Mislukte misantropie



Als ik aanbel bij de buurvrouw met de open gordijnen – ik zie haar zitten, met haar rug naar mij toe, op de bank – doet ze niet open.
Ik kom haar man, De Blinde Fotograaf, ophalen om hem op zijn verzoek te begeleiden naar de borrel van AtlasContact, zijn uitgever, op de Prinsengracht. Ik sputterde aanvankelijk tegen, onder het mom van 'wat moet ik op jouw borrel?' en: 'trouwens, ik ben een misantroop', maar hij wist me te vermurwen. 'Misschien kom je nog iemand tegen,' zei hij. 'Een leuke redactrice of zo.' Maar hij is niet thuis, realiseer ik me, hij zit op kantoor; ik zal hem tegemoet moeten reizen met de tram.
Eigenaardig: aanbellen en op twee meter afstand de aangebelde zien zitten die doet alsof er niet is aangebeld. Misantropie? Niet thuis geven was nog nooit zo doorzichtig, behalve in die cartoon die ik me herinner uit The New Yorker, waarin een echtpaar spontaan aanbelt bij vrienden, die zich achter de bank blijken schuil te houden.
Als ik Hannes 's avonds weer aflever na de borrel, – ik kwam inderdaad iemand tegen –, en bij de buurvrouw informeer naar haar afwezige reactie op de deurbel, zegt ze: 'Ik dacht dat het de bezorger was van een trui die ik had besteld maar die ik eigenlijk helemaal niet wil hebben.' Ze lacht. Ik vertel haar over de New Yorker cartoon. Daarop memoreert zij een verhaal van Carmiggelt, waarin een stel spontaan langsgaat bij vrienden die daar geen zin in hebben en ter plekke voorgeven dat ze op het punt staan op familiebezoek te gaan in Baarn. 'Oké, dan brengen we jullie wel even naar het station.' Het liegende stel laat zich naar het station brengen en op de trein naar Baarn zetten. 'Veel plezier en tot gauw!'

Geen opmerkingen:

Een reactie posten