33. De man zonder ambitie (VII)



Het leek een eeuwigheid geleden dat Valery Domasov aan de dood ontsnapte. Nu zat hij in de lobby van het Helvetia te schaken met Ilonka Mostovoi, de erfgename met een voorliefde voor mathematiek. Ze waren verwikkeld in een tweekamp en niet zonder inzet. (Schaken zonder inzet was zoiets als seks zonder orgasme.) Als Domasov erin slaagde om de schatrijke Ilonka, die al sinds jaar en dag zowel kamer 238 als kamer 240 bewoonde (de twee grootste kamers van het hotel), te schaken, op het bord te verslaan dus, dan zou zij tot in einde der tijden in zijn levensonderhoud voorzien 'en misschien dat er dan ook nog wel wat opbloeide, romantisch enzo, maar daar heb ik geen verstand van,' had ze luchtjes aan de weddenschap toegevoegd. De details werden vastgelegd door Ivan Tjersjev, hiervoor rijkelijk met briefpapier van het hotel toebedeeld, en met een schrijfmachine bovendien.

Ilonka Mostovoi was een zeer aantrekkelijke vrouw, maar daar ging het 'dus' niet om; het ging om haar solvabiliteit.

Het was zondagavond laat, het sneeuwde hevig. Het Helvetia werd, sinds de brute aanval op Domasov en enkele andere akkefietjes waarbij anarchisten betrokken waren, rond de klok bewaakt.

In de tweekamp Domasov-Mostovoi stond het 3,5-5,5. Wie het eerst bij de 6,5 was mocht zich winnaar noemen. Met andere woorden: als Ilonka deze partij won, was het afgelopen.

Wat had Domasov ook alweer geaccepteerd als hij zou verliezen? Dat hij rond het lunchuur, door de verse sneeuw, in zijn blote, aristocratische kont op en neer over de Nevski Prospekt zou rennen, met een hoge hoed op zijn hoofd waarop stond: KLUNS.

Onder politie-escorte, dat dan weer wel. (Mevrouw Mostovoi onderhield goede relaties met de geüniformeerden van Sint Petersburg).

'Schaak,' zei Domasov zachtjes. Van zijn aanvankelijke bravoure, die gelijke tred hield met zijn alcoholinname, was weinig meer over, en niet alleen omdat hij op thee was overgestapt. Er stond wat op het spel en Ilonka was een verduiveld goede schaakster, misschien wel een halve grootmeester. Domasov was geen slechte schaker, maar moest het toch vooral van die ongrijpbare grootheid 'geluk' hebben.

Mostovoi zette een pion voor Domasovs schaakgevende loper, waarmee niet alleen de bedreiging aan het adres van haar koning werd weggenomen, maar ook zijn loper klem liep. Tjersjev zag wel een oplossing, maar hij mocht niet voorzeggen.

'Hoe zat het ook alweer met Russell's paradox, Ilonka?' zei Tatyana, die was meegekomen en eigenlijk niet meer van Tjersjevs zijde was geweken na hun bezoek aan het Mariinsky ziekenhuis.

Ilonka Mostovoi keek geërgerd naar Tatyana en schudde langzaam haar hoofd. Hier trapte ze niet in. 'Die paradox berust op het misverstand tussen uitspraken van het type "kamer 333 is leeg" en "er is geen kamer 333".'

Toch scheen de afleidingsmanoeuvre zijn vruchten af te werpen, want niet lang daarna maakte zij een domme fout, die haar een toren kostte, waarna Domasov zelf, door zijn kalmte te bewaren, het eindspel in zijn voordeel had kunnen beslissen.

In zijn overmoed maakte hij echter een nog dommere fout.