Honderd verhalen in honderd dagen: 6. Ludmilla

Frits Ahlefeldt

Ludmilla woonde op de 23ste verdieping van een woontoren net buiten de stad, met uitzicht over de stad, en met uitzicht over andere woontorens met uitzicht over de stad en met uitzicht over Ludmilla's woontoren. De woontorens waren niet allemaal even hoog, maar er waren vanuit haar woontoren toch op pakweg hemelsbreed enkele honderden meters vergelijkbare appartementen te onderscheiden als het hare, hoewel het onmogelijk was om met het blote oog contact te maken. Zeker, met een verrekijker zou je bij elkaar naar binnen moeten kunnen kijken, en veel bewoners hadden ook zo'n verrekijker of zelfs telescoop geïnstalleerd, maar niet Ludmilla.

Niet zo heel lang geleden woonde ze nog in een krottige oude woning, zo een waarin niets het echt goed deed, alles kierde en tochtte, en zij 's nachts wakker werd gehouden door het rusteloze gedraai en gesleep van de bovenbuurman en de muizen die ritselden achter het plafond.

In de woontoren, op de 23ste verdieping, was het stil. Doodstil. Zelfs als er een helikopter hoog langs kwam, van de politie of het ziekenhuis, of een ambulance of brandweerwagen helemaal beneden, die ze kon volgen door haar neus tegen de ruit te drukken, werd de rust nauwelijks verstoord.

Ludmilla had nooit kunnen wennen aan de stilte.

Ze had een gitaar gekocht, ze had een paar online tutorials gevolgd, ze had kort een vriendje gehad die haar wat lessen gaf, maar die hobby had niet doorgezet. Het instrument staarde haar nu in al zijn onschuld en schoonheid aan vanaf zijn standaard.

Hetzelfde was gebeurd met salsa. Eerst was ze helemaal into salsa, danste zichzelf wekenlang, maandenlang, in het zweet, met en zonder vriendje, dan weer staarde ze naar haar salsakleding met een meewarige blik: what was I thinking?

Ludmilla leidde geen solitair bestaan. Ze bemoeide zich graag met anderen, de bewonersvereniging, buren – voorzover je daarvan kon spreken, liftgenoten was misschien een betere term – en spande zich in om het leven voor haarzelf, maar ook en vooral voor anderen, beter te maken. Groener.

Toch voelde ze een diepe leegte, een holte in haar hart, die niet met muziek, niet met dans, niet met groene doelen kon worden gevuld.

Ludmilla belde haar moeder. Eerst voelde ze een lichte huivering om haar moeder te bellen, omdat dit een overgave leek, een nederlaag, maar toen ze merkte hoezeer ze opknapte van haar moeders simpele, ja, onstadse adviezen – 'Er komt wel iets', 'Je doet het heel goed' – begon ze iedere dag te bellen.

'Ik verbeeldde me dat de aarde een virusdeeltje was en de woontoren een uitsteeksel, dat we samen een partikel vormden en dat we samen op weg waren, de aarde en ik, om de rest van het zonnestelsel te infecteren, te vernietigen. Er waren geen antistoffen, of ze kwamen te laat. En weet je wat het rare was mam? Het voelde goed, het voelde veilig. Het voelde als thuiskomen.'