23. Waarom nietst het niets niet?


De eeuwige vraag naar het waarom van het iets – Leibnitz' beroemde vraag warum gibt es überhaupt etwas und nicht vielmehr nichts? – hoeft niet worden gesteld want er is niets, en waarschijnlijk is er zelfs nooit iets geweest, maar dan blijft 'dus' de vraag waarom het niets niet nietst.

Zie bijvoorbeeld de tekens die verschijnen op een scherm, hoor het troostende, of, afhankelijk van je gemoedstoestand, verontrustende geluid van vingertoppen tappend op hardplastic vierkantjes of, nog verontrustender, het steriele, bijna stille glas.

Is er daarvóór dan niets geweest? Niets dat je je kunt herinneren, niets dat 'relevant' is in elk geval.

Dat er nooit meer iets zal zijn staat wel vast. De toekomst is hoogstens een 'vruchtbare illusie', een wortel aan een hengel voor de neus van het konijn, een blinkertje aan een vishengel, een 'bestemming' aan het eind van de 'navigatie'. Als  i e t s  geen bestaansrecht heeft, dan de toekomst. (Was het maar een luchtkasteel.) Er is alleen het gekmakende nu dat zich als een kogel in slow motion door de ruimte beweegt, van hier naar daar inderdaad – of van daar naar hier, afhankelijk van je standpunt. 

Als er niets is, hoef je ook niets te doen zou je denken – maar kennelijk behoort dat niet tot de mogelijkheden. Wie leeft moet iets doen, er zit niets anders op. Wachten, op zijn minst.

Wie de aard van de bewegingen in ogenschouw neemt die aantoonbaar bijdragen tot zijn voortbestaan, het in stand houden van, nou ja, wat eigenlijk?, moet concluderen dat die slechts een fractie uitmaken van het totaal dat tot het leven gerekend wordt, maar misschien ben je te streng voor jezelf. (Waar komt dat dan weer vandaan?)

Je zou jezelf willen zien op een ander scherm, vanuit een controlekamer, je zou jezelf willen zien als een stipje in een ruimte, dat beweegt omdat het niet anders kan. Een stipje dat van a naar c gaat via b; dan weer via d en e terug naar a. (Altijd terug naar a, dat schijnt een constante te zijn.) Een gasmolecuul, daar zal het geheel dat leven wordt genoemd dan toch vooral op lijken. Een gasmolecuul dat onder meer of minder druk rond stuitert tussen de gegeven grenzen, niet ongelijk dat blokje dat je tussen twee verticaal beweegbare balkjes moest zien op en neer te krijgen, begin jaren tachtig in de hobbykamer van de familie Cobben op de Icaruslaan in de Oude Gracht.

Pong.

Het op en neer bewegen van dat blokje... Wacht even, voordat je je wentelt in cynisme over de betekenisloosheid van dit 'spel' (als het al een spel is, een spel is beslist niet niets, het veronderstelt regels en een soort van doel, een begin en een eind, een mate van plezier), het blokje kan wel degelijk langs het balkje schieten als je niet oplet, om te verdwijnen in het... juist, ja.

Het niets: daar waar het blokje heen gaat als het balkje niet op tijd is om het terug te kaatsen.

Waarom blijft het zo moeilijk om dat balkje niet op en neer te willen bewegen?