Moord in de Morvan (19)



Voor mijn bezoek aan/ inval bij Chateau Prébendier had ik mijn paars fluwelen pak aangetrokken, hetzelfde pak waarin ik twintig jaar geleden debuteerde als veelbelovende, nou ja, veelbelover. Dat had ik 'dus' niet meer aangehad. Het zat wat strakker om mijn middel, en hier en daar had een mot kans gezien om er een gaatje uit te eten (het was nieuw voor mij dat motten ook van fluweel houden, maar there you have it). Voor de zekerheid – op mijn leeftijd denkt een mens veel na over zekerheid – mijn vulpen + in de binnenzak gestoken.
Aanvankelijk had ik bedacht om mezelf als pakket te laten bezorgen toen ik van Ingrid de Waal hoorde dat de weduwe Van Lommeren van alles en nog wat bestelde en liet afleveren (tot aan hometrainers, Green Eggs en giga-flatscreens toe), maar ik besloot dit Trojaanse plan B voor Murat te bewaren. Als ik onmiddellijk weg werd gestuurd, of niet eens tot het eind van de oprijlaan zou komen omdat ik wegens huisvredebreuk met jachtgeweren van alle kanten zou worden beschoten, dan gingen we deze stunt proberen (toch weer, sorry).
Nu stapte ik niet zonder hartkloppingen op mijn motorfiets. Het was zwaarbewolkt maar windstil en droog. Ik wist de route inmiddels uit mijn hoofd. Toen ik aankwam bij de poort en begon aan de 'long and winding road' – heel langzaam, ziedaar een van de voordelen van het zijspan, men kan vrijwel stapvoets rijden zonder om te vallen –, voelde ik een tinteling in mijn buik. Geen buikgriep. Dit was het moment suprême, de climax van mijn onderzoek.
Ik had bewust mijn helm thuisgelaten, om mijn goede bedoelingen te onderstrepen. De ervaring leerde dat er van mijn rommelige haar en onmisbare litteken in mijn wang (van een uitgeschoten mes in mijn jeugd) een ontwapenende werking uitging (hoewel, soms dacht ik dat het precies andersom was en dat mijn verschijning mijn medemens tot razernij dreef, maar dat is een ander verhaal). 
De weg naar het kasteel leek oneindig. Ze moesten mij vanuit de serre, de kasteeltuin of vanaf het balkon al van verre hebben kunnen zien aankomen, maar er ging vooralsnog geen alarm af. Het enige dat ik hoorde was beschaafd hondengeblaf in de verte, en het geluid van een golfclub die ballen afsloeg, de ene na de andere. Het had iets weg van zweepslagen. Geraakt worden door een rondvliegende golfbal was niet uitgesloten, maar wel onwaarschijnlijk, toch? Misschien had ik mijn helm op moeten laten.
Ik parkeerde mijn motor naast een elektrisch autootje; op de bijrijdersstoel, zag ik, lag een basisboek Organische Chemie.
Op het veld zag ik een oud vrouwtje in de weer met een zeis.