Moord in de Morvan (25)



Maar, heren,
een gek spaarde de man die moordenaar wilde worden voor de bloedige daad die hij in de zin had. Toch kreeg hij volledige wraak, en zonder zelf de wreker te zijn. Want door een geheimzinnige lotsbeschikking scheen de hemel zelfs tussenbeide te komen om de verdoemende daad die hij had willen verrichten uit zijn handen in de eigen handen te nemen.
'Zouden we niet een plan de campagne uitstippelen,' vroeg Murat verveeld. Hij lag op bed te duimdraaien; ik lag op bed te lezen, en het leek alsof alles in orde was, maar dit was beslist geen gekke vraag. Ik was zo verguld met de uitnodiging van de kasteelvrouwe, ik had nog nooit een uitnodiging mogen ontvangen, dat ik me steeds slechter kon concentreren op de 'task at hand'. Ik legde Melville weg, stond op en keek uit het raam. Was het mogelijk dat Arnold van Lommeren mij bespiedde, vanaf het pleintje hier voor het hotel, om te checken wat ik deed, of ik mijn werk wel deed? Zolang we te lang op onze hotelkamer bleven somberen, er, met andere woorden, te weinig 'actie' was van mijn kant, zou hij de geldkraan die hij via mijn bevriende advocaat had opengezet, stellig dichtdraaien. Ik zag een nogal sjofele man zitten aan een tafeltje. Hij zat een bord onduidelijke pasta te eten met zijn rugzak nog om. Voor hem lag zijn telefoon, waarop hij, zelfs dat kon ik vanaf hier zien, een spelletje deed. Was dit de zoon van de overledene? De man die vereeuwigd was door niemand minder dan Lucian Freud? Ik had dat schilderij noch de zoon zelf mogen bewonderen, dus ik tastte in het duister. Misschien moest ik zo langzamerhand maar eens de emails gaan beantwoorden.
'Wat is er over van je Trojaanse plan?' vroeg Murat. 'Je zou me toch laten bezorgen bij het chateau in een niet open te maken doos, van waaruit ik vervolgens de hele familie Mahal voor zolang het duurde zou afluisteren?'
Ik trok hard aan mijn sigaret en blies de rook het raam uit, richting de vermeende Arnold van Lommeren. 'Te bewerkelijk. We zitten niet in een of andere James Bondfilm. Het moet leuk blijven, dat wil zeggen, literair. Begrijp je dat?'
Murat voelde met zijn vingertop aan zijn bloedlip. De zwelling begon al af te nemen. Dat kwam goed uit, want als gast bij een diner verschijnen met een bloedlip, zou een verkeerde indruk wekken.
'Luister, Watson,' – Murat had er steeds minder bezwaar tegen om als Watson te worden aangeduid – 'ons plan is dat we geen plan hebben. We gaan dineren op het chateau, nemen alles op wat we zien, en rapporteren een en ander subito aan onze opdrachtgever.'
Murat lachte geluidloos. Hij streek door zijn baard. 'Als er dan nog iets te rapporteren valt.'

Moord in de Morvan (24)



Op de terugweg naar het hotel werd ik weer bijna van de weg gehaald door een gendarme. Niet zozeer omdat ik slingerde of zo, maar omdat ik er zo zonder helm en met mijn paarse pak uitzag als iemand die van de weg gehaald wilde worden. Eenmaal in mijn hotelhokje, een hokje met uitzicht op het centrale plein van Autun, het was een genot om eindeloos naar passanten te kijken, ging ik achter mijn laptop zitten, negeerde drie emails met onderwerpen in kapitalen van Arnold van Lommeren, en tikte als een bezetene aan mijn roman. Waar kwam die inspiratie vandaan? Ergens voelde ik dat ik al mijn bevindingen in het dossier Van Lommeren zou moeten boekstaven, maar in plaats daarvan vloeide de ene na de andere scène uit mijn vingers die misschien wel goed genoeg was om verbatim te worden opgenomen in 'Omtrekkende bewegingen' – de titel van mijn boek, mocht hij ooit verschijnen.
Nadat ik als enige eter in het hotelrestaurant een bord slappe friet had verorberd met een taai stuk vlees en iets dat voor groente moest doorgaan, gelukkig had ik niet bezuinigd op de wijn, liet ik mij uitgeput op bed vallen. Ik vroeg me af of ik mijn kamergenoot moest bellen om hem te redden uit de armen van de Nederlandse vertaalster, Ingrid de Waal. Nog voordat ik iets had besloten, viel ik in slaap. De volgende ochtend zat ik nog voordat ik was aangekleed alweer te tikken. Het leek of iemand me aan de hand meenam tijdens het schrijven, ik kende dat gevoel van lang geleden, toen ik nog 'succes' had, of wat daarvoor door moest gaan (succes betekende vooral dat je je allerlei vernederingen moest laten welgevallen ten bate van de marketing; alleen wie geen boeken verkocht, zoals ik, kon zich prettig blijven concentreren op het schrijven zelf).
'Waar ben je, wat doe je, amuseer je je nog.' Dat waren de vragen voor Murat, toen ik hem eindelijk aan de telefoon had. In plaats van antwoord te geven, sommeerde hij me in alle talen hem beschikbaar hem onmiddellijk te komen ophalen. Ik sprong op mijn motorfiets. Murat stond te zwaaien langs de weg. Hij had striemen op zijn armen, een zuigzoen in zijn hals en een bloedlip. Zijn haren en zelfs zijn baard zaten door de war, en zijn kleren leken in de alle haast aangetrokken. Ik hielp hem in het zijspan.
'Wat heb je tegen cette femme gezegd?' brulde hij. 'Waarom heb je me bedrogen, Paul Krom? Ik dacht dat ik je kon vertrouwen, maar je hebt me uitgeleverd aan de duivel!'
Ik had geen flauw idee waar hij het over had, maar iets in me zei dat het zinloos was om hem tegen te spreken. Dus ik zweeg en startte de motor. In het hotel, toen hij weer wat was bijgekomen, bracht ik hem het goede nieuws.
'Vriend,' noemde ik hem (en ik meende het), 'we zijn uitgenodigd bij de weduwe op het kasteel voor een diner ter gelegenheid van de sterfdag van Sweder van Lommeren.'
Hij keek me aan alsof ik hem een versnipperd honderd euro-biljet had overhandigd.

Moord in de Morvan (23)



Na de bezichtiging, die bar weinig had opgeleverd, bracht Salman mij terug naar het terras. Suni was in een taal die ik niet verstond aan het videobellen met een vrouw in, ik meen, Kathmandu, die wel een mondkapje droeg, en ook een hoofddoek trouwens. Er werd weer veel gelachen; naar de aanleiding van de hilariteit kon alleen worden gegist. Ik dacht dat het om mij ging, als mensen lachen in mijn omgeving denk ik dat het om mij gaat, en misschien gaat het vanaf dat moment ook om mij; zeker weten doe je het nooit. Even overwoog ik Salman, die geen aanstalten maakte om mij alleen te laten, om voor mij te tolken. Toen verbrak Suni opeens de verbinding en schonk mijn pernod bij. 'Monsieur Krom, zit, zit, vertel mij over die roman van je die nergens naar toe gaat.'
Ik probeerde te glimlachen maar het was een vermoeide glimlach. Ik knoopte mijn jasje open en ging zitten. 'Heb je er bezwaar tegen dat ik rook? Ik kan niet over mijn werk praten zonder te roken.'
'Mijn broers roken alles wat maar te roken is dus je gaat je gang maar.' Suni lachte haar imperfecte tanden bloot en ik moest denken aan de vermeende biologische functie van dat gebaar: laten zien dat je niets kwaad in de zin hebt. Waarom lachten wolven niet? Waarom lieten die hun tanden zien om te dreigen? Suni gebaarde naar Salman om een asbak, waarop deze prompt terug het kasteel in beende.
Ik stak een Lucky Strike op. 'Wat wil je precies weten over de roman die nergens naar toe gaat?'
'Waar gaat hij heen?' Ze lachte opnieuw. Er werd veel gelachen hier ten kastele, misschien iets te veel, naar mijn smaak.
'Dat weet ik pas als hij af is,' zei ik.
'Zolang je schrijft heb je geen idee.'
Ik schudde mijn hoofd. Hoewel ik geen steek verder kwam met mijn research, en me misschien zelfs een beetje zorgen moest maken over mijn veiligheid, voelde ik me op mijn gemak. Dat kwam door de drank, de sigaret, de weduwe die anders bleek te zijn dan ik me had voorgesteld. Een vrouw van vlees en bloed die niet bang was om haar schaamlip aan een vreemde te flaunten.
Ik besloot haar eens een vraag te stellen. 'Waar moet een roman volgens jou naar toe gaan?'
Ze haalde een hand door haar. 'Naar de dood natuurlijk, waar anders?'


Moord in de Morvan (22)



'Salman, would you be so kind to show mr. Krom around the chateau?'
Suni zei het zonder op te kijken van haar telefoon. Ze had een rode moccasin uitgeschopt en haar voet opgetrokken en onder haar billen gevouwen, mij een blik gunnend niet alleen op de rug van haar voet, waar een tatoeage zat (op die plek had ik er niet eender een gezien, maar toegegeven, zoveel voeten zie ik niet), die nogal leek op die van de autopsiefoto van ir. Van Lommeren, maar ook, dankzij haar door deze houding strakgetrokken ondergoed, op een flard van een glinsterende schaamlip. Basic Instinct was er niets bij. Was deze weduwe een exhibitionist, of viel ik ten prooi aan mijn eigen voyeurisme? En trouwens, k o n  dit eigenlijk nog wel, verhaaltechnisch en anderszins?
Salman gaf geen antwoord. Lui kwam hij omhoog uit zijn stoel, en gebaarde mij met zijn golfclub hem te volgen. We passeerden het maanvormige zwembad, waarin twee glanzend bruine kindjes ruzie maakten. Een ervan leek mij een nogal groot hoofd te hebben, maar ik heb geen verstand van kinderen. Ik dacht: hoe kunnen de Van Lommerens een eindtijd-fatalisme hebben omarmd, als ze zichzelf hebben voortgeplant? Het was niet zo raar dat ik dit dacht, want mijn vrijheid om te doemdenken was precies de reden dat ik mezelf niet had voortgeplant (dat, en dat ik geen geschikte kandidaat had gevonden). Wie een kind op de wereld zette kon onmogelijk volhouden dat diezelfde wereld onverbiddelijk op zijn einde afstevende, ook al buitelden de argumenten voor zulk pessimisme heden ten dage over elkaar heen.
Met piepende tennisschoenen volgde ik Salman door de koele gangen van het kasteel. Ik hoorde iemand ergens cello spelen. 'Dat is Kadir, mijn broer. Hij oefent,' lachte Salman. 'My sincere apologies.' Hij zou zich in de kasteeltoren bevinden waarvan de spits was ingestort, en om die reden konden we hem niet bezoeken. Te gevaarlijk. Hoe kwam het eigenlijk dat die spits was ingestort? 'Een mislukt experiment,' zei Salman. Hm. Zo kon je alles wel verklaren.
Alleen in de zaal met de reusachtige schouw, de haard was zo groot dat je er met gemak rechtop in kon staan, hingen wat schilderijen. Landschapjes. Die waren van de hand van Suni. 'Vindt ze leuk om te doen. Een kasteelvrouwe verveelt zich ook wel eens.'
Toen ik nogal lang bleef kijken naar een gouden vaas die nogal eenzaam op een zuil bij het raam werd tentoongesteld, lachte Salman: 'Geen vaas. Een urn. Bevattende de resten van Sweder van Lommeren.' Met zijn golfclub deed hij net alsof hij het ding van zijn zijn sokkel zou slaan.

Moord in de Morvan (21)



'Welk schilderij?' Ik was nu al licht in het hoofd van de pernod, die pernod dronk makkelijk weg, even makkelijk als frisdrank eigenlijk. Vanuit mijn ooghoek zag ik dat Suni mijn telefonische intermezzo had aangegrepen om ook maar eens haar eigen telefoon te bepotelen.
Mijn telefoon voelde heet aan, alsof de stoom die uit de oren kwam van mijn gesprekspartner in Nederland (mocht ik aannemen) tot aan mijn oor in de Morvan reikte. 'Heb je het dossier eigenlijk wel doorgenomen, Krom?'
'Jawel, Arnold.' En ik wou dat je me eens met rust liet, wilde ik toevoegen, maar hield me in. Ik werd afgeleid door een man die vanachter een van de kasteeltorens tevoorschijn kwam met een golfclub in zijn hand. Dat moest een van de broers van Suni van Lommeren zijn. Hij keek licht geamuseerd uit zijn ogen, misschien omdat ik overdressed was voor de gelegenheid. Zelf droeg deze dertiger een korte broek en een lichtroze polo-shirt. Aan zijn linkerhand een hagelwitte golfhandschoen.
'Het gaat om een levensgroot portret van mij als tiener. Geschilderd door Lucian Freud,' klonk het aan de andere kant van de lijn, ietwat nasaal, alsof hij verkouden was.
Dat meen je niet? wilde ik zeggen, maar alweer lukte het me mijn woorden in te slikken. 'Wat wil je dat ik doe?' zei ik in plaats daarvan.
'Kijken waar ik hang... Of ik er nog hang. Misschien hebben ze het portret verpatst. Dat zou me niets verbazen, maar ik ben het op nog geen veiligsite tegengekomen. Het is van mij. Het is mij door mijn vader toegezegd. Net zoals de Pollock in de slaapkamer.'
Opnieuw slaagde ik erin mijn verbazing ('Een Pollock? In de slaapkamer?') voor me te houden. Er stond mij helemaal niets bij van een schilderijenverzameling, maar het zou me niet moeten verwonderen. De rijken stoppen hun geld al zolang ze rijk zijn in stenen en kunst, ook en juist de rijken die rijk zijn geworden van zulke abstracte grootheden als crypto-valuta. Het is ook een van de vele cynische waarheden in de moderne kunst-markt, voorzover ik kon beoordelen, dat zij die er het meeste geld voor over hebben, dikwijls de grootste cultuurbarbaren zijn. Maar misschien sprak ik voor mijn beurt.
De man met de golfclub was mij gepasseerd, thank god. Op meer dan anderhalve meter ook nog.
'Luister, Arnold, ik moet dit gesprek afronden... Bedankt voor je betrokkenheid. Ik zit er bovenop. Als ik iets heb, laat ik je weten. Aju.'
Toen ik, mijn telefoon op stil zettend, terugliep naar de kasteelvrouwe, zag ik dat de man met de golfclub op mijn stoel was gaan zitten.








Moord in de Morvan (20)



We zaten aan de pernod, Suni en ik, op het terras bij de, zo te zien weinig bespeelde, tennisbaan. Er was ook nog een terras bij het zwembad, maar daar waren de kinderen aan het spetteren (onder toezicht van een – Nepalese – nanny). De broers lieten zich niet zien. De moeder hield niet op met maaien; mijn komst was niet van dusdanige importantie dat ze haar zeis, al was het maar voor een begroeting, zou neerleggen. Suni zei dat ze geen woord Engels sprak. Suni daarentegen sprak uitmuntend Engels; Amerikaans Engels om precies te zijn, wat niet verwonderlijk mocht heten aangezien ze aan Yale medicijnen had gestudeerd.
'Ik wist niet dat moslims pernod dronken,' zei ik.
'Jij weet helemaal niets van moslims,' zei Suni.
Ik moest haar op dit punt gelijk geven. Ik wist ook niets over moslims. Ik had geen moslim-vrienden, Murat kon moeilijk een vriend worden genoemd. Ik wist ook niets over Nepal trouwens, bezijden een aantal clichés, zoals dat Nepal een ministerie van geluk heeft, of in elk geval erg hoog scoorde op het gebied van geluk (whatever that may be), hetgeen overigens niet helemaal strookte met dat andere cliché, dat vrouwen in Nepal (en India, for that matter), niet erg gelukkig leken, misschien omdat ze doorgaans, soms op zeer jonge leeftijd, werden uitgehuwelijkt.
'U bent toch niet uitgehuwelijkt?' zei ik. Misschien was het de pernod, dat ik me nu al, zo vroeg in de interrogatie, zulke milde brutaliteiten veroorloofde.
Ze lachte besmuikt maar zelfs in haar besmuiktheid school een zekere verleiding. 'Mijn moeder wilde een betere toekomst voor mij dan ze zelf had gehad, maar dat wil elke moeder, als zij van haar kinderen houdt.' Suni's bloemetjesjurk wapperde in de zomerwind. Mijn ogen vielen op haar handen die de fles Pernod omhelsden. Beschaafde, verfijnde handen; handen die nog nooit hadden gewerkt. Ik zocht naar een trouwring aan haar vingers, maar ze droeg alleen een grote steen aan een ring om haar wijsvinger, een detail dat niet anders viel te omschrijven als sexy.
'Waarom komt u niet ter zake,' vroeg Suni van Lommeren. 'U bent vast gestuurd door Arnold.'
Precies op dat moment ging mijn telefoon. Ik keek. Een onbekend nummer. Ik verontschuldigde me, stond op, liep een stukje over het terras tot ik buiten gehoorsafstand was, en zei: 'Zeg het eens.'
'Heb je haar al naar het schilderij gevraagd?'

Moord in de Morvan (19)



Voor mijn bezoek aan/ inval bij Chateau Prébendier had ik mijn paars fluwelen pak aangetrokken, hetzelfde pak waarin ik twintig jaar geleden debuteerde als veelbelovende, nou ja, veelbelover. Dat had ik 'dus' niet meer aangehad. Het zat wat strakker om mijn middel, en hier en daar had een mot kans gezien om er een gaatje uit te eten (het was nieuw voor mij dat motten ook van fluweel houden, maar there you have it). Voor de zekerheid – op mijn leeftijd denkt een mens veel na over zekerheid – mijn vulpen + in de binnenzak gestoken.
Aanvankelijk had ik bedacht om mezelf als pakket te laten bezorgen toen ik van Ingrid de Waal hoorde dat de weduwe Van Lommeren van alles en nog wat bestelde en liet afleveren (tot aan hometrainers, Green Eggs en giga-flatscreens toe), maar ik besloot dit Trojaanse plan B voor Murat te bewaren. Als ik onmiddellijk weg werd gestuurd, of niet eens tot het eind van de oprijlaan zou komen omdat ik wegens huisvredebreuk met jachtgeweren van alle kanten zou worden beschoten, dan gingen we deze stunt proberen (toch weer, sorry).
Nu stapte ik niet zonder hartkloppingen op mijn motorfiets. Het was zwaarbewolkt maar windstil en droog. Ik wist de route inmiddels uit mijn hoofd. Toen ik aankwam bij de poort en begon aan de 'long and winding road' – heel langzaam, ziedaar een van de voordelen van het zijspan, men kan vrijwel stapvoets rijden zonder om te vallen –, voelde ik een tinteling in mijn buik. Geen buikgriep. Dit was het moment suprême, de climax van mijn onderzoek.
Ik had bewust mijn helm thuisgelaten, om mijn goede bedoelingen te onderstrepen. De ervaring leerde dat er van mijn rommelige haar en onmisbare litteken in mijn wang (van een uitgeschoten mes in mijn jeugd) een ontwapenende werking uitging (hoewel, soms dacht ik dat het precies andersom was en dat mijn verschijning mijn medemens tot razernij dreef, maar dat is een ander verhaal). 
De weg naar het kasteel leek oneindig. Ze moesten mij vanuit de serre, de kasteeltuin of vanaf het balkon al van verre hebben kunnen zien aankomen, maar er ging vooralsnog geen alarm af. Het enige dat ik hoorde was beschaafd hondengeblaf in de verte, en het geluid van een golfclub die ballen afsloeg, de ene na de andere. Het had iets weg van zweepslagen. Geraakt worden door een rondvliegende golfbal was niet uitgesloten, maar wel onwaarschijnlijk, toch? Misschien had ik mijn helm op moeten laten.
Ik parkeerde mijn motor naast een elektrisch autootje; op de bijrijdersstoel, zag ik, lag een basisboek Organische Chemie.
Op het veld zag ik een oud vrouwtje in de weer met een zeis.

Moord in de Morvan (18)



Vijanden, had Van Lommeren die? Iedereen heeft vijanden, zou je denken, als je maar lang genoeg zoekt in je omgeving vind je vanzelf iemand die je liever naar beneden ziet gaan dan naar boven. Als er een gunfactor is – volgens sommigen is die factor beslissend in iemands maatschappelijke succes – dan ook het omgekeerde: een misgunfactor. Dit komt in de buurt van jaloezie, zoals alle vijandschap, en iemand die miljonair is geworden met bitcoins (door niets te doen dus), zal beslist jaloezie bij sommigen hebben opgeroepen; overigens had Van Lommeren daarvóór al een aardig inkomen als hoge werknemer bij een Frans automobielbedrijf, waar hij verantwoordelijk was voor de ontwikkeling van accu's. Vlak voor zijn pensioen was hij er weinig subtiel uit gewerkt door machinaties aan de top. En dan was er zijn ex-vrouw in Nederland, ook geen schatje, als ik de documentatie mocht geloven. Die had hem 'proberen kapot te maken' toen hij haar inruilde voor een Parisiënne die zijn dochter had kunnen zijn.
Ik overwoog dit alles op mijn hotelkamer, alleen met mijn fles en asbak. Toen ik Ingrid de Waal terug in Onlay afzette, bij haar Renault Espace, had zij Murat alsnog weten te kidnappen naar haar 'fantastische leefruïne' bovenop een berg in the middle of nowhere (hemelsbreed vijfhonderd meter verwijderd van de bewoonde wereld). Hij liet het allemaal toe, mijn Watson, als een kleine, geharpoeneerde potvis die aan wal wordt gebracht. We hebben nummers uitgewisseld, want ik wilde hem wel terug. Murat bleek zelf trouwens plotseling over een vooroorlogs telefoontje te beschikken, zij het zonder beltegoed; hij kon alleen gebeld worden. We spraken af dat hij 'in principe' morgenavond weer bij mij sliep, maar ik voorvoelde al dat Ingrid de Waal hiermee eigenlijk bedoelde: je krijgt hem terug als ik klaar met hem ben. Ook goed, dacht ik, zolang hij maar scherp blijft en mij straks uitvoerig kan rapporteren, met zijn fonkelende ogen dan wel donkere wenkbrauwen, wat hij nog meer te weten is gekomen over haar oude vlam, Van Lommeren.
Op YouTube, de hotel-wifi was brokkelig, bekeek ik filmpjes over verdrinking. Wat doet onderdompeling met een mens? Hij zinkt langzaam. Er is nauwelijks iets te zien of te horen. Eerst houdt hij zijn adem in. Eenmaal uitgeput en/of bewusteloos, ontspant hij en vullen de longen zich eventueel met water (zelden meer dan een glas), of de luchtpijp sluit zich reflexmatig af. In een paar minuten is het gebeurd.

Moord in de Morvan (17)



Ingrid de Waal nam ons mee naar Vézelay, 'de parel van de Morvan', waar ze een restaurant wist met een heerlijk terras waar we verrukkelijk konden lunchen. Dat bleek niets teveel gezegd. In haar geval bestond de lunch uit escargots in knoflookboter vooraf, hersentjes als hoofdgerecht en crême brulée toe. Murat en ik hielden het bij uiensoep met brood. Hoewel ik die ochtend had gezworen nooit meer te roken en te drinken, zat ik nu toch weer vrolijk aan de witte wijn, en mijn eerste Lucky Strike van de dag viel ook niet tegen.
Ingrid de Waals flux de bouche werd maar ten dele op weg geholpen door alcohol, zo bleek, ook zonder alcohol wist ze van geen ophouden. Maar wat ze vertelde was dan ook buitengewoon interessant. Zo vertelde ze dat ze vijf jaar geleden, toen ir. Van Lommeren (Sweder heette hij) was neergestreken in de Morvan en het zeventiende eeuwse kasteel Prébendier had gekocht van een stel Nederlanders (voor vier miljoen euro) die het helemaal hadden opgeknapt, ze een relatie had met hem. Maar Sweder bleek met nog veel meer mensen, vrouwen en mannen, Nederlands en Frans (cq. Brits), vertaalster of geen vertaalster, relaties te hebben gehad. Hoe hij het klaarspeelde kon Ingrid de Waal niet goed uitleggen. Sweder palmde je gewoon in. Niet zozeer met zijn looks, zou je denken; hij had meer weg van Albert Mol dan van Alain Delon. Met zijn geld dan? Zeker, zei ze, dat speelde een rol. Hij betaalde alles; niets was te dol. Denk: met een privévliegtuigje op en neer naar Nice om aan de Promenade des Anglais een champagne-lunch te gebruiken. Of: 'Op je verjaardag speelde opeens een strijkje, speciaal overgekomen uit Dijon, onder de immense kastanjeboom in de kasteeltuin.'
'Wat speelden ze?' vroeg ik.
'Der Tod und das Mädchen,' antwoordde Ingrid de Waal, opnieuw geëmotioneerd, leek het, door Sweders romantische gebaar destijds. 'Maar dat was het niet alleen.' Ze liet haar linkerhand zien, die drie ringen telde, aan evenzovele, worstige vingers. De ring aan de middelvinger toonde een doodskopje belegd in kristal. 'Hoe kon hij weten dat ik van doodskopjes houd? De kracht van Sweder was dat hij dwars door je heenkeek en meesterlijk anticipeerde op je wensen en dromen.'
Ik keek naar Murat, die, met zijn armen tussen zijn benen, wezenloos voor zich uit staarde. Ik had niet geïnformeerd naar zijn activiteiten van de afgelopen nacht; dat waren zijn zaken, maar moest ik hem op de hoogte stellen van wat hier werd besproken?
'Hoe kwam hij eigenlijk aan al die miljoenen? Iets met bitcoins, toch?'
Ingrid de Waal ademde niet, ze hijgde. 'Sweder van Lommeren was een vroege bitcoin-believer. Hij heeft in 2013 een fortuin verdiend toen de bitcoin in twee maanden van vijftig naar duizend dollar ging.'
 

Moord in de Morvan (16)



Hoestend en proestend werd ik wakker. Ik keek op mijn telefoon: elf uur in de ochtend. Affreus voelde ik me: barstende koppijn, schrijnende keelpijn (ik kon amper slikken), en, dat baarde me nog de meeste zorgen: pijn in de borst. Goed, ik ben pas vierenveertig, dus ik zit niet in de hoogste risicogroep maar dat roken van mij kan onmogelijk als een verstandige levensstijlkeuze worden genoemd, en trouwens, mijn buikje was ook geen reclame voor wat dan ook (behalve misschien voor de bourgondische cultuur, maar wie haakte daar nog naar? Het was fit-fit-fit wat de klok sloeg. Depressief werd je ervan, maar dat is een ander verhaal).
Ik duwde de dons van me af, kwam half overeind en wierp een voorzichtige blik op de bedbank om te zien hoe mijn kamer- en studiegenoot erbij lag. Er stond me vaag iets bij dat we op het dorpsfeest als laatste gasten waren overgebleven met Ingrid de Waal, de Nederlandse vertaalster, die zowel de mondkapjes-regel als de anderhalve meter-regel aan haar hoge, glimmende laars lapte, maar dat zij de bedbank zou gaan delen met Murat, verbaasde me toch nog enigszins. Totaal verstrengeld lagen ze daar, een grote onhandige hoop vlees.
Toen ze hem in de smiezen kreeg gisteravond had Ingrid de Waal mij onmiddellijk terzijde geschoven en zich met heel haar hebben en houwen, en dat was nogal wat, op Murat gestort. De communicatie met de Tunesisch-Franse Adonis leek haar geen enkel probleem op te leveren. Hij liet zich willig inpalmen door deze doortastende dame, die, zo bleek, enige reputatie had hoog te houden om haar Proust-vertalingen, maar daar ging het gesprek volgens mij al snel niet meer over. Toen ze Murat in haar Renault Espace probeerde te duwen, om hem mee te tronen naar haar eigen heiligdom, op een berg in de buurt van St. Léger sous Beuvray, had ik daar een stokje voorgestoken. Ik voelde me niet alleen verantwoordelijk voor het welzijn van mijn verloren zoon, maar ik had hem ook nodig. Aan de andere kant bleek Ingrid de Waal, ik durfde niet naar haar leeftijd te vragen maar ik vermoedde dat die aan de verkeerde kant van de zestig lag, wel erg veel af te weten over de zaak Van Lommeren, dus haar bruuskeren na zo'n bijzonder genoeglijke avond onder het Franse gepeupel, in haar habitat zogezegd, dat was onverstandig geweest. Daarom had ik De Waal in het zijspan gemanoeuvreerd en Murat bij me achterop gezet en daar gingen we. Ik had natuurlijk ook veel te veel gedronken, maar ik reed niet harder dan veertig en zonder kleerscheuren bereikten we Hotel Mitterrand. Gelukkig was er niemand aanwezig bij de receptie.
Nu stapte ik nog altijd hoestend en proestend onder de douche. Toen ik klaar was voelde ik me een stuk beter, maar bij de tortelduifjes op de bedbank was nog steeds geen teken van leven te bekennen.

Moord in de Morvan (15)



Het was, ondanks de verscherpte anti-corona-maatregelen, een drukte van belang op het dorpsfeest in Onlay, de festiviteiten waren in volle gang toen wij arriveerden. Uit de lange slierten in de berm geparkeerde Volvo's, Skoda's en Tesla's met Nederlandse nummerborden konden we gevoeglijk afleiden dat de aantrekkingskracht der folklore ook op de permanent tourists zijn uitwerking niet had gemist. De lokale delicatessen zagen er goed uit, de fanfare speelde alsof ze nog nooit van een pandemie hadden gehoord en ook het jeu de boules-spel werd zoals vanouds door de lokale tachtigplussers met de grootst mogelijke ernst gespeeld. Het bleef een eigenaardig toneelstuk, die viering van het dorpsleven, want iedereen wist dat het Franse dorpsleven op sterven na dood was.
Maar we waren gekomen om een moord te onderzoeken, die, bij gebrek aan dader en bewijs, nog steeds eigenlijk niets meer of minder was dan een bijzonder sterfgeval. Tegen welke Fransman of Française we de naam Van Lommeren, l'ingénieur Hollandais, of zelfs Chateau Prébendier maar lieten vallen, hij of zij gaf zelden meer terug dan een schouderophalend: 'O ja, van die verdrinking van een paar jaar geleden. Tragisch, n'est ce pas?' Of: 'Die Indiase weduwe, ja, met die twee bloedjes, ja, die zal het wel zwaar hebben, zo zonder man. O, is ze Nepalees? Maar wel musulmane, hè?' Pas als je wat ging doorvragen, dan uitten ze bedenkingen. 'In de Morvan verdrinken elk jaar mensen, maar dat zijn mensen die niet kunnen zwemmen,' zei de – vrouwelijke – burgemeester van Onlay, tevens juriste te Parijs. De man achter de gebraden kippetjes: 'De politie doet hier nooit iets, en als ze iets doen, doen ze het verkeerde.' Zijn vrouw: 'Die weduwe laat zich nooit zien. Alsof wij niet bestaan voor haar.' Het was een Nederlandse vrouw, Ingrid de Waal, een drukpratende  en -gesticulerende vertaalster die al twintig jaar in de Morvan woonde, die een stap verder durfde te gaan, en die, misschien onder invloed van de rijkelijk uit grote kartonnen vloeiende wijn, voor het eerst het woord 'golddigger' in de mond nam. 'Die Nepalese is in hoog tempo het familievermogen er doorheen aan het jagen. Eerst liet ze twee zwembaden aanleggen – een binnenbad en een buitenbad – en daarna die tennisbaan en driving range. Ja, wat wil je, ze heeft natuurlijk ook haar familie bezig te houden.' Haar familie? De Waal was nu zo op dreef dat ze de wijn uit de plastic bekertjes half over haar wang gooide als ze een slok nam. Haar armbanden rinkelden terwijl ze met de rug van een hand haar wang afveegde. 'Ze heeft vrijwel meteen nadat de oude onder de zoden lag haar twee broers en haar moeder laten overkomen. Het is petit Kathmandu daar.' 

Moord in de Morvan (14)



Het was tijd voor actie. Hoewel er volgens sommige literatoren in een verhaal niets mag gebeuren, omdat er in het leven immers ook niets gebeurt, moest er aan het gelummel op de hotelkamer, het zinloos gespeculeer en al deze vergezochte verbanden een eind komen. Wilde ik verder geraken met deze geschiedenis, dan was het zaak om vaart te maken met mijn plannen om de weduwe (cq. hoofdverdachte, althans volgens Van Lommeren fils), die zich zo knap had verschanst in Chateau Prébendier, te benaderen. Maar hoe? Eén mogelijkheid was Murat vooruit te sturen, onder het mom van fondsenwerving bijvoorbeeld, voor een goed doel – zeg: de bouw van een lokale moskee. Hij zou dan een oortje inhouden met een open telefoonverbinding met mij; dan kon ik zowel meeluisteren als aanwijzingen geven.
Ik zou het daarna nog eens proberen, onder een ander voorwendsel; ik noem maar wat, het verkopen van verzekeringen (hiervoor diende ik nog wel wat huiswerk te verrichten, verzekeringen waren niet mijn sterkste punt).
Het evidente probleem met deze stunts was dat mochten ze mislukken ik met lege handen zou achterblijven. Ik zag mezelf geen tunnels graven naar de kelder van het kasteel, of een helikopter huren of parachutespringen om de weduwe van bovenaf met een bezoek te vereren. Dat was allemaal veel te bewerkelijk en begrotelijk. Gekkenwerk. Ik was het aan mezelf, of nee, aan mijn schrijfkunst (en ook aan mijn luiheid, om eerlijk te zijn) verplicht om een ingang te zoeken bij deze vrouw die zo min mogelijk gedonder met zich meebracht.
Grappig genoeg kwam ik tot de conclusie dat die ingang eruit bestond 'gewoon' de waarheid te vertellen. Dat wil zeggen, ik zou bij haar aankloppen met het verzoek om met haar te praten omdat ik bezig was met een verhaal. Ik deed research. Dat was tegenwoordig onder romanciers mode geworden; wie geen research deed, viel onmiddellijk door de mand, die werd door zijn lezers genadeloos ontmaskerd als een charlatan, een tijd- en moeiteverkwistende fantast. Geloofwaardigheid stond zo hoog aangeschreven in de literatuur, dat de verbeelding er onder leed.
Maar eerst zouden Murat en ik, onafhankelijk van elkaar, een paar uur doorbrengen op het jaarlijkse dorpsfeest, om wat meer roddels te verzamelen over de Hollandse kasteelheer zaliger, zijn weduwe, en hun twee bloedjes van kinderen. Ik had er zowaar zin in.

 

Moord in de Morvan (13)



Er doen zich bepaalde zonderlinge tijden en gelegenheden voor in deze vreemde warwinkel die wij leven noemen, als een mens dit ganse heelal als een geweldige grap ziet, al verstaat hij de geestigheid ervan maar vaag, en al heeft hij er meer dan alleen maar een vermoeden van dat de grap ten koste van niemand dan hemzelf gaat.
Niets kan hem echter ontmoedigen en niets lijkt hem de moeite van een ruzie waard. Hij slikt alle feiten, geloven, bijgeloven en overtuigingen, alle moeilijkheden, zichtbaar en onzichtbaar, ongeacht hoe knoestig, en schrokt als een struisvogel met een machtige spijsvertering geweerkogels en vuurstenen op.
En wat betreft kleine moeilijkheden en zorgen, kansen op plotselinge rampen, gevaar voor lijf en leden; dit alles, ja de dood zelf, schijnen hem slechts schalkse en goedaardige tikken en jolige porren in de ribben die hem door de onzichtbare en onverklaarbare oude grappenmaker worden toegediend.
Die vreemde soort grillige stemming waarover ik het heb, komt slechts over een mens in een tijd van uiterste tegenspoed; het komt temidden van zijn diepste ernst, zodat wat even tevoren nog iets hoogst gewichtigs voor hem kan hebben geschenen, nu slechts een deel schijnt van de algemene grap.

Moby Dick, hoofdstuk 29, De hyena. Vert. Emy Giphart. 

Moord in de Morvan (12)



De hele avond, en een deel van de nacht, staarde ik naar de zwartwitfoto's van Van Lommeren. Een groot, naakt, bleek mannenlichaam gelegen op een non descripte bank. Als je niet had geweten dat hij dood was, had je misschien kunnen denken dat hij op een naaktstrand lag te soezen, of, waarschijnlijker, in zijn privé-sauna te stomen. Ik zoomde in op zijn kwetsbare delen: de hals, de mond, de slapen, de schedel en de hartstreek. En vooruit, omdat dit tot de mogelijkheden behoorde, de schaamstreek, en de 'kunstenaarsingang'. Niets bijzonders, althans voor iemand die niet gewend was om autopsiefoto's te bestuderen.
Hooguit de tatoeage op de linkerhand mocht apart worden genoemd. Dat deze zesenzestigjarige kasteelheer en succesvolle oud-zakenman geboren te Hongerige Wolf (sic), Groningen, een tatoeage had, kon apart worden genoemd, maar de tatoeage zelf mocht er, mystery-gewijs, ook wezen: een Arabische tekst, die volgens Murat – ziehier zijn meerwaarde –, neerkwam op zoiets als 'après nous le déluge'. Ik had niet vermoed dat er een equivalent van dat nihilistische gezegde bestond in het Arabisch. Waarom eigenlijk niet? Maar waarom zoiets op je hand inkten? 'Tatoeages zijn niet halal,' wist Murat, 'op de hand is heiligschennis'.
Om mijn verbeelding nog wat meer te prikkelen liet ik de foto's op mijn laptop in een soort van logische volgorde voorbij scrollen en maakte er een filmpje van. Nu leek het alsof het levenloze lijf in de ruimte zweefde, alsof Van Lommeren een levitatie-act deed, en zelfs in zijn levitatie-act nog een paar keer om zijn as draaide.
'Er moet muziek bij,' mompelde ik. 'Muziek brengt me in de juiste sferen.'
'Welke sferen?' zei Murat. Sinds kort was ik niet meer verliefd op zijn fonkelende ogen, maar op zijn markante wenkbrauwen. Wie Murats wenkbrauwen kon lezen, had geen taal meer nodig.
'Hogere sferen,' zei ik en zette Instant, een cd van The Ex op, die ik min of meer gedachteloos in mijn tas had gegooid voordat ik vertrok uit Nederland. Het nummertje Karremans Last Measure klinkt alsof er iemand wordt vermoord.

Moord in de Morvan (11)



Murat en ik besloten ons terug te trekken op onze hotelkamer. We hadden even helemaal genoeg van de buitenlucht. Ik klapte mijn laptop open, stak de ene Lucky Strike met de andere aan, en tikte koortsachtig verder aan mijn Roman Die Nergens Naar Toe Ging. Murat lag vooral op de bedbank naar het plafond te staren en met mijn als vulpen vermomde stiletto zijn nagels schoon te maken.
Ook de waardin van Hotel Mitterrand had geïnformeerd, vanochtend weer in de ontbijtzaal, wat 'dat heerschap' bij mij deed, en of hij misschien illegaal op mijn kamer logeerde, waarop ik ijzig antwoordde dat ik toch zeker niet hoefde te verantwoorden, anno 2020, met wie ik mijn double room deelde? Ik betaalde voor het recht om aan twee personen onderdak te bieden, en wie die Ander was, naast mijzelf, ging niemand wat aan. Privacy –  geen Frans woord. Intimité is echt wat anders. Hooguit wanneer Murat minderjarig was geweest, of hij als vermist was opgegeven of voor iets anders werd gezocht, kon zij mij iets verwijten, maar dat was allemaal niet het geval. Dat wil zeggen, daar ging ik vanuit. Veel bleef speculatie. Zelfs zijn leeftijd wist ik niet zeker. Gisteravond, terwijl we de tweede fles pinot noir à €3,20 van de LeClerc soldaat maakten, beweerde hij ineens dat ook hij ingénieur was, lees: daartoe was opgeleid aan l'Université de Tunis, te Tunis, maar toen ik probeerde te achterhalen wat hij dan precies gestudeerd had, welke richting enzovoorts, bleef het stil. Eerst dacht ik werktuigbouwkunde, daarna elektrotechniek, maar het enige woord waar we het over eens bleken te zijn was 'mécanique'. Misschien was hij toch gewoon automonteur, of was dat weer een geval van culturele downgrading? En wat deed het ertoe? Zelf had ik zelfs mijn middelbare school niet afgemaakt – ik had voor mijn eindexamen visitekaartjes laten drukken met Paul Krom, schrijver, omdat ik dacht dat ik geen tijd te verliezen had; dit bleek mee te vallen.
'Wat zullen we doen?' vroeg ik aan Murat, maar ook aan mezelf. Nu opgeven en terug naar huis gaan zou mijn vriend de advocaat, die me de opdracht had gegeven (en een niet onaanzienlijke werkbeurs), beslist als een nederlaag beschouwen. Ik ook trouwens. Er moest meer uit te halen zijn.
Murat staarde me zwijgend aan met zijn fonkelende ogen. Zijn nagels waren schoon, hij had de stiletto op mijn verzoek afgewassen in het badkamertje, en de dop op de vulpen gedaan.
Ik klapte mijn vooroorlogse laptop dicht. Op hetzelfde moment, alsof de duivel ermee speelde, werd ik gebeld door een anoniem nummer. 'Zeg het eens,' zei ik.
'Met Arnold van Lommeren,' sprak een bekakte stem. 'Spreek ik met de ooit gevierde, en immer nieuwsgierige schrijver Paul Krom?'
Ik kuchte in mijn elleboog. 'Daar spreekt u mede.' Murat ging verzitten, rekte zijn armen uit naar het plafond.
'Hebt u al gelegenheid gehad om de autopsiefoto's van mijn vader te bestuderen?'


Moord in de Morvan (10)



'Kijk naar uzelf, monsieur Krom. U leefde in de veronderstelling dat uw compagnon uw motor had gestolen. Ook niet zo'n waardevrije veronderstelling.' Gendarme Hérault gniffelde kort, veegde een rode haarstreng uit haar gezicht en richtte haar blik op wat ze had getypt en nog moest typen.
Ik keek naar Murat, die mij aanstaarde alsof ik zijn vader was, dit een tien minutengesprek met de leerkracht en dat hier zijn toekomst werd bepaald. Zijn ogen fonkelden nog steeds. Dat was zijn wapen, een goed wapen.
De grijsblauwe ogen van de gendarme fonkelden ook, maar hun fonkeling werd overschaduwd door haar pukkels.
Ik moest wat zeggen, maar ik wist niet wat, dus zei ik maar wat. 'Kent u Moby Dick, madame? In dat boek staat een uitvoerige verhandeling, nogal onverwacht inderdaad, over de kleur wit, die natuurlijk geen kleur is. Net zoals zwart. Maar Herman Melville, de schrijver, betoogt verrassend dat wit een beangstigendere non-kleur is dan zwart. Zwart laat ons niets zien. Wit laat ons zien dat er niets is. Een groot verschil. Zwart staat voor angst voor de dood; wit is de dood zelf.'
Hérault keek me over haar leesbril aan. Daarna keek ze naar Murat. Tenslotte weer naar mij. 'Ik weet niet waar u het over heeft. De belangrijkste vraag die ik graag beantwoord zou zien, en dan krijgt u uw motorfiets terug, alsmede uw maat,' – ze gebruikte het woord 'pote', wat me herinnnerde aan een anti-racisme slogan van een tijdje geleden, 'touche pas à mon pote', hetgeen zoveel wil zeggen als blijf van mijn maat af, maar door dat 'pote' moest ik onwillekeurig denken aan: blijf met je poten van mijn maat af, en zelfs blijf met je tengels van mijn poot af (de wegen der associatie zijn ondoorgrondelijk) – 'is: wat u hier in de Morvan komt doen.'
'Bon. Ik probeer tot op de bodem uit te zoeken hoe ingénieur Van Lommeren, u weet wel, de voormalige eigenaar van Chateau Prébendier, aan zijn einde is gekomen.'
'Ingénieur Van Lommeren' (ze legde het accent charmant op de laatste lettergreep), is een paar jaar geleden verdronken in een vennetje hier niet ver vandaan.'
Natuurlijk! Hoe kon ik zo dom zijn? Ik dacht steeds aan een lac, maar hij was verdronken in een étang, een wereld van verschil. Étangs, had ik al gezien, daar wemelde het van in de Morvan.
'Kunt u mij ook vertellen welk vennetje?'
'Zeker, maar het zal weinig zin hebben.'
Zelfs Murat keek verbaasd nu.
'Het is opgedroogd.'






Moord in de Morvan (9)



Daniëlle Hérault, de roodharige gendarme die Murat had opgepakt, had een pukkel zowel in de vouw van haar kin als in de vouw van haar neusvleugel, en hoewel uit geen van beide haren sprongen, en deze vrouw aardig was en ook niet onaantrekkelijk, vond ik het moeilijk om me op iets anders te concentreren. Ze zat achter een compacte schrijfmachine, een Japy zag ik, en ik wilde haar complimenteren met die keuze (Hermans zou ook tevreden zijn geweest); misschien moest ik vermelden dat hij me deed denken aan mijn eigen Zwitserse Hermes Baby, die ongeveer in dezelfde tijd moest zijn gemaakt (begin jaren zestig), maar ze was me voor.
'Wat doet u in de Morvan,' vroeg ze, bits maar aardig. Aardig-bits. Zakelijk zou ik hebben gezegd, denk ik, als Hérault een man was geweest.
'Waarom heeft u Murat opgepakt?' vroeg ik. 'Hij deed toch niemand kwaad?'
'Ik stel hier de vragen.' Ik amuseerde me, niet omdat Murat was opgepakt, ik was er vrijwel zeker van dat hij na mijn verklaringen weer zo vrij zou zijn als een vogel, maar omdat ik er aardigheid in schep de autoriteiten te prikkelen zoals ik het maar zal noemen. Elke schrijver is erop uit de lezer te prikkelen, maar mij was het vooral te doen om het prikkelen van de autoriteiten. Dit had me overigens wel mijn carrière gekost, en dat ik hopeloos vastzat met mijn nieuwe roman zou er ook wel iets mee te maken hebben.
'Ik wil graag dat Murat wordt vrijgelaten, want er zijn geen enkele verdenkingen tegen hem, of het moet zijn dat hij niet wit is.'
'Eerst een antwoord op mijn vraag,' zei Hérault, alweer iets bitser en minder aardig, 'anders krijgt u uw BMW niet terug. Bent u met vakantie? Zo ja, waar logeert u.'
De pukkel in de vouw op haar kin, en die in de vouw van haar neusvleugel eisten mijn aandacht opnieuw op.
'Het gaat u niets aan wat ik in de Morvan doe en waar ik logeer.' Merde, ik was nu bezig mijn eigen ruiten in te gooien, want ik wilde van de gendarmerie juist meer te weten komen over Chateau Prébendier, en die informaties ging ik op deze manier niet krijgen. Ik moest open kaart spelen, maar ik wilde tegelijk de autoriteiten prikkelen. Die twee gingen niet samen.

 

Moord in de Morvan (8)



Ik doe dit niet graag, maar ik moest de terugtocht aanvaarden. Voor de tweede keer was ik drijfnat geworden, en mijn telefoon was dood. Het verbaasde me niet dat de privédetective die de zoon van ir. Van Lommeren had ingehuurd, een drone had gebruikt om het chateau te surveilleren, maar die was 'dus' vakkundig met een jachtgeweer uit de lucht geschoten. Ik kon mij de Nepalese schone met een jachtgeweer in de hand slecht voorstellen, maar ik had haar nog nooit gezien en hoe slechter je je iets kunt voorstellen, hoe dichter in de buurt van de waarheid.
Met een vijgenblad boven mijn hoofd (veel hielp dit niet), ploegde ik terug naar de bewoonde wereld. Ik moest hierbij volledig op mijn interne navigatie vertrouwen, want het 'pad' dat ik op de heenweg had gebaand was onvindbaar, en de loodgrijze lucht gaf geen geheimen prijs. Na voor mijn gevoel geen steek te zijn opgeschoten (ergo: in cirkels te hebben gelopen) overwoog ik om Murat te roepen, maar bedacht net op tijd dat dit als ik ondetecteerbaar wenste te blijven nogal onverstandig was. We hadden een fluitje, een signaal, een yell moeten afspreken voor noodgevallen. Could have/should have. Nog een: ik had Latour moeten uithoren over de kastelen van de Morvan, maar misschien waren dat er teveel om op te noemen, of, en dit was waarschijnlijker, had de streekhistoricus een hekel aan kastelen en de faux mystiek die die met zich meebrachten. Ik was benieuwd of Wikipedia iets over Chateau Prébendier wist te melden en zo niet, of ik bij het kadaster terecht kon.
Voor nu was het trouwens vooral zaak om het asfalt terug te vinden.
Eindelijk bereikte ik de landweg, maar niet op de plek waar we hadden geparkeerd. Ik moest nog twintig minuten lopen (vijf minuten de verkeerde kant op en vijftien minuten de goede). Daar aangekomen, vond ik geen spoor van de BMW, laat staan Murat, de spontane Watson bij mijn provisorische Holmes.
Mijn eerste gedachte: Murat heeft de BMW gestolen en probeert hem straks te verpatsen op het Franse equivalent van marktplaats. Wat dacht ik dan? Er zat niets anders op dan een bezoek te brengen aan de lokale Gendarmerie, iets wat ik toch al van plan was.

Moord in de Morvan (7)



De verleiding was te groot om niet 'even' langs het kasteel te gaan waar de Van Lommeren-erfenis naar verluidt zo prinsheerlijk werd opgesoupeerd. Het probleem was alleen dat het nogal in de bosjes lag, om zo te zeggen. Nu houden de rijken ervan, wist ik, om hun rijkdom zoveel mogelijk af te schermen, op te bergen, te begraven eigenlijk, uit angst dat iemand anders de rijkdom van ze zou afpakken, maar dit sloeg alles. Chateau Prébendier lag aan het eind van een vijfhonderd meter lange, slingerende, doodlopende bosweg; spotters werden onherroepelijk zelf gespot. Hoewel er geen camera's bij het hek van de ingang hingen, moest worden aangenomen (zo had de privédetective eerder uitgevogeld en gerapporteerd) dat alles in en rondom Prébendier werd vastgelegd – niet alleen beelden, maar ook geluiden en warmtebronnen. Maar ik gokte dat niet het hele bos werd bewaakt en we leefden nog altijd in een vrij Europa, mompelde ik in mijn moerstaal tegen Murat.
Ik besloot de motor een kilometer verderop op een verlaten weggetje te parkeren – Murat mocht op het zijspan passen, die boodschap begreep hij nog wel –, en baande mij een weg door het dichtbegroeide bos. De takken braken bevredigend onder mijn afgetrapte tennisschoenen. Hier en daar kreeg ik een groene veeg van een boom. Ik ben de enige met ontwijkstress hier, mompelde ik bij mezelf. Gelukkig had ik mijn motorrij-handschoenen bij me, daarmee kon ik prikkelstruiken opzij duwen. Na zo twintig minuten te hebben gelopen in de richting die GoogleMaps aangaf (hoewel de betrouwbaarheid hiervan betwistbaar was, wist ik) kreeg ik aandrang. De slappe koffie van monsieur Latour moest eruit. Op het eind van zijn college over de Morvan had hij zich alsmaar op de borst getrommeld dat hij 'le dernier Français' was van het gehucht (de rest bestond uit Britten en Hollanders). Zuchtend sproeide ik mijn plas over de varens. Alsof het zo was afgesproken, begon het te regenen. Ik herinnerde me een waarschuwing van mijn opdrachtgever, dat regen nooit ver weg was in de Morvan. 'Zoiets als Holland dus,' zei ik. 'Ja,' zei hij, 'behalve dat de regen iets enthousiaster naar beneden stort.'
Inderdaad, het getik op de bladeren werd oorverdovend. Ik ben under cover of noise, dacht ik bij mezelf en stapte nog iets driftiger voort. Eindelijk leek in de verte iets op te doemen dat niet op bomen, struiken of planten leek, maar door mensen was gemaakt. Ik haalde mijn verrekijkertje uit de binnenzak van mijn jasje. Twee torenspitsen ontwaarde ik, met leistenen belegd; één leek te zijn ingestort. Frappant. Van een ingestorte torenspits had ik niets gelezen in het dossier dat ik had meegekregen, dus in die zin kon mijn expeditie nu al als een succes worden beschouwd. 

Moord in de Morvan (6)



Latour, die in een bergachtig gehucht woonde, was een nerveuze, pezige man in korte broek. Als hij lachte, en dat deed hij graag al drukte zijn lach weinig blijdschap uit, zag je zijn schots en scheef zittende tanden. Voortdurend liep hij heen en weer door zijn volgepropte huis, boeken oppakkend, omhooghoudend, terugleggend. Hij sprak beter Engels dan ik Frans, dus werd dat de voertaal. Hij had er geen bezwaar tegen dat ik rookte, hij zei dat hij jarenlang had gerookt en nog steeds de aandrang voelde, vooral als hij wat wijn op had, maar nu zaten we aan de koffie. De aanwezigheid van Murat – mits, net als ik, op 1,5 meter afstand – deerde hem niet. Het leek soms alsof hij zich meer tot hem richtte dan tot mij. Ik deed alsof ik aantekeningen maakte. Niets wat hij zei was relevant voor mijn onderzoek naar de dood van ir. Van Lommeren, zelfs niet als background, maar hoe onverschilliger ik uit mijn ogen keek bij zijn uitweidingen over de archeologische opgravingen op de Mont Beuvray, de hoogste berg van het natuurgebied, hoe vuriger zijn betoog werd.
'What about the lakes,' hoorde ik mezelf zeggen, mijn sigarettenpeuk uitdrukkend in een schoteltje. 'Can you tell us something about the lakes in the Morvan?'
Er viel een stilte. Murat keek me aan alsof niet ik, maar hij iets onbehoorlijks had gezegd. Monsieur Latour was, toen ik de vraag stelde, op weg van de boekenkast naar de keuken, en hoewel hij tot dan toe telkens omgedraaid was, liep hij nu door en verdween. Toch niet om voor versnaperingen te zorgen? Er stond al een dienblad met biscuitjes.
Murat, die tegenover me zat op een vuilwit leren bankstel, had nog niets gezegd, maar voelde nu de aandrang om te praten. Enkele woorden die ik opving: sangliers, canards en lapins. Hij deed alsof hij met een geweer door het raam naar buiten schoot en keek me vragend aan. Ik schudde mijn hoofd. Hij liet zich weer in de bank vallen.
De klok tikte voort, in de verte loeide een koe. Ik vroeg me af of ik in dit huis, op deze plek, zou kunnen leven.
'Waarom bent u geïnteresseerd in de meren?' klonk het geamuseerd uit de verte. Latour kwam terug met een landkaart. 'De meren van de Morvan zijn het minst interessant. Eigenlijk zijn er geen meren. Al de meren van de Morvan zijn gecreëerd in de afgelopen twee eeuwen voor industriële doeleinden.'

Moord in de Morvan (5)



Ik weet niet of het door Moby Dick kwam, waarin ik me zoals gebruikelijk weer vanaf de eerste pagina in verloor, maar ik had een akelige droom. Een nachtmerrie, waaruit ik met een schok ontwaakte. Murat was ook meteen klaarwakker, en vroeg verschrikt: 'Qu'est ce qui se passe?'
Ik droomde niet dat ik door een walvis werd verzwolgen, maar dat ik in een rustig meertje zwom, zo'n  sereen, idyllisch meertje als waarin ir. Van Lommeren zou zijn verdronken, en dat er, toen ik een stukje onder water zwom in het gitzwarte, ijskoude water, zich een potvis bij mij naar binnen drong. Door de mond. Hij duwde met zijn neus mijn mond open, de lippen van elkaar, tot maximale ontsluiting, en wurmde zich naar binnen. Een omgekeerde bevalling daar leek het nog het meest op. Je denkt: dit kan niet, dit hier is veel te groot om door dat gat te passen, maar dan begint het persen en dan blijkt het toch te kunnen. De potvis ging ook mijn strot door, ik stikte bijna, ja, wat wil je, maar ik overleefde de verzwelging, om zo maar te noemen – uiteraard overleefde ik het, want in een droom schijn je nooit dood te gaan, je slaat alleen doodsangsten uit, een schrale troost. Anyway, toen ik de vis had verzwolgen en hij in mijn buik zat, begon hij zich een weg door mijn ingewanden te eten. Dat was het moment dat ik gillend wakker werd en Murat als een knipmes zo snel in paniek uit de bedbank omhoog kwam.
'Het is niets,' zei ik. Het moment dat ik in de stralende, troostrijke ogen van Murat keek, verbeeldde ik me dat ik op zomerkamp was als kind. Een zomerkamp waarin veel gevist werd en ik heel, heel erg vaak misselijk was, herinner ik me. 
Murat wreef zijn ogen uit en sprong uit bed, hij hoefde zich niet aan te kleden want hij had zich de nacht ervoor nooit uitgekleed, en begon een heel verhaal in het Frans waar ik niets van begreep. Ik ving alleen de woorden cauchemar op en guerre, waaruit ik afleidde dat hij misschien een vluchteling was, maar ik vroeg er niet naar, ik hoefde zijn antecedenten niet te weten, dan hoefde ik die van mij ook niet te geven. Ik noem dat het gelijk oversteken van anonimiteit. Ik had een plannetje met Murat. Ik zou hem inzetten om dichterbij de Nepalese weduwe Van Lommeren op het kasteel te komen. Immers, zelf kon ik maar één keer proberen haar te benaderen (even afgezien van vermommingen). Als dat misging waren mijn kansen verkeken. Maar met zijn tweeën kon het twee keer.
Om te voorkomen dat ik hem kwijt zou raken – Murat leek me zo'n vriend die je even makkelijk maakt als kwijtraakt – nam ik hem mee naar mijn afspraakje bij monsieur Latour, de streekhistoricus.

Moord in de Morvan (4)



Die nacht, die eerste nacht in Hotel Mitterrand, deed ik geen oog dicht. Niet omdat ik niet moe was. Ook niet zozeer omdat ik last had van een rommelende maag en vreesde een buikgriepvirus te pakken te hebben (door corona was ik even, heel even vergeten, dat er nog andere geniepige virusjes rondwaren), maar door Murat. Murat had ik onderweg opgepikt, hij stond bij Arnay le Duc te liften, en zijn verschijning ontroerde me. Ik heb zelf jarenlang gelift en ik heb later alsmaar de gunst willen retourneren, maar het lukte nooit. De lifters voor wie ik stopte moesten steeds ergens anders heen. Maar Murat zei: 'I'll go wherever you go.' Dat sprak me aan.
Ik waarschuwde hem dat ik geen tweede helm bij me had, en dat hij dus op eigen risico in het zijspan plaatsnam. Ook dat vond hij geen punt (of hij begreep me niet). Verbazingwekkend hoe meegaand deze lifter bleek te zijn.
Converseren tijdens het rijden, toch een van de aardigheden van liften, is er niet bij: wie bij een motorrijder achterop, of in mijn geval als bijrijder plaatsneemt, kan niet meer doen dan op zijn kont zitten en de zonnestralen opvangen (die eindelijk begonnen waren neer te dalen). Ik ben niet zo iemand die in zijn helm een telefoon heeft zitten of een ander communicatiemiddel; wat mij juist bevalt van het motorrijden is dat je gedwongen bent je op het niets te concentreren. Ik weet niet of dat meditatie is want ik heb nog nooit gemediteerd, maar het komt volgens mij in de buurt.
Murat was een man van een jaar of dertig, met een koffiebruine baard en stralende ogen, die wel licht leken te geven. Zijn flinke postuur rijmde niet met zijn verlegen lach. Hij droeg een blauw overall, alsof hij net van zijn werk kwam als automonteur, en misschien kwam hij dat ook, maar ik zou het niet weten, want er was geen conversatie.
Bagage: 1 polstasje.
Aangekomen bij het hotel, het was inmiddels alweer laat – hoe kan het toch, dat de heenreis zo lang duurt?  – maar nog steeds licht, kwam de aap uit de mouw, dat wil zeggen: Murat hees zich uit het zijspan, liep nerveus handenwringend op mij af en informeerde of ik misschien een slaapplaats wist voor de nacht.
Ik huldig het principe dat in elk mens, zelfs de op het oog minst veelbelovende, iets schuilt dat de moeite van het verder leren kennen waard is dus ik zei ja en smokkelde hem de hotelkamer in. Ik moest nogal lachen toen de waardin, een strenge Française van middelbare leeftijd, mijn smokkelwaar niet scheen op te merken; misschien dacht ze dat hij iets kwam meten of repareren.
Thans werd ik gestraft voor mijn goedheid. Ik lag wakker om alle scenario's af te lopen, en hij sliep als een roos. Het lot van de welwillende maler.

Moord in de Morvan (3)



Ik kwam niet verder dan iets onder Parijs. Ik had geen rekening gehouden met de regen. Ik werd gestraft voor mijn nauwe opvatting dat het weerbericht alleen voor de boeren is. Het is namelijk uitdrukkelijk ook voor de motorfietser, ook al neemt hij de dikwijls onder een bladerdak schuil gaande route national. Harder dan zestig ging ik zelden. Moest ik in het water dat tegen mijn integraalhelm sloeg een teken zien? Een teken dat deze trip wellicht, nou ja, gedoemd was? Nee, dat zou te makkelijk zijn. Regen betekent niets, zo simpel is het, hoewel men er dus wel last van kan hebben (en, onder sommige condities, vreugde aan kan ontlenen, al was dat in mijn geval alweer lang, lang geleden).
Tweede uitdaging: waar te overnachten. Drie hotelletjes in de buurt van Versailles accepteerden wegens corona geen late gasten zonder reservering (al zal mijn doorweekte verschijning ook niet hebben geholpen) of ze waren 'vol'. Ik was genoodzaakt mijn provisorische logies op te zoeken: in het zijspan, met een zeiltje eroverheen.
Vanochtend werd ik gebroken wakker. Bij de koffie in het pompstation en mijn eerste Lucky Strike kwam ik weer enigszins tot mezelf. Waar was ik mee bezig? Ja, die vraag had ik in mijn leven wel vaker gesteld, zonder een bevredigend antwoord te kunnen bedenken. Geld interesseerde me te weinig, misschien was dat het punt. Wie zijn ogen op het materiële blijft houden, zal toch vroeg of laat iets van verbetering van zijn levensomstandigheden ervaren, maar ik was een romanticus. Zoals Hermans al schreef, is elke Nederlandse schrijver per definitie een romanticus (al zou Reve daaraan toe hebben gevoegd dat de Nederlander niet in staat is tot romantiek). Ik had de pandemie moeten aanvatten om te stoppen met roken, maar ik was juist méér gaan roken (en ik had al zwakke longen). Ik had het idee dat ik in de Morvan mijn tijd mooi kon verdelen tussen veldwerk in de verdrinkingskwestie en schrijven in mijn hotelkamer, maar het moest worden bezien hoe dat zou uitpakken.
Ik belde hotel 'Mitterand' in Autun, de hoofdstad van de Morvan, dat ik het niet gered had om gisteravond laat al aan te komen, en dat ik vandaag zou arriveren, waarschijnlijk, deo volente, rond het cocktail-uur. Het antwoord van de waardin luidde niet zonder spot: 'We hadden al zoiets verwacht, monsieur. Doet u vooral rustig aan.'
Weer op de BMW, onder opentrekkende luchten, zoog ik de plattelandse zomerwind naar binnen. Het leven was goed, al moest men waken voor zelfgenoegzaamheid. Immers, de wereld was slecht. Dat moest wel, anders had ik geen werk.

Moord in de Morvan (2)



Waar ging dit naartoe? Ik bedoel, waarom moest er zonodig weer iets gebeuren? Ik was net flink op dreef met een roman, toegegeven: zo driftig als ik schreef aan mijn debuut twintig jaar geleden werd het niet meer, maar toch, ik had een hekel aan reizen, 'reizen is slechts het verplaatsen van het probleem' had ik ooit geschreven, en nu had ik ja gezegd tegen een trip naar Frankrijk. Ik stond zelfs op het punt te vertrekken. Bij elke opdracht die ik aannam, en ik had eerder opdrachten aangenomen, wie er prat op gaat subsidieloos door het leven te gaan, is gedwongen tot het aannemen van opdrachten, paste ik een simpel principe toe. Ik moest één afspraak hebben. Pas dan kon ik op pad. Bijgeloof ongetwijfeld, maar laat mij nu maar bijgelovig zijn. U, lezer, mag een glasharde rationalist blijven, een koele logicus; voor iemand als ik is het beter er hier en daar wat bij te geloven. Noem het ankerpunten. Als ik die niet heb val ik de diepte in.
De troep betreffende ir. Van Lommeren die de bevriende advocaat me had toegestuurd, met de groeten van de zoon, had ik niet eens ingekeken. Dat kon allemaal wachten. Het enige wat ik had gedaan, behalve een hotelkamer boeken in het dichtstbijzijnde stadje, Autun, was een afspraak maken met de plaatselijke historicus, monsieur Latour (zijn naam vond ik op een ontroerend slecht vormgegeven maar uiterst informatieve website). Ik zou hem dit weekend treffen, bij hem thuis nog wel, in een of ander gehucht, voor een diepgravend gesprek over de Morvan. Ik vertelde hem dat ik op zoek was naar achtergrond over de streek. Geen toerisme. Alstublieft niet, zeg! Nee, het ging me om de geschiedenis, de aardrijkskunde, de archeologie, enzovoorts enzoverder. Althans, zo had ik het in een email aan de heer Latour beschreven. Hij hapte meteen. Ik mocht langskomen wanneer ik maar wilde, hij zou me alles vertellen wat hij wist. De gretigheid van de connaisseur.
De ervaring leerde dat hoe dieper ik erin dook, hoe meer omtrekkende bewegingen ik maakte, hoe dichter ik bij de kern zou komen. Alleen idioten gaan recht op hun doel af.
Ik pakte mijn spullen – een weekendtas met makkelijk zittende kleren, een net pak (je wist nooit), een stiletto in de vorm van een vulpen (idem), een gare laptop, een paar boeken (Moby Dick herlees ik elk jaar wel eens), de Guide Michelin en de Gault-Millau, wat cd's, een schetsblok – prepareerde mijn oude BMW motor (met zijspan, daar ging de bagage in), en weg was ik, naar het verhaal dat nog geen verhaal was, hooguit een premisse.

Moord in de Morvan (1)



Een bevriende advocaat wilde weten of ik nog iets te doen had deze zomer. Ik zei nee hoezo. Hij zei dat hij nog wel een lead had voor me. Wat dan. Nou een sterfgeval, zei hij. Een bijzonder sterfgeval. Ik zei dat er zoveel bijzondere sterfgevallen waren of hij niet wat specifieker kon zijn. Dat kon hij wel. Het ging om een Nederlandse ingenieur in de Morvan, Frankrijk, Van Lommeren heette hij, die onder verdachte omstandigheden was overleden een paar jaar geleden. Hoe dan? Hij was verdronken in een afgelegen meertje. Maar we kunnen toch allemaal wel verdrinken, als we even niet opletten? Zeker, zeker, zei hij, maar deze man lette altijd op, dat was juist een van zijn niet zo'n sympathieke karaktertrekjes, dat en dat hij door zijn zakelijk succes de indruk wekte boven de rest te staan. Bovendien: hij zwom vaak en fanatiek. En zijn vrouw, een Nepalese beauty die hij via internet aan de haak had geslagen, en die hem twee bloedjes van kinderen had geschonken, woonde nu keurig netjes in het chateau, met een rode Tesla in de ene en een grijze Tesla in de andere garage. Dus? vroeg ik. Dus dit, zei hij: de zoon van die ingenieur, uit een eerder huwelijk, vroeg mij of ik nog ideeën had. De politie bellen? Hebben ze destijds gedaan. Veelvuldig zelfs, tot aan Interpol toe. De Franse politie zag er niets in, die was zo klaar, en de Nederlanders zeiden dat ze wel wat beters te doen hadden. Letterlijk? Ja, zoiets. Toen heeft die zoon Van Lommeren nog een privé-detective ingehuurd, wel een goede, ik werk ook wel eens met hem, maar die kon ook niets vinden, maar die spreekt dan ook geen Frans, en met Nepalese vrouwen weet hij al helemaal geen raad. Toen dacht ik aan jou, Paul. Aardig van je, maar wat zou ik kunnen doen in deze? Ik zou zeggen: ga er eens heen. Jij zoekt toch afleiding? Jij bent toch permanent verveeld? Zo zou ik het niet willen noemen. Ik betaal je vorstelijk. O. Er is die zoon echt veel aan gelegen dat er beweging komt in deze zaak. Het zit hem niet lekker. Dat kan ik me voorstellen. Die erfenis kan hij naar fluiten? Dat is inderdaad een dingetje, maar het gaat hem vooral om het principe. Hij was dol op zijn vader? Niet bepaald, maar daar gaat het nu niet om. Hij wil dat de waarheid boven tafel komt, gerechtigheid enzovoorts, en toen zei ik, dan bel ik Paul Krom, een schrijver die ik ken. Die komt altijd wel iets te weten. En hij schrijft het vlot op. Een plus een is twee. Wat goed dat je nog kan tellen. Ik stuur morgen wat foto's, emails en andere relevante troep jouw kant op en dan zie je maar. Je mag fors declareren. Dat is aardig van je. Ik begin me te verheugen. Dat zou ik ook doen in jouw geval Paul. Misschien zit er nog wel een novelle in of zo, jij was anders toch zo ongeveer uitgeschreven?

Koken



'Ik heb nog nooit in mijn leven gekookt.' Het kwam er terloops uit tussen twee happen door, tijdens de lunch in het restaurant dat ons drie maanden had moeten missen. Voor N. was het een gegeven, een natuurwet, maar ik schrok er van. Ik geloof niet dat ik veel vrouwen ken, en al helemaal geen moeders van haar generatie, die niet zonder trots kunnen verklaren dat ze nog nooit in de keuken een maaltijd hebben bereid, voor zichzelf, of voor wie dan ook.
In New York was het anders, daar ontmoette ik in de jaren negentig voor het eerst vrouwen en mannen, mannen en vrouwen, het geslacht deed er niet toe, die nooit kookten, hun keuken alleen gebruikten om een kant en klaar maaltijd op te warmen, slechte koffie te zetten of left over sushi in de ijskast te bewaren. De logica daarachter was niet alleen luiheid trouwens. Uiteten, of afhalen was in die stad destijds zo goedkoop en goed (bijvoorbeeld behoorlijk Indiaas eten, dat lukte al voor 6 dollar), daar viel niet tegenop te koken. Maar er was nog iets anders aan de hand: je kookte ook nooit voor anderen. Je nodigde nooit iemand uit om voor te koken. Wat je deed was iemand mee uiteten nemen. En hoewel ik graag uiteten ga, liefst ook op andermans kosten, geloof ik dat ik me minder geliefd zou voelen als niemand meer voor me kookte, en ik nooit meer voor iemand mocht koken.
N. leidde samen met een andere vrouw een van de eerste all female advocatenkantoren van Nederland, dus vreemd was het niet dat het koken erbij in schoot.
Ik ken tamelijk veel werkende stellen waarvan de man vrijwel uitsluitend in de keuken staat. Vrijwel, dus die vrouw kookt ook wel eens. Laat staan dat deze vrouwen er prat op zouden gaan dat ze nog nooit in hun leven hebben gekookt.
Ik vraag me af hoe feministen tegen deze zaak aankijken. Ze zullen toejuichen dat de werkende vrouw of moeder niet automatisch meer in de keuken staat. Aan de andere kant hebben we te maken met het toch behoorlijke prestige dat culinaire know how met zich meebrengt. En dus de ontegenzeggelijke liefde die door de maag gaat, ook en vooral bij kinderen.

Anti-racisme debat



Al zappende bleef ik hangen bij Politiek 24, en ik viel middenin het anti-racisme debat (van afgelopen woensdag). Lodewijk Asscher, mijn volksvertegenwoordiger (ik heb meermaals op hem gestemd), was bezig zich te verweren tegen aanvallen van eerst Geert Wilders en daarna Farid Azarkan. Ik vond het boeiende televisie. Sterker, ik kan me niet herinneren ooit zulke boeiende politieke televisie, uit de Tweede Kamer althans, te hebben gezien.
Asscher stond er wat gespannen bij, vond ik, in zijn krappe kraag en strakke das, maar zo vaak zie ik hem ook niet, dus misschien was dit zijn normale stand.
Geert Wilders stond aan de interruptie-microfoon zijn stokpaardje te berijden. Hij leek bijna in slaap te vallen terwijl hij praatte. Hij draaide de zaak gewiekst om. In plaats van mee te huilen met de wolven over het racisme in Nederland, zei hij (ik citeer uit het hoofd): het anti-racisme debat is een belediging van de Nederlanders want zij zijn helemaal niet racistisch.
Interessant: Wilders betoonde zich expliciet tegenstander van discriminatie. Wat, had ik dan verwacht dat hij openlijk zou uitkomen voor een soort white supremacy-denken? Nou nee. Hij is slim genoeg om in te zien dat hij zich daar alleen maar belachelijk mee zou maken. (Onduidelijk waarom 'vervelend ventje' Baudet niets had in te brengen over 'institutioneel racisme', althans ik heb hem niet voorbij zien komen, misschien had hij een boreale knuppel in het hoenderhok kunnen gooien).
Niet verwonderlijk maakte Asscher makkelijk korte metten met Wilders' argumentatie.
De hardste aanval tegen Asscher kwam echter van Farid Azarkan van Denk. Deze volksvertegenwoordiger verweet Asscher hypocrisie. Ja ja, nu maakte hij goede sier, wilde hij maar zeggen, met een groots anti-racisme gebaar terwijl hij systematisch moties had weggestemd die concrete verbeteringen op dat punt beoogden (ingediend door, u raadt het, Denk).
Hij wilde er een wedstrijdje van maken, Azarkan, een wedstrijdje wie het meest anti-racistisch is.
Asscher werd emotioneel, fel. Hij besloot in de tegenaanval te gaan en beschuldigde Azarkan zelf van valse verdachtmakingen, etnisch profileren en mensen gelijkstellen aan hun afkomst.
Het kan verkeren. Azarkan is zo niet een product van de PvdA, dan toch van het gedachtengoed van die partij. Een vader die aangevallen wordt door een van zijn kinderen, daar had deze confrontatie toch het meest van weg. Vader bijt van zich af. Kind druipt af. Fascinerend.

Rachmaninov

Rachmaninov met zijn oudste dochter Irina


Gisteren was ik de gelukkige recipiënt van een mini privé-concert door Daria van den Bercken in haar studio in een statig pand aan de Amstel. Met corona had deze setting niets te maken, wel met een 'piano solo overweging' die ze in voorbereiding heeft, waarin de vraag centraal staat: wat verwacht ik van de natuur?
Ja, wat verwacht ik van de natuur? Goede vraag. Veel tijd om erover na te denken kreeg ik niet, want mijn gedachten gingen uit naar Rachmaninov, want dat was wat Daria speelde. Je mag er geloof ik niet voor uitkomen, maar ik ben verliefd op Rachmaninov. Dat bedoel ik tamelijk letterlijk. Ik werd omver geblazen, toen ik, op mijn zestiende schat ik, voor het eerst de Tweede Pianosonate, uitgevoerd door Vladimir Horowitz, op de pick up legde. Ik kan me die handeling nog goed herinneren, het statische getik van het vinyl uit de hoes, de naald in de groef met het welbekende knapperend haardvuur en dan die bulderende beginakkoorden. Wie zichzelf geen romantiek toestaat is een dief van zijn eigen hart. Zouden er mensen zijn die zich niet kunnen laten meeslepen? (Ik ken er genoeg die dat niet van zichzelf mogen.) Een paar jaar later, toen ik weggeblazen werd door David Lean's klassieker Brief Encounter, waarin Rachmaninov weer mocht bulderen, maar nu dan het Tweede Piano Concert, was ik opnieuw verliefd. Maar in Kikkerland mag je geen romanticus zijn. Dan ben je een aansteller, een melodramaticus, een pathetische idioot. In Kikkerland geldt: geen dag zonder Bach, en een algeheel verbod op emoties.
Je gelooft het niet, maar ik werd wederom verliefd. Ik was vergeten hoe magistraal deze componist het groots en meeslepend levensgevoel vertolkt, de klankkleuren, akkoorden en figuren die hij daarvoor gebruikt. De kleine herhalinkjes, de pijlsnelle motiefjes, de virtuoze notenwolken, de sombere en dan weer lichte toets, en altijd de verrassing. Rachmaninov verrast je, telkens opnieuw, zoals een ware geliefde daartoe in staat is.
'Misschien kun je het zelf spelen,' suggereerde Daria na afloop (ze is korte tijd mijn pianolerares geweest).
Ik dacht dat ze een grapje maakte, maar ze meende het.
Ik laat het spelen van Rachmaninov graag aan haar over. Laat mij maar voelen, daar heb ik het druk genoeg mede.

Troostborrel



Op de troostborrel van De Parade, in de Tolhuistuin, zat ik in mijn eentje aan een tafeltje voor twee. Her en der waren groepjes Parade-oudgedienden diep in gesprek. Wat deed ik hier? Het makkelijkste antwoord zou zijn: niets. Elders zou ik ook niets doen. Jazeker, ik zou dit jaar debuteren als liefdes- en haatbrievenschrijver op bestelling, maar dat werd kortgesloten door een wet market (het woord alleen al) in Wuhan. Deo volente, insjallah en b'ezrat hashem wordt het programma doorgezet naar 2021, dus troost is niet op zijn plaats (een borrel daarentegen vrijwel altijd). Ik begon aan mijn tweede blikje. Nog steeds had niemand de behoefte gevoeld zich bij mij te komen invechten. Ik ontdekte een andere Parade-noviet in Lucky Fonz III, die ik vagelijk 'ken'. Hij hanteerde een tegenovergestelde strategie. Hij zwierf door de tuin, rugzakje op de rug, en hoopte, net als ik, op aanspraak. Toen hij op mijn tafeltje af scheen te zwerven, werd in mijn geest dat eigenaardige mechaniek in werking gesteld om een taalhandeling te verrichten. Ik begon dus in zijn richting zijn naam uit te spreken, maar precies op dat moment (of was het een fractie later?), sprak hij zelf een groepje aan een belendend tafeltje aan, en was ik weer alleen. Niet getreurd, want ik ben graag alleen, alleen wordt de vraag wat men 'dan' onder de mensen doet iets pregnanter. Alleen drinken kun je overal, lukt zonder mensen erbij zelfs beter. Zou er een (sub)cultuur bestaan, vroeg ik mij af, waar het cool gevonden wordt om geen aansluiting te vinden bij 'de rest'? Waar je status ontleent aan je gebrek aan connecties? Dan zou ik graag tot die cultuur willen behoren – of nee, laat maar. De kwestie was inmiddels ook academisch geworden omdat ik in gesprek was geraakt met een hoogblonde, kortgerokte vrouw met felrood gelakte nagels (het zal niet waar zijn), die bovendien in het bezit was van staalblauwe ogen, heel lichte sproeten hoog op het voorhoofd en een ontwapenende manier van doen. Daphne Gakes heette ze. Theatermaakster. Onlangs gedebuteerd bij Mai Spijkers (aardige man, maar ze doen niets voor je, niets!). Ze had allerlei ideeën om mijn 'show' (ik wist niet dat ik een show kon hebben) minder arbeidsintensief en dus lucratiever te maken. Als ik me niet vergis heb ik haar het idee aan de hand gedaan te publiceren onder (mannelijk) pseudoniem. Niets revolutionairs, maar je moet er wel op komen. En dan bij voorkeur niet Jan Cremer. Hoewel...

Afgehakte penissen



'Ik zal Freud maar niet loslaten op die afgehakte penissen,' zei ik tegen N., terwijl we de trappen van Huis Marseille op en af waren gezwoegd om de foto's van Viviane Sassen te bezichtigen en terug naar haar appartement schuifelden. 'Nee, doe dat maar niet,' zei N. op de haar kenmerkende onderkoelde wijze.
N. heeft een Sassen in haar woonkamer hangen – een oude Sassen weliswaar, maar niettemin: een Sassen (hierop is Tommy Wieringa te zien, of beter gezegd niet te zien, omdat zijn gezicht schuilgaat achter een nogal hevig uitstekend bloemboeket) – dus ze was extra gemotiveerd om de tentoonstelling te bezoeken. De eerste post corona. Het bleek niet nodig om alle zalen van het monumentale grachtenpand af te rollatoren, aangezien in één bovenzaal alle foto's langskwamen in een diashow, waarvoor we, eerlijk is eerlijk, ook best thuis konden blijven (mits je een beamer gebruikt, niet meer dan zes personen binnenlaat en de lichten dooft).
De levensgrote dia's leken, als een virus, if you will, uit een hoek van de zaal te groeien. Op de linkermuur verscheen het origineel, en tegelijk schoof het spiegelbeeld op de aangrenzende muur voorbij. Een mooi, zij het obsceen, effect had dit (op mij). Maakt niet uit wat de foto voorstelt, zeg, een close up van een steen, als hij gesplitst, vanuit het midden, ontstaat, dan denk je (ik) al snel aan gapende lichaamsorganen, organen die tot gapen in staat zijn. Sassen heeft ook iets met anussen, meen ik. Hier en daar trok een geel geverfd anusje voorbij, een detail in het beeldhouwwerk. En neuzen. Ik was als een kind zo blij met het stickervel dat ik beneden in de giftshop aantrof met zes neuzen. Ik heb er meteen een over de aangevreten appel op mijn laptop geplakt (ik hou niet van aangevreten appels).
Blijvende indruk: afgehakte penissen.
Ter Sassens verdediging kan worden aangevoerd dat ze de penissen niet zelf heeft afgehakt. Ten minste, daar ga ik van uit. Het betrof hier immers close ups van mannelijke beelden uit de oudheid die in de loop der tijd hun geslacht waren kwijtgeraakt. Ja, moet je maar niet zo'n apparaat aan de buitenkant hebben hangen. Handen, voeten en neuzen waren om dezelfde reden kwetsbaar. Borsten en tepels van vrouwelijke torso's bleven vorstelijk buiten schot.



Een gevoel if there ever was one

Wolfgang Pauli op schoolgaande leeftijd. Ook een genie


Wie zijn gevoelens begrijpt, begrijpt zichzelf. Ik vermoed dat dit een levenslang project wordt. Pas wie tussen zes planken ligt, of in een urn zit, kan met enig recht zeggen dat hij zichzelf en zijn gevoelens begrijpt. (Over het begrijpen van de gevoelens van anderen wil ik het niet eens hebben.)
Bij mijn tweede kind had ik me voorgenomen me minder aan te trekken van het door hem behaalde niveau in het onderwijssysteem dat ook wel 'school' wordt genoemd. Of hij nu mavo, lavo of zavo zou gaan doen, ik zou evenveel van hem houden, en trouwens, wie weet welke skills er worden verlangd op de arbeidsmarkt van de toekomst? Voor hetzelfde geldt ziet Kikkerland het licht en krijgt hij een basisinkomen en mag hij de rest van zijn leven gaan gamen. Of hij daarvan gelukkig wordt, is een tweede, en daar beginnen, voor mij als vader, de zorgen.
Zo stelden Kletsmajoor, voorheen Kleine Leeuw, 11 jaar jong, en zijn moeder en ikzelf (wij zijn getrouwd, vandaar), ons achter de laptop op voor het zoom-gesprek met meester Grindr, voor het langverwachte Pre-advies. (Voor mensen die geen kinderen hebben: dit is het advies voorafgaand aan het schooladvies, op basis waarvan je vanaf groep 8 naar de middelbare wordt gestuurd.)
Hoe dat advies luidde? Het op een na hoogste. Dat vond ik teleurstellend, en mijn teleurstelling (een gevoel, if there ever was one) kwam ook naar buiten: hoezo niet het hoogste? zei ik. Hij doet het toch hartstikke goed? Hij is toch een fantastische leerling? Goed, wij zien ook wel dat hij soms wat slordig en lui kan zijn, maar voor de rest: geniaal.
Het kwam er nogal, nou ja emotioneel, uit.
Waar was mijn voorgenomen zen-houding ten aanzien van de schoolprestaties van De Jongen van wie ik Altijd zou Houden, Wat er ook Gebeurt?
Ik dacht aan mijn gedrag langs de lijn van het voetbalveld. Het spel kan mij gestolen worden, en ik weet als geen ander dat het om de lol gaat en niet om de score, en toch hoor ik mezelf semi-hysterisch mijn kinderen aanmoedigen en pijn in mijn hart bij een gemiste kans.
Voor wie er nog aan twijfelde, een kind is een verlengstuk van jezelf. Wie niet inzet op het hoogste voor zijn kind, doet niet alleen hem of haar maar ook zichzelf tekort.