Moord in de Morvan (14)



Het was tijd voor actie. Hoewel er volgens sommige literatoren in een verhaal niets mag gebeuren, omdat er in het leven immers ook niets gebeurt, moest er aan het gelummel op de hotelkamer, het zinloos gespeculeer en al deze vergezochte verbanden een eind komen. Wilde ik verder geraken met deze geschiedenis, dan was het zaak om vaart te maken met mijn plannen om de weduwe (cq. hoofdverdachte, althans volgens Van Lommeren fils), die zich zo knap had verschanst in Chateau Prébendier, te benaderen. Maar hoe? Eén mogelijkheid was Murat vooruit te sturen, onder het mom van fondsenwerving bijvoorbeeld, voor een goed doel – zeg: de bouw van een lokale moskee. Hij zou dan een oortje inhouden met een open telefoonverbinding met mij; dan kon ik zowel meeluisteren als aanwijzingen geven.
Ik zou het daarna nog eens proberen, onder een ander voorwendsel; ik noem maar wat, het verkopen van verzekeringen (hiervoor diende ik nog wel wat huiswerk te verrichten, verzekeringen waren niet mijn sterkste punt).
Het evidente probleem met deze stunts was dat mochten ze mislukken ik met lege handen zou achterblijven. Ik zag mezelf geen tunnels graven naar de kelder van het kasteel, of een helikopter huren of parachutespringen om de weduwe van bovenaf met een bezoek te vereren. Dat was allemaal veel te bewerkelijk en begrotelijk. Gekkenwerk. Ik was het aan mezelf, of nee, aan mijn schrijfkunst (en ook aan mijn luiheid, om eerlijk te zijn) verplicht om een ingang te zoeken bij deze vrouw die zo min mogelijk gedonder met zich meebracht.
Grappig genoeg kwam ik tot de conclusie dat die ingang eruit bestond 'gewoon' de waarheid te vertellen. Dat wil zeggen, ik zou bij haar aankloppen met het verzoek om met haar te praten omdat ik bezig was met een verhaal. Ik deed research. Dat was tegenwoordig onder romanciers mode geworden; wie geen research deed, viel onmiddellijk door de mand, die werd door zijn lezers genadeloos ontmaskerd als een charlatan, een tijd- en moeiteverkwistende fantast. Geloofwaardigheid stond zo hoog aangeschreven in de literatuur, dat de verbeelding er onder leed.
Maar eerst zouden Murat en ik, onafhankelijk van elkaar, een paar uur doorbrengen op het jaarlijkse dorpsfeest, om wat meer roddels te verzamelen over de Hollandse kasteelheer zaliger, zijn weduwe, en hun twee bloedjes van kinderen. Ik had er zowaar zin in.