De Heiland in het weiland


O Vaderlandje wat lig je er mooi bij, zo om zeven uur in de ochtend op een hete augustusdag, wanneer ik met mijn slaperige gezinnetje, zelf houd ik de ogen ook amper open, vanonder bij je naar binnen rijd! De zon, die langzaam tevoorschijn floept, als een gigantische eidooier, tegen een heiïg-blauwe lucht, maar vooral ook die dauw die in je weilanden ligt! Nee, niet de dauw, die dauw geloof ik wel, dat is gratis irrigatie, het gaat me om de mist, dat filmische spektakel, die laagbijdegrondse mist van je, misschien is dat toch je voornaamste karaktertrek Vaderlandje, dat je op zulke momenten (misschien wel elke ochtend om zeven uur op een hete dag in augustus, ik zal het niet weten), een toppop-effect verzorgt, een Ad Visser-Macbeth-Hitchcock-sfeerelement. Waarom? Gewoon, omdat het kan, Vaderlandje! En wat je daarmee bereikt: alle geheimen waarmee je je zompige gronden al eeuwen bedekt blijven heerlijk onzichtbaar, niemand hoeft er iets mee! Je verwacht op zo'n moment de Heiland, die als een jaren-zeventig discoster, een Bobby Farrell, met vetbehaarde blote borst en wijde pijpen, over het weiland langs de A27 komt aangeschoven (want je ziet niet dat hij loopt, zijn voeten zijn ondergedompeld in de nevel), maar wat is dat, hij struikelt over een anti-antistikstofbord van een of andere boze boer... We moeten nog even wachten op de Heiland; hij komt wel, maar niet vandaag, Vaderlandje, vandaag zijn de omstandigheden kennelijk nog steeds niet ideaal, maar het decor is er wel al, het veelbelovende decor... en wat heb je het schitterend opgetuigd, voor mijn terugkeer toch niet Vaderlandje? Had je verwacht dat ik het was die door die laagbijdegrondse mist zou komen aangebonjourd in mijn korte broek op een elektrische step? Dan moet ik je teleurstellen, ik wil maar een ding en dat is naar bed, het loket van mijn waarneming is aan het sluiten, de koffie waarmee ik mezelf de afgelopen uren heb wakker gehouden is uitgewerkt... maar als ik hier tegen de reling te pletter sla, wat die voornoemde Heiland, zo Hij heeft opgelet, verhoede, – want ik heb de Toekomst op de achterbank, Vaderlandje, dat kan Hij niet maken –, maar goed, mocht het toch gebeuren want ik vraag er zelf om Vaderlandje, zo gaat het nu eenmaal, je vraagt er altijd zelf om, dan is 'dus' mijn laatste beeld dat wat ik hierboven schets, inclusief ongeïdentificeerde landbouwmachine, en wat kan ik anders dan Je daarvoor eeuwig dankbaar zijn?

Kippen op vakantie

Suzette


Een huis met kippen. Daar hadden we voor getekend. En sapristi, bij aankomst zagen we twee eitjes liggen, bovenop het kippengaas-dak van het kippenhok. Een wat vreemde plek, maar misschien betrof het hier een lokaal gebruik. Toen ik ze raapte: ah, plastic. Fopeitjes. Deco-eitjes. Misschien om de kippen op een idee te brengen?
De rode heette Sécottine, de zwartgrijze Suzette en de zwart-rode Falbala. Meteen al vatten de kinderen een bepaalde aversie op, je zou ook kunnen zeggen vrees, voor Suzette. Racisme! Black Chicks Matter! Wat bleek, Suzette was even aaibaar als de anderen, sterker het meest aaibaar van allemaal.
De volgende ochtend vonden we op de plek die daarvoor was aangewezen, in de 'legkamer' van het hok, drie eitjes. Dat kwam goed uit, want dit familie-construct telt drie ei-liefhebbers. Gratis eten! Het wonder der agrarische reproductie.
Maar daarna werd het 'dus' stil.
Geen eitjes meer. Niet de dag erna, niet twee dagen erna, de hele week niet meer.
Lag het aan het voer? Camille, de propriétaire van het huis, een kinderboek-illustratrice die van briefjes met instructies houdt (die vind je overal in het huis), instrueerde dat kippen veel lusten, maar dat ze ook dood kunnen gaan van bijvoorbeeld chocola, en heel ziek worden van ui. Dat wist ik niet.
Maar we hadden ze geen chocola of ui gegeven. Alleen af en toe wat brood, en, dit blijf ik eigenaardig vinden, eierschalen van eerder legsel. 'Dit lijkt op ons nagelbijten,' trachtte ik deze vorm van ovofagie te disneyficeren.
Waren ze van de leg? Waren Sécottine, Suzette en Falbala zo geschrokken van ons, van onze stadse manieren, wellicht van het continu checken of er al eieren waren?
Hoewel ze af en toe blij kakelden, wat kan wijzen op vers legsel, vonden we nog steeds geen eitjes –  Teleurstelling alom. Wat nu? A., die zich nooit voor een gat gevangen houdt, kocht eitjes en legde ze stiekem in de legkamer. Trots kwamen de kinderen gisterochtend hun buit laten zien. 'Ze zijn nog warm, pap!' Toen keken ze wat beter. 'Wacht eens even, er staat een stempel op!'
'Dat heb ik gedaan,' probeerde A. zich er vergeefs uit te redden.
De elfjarige was zijn emoties maar net de baas.
Vandaag kwam de sympathieke vader van de propriétaire in korte broek langs om de CV te fixen. 'Verder nog iets?' vroeg hij.
'Eh... les poules ne donnent rien.'
Fluks sprong de gepensioneerde de kippenren in, stortte zich op zijn knieën en graaide in een struik. Eén ei. Twee eieren. Nog twee. Enzovoorts, tot hij er dertien geraapt had. Dertien eitjes! 'Hun geheime plekje,' verontschuldigde hij zich.


Moord in de Morvan (slot)



Het was vrijdagochtend, ik zat met mijn laatste Lucky Strike (de lokale Tabac verkocht mijn merk niet) in mijn onderbroek (of zelfs dat eigenlijk niet) achter mijn vooroorlogse laptop en probeerde te schrijven, maar waarover? 'Omtrekkende bewegingen' leek me een potsierlijk irrelevant werkje, een geval van navelstaarderij en strikt persoonlijke beslommeringen, waar, zoals dat zo treffend heette, 'niemand op zat te wachten'.
De zaak Van Lommeren dan? Ik had wat gemist. Ik had allereerst het dossier niet goed doorgenomen, of daarin op de verkeerde dingen gelet. Ik moest denken aan Herman Melville, die in zijn uitputtende, schoolse maar ook rebelse beschrijving van de potvis, de bruinvis en de blauwe vinvis en noem ze maar op, die wonderlijke walvisachtigen, tussen de bedrijven van het altijd weer meeslepende verhaal van Moby Dick door, één ding over het hoofd had gezien: zijn, of haar, gezang. Melville raakt niet uitgepraat over de anatomie, over de blubber, de olie, de balein enzovoorts, en zelfs aan de stank van een rottende walvis besteedt hij aandacht, maar geen woord over de muziek. Zou hij die nooit hebben gehoord? Ik heb die ook nooit gehoord. Wat je nooit hebt gehoord bestaat niet. (Sinds ik een zekere Kamal had ontdekt die van whalesong meditatieve muziek maakt, luisterde ik trouwens naar niets anders meer.)
Ségolène was overgebracht naar het ziekenhuis van Dijon met een schotwond in haar bovenbeen. Bert en Bart, de homootjes van de catering, lagen in kritieke toestand op de intensive care, maar ze waren nog niet opgegeven, nog lang niet. De bloedjes, en hun Nepalese omaatje/gratis nanny, die, slapende in het bijgebouw, helemaal niets van het geweld hadden meegekregen, waren zolang het onderzoek van de Europese tak van de FBI (die er zich mee bemoeide) duurde, overgebracht naar een hotel in Parijs.
Waar Suni was, wist niemand. Beveiligingscamera's en gps en wat niet hadden haar het laatst in een van de kasteeltorens gelokaliseerd, maar daarna was ze verdwenen. Haar hooghartige blik en dat ene glinsterende zal ik niet snel vergeten.
De hele vorige dag had ik op bureau doorgebracht, eerst met de pukkels van Daniëlle Hérault, daarna met een reeks andere agenten, steeds mannelijkere, steeds belangrijkere. Keer op keer gaf ik hetzelfde feitenrelaas. Voor een schrijver is het aantrekkelijk om te liegen, te verfraaien, te verdraaien, maar dit keer had ik er belang bij om iedere verdenking bij me weg te houden. 'Waarom heeft u de waarschuwingen en aanwijzingen van Arnold van Lommeren in de wind geslagen?' was een vraag die me nog lang achtervolgde. Omdat ik hem een connard vond, was het antwoord, maar dat zei ik niet. Een vraag die me op de lachspieren werkte, maar niet de rechercheurs belast met deze zaak, luidde of ik in drugs handelde. In een van de vleugels van het kasteel was namelijk een ketaminelab aangetroffen.
'Even samenvatten, monsieur Paul,' lachte mijn bevriende advocaat toen ik hem opbelde om verslag te doen van mijn bevindingen. (Als hij me bij mijn naam noemt weet ik dat er iets vileins aankomt.) 'Je hebt alles gemist.'
'Ik kan er niet om lachen.'
'Ik kan altijd lachen,' zei hij. 'Schreef jouw Melville niet, there is an esthetics in everything? Wel, er is ook hilariteit in alles. Je moet er alleen oog en distantie voor hebben.'

 

Moord in de Morvan (30)



Pas toen het weer helemaal stil was geworden, en de blauwige rook van de motoren was weggetrokken, durfde ik een sigaret op te steken. Dat doe ik vaker als ik iets van plan ben, en wil voorkomen dat ik prematuur in actie kom. Het is, weet ik inmiddels met mijn vierenveertig jaar levenswijsheid, beter te laat, dan te vroeg terug te keren naar een geschiedenis waarvan je eigenlijk geen deel wenst uit te maken.
In de verte luidde iemand een kerkklok. Dit hele grand guignol had waarschijnlijk nog geen vijf minuten geduurd. Een halve minuut van de poort naar het kasteel. Drie minuten top-top-top. Anderhalve minuut checken of je iedereen gehad hebt. Een halve minuut voor de aftocht.
Moest ik onmiddellijk 112 bellen?
Ik stapte in een rozentak die op de grond lag, een doorn werkte zich pijnlijk in mijn voetzool. Gelukkig werkte ik hem er gemakkelijk weer uit, maar er kwam een druppel bloed mee. Dat was de enige fysieke schade die ik zou overhouden.
Als om mijn onwillekeurige bezichtiging mogelijk te maken, floepte de zwembadverlichting aan. Ik greep naar mijn fluwelen jasje en wurmde mijn voeten in mijn tennisschoenen. Ik probeerde niet om me heen te kijken.
De beide broers dobberden nog steeds in het zwembad, maar nu zonder cocktail en genoegzame glimlach. Salman was verstrengeld met de hals van een leeggelopen eenhoorn. Karim hing over de rand van het zwembad, zijn ene arm leek zich uit te strekken naar zijn cello twee meter verderop, die geheel was doorboord. Niet alleen dat, er was over zijn strijkstok heen gereden.
'Aidez-moi.' Ik schrok zo van de stem die uit de richting kwam van de keuken van het kasteel, dat ik bijna in het zwembad kukelde. 'Aidez moi.' Nee, dit was Suni niet, dit moest Ségolène zijn, de sommelier, of een andere Francofoonse die ik had gemist. Ik sloop naar de keukendeur die wijd openstond, en wierp een snelle blik naar binnen. Een reusachtige, helverlichte keuken. Een enorme homp vlees op het aanrecht met een hakmes ernaast. Twee gemillimeterde mannen in hippe kookschorten (daaronder harige benen) met de opdruk Bouillabaisse. Een lag languit op de vloer, misschien was hij achterover gevallen, uit zijn stekeltjeshaar sijpelde een vloeistof die iets weghad van kersensiroop. De ander op zijn zij, alsof hij op de keukenvloer probeerde te slapen. Dit moesten de twee 'homootjes' zijn, zoals Ingrid de Waal ze noemde, Bert en Bart, die voor de catering waren ingehuurd.
'Ségolène?' fluisterde ik in de richting van de keldertrap. 'C'est moi, Paul Krom. Vous pouvez émerger.'









Moord in de Morvan (29)



Ik zag ze als eerste komen, denk ik, maar we moesten ze allemaal hebben gehoord. De crossmotoren die met een noodgang de toegangspoort van het kasteel penetreerden. De een maakte een wheelie, de ander had iemand achterop met iets langwerpigs in zijn of haar hand. Ik had er een slecht voorgevoel over. Ik wilde nog een kwinkslag maken, zoals ik zo vaak, ook op de meest onhandige momenten, kwinkslagen heb gemaakt, of heb willen maken, van: Karim, met dit achtergrondkoortje wordt het met dat cello concert van je nog lastig, of speel je iets van Stockhausen? en toen ik opstond om mij te verwijderen, mij definitief te verwijderen uit dit verhaal, wilde ik nog iets anders, namelijk zo vlug mogelijk uitvinden waar Suni was, waar ze toch bleef, wat was ze allemaal aan het doen, het was al laat op de avond, we hadden nog niets gegeten, de schemering viel al in, het moet dus tenminste een uur of half tien zijn geweest, de wind was eindelijk gaan liggen, de roodblauwe, met wattige slierten versierde lucht kreeg een onheilspellende connotatie (maar kreeg die alleen in het licht van wat er stond te gebeuren natuurlijk), maar goed, waar het om gaat – ik kom nauwelijks meer behoorlijk uit mijn woorden –: ik had Suni 'dus' graag mee willen nemen in mijn vlucht, ik had haar uit de torenkamer (de niet ingestorte, want daar bleek ze te zijn) aan haar bovenarm als een kind willen meeslepen, haar over de schouder gooien desnoods, want ze zou, haar kennende – maar hoe goed kende ik haar eigenlijk – zeker tegenstribbelen, maar daarvoor was het te laat. Ik werd geacht aan mezelf te denken. Niet dat ik daar niet al aan dacht, mogelijk te veel (het kon verklaren waarom ik tot dusver alleen was gebleven). Er was geen tijd om mijn jasje, dat ik net had uitgetrokken, mee te nemen. Ik begon 'gewoon' als een waanzinnige op mijn blote voeten (ik had mijn tennisschoenen familiaal uitgedaan met het oog op pootjebaden) te rennen in de richting van het bos. Ik kon met dat doel elke kant op rennen, maar mijn overlevingsinstinct stuurde me, dat zult u me vergeven, in tegengestelde richting van waaruit ik dacht dat de crossmotoren kwamen, die inmiddels door de weide reden. Ik koerste dwars door een bloemenperk en struikelde bijna over een speelgoedtractor die midden op het gras stond, maar wist de beschutting van de bomen te bereiken.
In het dichtbegroeide bos durfde ik mij niet om te draaien om te zien waarvoor ik wegrende, wat er aan de hand was bij het kasteel, wat ik hoorde zei me genoeg. Het gejank van de motoren, het slippen, het opnieuw optrekken, het gedempte top-top-top. Geen ontkurkte champagnekurken of iets uit een oorlog, maar het geluid van een ouderwetse fietspomp, daar deed het me nog het meest aan denken, die bij elke duw tegen de zuiger aan het eind van de buis tot stilstand komt. Werd er geschreeuwd? Niet door mij in elk geval, of ik heb het niet gehoord.
Met het zweet druppend in mijn ogen klom ik over een dikke boomstam. Hier voelde ik mij veilig, al kon het een schijnveiligheid zijn. Hoe dan ook moest ik bijkomen; ik heb een buik en een waardeloze conditie. Ik probeerde de hoestbui waarin ik uitbarstte te smoren in mijn elleboog, de tranen sprongen in mijn ogen, maar ik geloof niet dat ik mezelf daarmee heb verraden. Ik geloof niet dat iemand me heeft gezien. Waarschijnlijk hebben ze wel gezien dat iemand van het terras wegglipte, misschien zagen ze met behulp van een nachtkijker of verrekijker ingebouwd in hun integraalhelm (ik weet dat ze bestaan) zelfs mijn slappe vlinderdas, of voor mijn apart het litteken in mijn gezicht, mogelijk was dat mijn marker, maar als dat al dat al zo was, hebben ze me God en Allah zij gedankt laten gaan.

Moord in de Morvan (28)



Ik had mij teruggetrokken in de salle de bain van het kasteel, een vijf meter hoog kamertje met een piepklein raam, zogenaamd omdat er iets in mijn oog zat dat ik eruit wilde spoelen, maar in werkelijkheid was het weer eens tijd voor Paul Krom om te proberen zijn darmen in beweging te zetten. Sinds mijn missie in Frankrijk had ik een keer gepoept, maar men kon gevoeglijk aannemen dat dat nog Hollandse poep was. Ik was geobstipeerd, ongetwijfeld door de stokbroden die ik tot me had genomen, maar ook mijn verhaal zat muurvast. Mijn roman, 'Omtrekkende bewegingen', daarover waren weer ernstige twijfels gerezen, ik overwoog zelfs alles wat ik had te deleten, heen te zenden naar het digitale hiernamaals, maar dat was allemaal academisch, want ik had geen uitgever, laat staan een redacteur, dus daarmee was niets gewonnen of verloren. Veel nijpender deed mijn obstipatie in de affaire Van Lommeren zich gevoelen. Was er wel een affaire? Waarom liet ik mij zo gemakkelijk inpalmen? Wat wil de weduwe? Was het niet erg dom om zonder secondant op het diner te verschijnen – had ik niet desnoods Ingrid de Waal mee moeten nemen, of de politie, kom hoe heette ze, moeten verwittigen?
Ik perste wat harder.
Zut, het was al weinig chic van me om meteen al na het eerste glas champagne naar de wc te vluchten; er ook nog veel langer te blijven dan in alle redelijkheid mag worden aangenomen nodig te zijn, was gênant.
lk boog voorover. Met mijn kin op mijn fluwelen knie dacht ik verder aan wat Suni net nog gezegd had. Ze had voor het eerst over 'mijn man' gesproken, dat was opmerkelijk. Of niet? Ze had drie gasten aangekondigd, die de zaak alleen maar compliceerden, en die ik helemaal niet wenste te ontmoeten. Ze had meteen al Murat, mijn maat, aangeduid met de koosnaam Watson, dat had me al meteen moeten alarmeren. Hoe wist ze dat? Had ik dat haar verteld? Goed, ik had me voorgenomen open kaart te spelen, maar dat betekende niet dat ik als een hondje op mijn rug moest gaan liggen.
Ik stond op en keek naar mijn productie: twee keiharde keutels, ter grootte van een walnoot. Hm. Het enige voordeel was dat ik dan ook niet hoefde af te vegen, want er viel niets af te vegen.
Ik waste mijn handen grondig. Toen ik daarmee klaar was, wilde ik wat aantekeningen maken in een piepklein boekje, maar mijn vulpen bleek opgedroogd of gewoon leeg. Ik keek op mijn telefoon: drie berichten, voorzien van talrijke uitroeptekens, van Arnold van Lommeren.
Toen ik terugkwam, bleek Suni te zijn verdwenen. Salman en Karim, de broers, dobberden met cocktails in hun hand op opblaasbare beesten in het zwembad en keken mij aan als was ik een buitenaards wezen.

Moord in de Morvan (27)



'Waar is je Watson? Ik dacht dat je met je mede-researcher zou komen, voor de ahum broodnodige klankbordsessies?' Suni van Lommeren-Mahal zag er ravissant uit in haar crêpe changeant zwart-gouden lange jurk – met niets eronder dacht ik – en, vooral dat, haar korte koppie. Ze bleek rigoureus haar haar te hebben afgeknipt. Ik herkende haar bijna niet. Ze had iets van de jonge Isabella Rossellini.
'Covid-19,' zei ik. 'Milde klachten. Vooral hoofdpijn. Maar het leek hem, tweede golf enzovoorts, verstandiger thuis te blijven.'
'Heel verstandig,' lachte Suni, terwijl ze me voorging naar de hal. 'Heel verstandig! Ik was van plan in plaats van mondkapjes maskers uit te delen vanavond, dat leek me wel aardig, maar alleen als het gesprek doodvalt en we ons vervelen.' Op haar blote voeten trippelde ze over het natuurstenen pad door de reusachtige tuin, die er, droogte of geen droogte, buitengewoon weelderig bij stond. De kleuren en geuren waren zo overweldigend dat je dacht dat de schepper overdreef, dit kon heus een tandje minder. 'We drinken wat bij het zwembad, would you care to join us?'
Ik had opnieuw mijn fluwelen pak aangetrokken, deze keer was het vers gestoomd, en ik had er een bruine vlinderdas bij gevonden bij een vide grenier in Autun – zo'n slappe. In mijn binnenzak brandde mijn dodelijke vulpen, daar was het allemaal om te doen.
'Paul, old chap.' Salman kwam uit het niets op me afgelopen, strak in het pak. Zijn outfit deed hem op een financiële man lijken, maar dat was geen financiële man, hij was anesthesioloog, wist ik. (Misschien was hij beide.) 'Wil je meekijken hoe ik het wild prepareer? Of vind je het leuk om zelf te hakken? Ze hangt in de garage.'
'Sal, alsjeblieft, laat die man met rust,' zei Suni. Ze greep een wortel uit een grote bak rauwkost en beet er nogal luidruchtig een stuk af.
Ik streek langs mijn gladgeschoren kaak. 'Ik vind het heel interessant om te zien. Wie niet tegen de slacht kan, moet ook geen vlees eten.'
'Quite right!' gilde Salman. Zijn stem sloeg over van enthousiasme.
'Niets daarvan, Monsieur Krom blijft bij mij. Eerst wat drinken. Bovendien zou Karim een mopje cello spelen.' De kasteelvrouwe knipoogde naar me; ik vroeg me af of wie ze bespotte.
'Je vraagt je misschien af wie er nog meer komen,' ging ze verder, toen ik tegenover haar plaats had genomen en Salman was verdwenen. 'Wel, drie mensen die belangrijk zijn geweest in het leven van mijn man: zijn psychiater, zijn zakenpartner en zijn personal assistent.' Ze keek richting de keuken en floot onwaarschijnlijk luid op haar vingers. 'Waar blijft de sommelier? Ik heb speciaal uit Beaune een sommelier laten overkomen, die had zich allang moeten melden.'
Niet veel later schreed er een ebonietkleurige vrouw gekleed in een mantelpakje de tuin in. Ze stelde zich voor als Ségolène en zette een champagneglas voor mijn neus. Er klonk een uiterst beschaafde plop. Ze schonk me iets in uit een fles waarvan ik het etiket niet bij machte was te ontcijferen.


Moord in de Morvan (26)



Salman Mahal aan de telefoon. Of ik aanwezig wilde zijn bij het schieten van het wild. Welk wild? Het wild dat zou worden geserveerd overmorgen. Waarom zou ik daarbij aanwezig willen zijn, vroeg ik me af, maar ik stelde de vraag niet. Kennelijk was het voor Salman belangrijk mij te betrekken bij deze versheidsgarantie waarvan ik het bestaan niet afwist, noch had ik stilgestaan bij de noodzaak om wild te laten besterven. Ja, voegde hij nog toe, de jacht wordt een makkie want het graast sinds de lockdown vrolijk in de kasteelweide.
'Nee? Dan stuur ik wel een filmpje.' Hij had alweer opgehangen. Vanaf dat moment wachtte ik bij mijn laptop als een meisje bij haar telefoon. Terwijl ik het helemaal niet wilde zien, ik heb geen talent voor gruwelijkheden, ik bedoel het ondergaan ervan, het bezichtigen, het tot in detail waarnemen van het gruwelijke, het bloedige, het plastische. Ik heb het ook nooit willen beschrijven. Tegelijk word ik er door aangetrokken; weet ik, voel ik, dat dit ook een deel van het leven is, misschien wel het wezenlijke deel. Ook het stoere principe dat sommige carnivoren huldigen, namelijk dat ze alleen dieren eten die ze zelf hebben gedood zou ik kunnen verdedigen, hoewel ik te zwak ben om het ook toe te passen. Bij het doodklappen van een mot voel ik al iets van schuld en schaamte. Waarom hem niet galant naar buiten begeleid?
Murat schudde woest zijn hoofd en zei dat hij een stukje ging wandelen. Hij was geen vegetarier, Murat, nooit geweest ook, maar hij bleef, zoals de meeste van ons, liever verstoken van het geweld, industrieel of ambachtelijk, dat bij de vleesproduktie kwam kijken.
Door het hotelraam zag ik hoe hij over het plein liep met zijn handen in zijn zakken. Murat had al dagen dezelfde kleren aan, dat maakte hem niets uit, en mij ook niet, maar Ingrid de Waal had erop gestaan dat hij een pak aantrok uit haar kledingkast, en zijn baard enigszins fatsoeneerde. Dat vond hij allemaal best.
Even na middernacht, Murat was nog steeds niet terug, kwam de 'pling'. Met een vreemde opwinding, alsof ik iets illegaals deed, opende ik Salmans mail, 'KILL KILL KILL', klikte op het filmpje (met het geluid uit). Ik meende het bos rondom Chateau Prébendier te herkennen. Ik zag een hert in de verte snuffelen en daarna door zijn (of haar) benen gaan. (De lafheid van het pistoolschot.) De schutter kwam dichterbij en loste nog twee schoten, een in de borst van het dier, dat daarna schudde, alsof het rilde van de kou, en nog een genadeschot door het voorhoofd. Er was geen druppel bloed vergoten.

Moord in de Morvan (25)



Maar, heren,
een gek spaarde de man die moordenaar wilde worden voor de bloedige daad die hij in de zin had. Toch kreeg hij volledige wraak, en zonder zelf de wreker te zijn. Want door een geheimzinnige lotsbeschikking scheen de hemel zelfs tussenbeide te komen om de verdoemende daad die hij had willen verrichten uit zijn handen in de eigen handen te nemen.
'Zouden we niet een plan de campagne uitstippelen,' vroeg Murat verveeld. Hij lag op bed te duimdraaien; ik lag op bed te lezen, en het leek alsof alles in orde was, maar dit was beslist geen gekke vraag. Ik was zo verguld met de uitnodiging van de kasteelvrouwe, ik had nog nooit een uitnodiging mogen ontvangen, dat ik me steeds slechter kon concentreren op de 'task at hand'. Ik legde Melville weg, stond op en keek uit het raam. Was het mogelijk dat Arnold van Lommeren mij bespiedde, vanaf het pleintje hier voor het hotel, om te checken wat ik deed, of ik mijn werk wel deed? Zolang we te lang op onze hotelkamer bleven somberen, er, met andere woorden, te weinig 'actie' was van mijn kant, zou hij de geldkraan die hij via mijn bevriende advocaat had opengezet, stellig dichtdraaien. Ik zag een nogal sjofele man zitten aan een tafeltje. Hij zat een bord onduidelijke pasta te eten met zijn rugzak nog om. Voor hem lag zijn telefoon, waarop hij, zelfs dat kon ik vanaf hier zien, een spelletje deed. Was dit de zoon van de overledene? De man die vereeuwigd was door niemand minder dan Lucian Freud? Ik had dat schilderij noch de zoon zelf mogen bewonderen, dus ik tastte in het duister. Misschien moest ik zo langzamerhand maar eens de emails gaan beantwoorden.
'Wat is er over van je Trojaanse plan?' vroeg Murat. 'Je zou me toch laten bezorgen bij het chateau in een niet open te maken doos, van waaruit ik vervolgens de hele familie Mahal voor zolang het duurde zou afluisteren?'
Ik trok hard aan mijn sigaret en blies de rook het raam uit, richting de vermeende Arnold van Lommeren. 'Te bewerkelijk. We zitten niet in een of andere James Bondfilm. Het moet leuk blijven, dat wil zeggen, literair. Begrijp je dat?'
Murat voelde met zijn vingertop aan zijn bloedlip. De zwelling begon al af te nemen. Dat kwam goed uit, want als gast bij een diner verschijnen met een bloedlip, zou een verkeerde indruk wekken.
'Luister, Watson,' – Murat had er steeds minder bezwaar tegen om als Watson te worden aangeduid – 'ons plan is dat we geen plan hebben. We gaan dineren op het chateau, nemen alles op wat we zien, en rapporteren een en ander subito aan onze opdrachtgever.'
Murat lachte geluidloos. Hij streek door zijn baard. 'Als er dan nog iets te rapporteren valt.'

Moord in de Morvan (24)



Op de terugweg naar het hotel werd ik weer bijna van de weg gehaald door een gendarme. Niet zozeer omdat ik slingerde of zo, maar omdat ik er zo zonder helm en met mijn paarse pak uitzag als iemand die van de weg gehaald wilde worden. Eenmaal in mijn hotelhokje, een hokje met uitzicht op het centrale plein van Autun, het was een genot om eindeloos naar passanten te kijken, ging ik achter mijn laptop zitten, negeerde drie emails met onderwerpen in kapitalen van Arnold van Lommeren, en tikte als een bezetene aan mijn roman. Waar kwam die inspiratie vandaan? Ergens voelde ik dat ik al mijn bevindingen in het dossier Van Lommeren zou moeten boekstaven, maar in plaats daarvan vloeide de ene na de andere scène uit mijn vingers die misschien wel goed genoeg was om verbatim te worden opgenomen in 'Omtrekkende bewegingen' – de titel van mijn boek, mocht hij ooit verschijnen.
Nadat ik als enige eter in het hotelrestaurant een bord slappe friet had verorberd met een taai stuk vlees en iets dat voor groente moest doorgaan, gelukkig had ik niet bezuinigd op de wijn, liet ik mij uitgeput op bed vallen. Ik vroeg me af of ik mijn kamergenoot moest bellen om hem te redden uit de armen van de Nederlandse vertaalster, Ingrid de Waal. Nog voordat ik iets had besloten, viel ik in slaap. De volgende ochtend zat ik nog voordat ik was aangekleed alweer te tikken. Het leek of iemand me aan de hand meenam tijdens het schrijven, ik kende dat gevoel van lang geleden, toen ik nog 'succes' had, of wat daarvoor door moest gaan (succes betekende vooral dat je je allerlei vernederingen moest laten welgevallen ten bate van de marketing; alleen wie geen boeken verkocht, zoals ik, kon zich prettig blijven concentreren op het schrijven zelf).
'Waar ben je, wat doe je, amuseer je je nog.' Dat waren de vragen voor Murat, toen ik hem eindelijk aan de telefoon had. In plaats van antwoord te geven, sommeerde hij me in alle talen hem beschikbaar hem onmiddellijk te komen ophalen. Ik sprong op mijn motorfiets. Murat stond te zwaaien langs de weg. Hij had striemen op zijn armen, een zuigzoen in zijn hals en een bloedlip. Zijn haren en zelfs zijn baard zaten door de war, en zijn kleren leken in de alle haast aangetrokken. Ik hielp hem in het zijspan.
'Wat heb je tegen cette femme gezegd?' brulde hij. 'Waarom heb je me bedrogen, Paul Krom? Ik dacht dat ik je kon vertrouwen, maar je hebt me uitgeleverd aan de duivel!'
Ik had geen flauw idee waar hij het over had, maar iets in me zei dat het zinloos was om hem tegen te spreken. Dus ik zweeg en startte de motor. In het hotel, toen hij weer wat was bijgekomen, bracht ik hem het goede nieuws.
'Vriend,' noemde ik hem (en ik meende het), 'we zijn uitgenodigd bij de weduwe op het kasteel voor een diner ter gelegenheid van de sterfdag van Sweder van Lommeren.'
Hij keek me aan alsof ik hem een versnipperd honderd euro-biljet had overhandigd.

Moord in de Morvan (23)



Na de bezichtiging, die bar weinig had opgeleverd, bracht Salman mij terug naar het terras. Suni was in een taal die ik niet verstond aan het videobellen met een vrouw in, ik meen, Kathmandu, die wel een mondkapje droeg, en ook een hoofddoek trouwens. Er werd weer veel gelachen; naar de aanleiding van de hilariteit kon alleen worden gegist. Ik dacht dat het om mij ging, als mensen lachen in mijn omgeving denk ik dat het om mij gaat, en misschien gaat het vanaf dat moment ook om mij; zeker weten doe je het nooit. Even overwoog ik Salman, die geen aanstalten maakte om mij alleen te laten, om voor mij te tolken. Toen verbrak Suni opeens de verbinding en schonk mijn pernod bij. 'Monsieur Krom, zit, zit, vertel mij over die roman van je die nergens naar toe gaat.'
Ik probeerde te glimlachen maar het was een vermoeide glimlach. Ik knoopte mijn jasje open en ging zitten. 'Heb je er bezwaar tegen dat ik rook? Ik kan niet over mijn werk praten zonder te roken.'
'Mijn broers roken alles wat maar te roken is dus je gaat je gang maar.' Suni lachte haar imperfecte tanden bloot en ik moest denken aan de vermeende biologische functie van dat gebaar: laten zien dat je niets kwaad in de zin hebt. Waarom lachten wolven niet? Waarom lieten die hun tanden zien om te dreigen? Suni gebaarde naar Salman om een asbak, waarop deze prompt terug het kasteel in beende.
Ik stak een Lucky Strike op. 'Wat wil je precies weten over de roman die nergens naar toe gaat?'
'Waar gaat hij heen?' Ze lachte opnieuw. Er werd veel gelachen hier ten kastele, misschien iets te veel, naar mijn smaak.
'Dat weet ik pas als hij af is,' zei ik.
'Zolang je schrijft heb je geen idee.'
Ik schudde mijn hoofd. Hoewel ik geen steek verder kwam met mijn research, en me misschien zelfs een beetje zorgen moest maken over mijn veiligheid, voelde ik me op mijn gemak. Dat kwam door de drank, de sigaret, de weduwe die anders bleek te zijn dan ik me had voorgesteld. Een vrouw van vlees en bloed die niet bang was om haar schaamlip aan een vreemde te flaunten.
Ik besloot haar eens een vraag te stellen. 'Waar moet een roman volgens jou naar toe gaan?'
Ze haalde een hand door haar. 'Naar de dood natuurlijk, waar anders?'


Moord in de Morvan (22)



'Salman, would you be so kind to show mr. Krom around the chateau?'
Suni zei het zonder op te kijken van haar telefoon. Ze had een rode moccasin uitgeschopt en haar voet opgetrokken en onder haar billen gevouwen, mij een blik gunnend niet alleen op de rug van haar voet, waar een tatoeage zat (op die plek had ik er niet eender een gezien, maar toegegeven, zoveel voeten zie ik niet), die nogal leek op die van de autopsiefoto van ir. Van Lommeren, maar ook, dankzij haar door deze houding strakgetrokken ondergoed, op een flard van een glinsterende schaamlip. Basic Instinct was er niets bij. Was deze weduwe een exhibitionist, of viel ik ten prooi aan mijn eigen voyeurisme? En trouwens, k o n  dit eigenlijk nog wel, verhaaltechnisch en anderszins?
Salman gaf geen antwoord. Lui kwam hij omhoog uit zijn stoel, en gebaarde mij met zijn golfclub hem te volgen. We passeerden het maanvormige zwembad, waarin twee glanzend bruine kindjes ruzie maakten. Een ervan leek mij een nogal groot hoofd te hebben, maar ik heb geen verstand van kinderen. Ik dacht: hoe kunnen de Van Lommerens een eindtijd-fatalisme hebben omarmd, als ze zichzelf hebben voortgeplant? Het was niet zo raar dat ik dit dacht, want mijn vrijheid om te doemdenken was precies de reden dat ik mezelf niet had voortgeplant (dat, en dat ik geen geschikte kandidaat had gevonden). Wie een kind op de wereld zette kon onmogelijk volhouden dat diezelfde wereld onverbiddelijk op zijn einde afstevende, ook al buitelden de argumenten voor zulk pessimisme heden ten dage over elkaar heen.
Met piepende tennisschoenen volgde ik Salman door de koele gangen van het kasteel. Ik hoorde iemand ergens cello spelen. 'Dat is Kadir, mijn broer. Hij oefent,' lachte Salman. 'My sincere apologies.' Hij zou zich in de kasteeltoren bevinden waarvan de spits was ingestort, en om die reden konden we hem niet bezoeken. Te gevaarlijk. Hoe kwam het eigenlijk dat die spits was ingestort? 'Een mislukt experiment,' zei Salman. Hm. Zo kon je alles wel verklaren.
Alleen in de zaal met de reusachtige schouw, de haard was zo groot dat je er met gemak rechtop in kon staan, hingen wat schilderijen. Landschapjes. Die waren van de hand van Suni. 'Vindt ze leuk om te doen. Een kasteelvrouwe verveelt zich ook wel eens.'
Toen ik nogal lang bleef kijken naar een gouden vaas die nogal eenzaam op een zuil bij het raam werd tentoongesteld, lachte Salman: 'Geen vaas. Een urn. Bevattende de resten van Sweder van Lommeren.' Met zijn golfclub deed hij net alsof hij het ding van zijn zijn sokkel zou slaan.

Moord in de Morvan (21)



'Welk schilderij?' Ik was nu al licht in het hoofd van de pernod, die pernod dronk makkelijk weg, even makkelijk als frisdrank eigenlijk. Vanuit mijn ooghoek zag ik dat Suni mijn telefonische intermezzo had aangegrepen om ook maar eens haar eigen telefoon te bepotelen.
Mijn telefoon voelde heet aan, alsof de stoom die uit de oren kwam van mijn gesprekspartner in Nederland (mocht ik aannemen) tot aan mijn oor in de Morvan reikte. 'Heb je het dossier eigenlijk wel doorgenomen, Krom?'
'Jawel, Arnold.' En ik wou dat je me eens met rust liet, wilde ik toevoegen, maar hield me in. Ik werd afgeleid door een man die vanachter een van de kasteeltorens tevoorschijn kwam met een golfclub in zijn hand. Dat moest een van de broers van Suni van Lommeren zijn. Hij keek licht geamuseerd uit zijn ogen, misschien omdat ik overdressed was voor de gelegenheid. Zelf droeg deze dertiger een korte broek en een lichtroze polo-shirt. Aan zijn linkerhand een hagelwitte golfhandschoen.
'Het gaat om een levensgroot portret van mij als tiener. Geschilderd door Lucian Freud,' klonk het aan de andere kant van de lijn, ietwat nasaal, alsof hij verkouden was.
Dat meen je niet? wilde ik zeggen, maar alweer lukte het me mijn woorden in te slikken. 'Wat wil je dat ik doe?' zei ik in plaats daarvan.
'Kijken waar ik hang... Of ik er nog hang. Misschien hebben ze het portret verpatst. Dat zou me niets verbazen, maar ik ben het op nog geen veiligsite tegengekomen. Het is van mij. Het is mij door mijn vader toegezegd. Net zoals de Pollock in de slaapkamer.'
Opnieuw slaagde ik erin mijn verbazing ('Een Pollock? In de slaapkamer?') voor me te houden. Er stond mij helemaal niets bij van een schilderijenverzameling, maar het zou me niet moeten verwonderen. De rijken stoppen hun geld al zolang ze rijk zijn in stenen en kunst, ook en juist de rijken die rijk zijn geworden van zulke abstracte grootheden als crypto-valuta. Het is ook een van de vele cynische waarheden in de moderne kunst-markt, voorzover ik kon beoordelen, dat zij die er het meeste geld voor over hebben, dikwijls de grootste cultuurbarbaren zijn. Maar misschien sprak ik voor mijn beurt.
De man met de golfclub was mij gepasseerd, thank god. Op meer dan anderhalve meter ook nog.
'Luister, Arnold, ik moet dit gesprek afronden... Bedankt voor je betrokkenheid. Ik zit er bovenop. Als ik iets heb, laat ik je weten. Aju.'
Toen ik, mijn telefoon op stil zettend, terugliep naar de kasteelvrouwe, zag ik dat de man met de golfclub op mijn stoel was gaan zitten.








Moord in de Morvan (20)



We zaten aan de pernod, Suni en ik, op het terras bij de, zo te zien weinig bespeelde, tennisbaan. Er was ook nog een terras bij het zwembad, maar daar waren de kinderen aan het spetteren (onder toezicht van een – Nepalese – nanny). De broers lieten zich niet zien. De moeder hield niet op met maaien; mijn komst was niet van dusdanige importantie dat ze haar zeis, al was het maar voor een begroeting, zou neerleggen. Suni zei dat ze geen woord Engels sprak. Suni daarentegen sprak uitmuntend Engels; Amerikaans Engels om precies te zijn, wat niet verwonderlijk mocht heten aangezien ze aan Yale medicijnen had gestudeerd.
'Ik wist niet dat moslims pernod dronken,' zei ik.
'Jij weet helemaal niets van moslims,' zei Suni.
Ik moest haar op dit punt gelijk geven. Ik wist ook niets over moslims. Ik had geen moslim-vrienden, Murat kon moeilijk een vriend worden genoemd. Ik wist ook niets over Nepal trouwens, bezijden een aantal clichés, zoals dat Nepal een ministerie van geluk heeft, of in elk geval erg hoog scoorde op het gebied van geluk (whatever that may be), hetgeen overigens niet helemaal strookte met dat andere cliché, dat vrouwen in Nepal (en India, for that matter), niet erg gelukkig leken, misschien omdat ze doorgaans, soms op zeer jonge leeftijd, werden uitgehuwelijkt.
'U bent toch niet uitgehuwelijkt?' zei ik. Misschien was het de pernod, dat ik me nu al, zo vroeg in de interrogatie, zulke milde brutaliteiten veroorloofde.
Ze lachte besmuikt maar zelfs in haar besmuiktheid school een zekere verleiding. 'Mijn moeder wilde een betere toekomst voor mij dan ze zelf had gehad, maar dat wil elke moeder, als zij van haar kinderen houdt.' Suni's bloemetjesjurk wapperde in de zomerwind. Mijn ogen vielen op haar handen die de fles Pernod omhelsden. Beschaafde, verfijnde handen; handen die nog nooit hadden gewerkt. Ik zocht naar een trouwring aan haar vingers, maar ze droeg alleen een grote steen aan een ring om haar wijsvinger, een detail dat niet anders viel te omschrijven als sexy.
'Waarom komt u niet ter zake,' vroeg Suni van Lommeren. 'U bent vast gestuurd door Arnold.'
Precies op dat moment ging mijn telefoon. Ik keek. Een onbekend nummer. Ik verontschuldigde me, stond op, liep een stukje over het terras tot ik buiten gehoorsafstand was, en zei: 'Zeg het eens.'
'Heb je haar al naar het schilderij gevraagd?'

Moord in de Morvan (19)



Voor mijn bezoek aan/ inval bij Chateau Prébendier had ik mijn paars fluwelen pak aangetrokken, hetzelfde pak waarin ik twintig jaar geleden debuteerde als veelbelovende, nou ja, veelbelover. Dat had ik 'dus' niet meer aangehad. Het zat wat strakker om mijn middel, en hier en daar had een mot kans gezien om er een gaatje uit te eten (het was nieuw voor mij dat motten ook van fluweel houden, maar there you have it). Voor de zekerheid – op mijn leeftijd denkt een mens veel na over zekerheid – mijn vulpen + in de binnenzak gestoken.
Aanvankelijk had ik bedacht om mezelf als pakket te laten bezorgen toen ik van Ingrid de Waal hoorde dat de weduwe Van Lommeren van alles en nog wat bestelde en liet afleveren (tot aan hometrainers, Green Eggs en giga-flatscreens toe), maar ik besloot dit Trojaanse plan B voor Murat te bewaren. Als ik onmiddellijk weg werd gestuurd, of niet eens tot het eind van de oprijlaan zou komen omdat ik wegens huisvredebreuk met jachtgeweren van alle kanten zou worden beschoten, dan gingen we deze stunt proberen (toch weer, sorry).
Nu stapte ik niet zonder hartkloppingen op mijn motorfiets. Het was zwaarbewolkt maar windstil en droog. Ik wist de route inmiddels uit mijn hoofd. Toen ik aankwam bij de poort en begon aan de 'long and winding road' – heel langzaam, ziedaar een van de voordelen van het zijspan, men kan vrijwel stapvoets rijden zonder om te vallen –, voelde ik een tinteling in mijn buik. Geen buikgriep. Dit was het moment suprême, de climax van mijn onderzoek.
Ik had bewust mijn helm thuisgelaten, om mijn goede bedoelingen te onderstrepen. De ervaring leerde dat er van mijn rommelige haar en onmisbare litteken in mijn wang (van een uitgeschoten mes in mijn jeugd) een ontwapenende werking uitging (hoewel, soms dacht ik dat het precies andersom was en dat mijn verschijning mijn medemens tot razernij dreef, maar dat is een ander verhaal). 
De weg naar het kasteel leek oneindig. Ze moesten mij vanuit de serre, de kasteeltuin of vanaf het balkon al van verre hebben kunnen zien aankomen, maar er ging vooralsnog geen alarm af. Het enige dat ik hoorde was beschaafd hondengeblaf in de verte, en het geluid van een golfclub die ballen afsloeg, de ene na de andere. Het had iets weg van zweepslagen. Geraakt worden door een rondvliegende golfbal was niet uitgesloten, maar wel onwaarschijnlijk, toch? Misschien had ik mijn helm op moeten laten.
Ik parkeerde mijn motor naast een elektrisch autootje; op de bijrijdersstoel, zag ik, lag een basisboek Organische Chemie.
Op het veld zag ik een oud vrouwtje in de weer met een zeis.

Moord in de Morvan (18)



Vijanden, had Van Lommeren die? Iedereen heeft vijanden, zou je denken, als je maar lang genoeg zoekt in je omgeving vind je vanzelf iemand die je liever naar beneden ziet gaan dan naar boven. Als er een gunfactor is – volgens sommigen is die factor beslissend in iemands maatschappelijke succes – dan ook het omgekeerde: een misgunfactor. Dit komt in de buurt van jaloezie, zoals alle vijandschap, en iemand die miljonair is geworden met bitcoins (door niets te doen dus), zal beslist jaloezie bij sommigen hebben opgeroepen; overigens had Van Lommeren daarvóór al een aardig inkomen als hoge werknemer bij een Frans automobielbedrijf, waar hij verantwoordelijk was voor de ontwikkeling van accu's. Vlak voor zijn pensioen was hij er weinig subtiel uit gewerkt door machinaties aan de top. En dan was er zijn ex-vrouw in Nederland, ook geen schatje, als ik de documentatie mocht geloven. Die had hem 'proberen kapot te maken' toen hij haar inruilde voor een Parisiënne die zijn dochter had kunnen zijn.
Ik overwoog dit alles op mijn hotelkamer, alleen met mijn fles en asbak. Toen ik Ingrid de Waal terug in Onlay afzette, bij haar Renault Espace, had zij Murat alsnog weten te kidnappen naar haar 'fantastische leefruïne' bovenop een berg in the middle of nowhere (hemelsbreed vijfhonderd meter verwijderd van de bewoonde wereld). Hij liet het allemaal toe, mijn Watson, als een kleine, geharpoeneerde potvis die aan wal wordt gebracht. We hebben nummers uitgewisseld, want ik wilde hem wel terug. Murat bleek zelf trouwens plotseling over een vooroorlogs telefoontje te beschikken, zij het zonder beltegoed; hij kon alleen gebeld worden. We spraken af dat hij 'in principe' morgenavond weer bij mij sliep, maar ik voorvoelde al dat Ingrid de Waal hiermee eigenlijk bedoelde: je krijgt hem terug als ik klaar met hem ben. Ook goed, dacht ik, zolang hij maar scherp blijft en mij straks uitvoerig kan rapporteren, met zijn fonkelende ogen dan wel donkere wenkbrauwen, wat hij nog meer te weten is gekomen over haar oude vlam, Van Lommeren.
Op YouTube, de hotel-wifi was brokkelig, bekeek ik filmpjes over verdrinking. Wat doet onderdompeling met een mens? Hij zinkt langzaam. Er is nauwelijks iets te zien of te horen. Eerst houdt hij zijn adem in. Eenmaal uitgeput en/of bewusteloos, ontspant hij en vullen de longen zich eventueel met water (zelden meer dan een glas), of de luchtpijp sluit zich reflexmatig af. In een paar minuten is het gebeurd.

Moord in de Morvan (17)



Ingrid de Waal nam ons mee naar Vézelay, 'de parel van de Morvan', waar ze een restaurant wist met een heerlijk terras waar we verrukkelijk konden lunchen. Dat bleek niets teveel gezegd. In haar geval bestond de lunch uit escargots in knoflookboter vooraf, hersentjes als hoofdgerecht en crême brulée toe. Murat en ik hielden het bij uiensoep met brood. Hoewel ik die ochtend had gezworen nooit meer te roken en te drinken, zat ik nu toch weer vrolijk aan de witte wijn, en mijn eerste Lucky Strike van de dag viel ook niet tegen.
Ingrid de Waals flux de bouche werd maar ten dele op weg geholpen door alcohol, zo bleek, ook zonder alcohol wist ze van geen ophouden. Maar wat ze vertelde was dan ook buitengewoon interessant. Zo vertelde ze dat ze vijf jaar geleden, toen ir. Van Lommeren (Sweder heette hij) was neergestreken in de Morvan en het zeventiende eeuwse kasteel Prébendier had gekocht van een stel Nederlanders (voor vier miljoen euro) die het helemaal hadden opgeknapt, ze een relatie had met hem. Maar Sweder bleek met nog veel meer mensen, vrouwen en mannen, Nederlands en Frans (cq. Brits), vertaalster of geen vertaalster, relaties te hebben gehad. Hoe hij het klaarspeelde kon Ingrid de Waal niet goed uitleggen. Sweder palmde je gewoon in. Niet zozeer met zijn looks, zou je denken; hij had meer weg van Albert Mol dan van Alain Delon. Met zijn geld dan? Zeker, zei ze, dat speelde een rol. Hij betaalde alles; niets was te dol. Denk: met een privévliegtuigje op en neer naar Nice om aan de Promenade des Anglais een champagne-lunch te gebruiken. Of: 'Op je verjaardag speelde opeens een strijkje, speciaal overgekomen uit Dijon, onder de immense kastanjeboom in de kasteeltuin.'
'Wat speelden ze?' vroeg ik.
'Der Tod und das Mädchen,' antwoordde Ingrid de Waal, opnieuw geëmotioneerd, leek het, door Sweders romantische gebaar destijds. 'Maar dat was het niet alleen.' Ze liet haar linkerhand zien, die drie ringen telde, aan evenzovele, worstige vingers. De ring aan de middelvinger toonde een doodskopje belegd in kristal. 'Hoe kon hij weten dat ik van doodskopjes houd? De kracht van Sweder was dat hij dwars door je heenkeek en meesterlijk anticipeerde op je wensen en dromen.'
Ik keek naar Murat, die, met zijn armen tussen zijn benen, wezenloos voor zich uit staarde. Ik had niet geïnformeerd naar zijn activiteiten van de afgelopen nacht; dat waren zijn zaken, maar moest ik hem op de hoogte stellen van wat hier werd besproken?
'Hoe kwam hij eigenlijk aan al die miljoenen? Iets met bitcoins, toch?'
Ingrid de Waal ademde niet, ze hijgde. 'Sweder van Lommeren was een vroege bitcoin-believer. Hij heeft in 2013 een fortuin verdiend toen de bitcoin in twee maanden van vijftig naar duizend dollar ging.'
 

Moord in de Morvan (16)



Hoestend en proestend werd ik wakker. Ik keek op mijn telefoon: elf uur in de ochtend. Affreus voelde ik me: barstende koppijn, schrijnende keelpijn (ik kon amper slikken), en, dat baarde me nog de meeste zorgen: pijn in de borst. Goed, ik ben pas vierenveertig, dus ik zit niet in de hoogste risicogroep maar dat roken van mij kan onmogelijk als een verstandige levensstijlkeuze worden genoemd, en trouwens, mijn buikje was ook geen reclame voor wat dan ook (behalve misschien voor de bourgondische cultuur, maar wie haakte daar nog naar? Het was fit-fit-fit wat de klok sloeg. Depressief werd je ervan, maar dat is een ander verhaal).
Ik duwde de dons van me af, kwam half overeind en wierp een voorzichtige blik op de bedbank om te zien hoe mijn kamer- en studiegenoot erbij lag. Er stond me vaag iets bij dat we op het dorpsfeest als laatste gasten waren overgebleven met Ingrid de Waal, de Nederlandse vertaalster, die zowel de mondkapjes-regel als de anderhalve meter-regel aan haar hoge, glimmende laars lapte, maar dat zij de bedbank zou gaan delen met Murat, verbaasde me toch nog enigszins. Totaal verstrengeld lagen ze daar, een grote onhandige hoop vlees.
Toen ze hem in de smiezen kreeg gisteravond had Ingrid de Waal mij onmiddellijk terzijde geschoven en zich met heel haar hebben en houwen, en dat was nogal wat, op Murat gestort. De communicatie met de Tunesisch-Franse Adonis leek haar geen enkel probleem op te leveren. Hij liet zich willig inpalmen door deze doortastende dame, die, zo bleek, enige reputatie had hoog te houden om haar Proust-vertalingen, maar daar ging het gesprek volgens mij al snel niet meer over. Toen ze Murat in haar Renault Espace probeerde te duwen, om hem mee te tronen naar haar eigen heiligdom, op een berg in de buurt van St. Léger sous Beuvray, had ik daar een stokje voorgestoken. Ik voelde me niet alleen verantwoordelijk voor het welzijn van mijn verloren zoon, maar ik had hem ook nodig. Aan de andere kant bleek Ingrid de Waal, ik durfde niet naar haar leeftijd te vragen maar ik vermoedde dat die aan de verkeerde kant van de zestig lag, wel erg veel af te weten over de zaak Van Lommeren, dus haar bruuskeren na zo'n bijzonder genoeglijke avond onder het Franse gepeupel, in haar habitat zogezegd, dat was onverstandig geweest. Daarom had ik De Waal in het zijspan gemanoeuvreerd en Murat bij me achterop gezet en daar gingen we. Ik had natuurlijk ook veel te veel gedronken, maar ik reed niet harder dan veertig en zonder kleerscheuren bereikten we Hotel Mitterrand. Gelukkig was er niemand aanwezig bij de receptie.
Nu stapte ik nog altijd hoestend en proestend onder de douche. Toen ik klaar was voelde ik me een stuk beter, maar bij de tortelduifjes op de bedbank was nog steeds geen teken van leven te bekennen.

Moord in de Morvan (15)



Het was, ondanks de verscherpte anti-corona-maatregelen, een drukte van belang op het dorpsfeest in Onlay, de festiviteiten waren in volle gang toen wij arriveerden. Uit de lange slierten in de berm geparkeerde Volvo's, Skoda's en Tesla's met Nederlandse nummerborden konden we gevoeglijk afleiden dat de aantrekkingskracht der folklore ook op de permanent tourists zijn uitwerking niet had gemist. De lokale delicatessen zagen er goed uit, de fanfare speelde alsof ze nog nooit van een pandemie hadden gehoord en ook het jeu de boules-spel werd zoals vanouds door de lokale tachtigplussers met de grootst mogelijke ernst gespeeld. Het bleef een eigenaardig toneelstuk, die viering van het dorpsleven, want iedereen wist dat het Franse dorpsleven op sterven na dood was.
Maar we waren gekomen om een moord te onderzoeken, die, bij gebrek aan dader en bewijs, nog steeds eigenlijk niets meer of minder was dan een bijzonder sterfgeval. Tegen welke Fransman of Française we de naam Van Lommeren, l'ingénieur Hollandais, of zelfs Chateau Prébendier maar lieten vallen, hij of zij gaf zelden meer terug dan een schouderophalend: 'O ja, van die verdrinking van een paar jaar geleden. Tragisch, n'est ce pas?' Of: 'Die Indiase weduwe, ja, met die twee bloedjes, ja, die zal het wel zwaar hebben, zo zonder man. O, is ze Nepalees? Maar wel musulmane, hè?' Pas als je wat ging doorvragen, dan uitten ze bedenkingen. 'In de Morvan verdrinken elk jaar mensen, maar dat zijn mensen die niet kunnen zwemmen,' zei de – vrouwelijke – burgemeester van Onlay, tevens juriste te Parijs. De man achter de gebraden kippetjes: 'De politie doet hier nooit iets, en als ze iets doen, doen ze het verkeerde.' Zijn vrouw: 'Die weduwe laat zich nooit zien. Alsof wij niet bestaan voor haar.' Het was een Nederlandse vrouw, Ingrid de Waal, een drukpratende  en -gesticulerende vertaalster die al twintig jaar in de Morvan woonde, die een stap verder durfde te gaan, en die, misschien onder invloed van de rijkelijk uit grote kartonnen vloeiende wijn, voor het eerst het woord 'golddigger' in de mond nam. 'Die Nepalese is in hoog tempo het familievermogen er doorheen aan het jagen. Eerst liet ze twee zwembaden aanleggen – een binnenbad en een buitenbad – en daarna die tennisbaan en driving range. Ja, wat wil je, ze heeft natuurlijk ook haar familie bezig te houden.' Haar familie? De Waal was nu zo op dreef dat ze de wijn uit de plastic bekertjes half over haar wang gooide als ze een slok nam. Haar armbanden rinkelden terwijl ze met de rug van een hand haar wang afveegde. 'Ze heeft vrijwel meteen nadat de oude onder de zoden lag haar twee broers en haar moeder laten overkomen. Het is petit Kathmandu daar.' 

Moord in de Morvan (14)



Het was tijd voor actie. Hoewel er volgens sommige literatoren in een verhaal niets mag gebeuren, omdat er in het leven immers ook niets gebeurt, moest er aan het gelummel op de hotelkamer, het zinloos gespeculeer en al deze vergezochte verbanden een eind komen. Wilde ik verder geraken met deze geschiedenis, dan was het zaak om vaart te maken met mijn plannen om de weduwe (cq. hoofdverdachte, althans volgens Van Lommeren fils), die zich zo knap had verschanst in Chateau Prébendier, te benaderen. Maar hoe? Eén mogelijkheid was Murat vooruit te sturen, onder het mom van fondsenwerving bijvoorbeeld, voor een goed doel – zeg: de bouw van een lokale moskee. Hij zou dan een oortje inhouden met een open telefoonverbinding met mij; dan kon ik zowel meeluisteren als aanwijzingen geven.
Ik zou het daarna nog eens proberen, onder een ander voorwendsel; ik noem maar wat, het verkopen van verzekeringen (hiervoor diende ik nog wel wat huiswerk te verrichten, verzekeringen waren niet mijn sterkste punt).
Het evidente probleem met deze stunts was dat mochten ze mislukken ik met lege handen zou achterblijven. Ik zag mezelf geen tunnels graven naar de kelder van het kasteel, of een helikopter huren of parachutespringen om de weduwe van bovenaf met een bezoek te vereren. Dat was allemaal veel te bewerkelijk en begrotelijk. Gekkenwerk. Ik was het aan mezelf, of nee, aan mijn schrijfkunst (en ook aan mijn luiheid, om eerlijk te zijn) verplicht om een ingang te zoeken bij deze vrouw die zo min mogelijk gedonder met zich meebracht.
Grappig genoeg kwam ik tot de conclusie dat die ingang eruit bestond 'gewoon' de waarheid te vertellen. Dat wil zeggen, ik zou bij haar aankloppen met het verzoek om met haar te praten omdat ik bezig was met een verhaal. Ik deed research. Dat was tegenwoordig onder romanciers mode geworden; wie geen research deed, viel onmiddellijk door de mand, die werd door zijn lezers genadeloos ontmaskerd als een charlatan, een tijd- en moeiteverkwistende fantast. Geloofwaardigheid stond zo hoog aangeschreven in de literatuur, dat de verbeelding er onder leed.
Maar eerst zouden Murat en ik, onafhankelijk van elkaar, een paar uur doorbrengen op het jaarlijkse dorpsfeest, om wat meer roddels te verzamelen over de Hollandse kasteelheer zaliger, zijn weduwe, en hun twee bloedjes van kinderen. Ik had er zowaar zin in.

 

Moord in de Morvan (13)



Er doen zich bepaalde zonderlinge tijden en gelegenheden voor in deze vreemde warwinkel die wij leven noemen, als een mens dit ganse heelal als een geweldige grap ziet, al verstaat hij de geestigheid ervan maar vaag, en al heeft hij er meer dan alleen maar een vermoeden van dat de grap ten koste van niemand dan hemzelf gaat.
Niets kan hem echter ontmoedigen en niets lijkt hem de moeite van een ruzie waard. Hij slikt alle feiten, geloven, bijgeloven en overtuigingen, alle moeilijkheden, zichtbaar en onzichtbaar, ongeacht hoe knoestig, en schrokt als een struisvogel met een machtige spijsvertering geweerkogels en vuurstenen op.
En wat betreft kleine moeilijkheden en zorgen, kansen op plotselinge rampen, gevaar voor lijf en leden; dit alles, ja de dood zelf, schijnen hem slechts schalkse en goedaardige tikken en jolige porren in de ribben die hem door de onzichtbare en onverklaarbare oude grappenmaker worden toegediend.
Die vreemde soort grillige stemming waarover ik het heb, komt slechts over een mens in een tijd van uiterste tegenspoed; het komt temidden van zijn diepste ernst, zodat wat even tevoren nog iets hoogst gewichtigs voor hem kan hebben geschenen, nu slechts een deel schijnt van de algemene grap.

Moby Dick, hoofdstuk 29, De hyena. Vert. Emy Giphart. 

Moord in de Morvan (12)



De hele avond, en een deel van de nacht, staarde ik naar de zwartwitfoto's van Van Lommeren. Een groot, naakt, bleek mannenlichaam gelegen op een non descripte bank. Als je niet had geweten dat hij dood was, had je misschien kunnen denken dat hij op een naaktstrand lag te soezen, of, waarschijnlijker, in zijn privé-sauna te stomen. Ik zoomde in op zijn kwetsbare delen: de hals, de mond, de slapen, de schedel en de hartstreek. En vooruit, omdat dit tot de mogelijkheden behoorde, de schaamstreek, en de 'kunstenaarsingang'. Niets bijzonders, althans voor iemand die niet gewend was om autopsiefoto's te bestuderen.
Hooguit de tatoeage op de linkerhand mocht apart worden genoemd. Dat deze zesenzestigjarige kasteelheer en succesvolle oud-zakenman geboren te Hongerige Wolf (sic), Groningen, een tatoeage had, kon apart worden genoemd, maar de tatoeage zelf mocht er, mystery-gewijs, ook wezen: een Arabische tekst, die volgens Murat – ziehier zijn meerwaarde –, neerkwam op zoiets als 'après nous le déluge'. Ik had niet vermoed dat er een equivalent van dat nihilistische gezegde bestond in het Arabisch. Waarom eigenlijk niet? Maar waarom zoiets op je hand inkten? 'Tatoeages zijn niet halal,' wist Murat, 'op de hand is heiligschennis'.
Om mijn verbeelding nog wat meer te prikkelen liet ik de foto's op mijn laptop in een soort van logische volgorde voorbij scrollen en maakte er een filmpje van. Nu leek het alsof het levenloze lijf in de ruimte zweefde, alsof Van Lommeren een levitatie-act deed, en zelfs in zijn levitatie-act nog een paar keer om zijn as draaide.
'Er moet muziek bij,' mompelde ik. 'Muziek brengt me in de juiste sferen.'
'Welke sferen?' zei Murat. Sinds kort was ik niet meer verliefd op zijn fonkelende ogen, maar op zijn markante wenkbrauwen. Wie Murats wenkbrauwen kon lezen, had geen taal meer nodig.
'Hogere sferen,' zei ik en zette Instant, een cd van The Ex op, die ik min of meer gedachteloos in mijn tas had gegooid voordat ik vertrok uit Nederland. Het nummertje Karremans Last Measure klinkt alsof er iemand wordt vermoord.

Moord in de Morvan (11)



Murat en ik besloten ons terug te trekken op onze hotelkamer. We hadden even helemaal genoeg van de buitenlucht. Ik klapte mijn laptop open, stak de ene Lucky Strike met de andere aan, en tikte koortsachtig verder aan mijn Roman Die Nergens Naar Toe Ging. Murat lag vooral op de bedbank naar het plafond te staren en met mijn als vulpen vermomde stiletto zijn nagels schoon te maken.
Ook de waardin van Hotel Mitterrand had geïnformeerd, vanochtend weer in de ontbijtzaal, wat 'dat heerschap' bij mij deed, en of hij misschien illegaal op mijn kamer logeerde, waarop ik ijzig antwoordde dat ik toch zeker niet hoefde te verantwoorden, anno 2020, met wie ik mijn double room deelde? Ik betaalde voor het recht om aan twee personen onderdak te bieden, en wie die Ander was, naast mijzelf, ging niemand wat aan. Privacy –  geen Frans woord. Intimité is echt wat anders. Hooguit wanneer Murat minderjarig was geweest, of hij als vermist was opgegeven of voor iets anders werd gezocht, kon zij mij iets verwijten, maar dat was allemaal niet het geval. Dat wil zeggen, daar ging ik vanuit. Veel bleef speculatie. Zelfs zijn leeftijd wist ik niet zeker. Gisteravond, terwijl we de tweede fles pinot noir à €3,20 van de LeClerc soldaat maakten, beweerde hij ineens dat ook hij ingénieur was, lees: daartoe was opgeleid aan l'Université de Tunis, te Tunis, maar toen ik probeerde te achterhalen wat hij dan precies gestudeerd had, welke richting enzovoorts, bleef het stil. Eerst dacht ik werktuigbouwkunde, daarna elektrotechniek, maar het enige woord waar we het over eens bleken te zijn was 'mécanique'. Misschien was hij toch gewoon automonteur, of was dat weer een geval van culturele downgrading? En wat deed het ertoe? Zelf had ik zelfs mijn middelbare school niet afgemaakt – ik had voor mijn eindexamen visitekaartjes laten drukken met Paul Krom, schrijver, omdat ik dacht dat ik geen tijd te verliezen had; dit bleek mee te vallen.
'Wat zullen we doen?' vroeg ik aan Murat, maar ook aan mezelf. Nu opgeven en terug naar huis gaan zou mijn vriend de advocaat, die me de opdracht had gegeven (en een niet onaanzienlijke werkbeurs), beslist als een nederlaag beschouwen. Ik ook trouwens. Er moest meer uit te halen zijn.
Murat staarde me zwijgend aan met zijn fonkelende ogen. Zijn nagels waren schoon, hij had de stiletto op mijn verzoek afgewassen in het badkamertje, en de dop op de vulpen gedaan.
Ik klapte mijn vooroorlogse laptop dicht. Op hetzelfde moment, alsof de duivel ermee speelde, werd ik gebeld door een anoniem nummer. 'Zeg het eens,' zei ik.
'Met Arnold van Lommeren,' sprak een bekakte stem. 'Spreek ik met de ooit gevierde, en immer nieuwsgierige schrijver Paul Krom?'
Ik kuchte in mijn elleboog. 'Daar spreekt u mede.' Murat ging verzitten, rekte zijn armen uit naar het plafond.
'Hebt u al gelegenheid gehad om de autopsiefoto's van mijn vader te bestuderen?'


Moord in de Morvan (10)



'Kijk naar uzelf, monsieur Krom. U leefde in de veronderstelling dat uw compagnon uw motor had gestolen. Ook niet zo'n waardevrije veronderstelling.' Gendarme Hérault gniffelde kort, veegde een rode haarstreng uit haar gezicht en richtte haar blik op wat ze had getypt en nog moest typen.
Ik keek naar Murat, die mij aanstaarde alsof ik zijn vader was, dit een tien minutengesprek met de leerkracht en dat hier zijn toekomst werd bepaald. Zijn ogen fonkelden nog steeds. Dat was zijn wapen, een goed wapen.
De grijsblauwe ogen van de gendarme fonkelden ook, maar hun fonkeling werd overschaduwd door haar pukkels.
Ik moest wat zeggen, maar ik wist niet wat, dus zei ik maar wat. 'Kent u Moby Dick, madame? In dat boek staat een uitvoerige verhandeling, nogal onverwacht inderdaad, over de kleur wit, die natuurlijk geen kleur is. Net zoals zwart. Maar Herman Melville, de schrijver, betoogt verrassend dat wit een beangstigendere non-kleur is dan zwart. Zwart laat ons niets zien. Wit laat ons zien dat er niets is. Een groot verschil. Zwart staat voor angst voor de dood; wit is de dood zelf.'
Hérault keek me over haar leesbril aan. Daarna keek ze naar Murat. Tenslotte weer naar mij. 'Ik weet niet waar u het over heeft. De belangrijkste vraag die ik graag beantwoord zou zien, en dan krijgt u uw motorfiets terug, alsmede uw maat,' – ze gebruikte het woord 'pote', wat me herinnnerde aan een anti-racisme slogan van een tijdje geleden, 'touche pas à mon pote', hetgeen zoveel wil zeggen als blijf van mijn maat af, maar door dat 'pote' moest ik onwillekeurig denken aan: blijf met je poten van mijn maat af, en zelfs blijf met je tengels van mijn poot af (de wegen der associatie zijn ondoorgrondelijk) – 'is: wat u hier in de Morvan komt doen.'
'Bon. Ik probeer tot op de bodem uit te zoeken hoe ingénieur Van Lommeren, u weet wel, de voormalige eigenaar van Chateau Prébendier, aan zijn einde is gekomen.'
'Ingénieur Van Lommeren' (ze legde het accent charmant op de laatste lettergreep), is een paar jaar geleden verdronken in een vennetje hier niet ver vandaan.'
Natuurlijk! Hoe kon ik zo dom zijn? Ik dacht steeds aan een lac, maar hij was verdronken in een étang, een wereld van verschil. Étangs, had ik al gezien, daar wemelde het van in de Morvan.
'Kunt u mij ook vertellen welk vennetje?'
'Zeker, maar het zal weinig zin hebben.'
Zelfs Murat keek verbaasd nu.
'Het is opgedroogd.'






Moord in de Morvan (9)



Daniëlle Hérault, de roodharige gendarme die Murat had opgepakt, had een pukkel zowel in de vouw van haar kin als in de vouw van haar neusvleugel, en hoewel uit geen van beide haren sprongen, en deze vrouw aardig was en ook niet onaantrekkelijk, vond ik het moeilijk om me op iets anders te concentreren. Ze zat achter een compacte schrijfmachine, een Japy zag ik, en ik wilde haar complimenteren met die keuze (Hermans zou ook tevreden zijn geweest); misschien moest ik vermelden dat hij me deed denken aan mijn eigen Zwitserse Hermes Baby, die ongeveer in dezelfde tijd moest zijn gemaakt (begin jaren zestig), maar ze was me voor.
'Wat doet u in de Morvan,' vroeg ze, bits maar aardig. Aardig-bits. Zakelijk zou ik hebben gezegd, denk ik, als Hérault een man was geweest.
'Waarom heeft u Murat opgepakt?' vroeg ik. 'Hij deed toch niemand kwaad?'
'Ik stel hier de vragen.' Ik amuseerde me, niet omdat Murat was opgepakt, ik was er vrijwel zeker van dat hij na mijn verklaringen weer zo vrij zou zijn als een vogel, maar omdat ik er aardigheid in schep de autoriteiten te prikkelen zoals ik het maar zal noemen. Elke schrijver is erop uit de lezer te prikkelen, maar mij was het vooral te doen om het prikkelen van de autoriteiten. Dit had me overigens wel mijn carrière gekost, en dat ik hopeloos vastzat met mijn nieuwe roman zou er ook wel iets mee te maken hebben.
'Ik wil graag dat Murat wordt vrijgelaten, want er zijn geen enkele verdenkingen tegen hem, of het moet zijn dat hij niet wit is.'
'Eerst een antwoord op mijn vraag,' zei Hérault, alweer iets bitser en minder aardig, 'anders krijgt u uw BMW niet terug. Bent u met vakantie? Zo ja, waar logeert u.'
De pukkel in de vouw op haar kin, en die in de vouw van haar neusvleugel eisten mijn aandacht opnieuw op.
'Het gaat u niets aan wat ik in de Morvan doe en waar ik logeer.' Merde, ik was nu bezig mijn eigen ruiten in te gooien, want ik wilde van de gendarmerie juist meer te weten komen over Chateau Prébendier, en die informaties ging ik op deze manier niet krijgen. Ik moest open kaart spelen, maar ik wilde tegelijk de autoriteiten prikkelen. Die twee gingen niet samen.

 

Moord in de Morvan (8)



Ik doe dit niet graag, maar ik moest de terugtocht aanvaarden. Voor de tweede keer was ik drijfnat geworden, en mijn telefoon was dood. Het verbaasde me niet dat de privédetective die de zoon van ir. Van Lommeren had ingehuurd, een drone had gebruikt om het chateau te surveilleren, maar die was 'dus' vakkundig met een jachtgeweer uit de lucht geschoten. Ik kon mij de Nepalese schone met een jachtgeweer in de hand slecht voorstellen, maar ik had haar nog nooit gezien en hoe slechter je je iets kunt voorstellen, hoe dichter in de buurt van de waarheid.
Met een vijgenblad boven mijn hoofd (veel hielp dit niet), ploegde ik terug naar de bewoonde wereld. Ik moest hierbij volledig op mijn interne navigatie vertrouwen, want het 'pad' dat ik op de heenweg had gebaand was onvindbaar, en de loodgrijze lucht gaf geen geheimen prijs. Na voor mijn gevoel geen steek te zijn opgeschoten (ergo: in cirkels te hebben gelopen) overwoog ik om Murat te roepen, maar bedacht net op tijd dat dit als ik ondetecteerbaar wenste te blijven nogal onverstandig was. We hadden een fluitje, een signaal, een yell moeten afspreken voor noodgevallen. Could have/should have. Nog een: ik had Latour moeten uithoren over de kastelen van de Morvan, maar misschien waren dat er teveel om op te noemen, of, en dit was waarschijnlijker, had de streekhistoricus een hekel aan kastelen en de faux mystiek die die met zich meebrachten. Ik was benieuwd of Wikipedia iets over Chateau Prébendier wist te melden en zo niet, of ik bij het kadaster terecht kon.
Voor nu was het trouwens vooral zaak om het asfalt terug te vinden.
Eindelijk bereikte ik de landweg, maar niet op de plek waar we hadden geparkeerd. Ik moest nog twintig minuten lopen (vijf minuten de verkeerde kant op en vijftien minuten de goede). Daar aangekomen, vond ik geen spoor van de BMW, laat staan Murat, de spontane Watson bij mijn provisorische Holmes.
Mijn eerste gedachte: Murat heeft de BMW gestolen en probeert hem straks te verpatsen op het Franse equivalent van marktplaats. Wat dacht ik dan? Er zat niets anders op dan een bezoek te brengen aan de lokale Gendarmerie, iets wat ik toch al van plan was.

Moord in de Morvan (7)



De verleiding was te groot om niet 'even' langs het kasteel te gaan waar de Van Lommeren-erfenis naar verluidt zo prinsheerlijk werd opgesoupeerd. Het probleem was alleen dat het nogal in de bosjes lag, om zo te zeggen. Nu houden de rijken ervan, wist ik, om hun rijkdom zoveel mogelijk af te schermen, op te bergen, te begraven eigenlijk, uit angst dat iemand anders de rijkdom van ze zou afpakken, maar dit sloeg alles. Chateau Prébendier lag aan het eind van een vijfhonderd meter lange, slingerende, doodlopende bosweg; spotters werden onherroepelijk zelf gespot. Hoewel er geen camera's bij het hek van de ingang hingen, moest worden aangenomen (zo had de privédetective eerder uitgevogeld en gerapporteerd) dat alles in en rondom Prébendier werd vastgelegd – niet alleen beelden, maar ook geluiden en warmtebronnen. Maar ik gokte dat niet het hele bos werd bewaakt en we leefden nog altijd in een vrij Europa, mompelde ik in mijn moerstaal tegen Murat.
Ik besloot de motor een kilometer verderop op een verlaten weggetje te parkeren – Murat mocht op het zijspan passen, die boodschap begreep hij nog wel –, en baande mij een weg door het dichtbegroeide bos. De takken braken bevredigend onder mijn afgetrapte tennisschoenen. Hier en daar kreeg ik een groene veeg van een boom. Ik ben de enige met ontwijkstress hier, mompelde ik bij mezelf. Gelukkig had ik mijn motorrij-handschoenen bij me, daarmee kon ik prikkelstruiken opzij duwen. Na zo twintig minuten te hebben gelopen in de richting die GoogleMaps aangaf (hoewel de betrouwbaarheid hiervan betwistbaar was, wist ik) kreeg ik aandrang. De slappe koffie van monsieur Latour moest eruit. Op het eind van zijn college over de Morvan had hij zich alsmaar op de borst getrommeld dat hij 'le dernier Français' was van het gehucht (de rest bestond uit Britten en Hollanders). Zuchtend sproeide ik mijn plas over de varens. Alsof het zo was afgesproken, begon het te regenen. Ik herinnerde me een waarschuwing van mijn opdrachtgever, dat regen nooit ver weg was in de Morvan. 'Zoiets als Holland dus,' zei ik. 'Ja,' zei hij, 'behalve dat de regen iets enthousiaster naar beneden stort.'
Inderdaad, het getik op de bladeren werd oorverdovend. Ik ben under cover of noise, dacht ik bij mezelf en stapte nog iets driftiger voort. Eindelijk leek in de verte iets op te doemen dat niet op bomen, struiken of planten leek, maar door mensen was gemaakt. Ik haalde mijn verrekijkertje uit de binnenzak van mijn jasje. Twee torenspitsen ontwaarde ik, met leistenen belegd; één leek te zijn ingestort. Frappant. Van een ingestorte torenspits had ik niets gelezen in het dossier dat ik had meegekregen, dus in die zin kon mijn expeditie nu al als een succes worden beschouwd. 

Moord in de Morvan (6)



Latour, die in een bergachtig gehucht woonde, was een nerveuze, pezige man in korte broek. Als hij lachte, en dat deed hij graag al drukte zijn lach weinig blijdschap uit, zag je zijn schots en scheef zittende tanden. Voortdurend liep hij heen en weer door zijn volgepropte huis, boeken oppakkend, omhooghoudend, terugleggend. Hij sprak beter Engels dan ik Frans, dus werd dat de voertaal. Hij had er geen bezwaar tegen dat ik rookte, hij zei dat hij jarenlang had gerookt en nog steeds de aandrang voelde, vooral als hij wat wijn op had, maar nu zaten we aan de koffie. De aanwezigheid van Murat – mits, net als ik, op 1,5 meter afstand – deerde hem niet. Het leek soms alsof hij zich meer tot hem richtte dan tot mij. Ik deed alsof ik aantekeningen maakte. Niets wat hij zei was relevant voor mijn onderzoek naar de dood van ir. Van Lommeren, zelfs niet als background, maar hoe onverschilliger ik uit mijn ogen keek bij zijn uitweidingen over de archeologische opgravingen op de Mont Beuvray, de hoogste berg van het natuurgebied, hoe vuriger zijn betoog werd.
'What about the lakes,' hoorde ik mezelf zeggen, mijn sigarettenpeuk uitdrukkend in een schoteltje. 'Can you tell us something about the lakes in the Morvan?'
Er viel een stilte. Murat keek me aan alsof niet ik, maar hij iets onbehoorlijks had gezegd. Monsieur Latour was, toen ik de vraag stelde, op weg van de boekenkast naar de keuken, en hoewel hij tot dan toe telkens omgedraaid was, liep hij nu door en verdween. Toch niet om voor versnaperingen te zorgen? Er stond al een dienblad met biscuitjes.
Murat, die tegenover me zat op een vuilwit leren bankstel, had nog niets gezegd, maar voelde nu de aandrang om te praten. Enkele woorden die ik opving: sangliers, canards en lapins. Hij deed alsof hij met een geweer door het raam naar buiten schoot en keek me vragend aan. Ik schudde mijn hoofd. Hij liet zich weer in de bank vallen.
De klok tikte voort, in de verte loeide een koe. Ik vroeg me af of ik in dit huis, op deze plek, zou kunnen leven.
'Waarom bent u geïnteresseerd in de meren?' klonk het geamuseerd uit de verte. Latour kwam terug met een landkaart. 'De meren van de Morvan zijn het minst interessant. Eigenlijk zijn er geen meren. Al de meren van de Morvan zijn gecreëerd in de afgelopen twee eeuwen voor industriële doeleinden.'

Moord in de Morvan (5)



Ik weet niet of het door Moby Dick kwam, waarin ik me zoals gebruikelijk weer vanaf de eerste pagina in verloor, maar ik had een akelige droom. Een nachtmerrie, waaruit ik met een schok ontwaakte. Murat was ook meteen klaarwakker, en vroeg verschrikt: 'Qu'est ce qui se passe?'
Ik droomde niet dat ik door een walvis werd verzwolgen, maar dat ik in een rustig meertje zwom, zo'n  sereen, idyllisch meertje als waarin ir. Van Lommeren zou zijn verdronken, en dat er, toen ik een stukje onder water zwom in het gitzwarte, ijskoude water, zich een potvis bij mij naar binnen drong. Door de mond. Hij duwde met zijn neus mijn mond open, de lippen van elkaar, tot maximale ontsluiting, en wurmde zich naar binnen. Een omgekeerde bevalling daar leek het nog het meest op. Je denkt: dit kan niet, dit hier is veel te groot om door dat gat te passen, maar dan begint het persen en dan blijkt het toch te kunnen. De potvis ging ook mijn strot door, ik stikte bijna, ja, wat wil je, maar ik overleefde de verzwelging, om zo maar te noemen – uiteraard overleefde ik het, want in een droom schijn je nooit dood te gaan, je slaat alleen doodsangsten uit, een schrale troost. Anyway, toen ik de vis had verzwolgen en hij in mijn buik zat, begon hij zich een weg door mijn ingewanden te eten. Dat was het moment dat ik gillend wakker werd en Murat als een knipmes zo snel in paniek uit de bedbank omhoog kwam.
'Het is niets,' zei ik. Het moment dat ik in de stralende, troostrijke ogen van Murat keek, verbeeldde ik me dat ik op zomerkamp was als kind. Een zomerkamp waarin veel gevist werd en ik heel, heel erg vaak misselijk was, herinner ik me. 
Murat wreef zijn ogen uit en sprong uit bed, hij hoefde zich niet aan te kleden want hij had zich de nacht ervoor nooit uitgekleed, en begon een heel verhaal in het Frans waar ik niets van begreep. Ik ving alleen de woorden cauchemar op en guerre, waaruit ik afleidde dat hij misschien een vluchteling was, maar ik vroeg er niet naar, ik hoefde zijn antecedenten niet te weten, dan hoefde ik die van mij ook niet te geven. Ik noem dat het gelijk oversteken van anonimiteit. Ik had een plannetje met Murat. Ik zou hem inzetten om dichterbij de Nepalese weduwe Van Lommeren op het kasteel te komen. Immers, zelf kon ik maar één keer proberen haar te benaderen (even afgezien van vermommingen). Als dat misging waren mijn kansen verkeken. Maar met zijn tweeën kon het twee keer.
Om te voorkomen dat ik hem kwijt zou raken – Murat leek me zo'n vriend die je even makkelijk maakt als kwijtraakt – nam ik hem mee naar mijn afspraakje bij monsieur Latour, de streekhistoricus.

Moord in de Morvan (4)



Die nacht, die eerste nacht in Hotel Mitterrand, deed ik geen oog dicht. Niet omdat ik niet moe was. Ook niet zozeer omdat ik last had van een rommelende maag en vreesde een buikgriepvirus te pakken te hebben (door corona was ik even, heel even vergeten, dat er nog andere geniepige virusjes rondwaren), maar door Murat. Murat had ik onderweg opgepikt, hij stond bij Arnay le Duc te liften, en zijn verschijning ontroerde me. Ik heb zelf jarenlang gelift en ik heb later alsmaar de gunst willen retourneren, maar het lukte nooit. De lifters voor wie ik stopte moesten steeds ergens anders heen. Maar Murat zei: 'I'll go wherever you go.' Dat sprak me aan.
Ik waarschuwde hem dat ik geen tweede helm bij me had, en dat hij dus op eigen risico in het zijspan plaatsnam. Ook dat vond hij geen punt (of hij begreep me niet). Verbazingwekkend hoe meegaand deze lifter bleek te zijn.
Converseren tijdens het rijden, toch een van de aardigheden van liften, is er niet bij: wie bij een motorrijder achterop, of in mijn geval als bijrijder plaatsneemt, kan niet meer doen dan op zijn kont zitten en de zonnestralen opvangen (die eindelijk begonnen waren neer te dalen). Ik ben niet zo iemand die in zijn helm een telefoon heeft zitten of een ander communicatiemiddel; wat mij juist bevalt van het motorrijden is dat je gedwongen bent je op het niets te concentreren. Ik weet niet of dat meditatie is want ik heb nog nooit gemediteerd, maar het komt volgens mij in de buurt.
Murat was een man van een jaar of dertig, met een koffiebruine baard en stralende ogen, die wel licht leken te geven. Zijn flinke postuur rijmde niet met zijn verlegen lach. Hij droeg een blauw overall, alsof hij net van zijn werk kwam als automonteur, en misschien kwam hij dat ook, maar ik zou het niet weten, want er was geen conversatie.
Bagage: 1 polstasje.
Aangekomen bij het hotel, het was inmiddels alweer laat – hoe kan het toch, dat de heenreis zo lang duurt?  – maar nog steeds licht, kwam de aap uit de mouw, dat wil zeggen: Murat hees zich uit het zijspan, liep nerveus handenwringend op mij af en informeerde of ik misschien een slaapplaats wist voor de nacht.
Ik huldig het principe dat in elk mens, zelfs de op het oog minst veelbelovende, iets schuilt dat de moeite van het verder leren kennen waard is dus ik zei ja en smokkelde hem de hotelkamer in. Ik moest nogal lachen toen de waardin, een strenge Française van middelbare leeftijd, mijn smokkelwaar niet scheen op te merken; misschien dacht ze dat hij iets kwam meten of repareren.
Thans werd ik gestraft voor mijn goedheid. Ik lag wakker om alle scenario's af te lopen, en hij sliep als een roos. Het lot van de welwillende maler.

Moord in de Morvan (3)



Ik kwam niet verder dan iets onder Parijs. Ik had geen rekening gehouden met de regen. Ik werd gestraft voor mijn nauwe opvatting dat het weerbericht alleen voor de boeren is. Het is namelijk uitdrukkelijk ook voor de motorfietser, ook al neemt hij de dikwijls onder een bladerdak schuil gaande route national. Harder dan zestig ging ik zelden. Moest ik in het water dat tegen mijn integraalhelm sloeg een teken zien? Een teken dat deze trip wellicht, nou ja, gedoemd was? Nee, dat zou te makkelijk zijn. Regen betekent niets, zo simpel is het, hoewel men er dus wel last van kan hebben (en, onder sommige condities, vreugde aan kan ontlenen, al was dat in mijn geval alweer lang, lang geleden).
Tweede uitdaging: waar te overnachten. Drie hotelletjes in de buurt van Versailles accepteerden wegens corona geen late gasten zonder reservering (al zal mijn doorweekte verschijning ook niet hebben geholpen) of ze waren 'vol'. Ik was genoodzaakt mijn provisorische logies op te zoeken: in het zijspan, met een zeiltje eroverheen.
Vanochtend werd ik gebroken wakker. Bij de koffie in het pompstation en mijn eerste Lucky Strike kwam ik weer enigszins tot mezelf. Waar was ik mee bezig? Ja, die vraag had ik in mijn leven wel vaker gesteld, zonder een bevredigend antwoord te kunnen bedenken. Geld interesseerde me te weinig, misschien was dat het punt. Wie zijn ogen op het materiële blijft houden, zal toch vroeg of laat iets van verbetering van zijn levensomstandigheden ervaren, maar ik was een romanticus. Zoals Hermans al schreef, is elke Nederlandse schrijver per definitie een romanticus (al zou Reve daaraan toe hebben gevoegd dat de Nederlander niet in staat is tot romantiek). Ik had de pandemie moeten aanvatten om te stoppen met roken, maar ik was juist méér gaan roken (en ik had al zwakke longen). Ik had het idee dat ik in de Morvan mijn tijd mooi kon verdelen tussen veldwerk in de verdrinkingskwestie en schrijven in mijn hotelkamer, maar het moest worden bezien hoe dat zou uitpakken.
Ik belde hotel 'Mitterand' in Autun, de hoofdstad van de Morvan, dat ik het niet gered had om gisteravond laat al aan te komen, en dat ik vandaag zou arriveren, waarschijnlijk, deo volente, rond het cocktail-uur. Het antwoord van de waardin luidde niet zonder spot: 'We hadden al zoiets verwacht, monsieur. Doet u vooral rustig aan.'
Weer op de BMW, onder opentrekkende luchten, zoog ik de plattelandse zomerwind naar binnen. Het leven was goed, al moest men waken voor zelfgenoegzaamheid. Immers, de wereld was slecht. Dat moest wel, anders had ik geen werk.