paal waaraan ze bevestigd waren af te halen en in de garage te zetten.

De PTT had al wel in de gaten dat ook hun rode brievenbussen kwetsbaar waren, maar pas jaren later maakten ze het met speciaal geplaatste metalen strips onmogelijk om vuurwerk door de gleuven naar binnen te duwen en op die manier de zwarte tanden waar de post doorheen gleed eruit te knallen en eventuele post die erin zat in de as te leggen.

Putten gaven een diepere sensatie. Niet alleen klonk de knal als de slag op een grote trom, maar trilde bij voldoende kracht de stoep ook een beetje mee – althans, voor ons gevoel.

Explosies in de gracht mislukten niet zelden omdat het moment van detonatie zo nauw luisterde. Maar het was mooi om uit het niets een soort woedende vis omhoog te zien spatten.

Voor wie de wereld iets is om op te blazen zijn de mogelijkheden talrijk. Een vermolmde boomstronk. De knalpijp (sic) van een auto. Hondenpoep. 

Hogere vuurwerkkunst was het plaatsen van een bazoeka in de keel (of voor gevorderden: cloaca) van een kikker, die dan, angstig uit zijn ogen kijkend alsof hij wist wat er stond te gebeuren, uit elkaar spatte, als een levende fragmentatiebom.

Dit was voor de Partij voor de Dieren.

Van Brabants roulette was sprake als B. met zijn sigaret de lont van een kanonsslag aanstak, en die dan aan mij gaf. Ik gaf hem dan weer aan H. en H. gaf hem weer aan B., die hem weer aan mij gaf. Wie de kanonsslag op de grond liet vallen ging de geschiedenis in als lafaard, mietje, homo.

Dat deed je niet met hele zware kanonsslagen, anders lag je hand eraf. Nu had je hooguit een bloedblaar op je duim.

Dit was voor de Je bent een rund als je met vuurwerk stunt-campagnes.

Dat kwam allemaal later.

Ik kan me herinneren dat toen ik een jaar of zestien was, mijn knalvuurwerk niet op kreeg voordat ik naar de kroeg ging. Dus dat propte ik in mijn broekzakken. Iedereen rookte in die tijd. Dat ik zelf nooit ontploft ben mag een wonder heten.