Moord in de Morvan (10)



'Kijk naar uzelf, monsieur Krom. U leefde in de veronderstelling dat uw compagnon uw motor had gestolen. Ook niet zo'n waardevrije veronderstelling.' Gendarme Hérault gniffelde kort, veegde een rode haarstreng uit haar gezicht en richtte haar blik op wat ze had getypt en nog moest typen.
Ik keek naar Murat, die mij aanstaarde alsof ik zijn vader was, dit een tien minutengesprek met de leerkracht en dat hier zijn toekomst werd bepaald. Zijn ogen fonkelden nog steeds. Dat was zijn wapen, een goed wapen.
De grijsblauwe ogen van de gendarme fonkelden ook, maar hun fonkeling werd overschaduwd door haar pukkels.
Ik moest wat zeggen, maar ik wist niet wat, dus zei ik maar wat. 'Kent u Moby Dick, madame? In dat boek staat een uitvoerige verhandeling, nogal onverwacht inderdaad, over de kleur wit, die natuurlijk geen kleur is. Net zoals zwart. Maar Herman Melville, de schrijver, betoogt verrassend dat wit een beangstigendere non-kleur is dan zwart. Zwart laat ons niets zien. Wit laat ons zien dat er niets is. Een groot verschil. Zwart staat voor angst voor de dood; wit is de dood zelf.'
Hérault keek me over haar leesbril aan. Daarna keek ze naar Murat. Tenslotte weer naar mij. 'Ik weet niet waar u het over heeft. De belangrijkste vraag die ik graag beantwoord zou zien, en dan krijgt u uw motorfiets terug, alsmede uw maat,' – ze gebruikte het woord 'pote', wat me herinnnerde aan een anti-racisme slogan van een tijdje geleden, 'touche pas à mon pote', hetgeen zoveel wil zeggen als blijf van mijn maat af, maar door dat 'pote' moest ik onwillekeurig denken aan: blijf met je poten van mijn maat af, en zelfs blijf met je tengels van mijn poot af (de wegen der associatie zijn ondoorgrondelijk) – 'is: wat u hier in de Morvan komt doen.'
'Bon. Ik probeer tot op de bodem uit te zoeken hoe ingénieur Van Lommeren, u weet wel, de voormalige eigenaar van Chateau Prébendier, aan zijn einde is gekomen.'
'Ingénieur Van Lommeren' (ze legde het accent charmant op de laatste lettergreep), is een paar jaar geleden verdronken in een vennetje hier niet ver vandaan.'
Natuurlijk! Hoe kon ik zo dom zijn? Ik dacht steeds aan een lac, maar hij was verdronken in een étang, een wereld van verschil. Étangs, had ik al gezien, daar wemelde het van in de Morvan.
'Kunt u mij ook vertellen welk vennetje?'
'Zeker, maar het zal weinig zin hebben.'
Zelfs Murat keek verbaasd nu.
'Het is opgedroogd.'