26. Onderhoud met de haas




Ik duwde de roestige ijzeren schuif omhoog, deed de zware houten deur open, dezelfde deur die me al uren had aangestaard terwijl ik aan de keukentafel boterhammen zat te eten en ging de schuur in. Ik had mijn lange jas aangetrokken. Het was er koud en duister. De wind suisde en floot onophoudelijk, nu eens hard dan weer zacht, als een ademend monster, langs de ruiten, door de kieren in het dak, rammelend aan de poorten. Ik sloot de schuurdeur om te voorkomen dat de kou de keuken zou bereiken. Met mijn telefoon lichtte ik mezelf bij. Ik zag een rat bij het vuilnis vandaan waggelen en dekking zoeken tussen de planken. Boven mij hingen twee vleermuizen als ingeklapte paraplu's aan het plafond. Voetje voor voetje schuifelde ik in te ruime regenlaarzen, mijn sokken kropen naar mijn tenen, over de bobbelige betonnen vloer naar het midden. De vloer ging draaien, steeds sneller en sneller, als de draaischijf van een pottenbakker. De middelpuntvliedende krachten duwden me naar buitenkant, mijn telefoon was op die manier al uit mijn handen gevlogen en tussen de wijnkisten verdwenen, maar ik wilde juist naar het midden toe, in het midden zou het rustig zijn. Het draaien stopte. Ik nam me voor me niet te verroeren in het duister, dat leek me het beste. Maar nu begon de vloer schuin af te lopen, de randen krulden omhoog, de vloer veranderde in een trechter. Ik kon niet anders dan gaan zitten en mij naar het zwarte gat in het midden laten glijden. Er was niets om mij aan vast te houden. Het gat was zo groot als een waterput. Toen ik erin verdween, als door de strot van een vogel, stiet ik een angstschreeuw uit die echode door de schuur. Het gat ging over in een buis, precies steil genoeg om mij voort te laten bewegen. Na een paar flauwe bochten leidde de tunnel naar een kelder waar ik als een drol in een po op een rieten stoel werd gedeponeerd. Voor mij, aan een houten tafel met een bureaulamp, zat een haas met een leesbril op. 'Vernuftig systeem,' was het enige wat ik uit wist te brengen. De haas keek mij aan over zijn leesbril. Nu pas zag ik dat hij een oog miste. 'Wat is er met uw oog gebeurd?' vroeg ik, 'dat ziet er niet best uit.' Het was even stil. 'Heeft u uw eigen ogen dan al gezien?' zei de haas. 'Ik kan mijn eigen ogen niet zien, althans niet zonder spiegel,' zei ik. De haas glimlachte, leunde voorover en zei: 'Voelt u ze dan eens.' Toen ik mijn beide wijsvingers naar de plek bracht waar mijn ogen behoorden te zitten, voelde ik alleen holtes met wondvlees en opgedroogd bloed. De ogen waren weg. 'Geen zorgen, hier hebt u geen ogen nodig,' zei de haas. 'Ogen zijn nodeloos ingewikkelde ornamenten.' Ik streek met mijn handen over de gladde, harde huid van mijn schedel. 'Wat hebt u met mijn haar gedaan?' De haas deed een la open van het bureautje, haalde er een sigaar uit, stak deze op en zei, terwijl hij rook uitademde: 'Dat is nog niets, wacht maar tot u uw benen ziet.' In paniek schoof ik mijn lange jas opzij en stelde vast dat ik mijn benen kwijt was. Mijn romp stond of zat, ik wist niet of je hier nog van zitten kon spreken, plompverloren op de rieten stoel. 'Wat bent u verder nog van plan?' wilde ik vragen, maar kreeg daar de kans niet toe, want de buis die mij eerder naar het kamertje had gebracht fungeerde nu als een reusachtige stofzuiger, die mij met veel kabaal in omgekeerde beweging terug naar de schuur bracht. Ik raapte mijn telefoon van de grond en checkte of ik nog berichten had.