Pissflaps!



Ook de tweede aflevering van Sex Education (een tip van mijn zuster) viel niet tegen, al was hij weer aan de lange kant (hoe lang blijft een serie over seks op en rond een middelbare school, ook al is hij nog zo sexy geproduceerd, boeien?). Ik bleef haken bij het woord pissflaps. Dat kende ik nog niet. De context hielp niet erg: het woord werd geuit door een tiener die pesterig vanachter een lockerdeurtje tevoorschijn kwam. 'Pissflaps!'
De 'vertaling' – zou de ondertiteling van deze serie meer behelsen dan Google Translate plus één correctieronde? Ik vrees van niet) – luidde 'pisflappen'. Ook niet erg behulpzaam.
Zover was ik zonder Google Translate ook nog wel gekomen.
'Weet jij wat pisflappen zijn?' vroeg ik aan mijn bed-, wc- en Netflix-genote.
Ze schudde haar hoofd ten teken dat ik mijn mond moest houden. Ze meende terecht dat gebrek aan kennis van het woord pisflappen het waarderen, of in elk geval uitzitten, van de tweede aflevering van Sex Education (wat een geweldige Gillian Anderson trouwens, wat een geweldig huis en wat ziet Wales er geweldig uit), niet in de weg staat.
Eindelijk was het afgelopen – ik ben geen binge-kijker, ook niet van een programma dat over seks(therapie) gaat – en kon ik zonder iets te hoeven missen mijn telefoon raadplegen.
De onvolprezen urban dictionary vermeldde: schaamlippen.
D'oh!
'Worden die dan per definitie nat bij het plassen?'
Mijn bed-, wc- en Netflix-genote knikte. 'Wil je het zien?'

Familie Teckel



Weshalve met vakantie? Om thuis te komen. 'Wie nooit weggaat, kan ook niet thuiskomen,' zei de zesjarige, verrast door haar eigen sofisme.
Ik zou hieraan toevoegen: voor de – o zo schaarse – onverwachte ontmoeting. Wij hadden er een, op dag 3 van onze 'wintersport' (denk: buiten gebruik zijnde liften en bananenbruine weiden) in een afgelegen blokhut in Winterberg, ook wel bekend onder de naam Schwedische Hütte (wie nu hoopt op stoombaden en groepsseks kan hier ophouden met lezen).
Wij kwamen er voor de tweede keer lunchen. De eerste keer, op dag 2, was ons goed bevallen, en niet alleen omdat we de enigen waren. 'Schade,' hoofdschudde de barjuffrouw, wijzend op de leegte.
Nu had het 's nachts flink gesneeuwd. Wij juichten. De kinderen en ik omdat we eindelijk konden roetsjen. Gnädige, omdat sneeuw haar gelukkig maakt (mij ook trouwens, afgezien van dat roetsjen).
Waar blijft de ontmoeting? Hier: we zaten nog niet aan tafel, of binnen trad een man en een vrouw met kind, een oudere man en vrouw, plus drie aangelijnde teckels. Wandelaars. Ze kwamen naast ons zitten.
Ik wees mijn kinderen op de sneeuwbolletjes die waren blijven klitten aan het bef- en borsthaar van de teckels. Heftig gekef viel mij ten deel.
'Niet wijzen,' zei de oudere vrouw. 'Daar houden ze niet van.' 'Ze' waren Sam, Moos en Bram.
Het gesprek ging over honden. Waar anders over? De oudere vrouw had het hoogste woord. De oudere man, die iets van een boskabouter had, hield zich afzijdig, knikte alleen af en toe. Totdat wij aanstalten maakten om te vertrekken. Terwijl ik mijn voeten in mijn snowboots werkte, leunde de man naar mij toe en fluisterde met een alwetende glimlach: 'Zit jij bij David Ogilvy?'

Wat ik voor mijn verjaardag kreeg



* Een huilbui om acht uur in de ochtend (van de zesjarige die vond dat de festiviteiten te traag op gang kwamen)
* Het Grote Poep Boek, van de tienjarige
* Met de wereld in de rug, van Thomas Melle (vanwege het omslag, en ook wel een beetje het thema: manisch depressiviteit)
* Een nieuw sociaal cohesiebankje model strafbank (ik bedoel bananenbank)
* Verhaalideeën van schrijfstudenten met zelfmoord in de hoofdrol
* Chocolaatjes van weer andere schrijfstudenten met de oorlog in de hoofdrol, en een boekenbon
* Een 💖 van de informaticus (die volgens mij iets leuks had geslikt)
* Een geplande beleving van mijn gesprekspartner sinds '83, die echter wegens de dood van de uitvoerend artiest geen doorgang kan vinden
* Een opgewerkt telefoontje van mijn vader
* Barolo van de buurvrouw
* Hagelswag van de buurman
* Op mijn kop van lieftallige omdat ik kritiek uitte op het comfort van het sociale cohesiebankje
* Wein, Weib und Gesang

Euthanasie

Kazuaki Horitomo Kitamura

Ik had wel eens een muis in een bar gezien, ik had wel eens een kat in een bar gezien, maar een muis en een kat in een bar, nee. De barjuffrouw begon te gillen. Niet van angst, meer van opwinding, denk ik. Of van: iemand, doe iets.
Wij keken alleen maar. Een bekend tafereel. De wreedheid der besnorhaarde spinner. De muis die, met haar onderlijf aan gort, nog heel even probeert vooruit te komen, als een militair in een vreselijk vuurgevecht, ik denk de Eerste Wereldoorlog.
De kat in de bar had ondertussen alweer zijn interesse in de muis verloren, of hij was geschrokken van het theater waarvan hij plotseling het middelpunt vormde. Twee mannen stonden vrijwel tegelijk op, dat was het vreemde, twee mannen van twee kanten, vrijwel tegelijk stonden ze op en bogen zich over de stervende.
Toen werd kennelijk in een fractie van een seconde, op een mij volkomen vreemde alpha-male achtige manier besloten, wie het zou gaan doen: die ene met dat donkere hipsterbaardje en die dopmuts op. De ander liep weg, zonder iets te zeggen, het leek voor hem geen erezaak.
De hipster nam een aanloop, of hij concentreerde zich, of, waarschijnlijker, hij maakte zich op om een zekere beschavingsgrens te overschrijden. Zij die op het punt stond te worden geëuthanaseerd verroerde zich niet. Ze zag de schoen niet aankomen, of ze verlangde er hevig naar, dat hoop ik voor haar. De hipster ging bovenop haar staan, en trapte haar toch nog met tederheid dood. Hij pakte haar aan de staart op, liep de deur uit en slingerde het lijkje de straat op.
Applaus en gratis bier voor de moordenaar.

Heben we gehuild? Neen.



Er is nog hoop: met mijn tienjarige heb ik zojuist Alleen op de wereld in de integrale vertaling van August Willemsen dichtgeslagen en we zijn er allebei kapot van. Niet alleen is het hoopvol dat een roman uit de 19e eeuw nog tot verbeelding spreekt, maar ook dat een pre-puber, verslingerd aan de instant gratification van het gamen, het geduld weet op te brengen voor een verhaal dat J.K. Rowling had samengevat in één hoofdstuk, maar dat Hector Malot uitsmeerde over vijfhonderd dichtbedrukte pagina’s.
'Wanneer de verteltrant ons nu wat traag en omslachtig overkomt,' schrijft vertaler August Willemsen in zijn nawoord, 'is dit deels toe te schrijven aan de tijd waarin Malot schreef, deels aan het feit dat veel van zijn romans in eerste instantie als feuilleton verschenen, wat het creëren van suspense vereiste.’
Willemsen doet weinig om die trage, omslachtige beschrijvingen op te ketsen, bijvoorbeeld door wat vlotter, bondiger taalgebruik. Hij verkiest steeds de plechtstatige formulering boven de alledaagse, en dat is goed voor ons vocabulaire, maar schrikt wellicht menige lezer af. Tijdens het voorlezen kreeg ik zin om het zoveelste gebruik van 'zo' in de zin van 'als', of 'niettegenstaande' of 'ofschoon' te versimpelen, maar het was niet nodig. Integendeel, het verrijkte de leeservaring.
Alleen op de wereld is een betere titel dan Sans famille. Quizvraag: zijn er meer vertalingen van titels van klassiekers die beter zijn dan het origineel?
Jawel, u mag hieronder reageren!
Hebben we gehuild? Neen. Wel had ik af en toe een brok in de keel, en hoorde ik hoe mijn toehoorder in bed meeleefde met Rémi, Arthur, Vitalis en Capi en Mattia en Lise en al die anderen. Dit is misschien een verschil met vroeger. De gepresenteerde ellende (vooral de scène in de ingestorte mijn is bloedstollend en hartverscheurend) is heftiger, onze eeltlaag dikker. We hebben het zogenaamd allemaal al eens gezien.

Vaarwel, eten! (snif)

Deze man geloof ik niet

Om 9 uur 's ochtends nam ik het door de informaticus voorgeschreven anti-honger poeder, twee schepjes met water aangelengd tot een papje (een koud papje) met de vage smaak van koffie, en verdomd, tot laat in de middag voelde ik geen enkele behoefte om te snacken, te grazen, te knabbelen of wat voor eetbaars dan ook in mijn mond te steken.
Af en toe had ik kleine oprispingen, ontsnapten er weeïge boertjes; dat was, verteringsgewijs, het enige.
Ik voelde me ziekjes. Ziekjes bij associatie, denk ik nu. Wie ziek is verliest zijn eetlust en dat was precies wat er met me aan de hand was.
Iemand die zo van eten houdt, voor wie eten misschien het enige is (naast misschien heroïne spuiten), die het leven de moeite waard maken, raakt hiervan in de rouw. Als ik vanaf nu af aan alleen nog maar anti-honger poeders tot me zou nemen – en waarom zou ik dat niet doen; erg veel pleit ervoor – zou ik nooit meer boodschappen hoeven doen, in de keuken hoeven te zwoegen, en, misschien wel het belangrijkste, nooit meer aan tafel hoeven te gaan.
Aan tafel! Ik hoor de stem van mijn moeder nog van onder aan de trap... en de mijne, tegen mijn schermverslaafden...
Ik ben opgevoed met het idee dat aan tafel gaan, voor de avondmaaltijd wel te verstaan, het belangrijkste moment van de dag is. Een heilig moment. En nog, als ik in iets geloof, dan is het in het aan tafel gaan, de God van het aan Tafel gaan, de tafelgod.
Maar dat is dus binnenkort allemaal geschiedenis dankzij de razendsnelle wereldwijde verbreiding van anti-honger poeders die niet alleen goedkoop zijn, maar ook 'gezond' (vers is overigens anders), en goed voor het milieu (niet het criminele, dat andere; hoewel, waarschijnlijk vindt dit soort 'ultra fastfood' in de onderwereld ook gretig aftrek).
Jammer. We zullen onze levensvreugde ergens anders vandaan moeten halen.

Wel een leuk filmpje, trouwens.

Hoe te navigeren op een Schrijversvakschooldocentenborrel



Niet door bij binnenkomst in het grand café Otten te volgen de trap op want daar is de borrel niet, hij is op de begane grond, in een afsluitbare ruimte. Een hoek.
Aan de bar stuit je op Dros. Je zou de rest van de avond bij Dros willen blijven, maar dat doe je niet, je bestelt een fles bier en baant je een weg door de docentenkluwen naar achter, waar geen docenten zijn.
Even aan een statafeltje staan.
En dan?
Niets, wat dacht je?
Vanuit je ooghoek zie je Van de Pol en Sicking en Van den Berg, maar daar stap je niet op af. ('Hallo, wat vinden jullie van de stelling those who can do, those who can't teach?')
Je staart naar buiten. Het is goed om het thuisfront te ontvluchten, maar waar is Kapteijn, je vriend? Die zou er toch zeker wel moeten zijn? Argh!
Je gaat zitten. Hier blijven zitten, alleen aan een tafel, naast een schaal verlept garnituur, dat kan niet. Niet op een docentenborrel. Je besluit collega Van de Pol, dwars door het rumoer, een compliment toe te werpen, een welgemeend compliment (niet gemeende complimenten kunnen als een boemerang op je terugslaan), over haar Don Quichot-vertaling van alweer even geleden.
Beet. Van de Pol straalt, verhuist met Meeuse naar je tafel, een geanimeerd gesprek volgt. Je staat op voor een refill en dan is daar, de goden zij gedankt, Kapteijn, maar hij drinkt fris en moet weg. Voor je er erg in hebt, woon je een hoorcollege film en toneel van Lapinski bij.  'Ik wil onbekend blijven,' is een zin die nog even na blijft zingen.
Als laatste verlaat je, met Dros in de olie, het etablissement.

Spektakel in de Wouwermanstraat



In de file voor het stoplicht bij het Concertgebouw grijp ik maar weer eens naar mijn, eh, telefoon. Niet om te appen. Heb geen app, al jaren niet en bevalt mij uitstekend; anderen minder. Nee, geloof het of niet, ik poogde enkele dichtregels die me te binnen schoten voor het nageslacht te behouden.
Langszij verschijnt een motoragent. Hij gebaart dat ik hem moet volgen (ik hoef niet te stoppen middels het STOP bordje achterop want ik stopte al. Met alles.) Ik duw mijn telefoon in mijn kruis en volg gedwee. Ik kan moeilijk, à la Dukes of Hazzard op twee wielen rechts de De Lairessestraat in schieten, daarvoor ontbreekt mij de power (en de guts).
Motoragent gebaart naar rechts, de Wouwermanstraat in. Motoragent stapt af – baardje, zonnenbril, dit begint op Cops te lijken – en vraagt om rijbewijs en kenteken. Met hartkloppingen zoek ik in mijn beursje naar mijn rijbewijs en denk: heb ik wel mijn kentekenbewijs bij me? Mijn kentekenbewijs!
Motoragent neemt genoegen met mijn roze kaartje en steekt hem in zijn eh, nee. Hij houdt hem voor zich en tikt de gegevens over op zijn telefoon. Grondig zijn, natuurlijk. Ik kan niets anders dan ach'en en weeën, zuchten en verontwaardigd op het stuur kloppen. Een oudere man passeert, een echte Oudzuider, misschien was hij ook wel bij Nabucco, we kijken elkaar hoofdschuddend aan, we begrijpen elkaar. Geboeide schoolkinderen verzamelen zich. Spektakel in de Wouwermanstraat.
'U krijgt hoe dan ook een proces verbaal... Wilt u nog iets verklaren – hoeft niet,' zegt Motoragent.
'Ja. Dat ik stilstond. Voor het stoplicht.'
'O, dus u wilt liegen.'
Nee, denk ik, maar ik wil jou ook niet je overijverige zin geven. We weten allemaal waar overijver vroeg of laat toe kan leiden. Liever lui dan overijverig, als het aan mij ligt.
'Wat voor telefoon hebt u?'
Wat doet dat er nou toe?
Hij geeft me mijn roze kaartje terug. 'Nou, prettige dag nog hè.'
'U ook,' weet ik er tot mijn verbazing uit te persen.
Als het proces verbaal binnen is, ga ik hem aanvechten en als ik verlies, ga ik een dag of twee brommen. Ik verheug me nu al op.

Nabucco

Zoek de bevriende zangeres

Voor een dubbeltje op de eerste rang zat ik gisteravond, dankzij een bevriende zangeres en lid van het koor (niet: het corps, daar heb ik zelden iets aan gehad), bij Nabucco. Ik kon niet alleen de zangers in de ogen kijken en de stofdeeltjes uit hun kostuums geslagen zien worden, maar ik kon ook de musici in de orkestbak bespieden, zoals die fanatieke blonde violiste hier en die roodharige verleidelijk verveeld kijkende violiste daar en die... Cut! Ik bedoel de wapperende wangen van de dirigent als hij tekeerging op de bok. De oordoppen van de blazer achterin die als een beugel om zijn schedel was bevestigd. De twee harpisten die lang werkeloos achter hun pittoreske instrumenten zaten, even speelden, en toen ik weer keek waren opgelost in het zwart.
Kon ik de bevriende zangeres in het vijftigkoppige koor ontdekken? Met gemak. Ze was flink geschminkt, droeg een gigantische, vijvergroene baljurk met boothals en had haar haar in een streng over haar schouder hangen. Zag ze mij zitten? Als ik niet was komen opdagen was ik een dief geweest van haar portemonnee.
Abigaille, gezongen door Anna Pirozzi, die gehoorzaamt aan de oude operawet dat een stem moet zijn ingebed in vet, blies me uit mijn stoel. Wat een power! Hetzelfde geldt voor Zaccaria (Dmitry Belosselskiy). Als ik zo'n stem had, en zo'n projectie, zou er eindelijk eens naar me geluisterd worden... In de lage registers jammerde zijn vibrato, het deed me denken aan een stervende hond.
Na afloop, in afwachting van mijn weldoenster, keek ik vanaf het balkon van de foyer neer op het operagepeupel. Wit, van middelbare leeftijd, welgesteld en artistiek-beschaafd. Als je dat welgesteld weghaalt (en beschaafd misschien) dan is de omschrijving ook van toepassing op bovengetekende. Je vraagt je af hoeveel lijntjes coke, crystal meth en XTC je in de pauze moet aanbieden om iemand die niet wit is en niet van middelbare leeftijd naar dit soort voorstellingen te krijgen.


Inspectie



Met heel veel kranten, de scheurkalender van Peter van Straaten, een boek getiteld When Christians were Jews, dat we samen bij Atheneum hadden gekocht, en, niet te vergeten twee cornetto's (N. is verslaafd aan cornetto's), toog ik naar het perifere ziekenhuis waar ze was opgenomen na haar stroke van vorige week.
Ze was blij met de kranten (leg daar maar neer), de scheurkalender en het boek (o ja, daar was ik in bezig), en ook wel een beetje met mijn komst (wat leuk dat je helemaal hierheen bent gekomen), maar halverwege zei ze, bijna beschaamd: 'Mag ik een ijsje?'
Hadden mijn ijsjes de reis overleefd? Ik had geen ijsbox bij me, en ik had een beetje staan hannesen bij de koelkast in de koffiecorner van het ziekenhuis, op zoek naar een vriesvak.
'We hebben wel een vriesvak, maar daar mogen die ijsjes niet in,' zei een zwaar getatoëeerde verpleegster, die aan de koffie zat met haar collega's.
'Waarom niet?'
'Dat vriesvak is voor medische spullen. Hygiëne... Normaal was het geen probleem geweest maar we krijgen zo direct inspectie.'
'Aha. En die inspectie kondigen ze aan? Wat aardig van ze.'
'Ja, ja ze zijn heel aardig,' zei de verpleegster.
De ijsjes mochten wel in de koelkast.
Nu ging ik de ijsjes op N.'s verzoek uit de koelkast halen. Geen moment te vroeg, want ze waren aan het smelten, ze waren al aan het smelten sinds ik ze van huis had meegenomen. Gelukkig hielden ze nog wel stand. De ijsjes waren zacht. Precies goed. N. genoot ervan alsof ze nog nooit een ijsje gegeten had.

Verhuisd

Cour des élèves, meisjesinternaat Vught

Mijn ouders zitten erbij in hun nieuwe appartement in de stad alsof ze   n i e t   zesendertig jaar een comfortabele villa bewoonden met dito tuin in een ruim opgezette buitenwijk.
'Hoe bevalt het gelijkvloerse leven?' vraag ik aan mijn vader. Zoals bij elke vraag, doet hij vrij lang over het antwoord, maar ik geloof dat het hem bevalt. Mijn moeder ziet alleen maar voordelen, ook een strategie.
De naam van het complex nodigt uit tot grappen over het aanstaande einde, maar dat is een kleinigheid. Dat leeftijdgenoten je van de overkant van de straat vanachter hun raam aanstaren – ook daar valt mee te leven. De kamer is warm, ruim en licht, en onderhoudsarm, daar gaat het om.
Als we door de cour lopen, zegt mijn moeder: 'Dit doet mij een beetje denken aan kostschool.'
Groen is hier dun gezaaid. Er is een bescheiden terrasje. Er zijn geen parken of velden in de buurt. 'Je woont in het getto, net zoals wij,' zeg ik tegen mijn moeder. 'Alleen de rijken worden omringd door groen.'
Als voormalig postbesteller meen ik mijn ouders te mogen adviseren inzake de verhuisberichtgeving. 'Als je het via PostNL doet, ben je in één keer klaar.' Ik klink opmerkelijk monter over de Grote Pootuitdraaier. Ik pak de iPad erbij en loop door de keuzemenu's heen, alle mogelijke postverzenders moeten worden afgevinkt. Nu al weet PostNL meer over mijn moeder dan ik over mijn moeder weet. Bij het eindscherm aangekomen zeg ik: 'Dat is dan 44 euro. Voor zes maanden post doorsturen.'
Mijn moeder is verbijsterd. 'Denk je dat ik daarvoor ga betalen? Ben je nu helemaal mal!' Ze rukt de iPad uit mijn handen. We zijn weer thuis.

Jon Dorling

Foto Bart van Dijk

De meest excentrieke professor die ik heb gehad als student filosofie in de jaren tachtig van de vorige eeuw was zonder twijfel Jon Dorling. Deze man scheen briljant te zijn, want hij kwam uit Oxford, maar wij zagen hem toch in de eerste plaats als een wonderlijke, warrige figuur, die bijvoorbeeld in de gang van de faculteit wijsbegeerte A-viertjes ophing waarin hij het wereldraadsel oploste. Dorling weigerde in het Engels te doceren. Hij stond erop les te geven in het Nederlands, een taal die hij nauwelijks beheerste. Het resultaat was dat zijn hoorcolleges, die al niet uitblonken in didactische helderheid, nog moeilijker werden, of zeg maar gerust helemaal niet meer te volgen waren. Het duurde niet lang of niemand kwam meer opdagen.
Gisteravond, op een filosofen-feestje in Perdu, hoorde ik de volgende anekdote.
Dorling kwam zoals gezegd van de Universiteit van Oxford. Dit moet eind jaren zeventig zijn geweest. Kennelijk leed hij aan vliegangst, want hij reisde naar Nederland per schip. Tijdens de overtocht had Dorling zijn blik laten vallen op de decolleté van een medepassagier – iets te lang, kennelijk, want de man die bij haar was gaf Dorling een vuistslag in zijn gezicht.
Zodoende verscheen Dorling, als kersverse hoogleraar, ongetwijfeld voor veel geld binnen gehengeld door de Universiteit van Amsterdam, op zijn eerste college met een blauw oog.

Spoedeisende hulp



De spoedeisende hulp afdeling waar ik gisteravond enige uren doorbracht aan het bed van N., die eerder die dag een insult en een herseninfarct leek te hebben gehad (geen van beide nieuw voor haar, wel voor mij), deed denken aan een kantoortuin. Alleen de uniformen (rode katoenen werkpakjes met korte mouwen) en de piepende apparaten weken af. Wellicht zijn er kantoren waar de hele nacht door wordt gewerkt (ik hoop van niet), maar hier is het standaard.
Wat uiteraard niet wil zeggen dat er steeds spoedeisende hulp nodig is. Het is geen oorlog – nog niet.
Niet alleen voor mij zat er weinig anders op dan te wachten. Op uitslagen van scans en op een neurologiebed in het dichtstbijzijnde ziekenhuis. N. wilde haar connecties inschakelen, maar ik had zo'n voorgevoel dat dat zinloos was. De tijden zijn eerlijker, en anoniemer.
'Wilt u een kopje koffie?' vroeg de vriendelijk verpleegster aan mij. Dat wilde ik wel, maar was die koffie te drinken?
Niet echt, maar om de hoek was een automaat met betere koffie. Ik ging koffie halen voor mezelf.
'Wil jij ook iets,' vroeg ik N. , toen ze wakker was, en helder.
'Een appel,' zei ze tot mijn verbazing, want ik heb haar nog nooit een appel zien eten.
'Kan ik hier ergens een appel krijgen voor mevrouw?'
Nee, dat zat er niet in. Het winkeltje was dicht. De automaat in Wachtkamer 1 had wel snoepgoed. Er werd net een man uit een taxi in een rolstoel geladen. Hij hing helemaal voorover, alsof hij moest overgeven, en hij steunde en kreunde, maar de receptioniste was niet onder de indruk.
Ik keerde terug met een Twix voor N. maar die bliefde ze niet.

Focus




Ik drong langs de rij, door de draaideur de benauwde ruimte binnen en keek om me heen. Mijn oog viel eigenlijk onmiddellijk op jou. Je bevond je in het midden van het bad. Je stond tot je middel in het water, je buik geplooid als een behaarde skippybal. Je zag mij niet. Je stond in je neus te peuteren. Dat zeg ik verkeerd. Je draaide je linkerpink in je linkerneusgat, haalde hem eruit, bekeek de oogst, en spoelde hem af in het water. Dit herhaalde zich bij het andere neusgat, met de andere pink. Daarna zette je je handen, je mollige behaarde handen, in je zij, als een gevreesde cowboy in een saloon in een goedkope western.
Waar pistolen hadden moeten zitten, of op zijn minst holsters, zaten bij jouw hamlappen.
Je zag me nog steeds niet. Ik stond verdekt op gesteld. Ik had geen reden om mijn aanwezigheid kenbaar te maken.
Ik richtte. Het was niet moeilijk om te richten. Jouw lichaam vormt een makkelijk doelwit. Ik had ook het magere meisje kunnen nemen, dat ter rechterzijde van jou dobberde, knielend op de zwembadvloer. Een spichtig kind, met een dunne, bijna doorzichtige huid. Maar dan zou ik het mezelf onnodig moeilijk hebben gemaakt.
Nee, ik moest jou hebben.
Vroeg je erom? Stond je daar expres je vlees te etaleren, in je neus te peuteren, opdat ik je makkelijk kon raken?

De schier oneindige tussentijd

Edith Piaf


We can never know what to want, because, living only one life, we can neither compare it with our previous lives nor perfect it in our lives to come.
Dit citaat, van Milan Kundera, kwam ik tegen in een verhalenbundel van Raymond Carver die ik had gekocht.
Het is een mooi citaat maar ik weet niet of het waar is. Ik denk dat we wel weten wat we willen, dat we heel goed weten wat we willen, maar dat de tragiek erin schuilt dat we inderdaad maar een leven kunnen leiden en dus nooit weten hoe het alternatief eruit had gezien. Als ik toen en toen niet zus en zo had gedaan, dan was ik nu niet huppelepup geweest. Had ik er niet beter aan gedaan als? Maar met Edith Piaf wil ik zingen (rustig maar ik zal het niet doen): non, je ne regrette rien, ni le mal, ni le bien. Het leven komt zoals het komt, door het tranendal en over juichende bergtoppen, en we moeten er in de tussentijd, de schier oneindige tussentijd, het beste van zien te maken.
Tegen sommige mensen zou je niettemin willen roepen: Neem ontslag! Of: Geef het op! Of: Ga dood! Of: scheid en zoek een andere partner! Of: laat je ombouwen! Of: laat je invriezen! Of: lees eens een boek! Of: hou op met schrijven! Of: knip je neushaar bij! Of: trek een latex pak aan, laat je in de kettingen slaan en afranselen door iemand die er verstand van heeft! Of: ga onder je bed liggen en verbeeld je dat het bed zich vergist! Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen. Maar ik zeg niks, want waar bemoei ik mij mede?

Een gevoel van ineenstorting



Frankrijk is ongelukkig zegt de politicoloog Dominique Reynié in een uitstekend artikel van Marijn Kruk in De Groene. Waarom? Omdat Europa's prachtigste land, waar de tijd lange tijd leek stil te staan en waar men zich die stilstand ook leek te kunnen permitteren, lijdt aan 'een gevoel van ineenstorting', en 'existentiële destabilisatie.'
Deels door eigen toedoen, uiteraard.
Wie giga-winkels bouwt voor de mensen, laat die mensen vroeg of laat meewerken aan hun eigen overbodigheid.
Het globale kapitalisme, dat uit is op schaalvergroting, kostenreductie en winstmaximalisatie, slaat harder toe in Frankrijk dan in andere landen. Daarin lijkt Frankrijk interessant genoeg meer op Amerika, net zoals Engeland meer op Amerika lijkt qua gebrek aan vangnet.
Vakbonden kunnen zand in de machine strooien, maar uiteindelijk hebben zij het antwoord ook niet. Zij willen de tijd opnieuw stil zetten, – en wie wil dat niet –, maar geldstromen laten zich niet stilzetten. Wie de boel stilzet, gaat verliezen.
Dan is er dus nog die extreemrechtse component: het aanwijzen van een zondebok voor de onvrede, de schuld leggen bij kwetsbare groepen, ook al ontbreekt hiervoor iedere logica.
Er is nog een specifiek Franse component: het elitaire. De Franse elite, het bolwerk van de enarques, is nog net wat elitairder. Die hebben jarenlang, decennialang hun neus opgehaald voor de zorgen van de provincialen en de marginalen en krijgen nu hun bekomst.
Is er hoop? Wel als je naar de revolutionaire strijdliederen luistert die de gele hesjes hebben voortgebracht: À nos souvenirs van Trois Cafés Gourmands klinkt mij toch vooral vrolijk in de oren (ook al doet de tekst moeite grimmig te zijn) en Les oubliés van Gauvain Sers nostalgisch. Fransen hebben geen talent voor grimmigheid; dat maakt ze juist zo aantrekkelijk.

Laat vuurloos vuurwerk


Eigen werk



Voor het voorleesontbijt in groep 3b waren vier ouders aangetreden, onder wie ondergetekende. 'Eén vader leest voor uit eigen werk,' zei de juf, ietwat verlegen. 'Mijn vader!' jubelde de zesjarige. Ik glom van trots. Mijn dochter glom van trots. De rest van de klas was niet zichtbaar onder de indruk.
Moest ik zenuwachtig zijn? Zenuwachtiger dan anders?
Ik beet het spits af. Ik dacht, bij een voorleesontbijt is de aandacht een schaars goed, maar beter als eerste die aandacht opslurpen. Deze veronderstelling bleek onjuist. De laatste voorleesouder kreeg ieders aandacht. Een kwestie van voordrachtskunst.
Toen iedereen zijn ontbijtje voor zich op tafel had uitgespreid, schraapte ik mijn keel – mijn handelsmerk – en begon aan De scheet. Iedereen was stil. Slechts een enkeling durfde te lachen, bijvoorbeeld wanneer ik scheet-geluiden maakte, wat, dacht ik, voor deze leeftijd toch wel om te lachen is. Ook de overige ouders hielden zich muisstil, alsof het een kerkdienst betrof, en dat was het natuurlijk ook. Voorlezen is het nieuwe preken.
'Dit is veel te lang,' dacht ik bij mezelf tijdens het lezen. En: 'Veel moeilijke woorden, niet te geloven dat ik dit heb geschreven voor mijn vijfjarige, vijf jaar geleden...' Maar goed, ik kon me troosten met de gedachte dat ik voorlas op verzoek van mijn dochter, die mijn voorstellen Rintje, Kleine Beer bij Opa en Oma en zelfs Varkentje Valentijn had afgewezen. Het moest en zou De scheet wezen.
Na afloop van de voorleessessies bleef het angstvallig stil. Niemand zei iets, ook de andere ouders niet. Nu is het altijd ingewikkeld om op iemands eigen werk te reageren, vooral als men er geen verstand van heeft en er nooit om gevraagd heeft, maar in dit geval was het misschien onmogelijk.

UB



Ik zit in de UB, herstel Library Learning Center, temidden van tientallen studenten, aan een tafel te, nou ja, studeren, met als achtergrondmuziek aanhoudend vogelgekwetter dat ergens van boven vandaan lijkt te komen. Vogelgekwetter waarvan je verwacht dat het tijdelijk zal zijn, dat die vogels naar verloop van tijd klaar zullen zijn met hun gekwetter. Maar nee. Overigens is het verder muisstil in de UB, ik maak denkelijk met mijn periodieke keelschraap nog het meeste rumoer.
Twee studentes komen aan mijn tafel zitten. Nu ben ik een getrouwde huisvader die zich volledig aan het laatkapitalistische burgerideaal probeert te houden (whatever this may entail), maar deze twee trekken mijn aandacht. Dat niet alleen, kennelijk trek ik ook hun aandacht, want onze blikken vinden elkaar nu en dan. Je kunt elkaar wel totaal negeren in een universiteitsbibliotheek, maar dan kun je net zo goed thuis in de kelder naast de aardappelen gaan zitten. De ene studente kijkt naar de andere, die dan weer naar mij kijkt, of omgekeerd. Een van die studentes heeft een subtiel, maar niet te verwaarlozen decolleté, een piepklein spleetje, dat je niet zou verwachten in de UB, maar misschien loop ik achter, misschien is uitgaan uit en is studeren het nieuwe uitgaan. Het enige verschil dat ik kan ontdekken verder tussen de UB dertig jaar geleden, toen ik studeerde, en de UB thans, zijn de koptelefoons en de mobieltjes en de laptops, maar die zijn 'dus' bijzaak.
Dan komt een kortgeknipte student in een oud-oranje pullover met een krokodilletje op de borst recht tegenover mij zitten. Hij klapt zijn laptop open en haalt zijn neus op. Hij pakt zijn mobiel en haalt zijn neus op. Ik lijd niet aan misofonie, of niet aan een ernstige vorm, maar ik kan me levendig voorstellen dat je woest wordt van zulk geluid, dat je de veroorzaker ervan zou willen vermoorden.
Ik moet vaker naar de UB.

Sonnetisten

Bertus Aafjes door Diana Huijts

Stiefelend over de K-gracht, – zonder rollator! – begint N. uit het niets Bloem te citeren. 'En dan: wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos ter grootte van een krant, een heuvel met wat villaatjes ertegen.'
Waar komt dat opeens vandaan? Dat weet ze niet. En ook niet hoe het verder gaat, behalve dan opeens dit weer: 'Alles is veel voor wie niet veel verwacht.' Een beroemde dichtregel, zover ben ik ook wel, en niet alleen dat, een behoorlijk goed adagium, vinden we. 'Daar zou de jeugd van tegenwoordig een voorbeeld aan kunnen nemen,' zegt N., en ik ben het roerend met haar eens – en niet alleen de jeugd, ook de volwassenen, en het meerendeel van de ouderen, en waarschijnlijk zouden ook de buitenaardsen en de ondergrondsen zich naar deze levenswijsheid moeten voegen.
Als we aan de lunchtafel zitten spuugt ze de rest eruit, dat laatste stukje dat nog ergens in de bocht van een hersenwindsel verborgen lag: Dit heb ik bij mijzelve overdacht, verregend op een miezerige morgen, domweg gelukkig, in de Dapperstraat.'
Wie schreven er vorige eeuw nog meer sonnetten? Ik kan niemand noemen behalve het wel erg makkelijke sonnet van Lucebert.
N. begint, tussen de muizenhappen door, opnieuw te citeren. 'Toen het herbegon, achter de grijze lijn der horizon, het bulderen goedmoedig der kanonnen...' en dan valt ze weer stil. Ik kan haar niet aanvullen. Dit gedicht zegt me niets.
Het is even stil. Dan kruipt weer een flard omhoog: 'Maar uit zijn jas, terwijl hij liggen bleef, bevrijdde zich het laatste wat hij schreef: liefste, de oorlog is nog niet begonnen.'
Bloem?
Neen. De laatste brief, van Bertus Aafjes. Nog een sonnetist.

Maar, waarom had ik ook alweer vijanden?



Terugkerend van mijn avondlijke wandeling, die iets langer was dan gebruikelijk (ik werd afgeleid door de sterren), kwam ik mijn huis niet meer in. De sleutel deed het niet. Ik wilde niet op het raam bonken en moord en brand schreeuwen; LT lag al in bed.
Ik ging op het gevelbankje zitten en dacht na, daarbij mijn telefoon tevoorschijn halend. Het komt nog maar zelden voor dat ik zonder telefoon nadenk, naar mijn telefoon staren en nadenken, lijken steeds meer samen te vallen. Veel levert het doorgaans niet op.
Ik stond op en probeerde het opnieuw. Had ik de sleutel niet per ongeluk verkeerd om gehouden, met de baard naar boven? Nee. Hij paste nog steeds niet. Ik lichtte het sleutelgat met mijn telefoon bij. Aha, mompelde Sherlock Holmes, er zat al een sleutel in, dat wil zeggen, het afgebroken deel van een sleutel. Onmiddellijk deduceerde Holmes hieruit, dat er twee mogelijkheden waren. 1. Een dronken buurman had zich vergist in de voordeur en had zijn sleutel en daarmee mijn slot vernachelt; 2. Iemand probeerde mij een loer te draaien, te benadelen, buiten te sluiten. Een vijand. Een vijand was mij gevolgd, of had in elk geval gezien dat ik aan de wandel was, en had vervolgens mijn voordeur gesaboteerd. Ja, dat moest het zijn! Maar, waarom had ik ook alweer vijanden?
Naderende voetstappen in de gang. Een schim bewoog naar de deur en keek met een oog door het smalle raam. De deur ging op een kier. 'Wat zit je allemaal te prutsen?'
'Mijn sleutel werkt niet, het slot is kapot.'
'O. Nou. Kom maar gauw naar bed dan.'
De volgende ochtend waren de felicitaties niet van de lucht toen het me lukte het afgebroken sleuteleindje met een piepklein zaagje uit het gat te trekken (een oude truc).
Later die dag kreeg ik een sms van LT: 'Het was mijn sleutel die is afgebroken.'
De teleurstelling van de voor de hand liggende verklaring. Zonder paranoïa geen literatuur, laat staan detectives.

Leeshuis





De zon scheen, ook in het Leeshuis. Ik stapte naar binnen, waar drie mensen aan een tafel zaten: een vrouw van middelbare leeftijd met een kogelrond gezicht, een jongere vrouw met golvend haar en een lange man die me op een of andere manier aan Gerard Depardieu deed denken. Een Nederlandse les was in volle gang. De voorpagina van Het Parool werd gespeld.
'Ik hoop niet dat ik stoor,' zei ik.
'Helemaal niet,' zei de vrouw met het kogelronde gezicht. 'Wilt u wat lezen?' Ze wees op de volle boekenkasten.
'Altijd,' zei ik.
'Dan bent u hier aan het juiste adres.'
Iedereen glimlachte. Het scheen me toe dat er in het Leeshuis dikwijls werd geglimlacht. Ik wierp mijn trilby aan de kapstok, schonk mezelf thee in, opende een koektrommel waarin bastognes zaten, verrukt uitroepend 'warempel nog koekjes ook!', greep Malcolm Lowry's Onder de vulkaan van een stapel, sloeg de beduimelde Bezige Bij-pocket open. Wat ik las viel me niet mee, wat mijn idee van dit boek als meesterwerk aantastte.
'Wat is beleggen, is dat hetzelfde als belegen? Als in belegen kaas?' vroeg de jonge vrouw met het golvende haar.
De docente corrigeerde haar. Even later wilde de Depardieu-lookalike, in wie ik een Amerikaan vermoedde, weten wat het verschil was tussen geslaagd en geslacht.
'Geslacht is your genitals,' glimlachte de docente.
'Wat is bescherming?' vroeg de jonge vrouw met het golvende haar.
'Protection. Wat je gebruikt om geslachtsziekte te voorkomen.'
Iedereen glimlachte. Ik stak het laatste stukje koekje in mijn mond, pakte mijn hoed en vertrok.

De gelukkige nihilist

Jacob Marrel

1. Alle menselijke activiteiten  zijn, vroeg of laat, een meer of minder omslachtige, meer of minder geslaagde vorm van tijddoding. 

2. Er is geen doel. We doen omdat we niet anders kunnen in het continuüm van tijd en ruimte. 

3. Het heelal beweegt zonder zin of betekenis. Het wordt geregeerd door het toeval, dat soms de neiging heeft samen te klonteren in betekenisvolle patronen.

4. Het leven wordt in bijna ieder opzicht beter maar dit heeft geen effect op het menselijk tekort. 

5. Mensen doen maar wat. Hun plannen en ongeneeslijke optimisme kunnen niet anders dan als aandoenlijk worden gekenschetst. 

6. Vrijheid is, net zoals zelfbewustzijn en liefde, wat wel wordt genoemd een vruchtbare illusie.

7. Een mens, als kluwen zenuwen, kan niet niet-voelen. Hij kan wel moeite hebben zijn gevoelens te uiten.

8. Pijn bestaat en gaat niet altijd over. Wel is het mogelijk meer en minder succesvolle strategieën toe te passen om de pijn te verzachten.

9. Genot dient in hoge mate te worden nagestreefd, zij het dat genot hevig onderworpen is aan inflatie. Afwisseling is het devies.

10. Alle bezit is ballast. Alleen natuur, kunst, werk (voor sommigen: sport en gastronomie), vriendschap en liefde kunnen, ook als illusie, een mens (of meerdere mensen) in extase brengen. Het besef dat dit tijdelijk is, hoeft weinig af te doen aan de intensiteit.

11. Drugsgebruikers en hevige drinkers spelen vals en moeten vroeg of laat voor hun valse spel betalen.

12. Geluk is in zoverre te vergelijken met de dood, dat de gelukkige voor even vergeet dat hij bestaat.

13. De mens is niet in aanleg uit op destructie. Destructie is een paardenmiddel. Veel, maar niet alle, destructie komt voort uit frustratie.

Dear Brand Loyalty,



Thank you for ruining my life.
It seems only yesterday that I was taking down the sustainable christmas tree and bringing it back to the place where my wife bought it, to be replanted so that it can grow again. Ain't that swell?
Were there any left overs from Christmas 2019? Oh yes. A little plastic global village, with global brands well represented. Cute? Very. Plastic? Even more so.
Mr. Loyalty, I want to thank you for your plastic. Very sustainable, indeed! I reckon your village will last another three thousand years, if it doesn't somehow land in a fireplace. Have you ever witnessed a plastic village melting in a fire? The scent...  makes me sentimental. It takes me back to my youth, Brand.
And who remembers the wonderful soccer cards you threw around not so long ago? I certainly do. Ari van Veenendaal! Every day I was picking up bits of paper, tear sheets from the cards – stickers really – that my kids were frantically collecting and that were even more frantically handed out by the beautiful girls your wonderful client Albert Heijn hires to sit at the register, but will soon make redundant by installing do it yourself cash registers (please give Albert my thanks for making people redundant).
Did I mention kids? Did I mention soccer cards? Where have I seen that combination before? This morning, in my living room. In the bedroom of my kids, their classroom. Brand, once more you have successfully infiltrated the lives of my kids where it matters most. You are ruining their sleep, and you are ruining their education and I love you for that.
Only this time you have included a soccer ball and a pump. Great idea! More fake leather and plastic, exactly what we needed in our house.
Every few months or so for the past couple of years we start all over again, – soccer cards -'moestuintjes' - fuzzy animals – and I want to thank you for that, Mr. Loyalty. I want to thank you for your reiteration, the basis of all influencing.
Brand, it's so wonderful how you ruin the concept of collecting, the concept of scarcity, the concept of freedom in the name of profit. Now my kids only want me to go back to the aforementioned Mr. Heijn, and that is exactly where you, Brand, want them – and me! – to be, to buy every plastic we can dream of.
I understand that you are happy.
Let me restate that: that you create happiness. (Because that's the business you're in.)
Happy with yourself.
Happy with engineering people.
Happy with the profits you make by making my kids and me do things that help your clients.
Good luck, Mr. Loyalty, and thanks again for your commitment to destroying the planet. We could never do it on our own.

Yours, till I die, etc.

Held



Maandagochtend, 9 uur, een man alleen aan een tafel in de studiezaal op de tweede verdieping van de Openbare Bibliotheek van Amsterdam. Hij is van pensioengerechtigde leeftijd, maar dat belette hem er niet van vandaag keurig gekleed naar zijn werk te gaan. Zijn fleurige, detonerende stopdas en zijn ietwat slordige geschoren kaak, verraden wellicht zijn status van alleenstaande. Hij schrijft in een ruitjesschrift, heel nauwkeurig, iets over uit een boek. Telkens als hij een regel af heeft, onderstreept hij die met een meegebrachte lineaal. Naast hem op tafel ligt een woordenboek. Grieks? Hij kijkt even op, en werpt mij over zijn bril een sceptische blik toe. Ik doe net alsof ik op mijn telefoon bezig ben; dit ben ik trouwens ook, ik maak deze notitie in de notitie-app. Een schrijver is een amateur spion zonder C. De man werkt verder. Ik kan niet weggaan zonder te checken of hij Grieks leert. Ik veins interesse in de stripboekbakken  en stel me op achter een pilaar. Nu valt me op dat er een rugzakje bij zijn voeten ligt. Het woord Duits lees ik op de rug van het woordenboek. Moeilijk om iemand die met een Duits woordenboek in de weer is en er zo uitziet niet te associëren met de leraar Duits (Pierre Bokma) uit Rundfunk, of Wim de Bie's oud-leraar Duits O. den Besten. Ik stap iets dichterbij. Ik zou de man kunnen wurgen als ik zou willen, maar ik heb geen draad bij me. Wat zie ik in zijn schrift? Chinese karakters. Aha, een Chinees-Duits woordenboek. Nu kantelt mijn beeld van deze student. Van een wat betreurenswaardige zonderling, groeit hij uit tot held. De enige die weet waar hij bezig is.

Schoonheid

Vincent van Gogh

'Wat heb je spuuglelijke schoenen aan,' zegt lieftallige.
Sinds gisteren draag ik tennisschoenen die ik in de schoenenla heb gevonden. Ze leken me prettig om op te lopen, mede gezien een knie die opspeelt de laatste tijd. Het zijn grote gevallen, maar dat is de schuld van de schepper. In de neus zit een raster van gaatjes. Aan de zij- en achterkant zit een blauwe rand.
Nikes.
'Ze zijn zo lelijk dat ze weer mooi worden,' probeer ik.
'Nee, ze zijn en blijven lelijk.'
'Jij hebt ze voor me gekocht, kan ik me herinneren.'
'Om mee te tennissen.'
We zijn op weg naar een vernissage (alleen al om dat woord zou je er af en toe een moeten bezoeken) van de onvolprezen en aanbiddelijke portretschilder Jeannette Laros, die zojuist is toegetreden tot de KZOD, de oudste kunstenaarsvereniging van het land, als ik het goed begrijp, in de Waag in Haarlem. (KZOD staat voor Kunst Zij Ons Doel, nou dan weet je het wel.)
Jeannette haar man, zien we als we aan onze wijntjes nippen, draagt sneakers van het hippe soort.
'Kijk, zulke gympen kunnen wel,' zegt lieftallige, met een goedkeurend knikje.
'Wat vind jij van mijn schoenen? Vind je ze gewoon lelijk of zo lelijk dat ze weer mooi worden?'
Nog voor hij kan antwoorden, zegt lieftallige: 'Het zijn goedkope tennisschoenen.'
Als ze niets had gezegd, of had gezegd dat ze duur waren, had hij ze misschien wel zo lelijk gevonden dat ze weer mooi worden, maar nu vindt hij ze gewoon lelijk. Met name de gaatjes op de neus van de schoenen vindt hij niet geslaagd.
Even later ben ik bij mijn zus, wier smaakoordeel ik blind vertrouw.
Ik zwaai een van mijn tennisschoenen op tafel.
'Niet met de schoenen op tafel!'
'Maar wat vind je van mijn schoenen?'
'Ik heb niks met sneakers,' zegt ze.



Mislukte misantropie



Als ik aanbel bij de buurvrouw met de open gordijnen – ik zie haar zitten, met haar rug naar mij toe, op de bank – doet ze niet open.
Ik kom haar man, De Blinde Fotograaf, ophalen om hem op zijn verzoek te begeleiden naar de borrel van AtlasContact, zijn uitgever, op de Prinsengracht. Ik sputterde aanvankelijk tegen, onder het mom van 'wat moet ik op jouw borrel?' en: 'trouwens, ik ben een misantroop', maar hij wist me te vermurwen. 'Misschien kom je nog iemand tegen,' zei hij. 'Een leuke redactrice of zo.' Maar hij is niet thuis, realiseer ik me, hij zit op kantoor; ik zal hem tegemoet moeten reizen met de tram.
Eigenaardig: aanbellen en op twee meter afstand de aangebelde zien zitten die doet alsof er niet is aangebeld. Misantropie? Niet thuis geven was nog nooit zo doorzichtig, behalve in die cartoon die ik me herinner uit The New Yorker, waarin een echtpaar spontaan aanbelt bij vrienden, die zich achter de bank blijken schuil te houden.
Als ik Hannes 's avonds weer aflever na de borrel, – ik kwam inderdaad iemand tegen –, en bij de buurvrouw informeer naar haar afwezige reactie op de deurbel, zegt ze: 'Ik dacht dat het de bezorger was van een trui die ik had besteld maar die ik eigenlijk helemaal niet wil hebben.' Ze lacht. Ik vertel haar over de New Yorker cartoon. Daarop memoreert zij een verhaal van Carmiggelt, waarin een stel spontaan langsgaat bij vrienden die daar geen zin in hebben en ter plekke voorgeven dat ze op het punt staan op familiebezoek te gaan in Baarn. 'Oké, dan brengen we jullie wel even naar het station.' Het liegende stel laat zich naar het station brengen en op de trein naar Baarn zetten. 'Veel plezier en tot gauw!'

Drukke, rustige kunst



Ik kende het drukke werk van Willem van Genk al uit de vaste tentoonstelling in het Haarlemse Dolhuys, maar bij de hernieuwde kennismaking met zijn werk in het Outsider Art Museum in de Hermitage werd mijn aandacht getrokken door één rustig werk van hem, een zeer rustig werk, mogen we wel zeggen, bekend onder de titel Bomenlaan, waarmee niets te veel is gezegd (zie boven).
Jammer dat er noch in de catalogus bij de tentoonstelling, noch in de begeleidende teksten bij het kunstwerk wordt ingegaan op de vraag wat Willem van Genk bezielde toen hij dit schilderde.
Immers, in dit tafereel niets van wat zijn andere werk zo 'druk' – en volgens W.F. Hermans 'huiveringwekkend mooi' maakt: spoorlijnen, treinen, stations, schreeuwende (reclame-)teksten, gebouwen, mensenmassa's, chaos, verontrustende taferelen, kortom: de stad. Van Genk was op dit schilderij even de stad uit. Zijn daar genoeg prikkels? Misschien niet, ben ik bang. Misschien was Bomenlaan alleen maar een oefening in perspectief.
Ik werd getroffen door een funfact uit de beknopte biografie in de catalogus. Van Genk, de jongste van tien kinderen (hij had negen zussen), die dus niet wilde deugen – hij kon niet mee op school in Den Haag – kreeg bijzondere rekenles van zijn vader. Pappa Van Genk leerde Willem 'fysiek' optellen. Dus: twee klappen plus drie klappen is hoeveel klappen? Ik ga dit op mijn kinderen uitproberen.
Een onderbelicht aspect lijkt me zijn fetisjisme voor nepleren regen- en gestapojassen, die in sommige installaties plotseling opduiken, en zijn (hiermee samenhangende?) min of meer onderdrukte homoseksualiteit.
Hoog tijd dat er eens een diepgravende biografie verschijnt over deze bezeten, hoogst originele kunstenaar.

De Groene Afslag



Het terugbrengen van de duurzame k-boom was een doorslaand succes, met dien verstande dat we de boom zoals afgesproken levend hebben ingeleverd bij De Groene Afslag in Laren. Toch een eindje met de auto. Als die 100 gram CO2 uitstoot per kilometer, hebben we al met al 6 kilo van die troep de lucht in gepompt. Daar staat tegenover dat we een boom terugplanten; althans het is ons beloofd dat iemand anders dat voor ons doet. Ik stel bij deze voor een Galerij voor K-Boom-terugplanters op te richten, al is het maar online, zodat er voor ons terugplanters, afgezien van het statiegeld, ook nog wat eer aan te beleven is.
De Groene Afslag. Leuk, volgens lieftallige, 'omdat ze een hele lieve hond' hebben, en die kwam ons ook bij aankomst tegenmoet gerend, een groot wit geval, dat echter onmiddellijk in de modder ging liggen, met de poten omhoog, en daarna werd afgevoerd om te worden gewassen.
Dan maar consuminderen in de eetzaal. Dat betekent dan nog altijd veggie bitterballen met mosterd, en gember- en muntthee voor ons, maar wel limo voor de kinderen in plaats van flesjes grootkapitalisties suikerwater. Zo kun je de dingen afstrepen. Ik las dat Babette Porcelein, die van De verborgen impact, thuis thee zet met afgemeten porties kokend water, en alleen functioneel doucht. Dat laatste gaat ons zeker niet lukken, niet in de wintermaanden, niet wanneer de behoefte aan troost het grootst is. En hoe zit het met samendouchen, Babette, is dat functioneel? Misschien niet, maar wel gezellig.
Er klonk muziek in het restaurant en ik ben een groot liefhebber van muziek, maar deze muziek, rustig meanderende, steeds weer oplossende en nooit spanning opzoekende pianoklanken, die je eerder tijdens een massage bij de sauna zou verwachten dan in een restaurant waar de wereld (desnoods door revolutie) moet worden verbeterd, maakte in mij de massamoordenaar wakker.
'Nog even deze klanken en ik ga een bijl zoeken om alles kort en klein te slaan,' zei ik.
'Oké. We gaan.'

Statistisch stokpaardje


Damien Hirst: Second-series-biopsy-m132655

'Het wachten is op de eerste leeftijdgenoot in mijn omgeving met kanker. Dat is gewoon een statistische werkelijkheid. Een van mijn vrienden krijgt binnen afzienbare tijd kanker.' Ik zit op de bank bij Nieuwe Vriend P. We drinken cocktails. Ik berijd mijn statistische stokpaardje. 'Ik bedoel, de hartaanval hebben we gehad. Het wachten is nu op een gezwel, bij iemand, ergens.'
'Leuk dat je er bent,' zegt Nieuwe Vriend P.
'Het is een kwestie van statistiek. Rond onze leeftijd krijgen veel mensen kanker. Dus de vraag is, wie mag eerst.'
Een paar weken geleden dacht ik dat ik dat was. Midden in de nacht werd ik wakker met onverklaarbare (lees: zonder duidelijke aanleiding opkomende) pijn in mijn gewrichten en op vreemde plekken in mijn botten (bij de wortel van mijn neus bijvoorbeeld). Wacht eens even, toch geen... (tromgeroffel)...botkanker? Ik spring uit bed en haast me naar mijn computer om de symptomen op te zoeken. En verdomd, ze komen overeen, maar het waren niet  a l l e   symptomen en na een paar dagen was in elk geval de botpijn in mijn neuswortel verdwenen. (Bekkenslag.)
'Botkanker stelt weinig voor,' brengt Nieuwe Vriend P. in overweging, terwijl hij aan zijn cocktail nipt.
'Afgelopen weekend at ik bij vrienden, en vrijwel meteen bij binnenkomst viel mijn oog op het vlekje op het linkerooglid van de gastheer. Ik dacht: niet over beginnen. Maar na een tijdje zei ik: Dat vlekje is me nooit eerder opgevallen. O, dat is een litteken van lang geleden, zei hij, een vriendje van me schoot een pijltje op me af en dat kwam in mijn oog. Vandaar. Ik zou er even mee naar de huisarts gaan. Je weet nooit. Maar goed. huidkanker is zo erg nog niet.'
Nieuwe Vriend P. begs to differ. 'Huidkanker vreet zich, nee slaat zich als een soort slang naar binnen om alle mogelijke organen aan te tasten.'
'Dank je. Ik heb er weer een angst bij.'

Het Uitmesten der Ouderlijke Boekenkasten (III, en nu houd ik echt op)



Ik ben OK, jij bent OK. En: Wie is van hout? Twee psychiatrische klassiekers tegen wier brede rug ik mijn hele jeugd heb aangekeken, zonder ze uit de kast te trekken en ter hand te nemen. Bij de eerste titel dacht ik als puber: Oké, als we allebei OK zijn, waarom zou ik dat boek dan lezen? Where's the drama?
Het antwoord op de vraag in de tweede titel meende ik ook al te weten. (Ikzelf, en dat probeer ik middels ochtendgymnastiek en dergelijke juist een beetje te verminderen.)
Ach ja, jaren zestig psychiaters... Ontroerend hoe psychiaters toen, zou je kunnen zeggen, ineens de geest kregen. Ze zagen mogelijkheden... Maar de praters werden ingehaald door de pillen, en de trippers werden teruggefloten door de tuchtcommissies. Inmiddels krijgen psychiaters weer de ruimte om van alles te beweren, maar het idealisme is er vanaf.
Welke boeken heb ik  w e l  gelezen? Minder dan ik had gehoopt. De blikken trommel, cadeau gedaan door Medische Broer, zie ik. Dezelfde broer die eerst mij en daarna ook mijn ouders verrijkte met het werk van Louis Ferdinand Céline (werk dat bij mij insloeg als een bom). Hoe kwam hij daaraan? Maar ook een titel als Van geluk gesproken door Marijke Höweler, zo'n boek dat iedereen gelezen had, maar waar mij niets van is bijgebleven behalve dan dat deze umlautgenote een prettig ironische schrijfstijl had, wat je niet van alle schrijvers in de ouderlijke boekenkasten kan zeggen.
Het meest tot de verbeelding sprekende boek dat ik ben tegengekomen, is Het bloedend hart van Marilyn French. Terwijl mijn vader steeds meer opschoof naar de non-fictie, zoals zoveel mannen (daar zou eens een studie naar moeten worden gedaan), las en leest mijn moeder de ene na de andere roman, en deze las ze volgens mij stuk. (Letterlijk. Ze heeft hem nog met tape proberen te redden. Daarom verhuist hij mee.)
De eerste scene die ik me nog zo goed herinnerde, namelijk die waarin een vrouw in een treincoupé zit en zwijgend een man mee naar huis neemt om hevig met hem de liefde te bedrijven, blijkt, zo lees ik al meteen in de eerste zin, een droom te zijn.
Jammer.

Het Uitmesten der Ouderlijke Boekenkasten (II)



Opmerkelijk: mijn vader blijkt te beschikken over 2 (twee) werken van science fiction, beide verschenen in de Zwarte Beertjes reeks. Er gemakshalve van uitgaand, dat mijn vader die niet meer zal herlezen, heb ik ze op de stapel 'Viktors Voorschot op de Boekenerfenis' gelegd. Ik verheug me er nu al op.
Van de serie Dichters Omnibus tref ik diverse deeltjes aan. Gedichten van gevestigde namen en jonge poëten, gesponsord door ESSO. Uitkomend in de jaren vijftig in flinke oplages, maar uiteindelijk in mijn geboortejaar een stille dood stervend. Poëzie en benzine, ik vind het een mooie combinatie. Mag ik langs deze weg Shell verzoeken om mijn werk te sponsoren? Ze kunnen wel wat goodwill gebruiken. Ik beloof dat ik mijn personages bij jullie zal laten tanken.
Ook leuk: boeken die ik aan mijn ouders heb gegeven (vrijwel) ongelezen terugvinden, zoals een tweedelige Engelstalige kunstencyclopedie die ik, herinner ik me, een keer bij De Slegte had gescoord en waarmee ik vooral indruk wilde maken, denk ik. Die zware banden hebben vermoedelijk een kwarteeuw voor niets op een plank gestaan, hebben ruimte ingenomen, stof verzameld, maar verteerd zijn ze nog lang niet.
Met enige trots stel ik vast dat mijn vader als jonge huisarts vroege drukken van het werk van Reve, Hermans, Mulisch, Wolkers, Lampo, Vestdijk, etcetera, in zijn kast had staan, maar ook bijvoorbeeld, Gangreen I en Gangreen II. 'Van wie is dat ook alweer?' vraagt mijn vader. 'Jef Geeraerts.' 'O ja.' Daar houdt volgens mij de herinnering van mijn vader aan dat controversiële Vlaamse meesterwerk op, maar toch.
Eindelijk ben ik klaar met de zware selectie. Twintig procent van de collectie heeft het overleefd. Ik word beloond met een glas wijn. 'Ik mag van geluk spreken dat ik ouders heb die lezen,' roep ik naar mijn moeder in de keuken. 'Je moet er toch niet aan denken op te groeien in een huis zonder boeken. Dan kun je net zo goed dood zijn.'

Het Uitmesten der Ouderlijke Boekenkasten (I)



Mijn ouders gaan op kamers en ze nemen mee: boeken. Maar niet alle boeken. Aan mij de schone taak om een selectie te maken.
Mijn moeder heeft een Billy-boekenkast gekocht – een kleintje ook nog, waarmee ze wil aangeven hoe streng de selectie moet worden.
'Waarom koop je geen echte boekenkast?'
'Hoezo? Nee, ik vind deze lekker strak, ik hou niet van allerlei frutsels en tierelantijnen.'
De cirkel is rond: toen ik op kamers ging hielp mijn moeder (denk ik) mij met mijn Billy, nu help ik haar met de hare; IKEA kan tevreden zijn.
Bij het uitmesten van de oude boekenkasten stuit ik op een verrassende hoeveelheid spirituele, neo-katholieke 'shit' (klinkt oneerbiedig, maar er schiet me even geen betere term te binnen), die erg gedateerd overkomt (een paradox, want de auteurs in de jaren zeventig en tachtig dachten ongetwijfeld dat ze tijdloze thema's behandelden), maar ook kleine parels. Mijn vaders vader, de koloniaal in Indië, bestelde in 1937, een boek over sterrenkunde. Dat liet hij in Dolok Sinoembah bezorgen – het bestelformulier zit er nog in. Dat mijn grootvader, terwijl hij zich overdag bezighield met suiker en palmolie, 's avonds en 's nachts, naar ik mag aannemen, zich verdiepte in de sterren, verandert mijn beeld van hem. Van mijn moeders vader, ir. Petit, is behalve het ex libris van de familie (zie boven, wie weet wat het uitbeeldt mag het zeggen), een uitgave van de PNEM, waar hij zeventien jaar directeur was, bewaard gebleven uit 1960, met een necrologie, waarin hij werd geroemd om zijn progressieve maatregelen. Hij noemde zijn personeel bijvoorbeeld steevast medewerkers en hield spreekuur. 'Voordat hij directeur werd, van 1919 tot 1922,' lees ik voor aan mijn moeder, 'werkte je vader onder andere bij een schoorsteenfabriek.' Daar kijkt ze van op. Ik ook. Ik wist niet dat er zoiets als een schoorsteenfabriek bestond. (Wordt vervolgd.)

Alternatieve jaarwisseling

Image result for stent


Voor het eerst is iemand in mijn vriendenkring, iemand van mijn leeftijd en levensstijl, getroffen door een hartaanval. De dood is weer een stap dichterbij gekomen. Vooral voor hem trouwens. Een sprong eigenlijk meer.
Het gebeurde op oudejaarsavond, maar de nacht ervoor was hij wakker geworden met iets vreemds in zijn borst. Was braaf naar de huisarts gegaan, die een hartfilmpje had gemaakt, waarop niets was te zien. Dat was dat, dacht hij. Maar rond half twaalf die avond voelde hij een hevige stekende pijn op de borst en in zijn arm. 'Ik dacht: dit is het. Het is voorbij. Dit ga ik niet overleven.'
Hij was alleen. Zijn vrouw was met de kinderen naar een feestje ver weg; hij liet de jaarwisseling zoals gewoonlijk graag aan zich voorbijgaan, maar dit keer ging dat hem niet lukken.
Hij belde 112. Een ambulance kwam. De ambulance-artsen dachten dat hij een paniekaanval had gehad, dat hij een pilletje had geslikt, dat hij gehyperventileerd had. Ze waren niet onder de indruk. Dus ze gingen weer. 'Ze hadden misschien ook niet zo veel zin heel lang te blijven.'
Twintig minuten later voelde hij opnieuw pijn op de borst en in de arm en opnieuw dacht hij dat zijn laatste uur geslagen had. 'Vreselijk. De eenzaamheid.' Weer belde hij 112. De ambulancebroeders kwamen, maar alleen nadat hij hen in verbinding had gesteld met zijn eigen huisarts wilden ze hem meenemen naar het ziekenhuis. 'Als mensen eenmaal in een spoor zitten, zoals in mijn geval dat van een paniekaanval, dan zijn ze daar niet zo makkelijk meer vanaf te brengen.'
Ook in het ziekenhuis, waar zijn vrouw zich inmiddels bij hem had gevoegd, waren de doktoren niet zo makkelijk te overtuigen, maar om half vijf in de ochtend bleek eindelijk onomstotelijk uit bloedonderzoek dat hij een hartaanval had gehad. Verscheidene.
Een dag later werd bij hem een stent gezet en nu voelt hij zich weer kiplekker, maar hij is wel de rest van zijn leven een hartpatiënt, met bijbehorende controles en medicijnen. Net zoals zijn vader trouwens.
'Ik zal helemaal moeten ophouden met roken. Roken is wel het stomste wat je kan doen. En wat meer bewegen, misschien.'
'Gefeliciteerd met de goede afloop,' zei ik. 'Ik ben blij dat je er nog bent.'

Verbrande foetussen



Ik had nog nooit oliebollen gebakken. Ik dacht dat dit niet zo heel ingewikkeld kon zijn, maar nadat ik het beslag had gemaakt en had laten rijzen, met dank aan de firma Koopmans, bleek wat de moeilijkheid was: de oliebollentang. Die had ik niet. 'Gebruik anders twee eetlepels,' zei Koopmans, maar dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het beslag liet zich weliswaar uit de beslagkom scheppen, maar bleef vervolgens aan de lepels plakken en belandde aldus gefaseerd in de hete olie.
'Laat je ze niet te lang in de olie zitten?' informeerde lieftallige, terwijl ze de tuindeur openzette tegen de stank.
Ik liet ze net zo lang in de olie zitten als Koopmans had opgedragen, maar ik moest toegeven, deze oliebollen leken niet zozeer op oliebollen, als wel op verbrande foetussen.
'Misschien moet ik ze weggooien,' zei ik, maar dat was ook zo wat; weinig dingen doen zo'n pijn als zelfbereid eten weggooien.
Ik besloot de gecarboniseerde foetussen eruit te vissen en de gebronzeerde foetussen mee te nemen naar het feestje op de woonboot.
Daar aangekomen zag ik dat er reeds een mand met oliebollen op tafel stond. 'Vanavond gaan er veel oliebollen weggegooid worden,' dacht ik. Meteen daarna dacht ik: dat is een Frits van Egteriaanse gedachte.
Mijn voorspelling bleek onjuist. De Italiaanse gasten op het feestje, vooral ook de gastronomisch onderlegde, bleken een voorkeur te hebben voor mijn bollen. Een vrouw hield er een in de lucht en zei: 'This is an artwork.'