Het dochters Van Dijk criterium voor literatuur

'Elena Ferrante'

Ik ben gefascineerd door het criterium dat de dochters van Yra van Dijk, die Nederlandse letteren doceert in Leiden, naar haar zeggen (zo hoorde ik gisteravond in een helaas flinterdun item over de afkalving der Grote Drie in Nieuwsuur), hanteren voor de beoordeling van literatuur. 'Of er in het boek een gesprek voorkomt tussen twee vrouwen die het niet over een man hebben.'

In gedachten loop ik mijn eigen bescheiden oeuvre door. Overleven mijn romans het criterium van de dochters Van Dijk? In FAKE komen bij mijn weten geen gesprekken tussen twee vrouwen voor die het niveau van 'Mag ik een glaasje wijn?' 'Alsjeblieft.' ontstijgen. Er komen veel gesprekken voor tussen een man en een vrouw maar dat is 'dus' onvoldoende. Ik vrees dat het feit dat de gepensioneerde vrouwelijke psychiater in dat boek, Avodah, bij veel lezers als het meest sympathieke personage naar voren kwam, mij evenmin gaat redden.

Tegen Zalig uiteinde (met als meest sympathie-oogstende personage de moeder), Dagboek van een postbode (waarin een belangrijke rol voor Xaviera Hollander is weggelegd) en Het dispuut (bijna geen vrouwelijke personages, laat staan gesprekken tussen deszelven), kan een vergelijkbaar bezwaar worden aangevoerd.

Ben ik blind geweest voor het vrouwelijke perspectief? Ik bedoel, het intervrouwelijke perspectief, voorzover dat niet op mannen betrekking heeft? Heb ik überhaupt wel  v e r s t a n d   van vrouwen – zoveel dat ik in staat ben om over ze te schrijven op een manier die hen aanspreekt?

Stel voor je bent zwart en je hebt je hele leven alleen maar boeken van witte auteurs gelezen bevolkt door witte personages (denk: het verzameld werk der Grote Drie). Ga je dan een keer verlangen naar boeken geschreven door zwarte schrijvers bevolkt door zwarte personages?

Wellicht.

Maar de conclusie van dit alles waar ik moeite mee heb, is dat als het inderdaad zo is dat iedereen alleen maar over zijn eigen ras, sekse, leeftijdsgroep etcetera, mag schrijven, de rol van literatuur als grensoverschrijdend gesprek is uitgespeeld.


Polsbandje



Nieuwe Vriend P. videobelt uit Hong Kong – of, om meer precies te zijn, de compound op het eiland Lantau waar hij in quarantaine verblijft met Wereldberoemde J.

Let wel: dit is niet de beruchte HK Government Quarantaine: opgesloten in tot 'isolation centers' omgebouwde voormalige vakantieparken en/of gevangenissen.

P.'s compound ziet er fantastisch uit. P. ziet er fantastisch uit (hij fitnest veel) en de omgeving ook: bergachtig landschap, blauwe luchten, jungle. Als je dan in quarantaine moet, dan is dit zo slecht nog niet. Beetje netflixen, online krantjes lezen, muziek luisteren. 'We hebben wel meteen om een grotere flatscreen gevraagd.'

Maar je mag je huis 'dus' niet uit. Niet zonder trots laat P. zijn polsbandje zien met QR-code, die in verbinding staat met de StayHome-app op zijn telefoon, die zijn precieze whereabouts registreert. Dus even een ommetje maken om een bezoek te brengen aan bijvoorbeeld een boeddhistische tempel of een massage-studio, niet noodzakelijk in die volgorde, is er niet bij.

Misschien wil je op Lantau ook niet zo graag naar buiten want er zitten slangen, vertelt P., king cobra's, die zo ver omhoog kunnen komen dat ze je in je ogen kijken. 'Als je gebeten wordt schijn je binnen een half uur dood te zijn.'

Het spannendste moment beleefde P. toen hij 's nachts werd opgeschrikt door het geschreeuw van Wereldberoemde J. Er rende een hagedis door zijn slaapkamer.

Vanavond precies 1 minuut na middernacht loopt de quarantaine ten einde en wordt het polsbandje doorgeknipt en worden ze naar hun hotel in de stad gebracht – ook een soort quarantaine, maar dan anders. Iedereen die leeft is, op zijn of haar manier, in quarantaine, alleen de gradatie verschilt.



Partiëel drooggelegd



Ik was in de Albert Heijn op de Rijnstraat – dezelfde die in Rob van Essens laatste verhalenbundel, Een man met goede schoenen al in het eerste verhaal genoemd wordt (in De goede zoon figureerde dit filiaal ook al op de eerste pagina, er kan langzamerhand gesproken worden van Albert Heijn-literatuur, al hoewel de lezer natuurlijk niet kan weten  w e l k e  vestiging op de Rijnstraat; er zijn er twee) – om een pak melk te kopen.

Het was tien voor tien 'in de avond'.

Dit klinkt omineus, zo van: het was vijf voor twaalf, en zo voelde het ook. Er waren weinig mensen in de zaak. Als dit een verhaal van Rob van Essen was, zou de ik-persoon waarschijnlijk de enige zijn geweest (en wellicht was hij gekomen voor geitenmelk maar dat weet ik niet zeker).

Enfin, om met Martin Bril te spreken. (Martin wie? Kunnen we ons nog herinneren hoe we om diens dood hebben getreurd? Ik wel, hoewel ik niet om zijn dood treurde.)

Ik begaf me naar de zuivelgang. (Mooie romantitel, Zuivelgang. Iets voor Marieke Lucas Rijneveld, maar ik dwaal hinderlijk af, merk ik zelf nu ook.)

Wie schetst mijn verbazing? 'Dan zal ik het zelf maar doen' (dit moet een Toon Hermans-grapje zijn geweest, of, als hij dit grapje nooit gemaakt heeft, had hij het moeten maken. Met zijn pretoogjes erbij was het misschien nog wel leuk geweest ook, op een Toon Hermans-manier dan.)

Landbouwplastic. En niet een beetje. Een hele muur, het zicht en de lust ontnemend, maar niet geheel de toegang versperrend, tot De Drank. 

Aha, de partiële drooglegging in de praktijk.

Dat ik dit nog mag meemaken.

Ik haast mij met mijn melk naar de zelfscan-kassa.





Zwarte lijst

Dali: Retrospective bust of a woman


Kunst gekocht – altijd leuk. Misschien is het kopen van kunst nog wel leuker dan de kunst zelf. Ik parkeerde voor de deur van de kunstenaar aan de Keizersgracht. (Deze kunstenaar woonde op stand.) De kunstenaar moest helemaal van achter komen. Hij boog diep toen hij mijn poet in ontvangst nam. 'Hebzucht is het grootste compliment,' mailde hij al toen ik interesse toonde.

Het beloofde taartje om de kunstaankoop te vieren moest wegens corona achterwege blijven.

A., mijn huis-, bed- en echtgenote, had zich solidair verklaard met mijn aanschaf, maar de rapen waren gaar toen ik op eigen houtje opdracht had gegeven de tekening in te lijsten.

'Had je dat niet even met mij kunnen overleggen?'

'Zeker,' zei ik, 'maar dat heb ik dus niet gedaan. Je mag straks kritiek leveren.'

Ik was meteen met het kunstwerk naar de lijstenmaker gegaan en had daar, op advies van de kunstenaar, gevraagd om een wissellijst, maar die hadden ze niet, en trouwens, het werk had ook geen standaardmaten. Het zou alleen passen in een passe partout (het woord zegt het al), in een fors grotere lijst. Dat was 1. Die lijst, besloot ik ter plekke, moest nu eens niet blank hout of anderszins zacht en vriendelijk ogen, maar zwart zijn en nog eens zwart (dit strookte met de grijs- en zwarttinten in de pentekening.)

Dat was 2.

Toen ik het resultaat liet zien brieste A.: 'Wat een afschuwelijke lijst. Echt een hele lelijke lijst. Hoe heb je in godsnaam zo'n verschrikkelijke lijst kunnen kopen?' En variaties op dit thema. 'En veel te groot!'

'Ben je klaar met je klachten, of komen er nog meer?'

'Dat vind ik nou zo flauw... Jij zegt: je mag eerlijk zeggen wat je ervan vindt, en dan doe ik dat en dan ben ik plotseling een zeurkous.'

Later dacht ik: is leven meer dan omgaan met verwachtingen? A. verwachtte (1) een kleine lijst, en (2) geen zwarte, en daarom deugt hij niet.

Terwijl hij zo mooi is. Schitterend zelfs. Als een rouwkaart.







Foggy brain


Is it me, or is it brain fog? Since I first read that brain fog was one of the lesser known, but scarier long term effects of Covid-19, I began to see it everywhere. I mean in my mind. Every hiccup in my thinking, every hesitation in my ordinarily smooth coordination (I guess), I thought: brain fog.

Theoretically, it was possible that our friend B., also known as Patient 0 in our neighborhood, also known as the Amsterdam Riviera, had infected my beautiful wife (this was actually highly probable), and that my beautfiful wife (I knew it) had infected me (back in March), and that I now was suffering from the virus, even without the regular 'mild' effects – only with a foggy brain.

Or was this all sheer and utter hypochondria?

Interestingly, my hypochondria could be a side effect of brain fog.

Sometimes I think brain fog would not be at all that bad, if it resembled a real fog, if it meant everything getting vaguer slowly, but what I know about it is that it's more like early onset dementia, in that one by one, certain cognitive functions fall out.

Memory, of course, is first affected. Is it me or am I constantly and desperately looking for my telephone during conversations to search for names, places and facts? Or am I 'just' rapidly growing digitally demented? And even the conversation itself feels like it is flowing less easily than it did before. What happened, in short, with my earlier effortlessness? Or was this just an illusion?

I also notice that when I am reading bed time stories to my children, (much longer always than I should) I stumble on words; or worse, I derail on a sentence and then it takes me a long time to get back on my verbal track, so to say.

Goodbye youth. Hello, old age.



Wopke


Ik ben nog niet binnen bij N. of ze begint over Wopke. 'Dat geloof je toch niet. Ik bedoel, er zo woest aantrekkelijk uitzien en dan ook nog heel pienter. Praeses van Minerva, twee studies, gepromoveerd, cum laude en alles. En zijn vrouw die er geweldig uitziet en die een drukke baan heeft als huisarts. Daar moet de duivel achter zitten, dat kan niet anders!'

N. is op dreef vandaag.

'En dan hebben ze vier kinderen... Alsof het niets is, hebben ze die er ook nog bij. En ze zien er zo prachtig uit als stel die Wopke en zijn vrouw, hoe heet ze? Liselot. Die Wopke en zijn vrouw zien er echt uit alsof ze gelukkig zijn met zijn tweeën.'

Zeker ook nog gelovig, die Wopke?

'O je bedoelt als CDA'er? Ja, dat zal wel. Anders hou je het niet vol.'

Ik heb het dossier Wopke niet paraat dus ik pak de iPad erbij en stuit al gauw op de foto waar N. over jubelt, waar ze niet over uitgepraat raakt, waarbij Wopke en zijn vrouw op Prinsjesdag blij rondhuppelen, hij in jacket en zij in een felrode jurk.

'Prachtig! En ze zijn niet eens getrouwd, dat vind ik ook zo sympathiek.'

O, dus toch niet zo christelijk, die Wopke.

'Nee. Nou, er kwam telkens iets tussen...Ze kennen elkaar niet eens van het corps. Hij zag haar op straat lopen en vroeg om haar nummer.'

Hij durft.

'En hij is ook nog heel sportief, Wopke. Gaat elke week met zijn vader van negentig of zo joggen. Echt ongelofelijk. Van dat kaliber vind je geen tweede hoor.'

Ik houd een foto van Wopke omhoog waarop hij, nou ja, iets minder oogt, iets minder Sexiest Man Alive, God's Gift to Women, etc. 'Ik vind hem te braaf. Te keurig. Zijn lippen zijn me te dun. Ik wil dikkere lippen.

'Ik geef toe lippen zijn belangrijk, maar wie heb je verder nog, die man die net is getrouwd –'

Grapperhaus?

'Die ja. Als ik de keus had tussen Grapperhaus en Wopke wist ik het wel.'

Maar wat dacht je van Hans van Mierlo, dat was een mooie politicus. Ik houd de iPad omhoog met een foto van Hans van Mierlo waar je u tegen zegt. Een man met lippen.

'Zeker, Van Mierlo had het ook. Het zou best eens kunnen dat ik om Hans van Mierlo D66 heb gestemd destijds.'

Natte worst



Mijn armoedehart maakt een vreugdesprong als ik dankzij mijn Stadspas voor €1, - , per persoon nochtans, incheck bij het De Mirandabad met de kinderen.

Heb ik me ooit geschaamd voor mijn armoede? Heb ik me ooit voor wat dan ook geschaamd?

Jazeker, ik geloof dat ik mij schaam voor mijn domheid.

Terug naar het zwembad waar het dankzij de verplichte reservering 'lekker rustig' is. Hoewel, in de zwemzaal staat een enorme opgeblazen worst opgesteld met een zwembadmedewerker ernaast die de worst natspuit opdat je er prettig in de lengte overheen glijden kunt. Een andere zwembadmedewerker bedient de geluidsinstallatie, waaruit zeer luid kinderen voor kinderen bonkt. De akoestiek in de zwemzaal is niet die in het Concertgebouw. De medegebrachte roman uitlezen terwijl de kinderen zwemmen zal (weer) niet lukken.

Nietsvermoedend loop ik langs de worst, intern hoofdschuddend en het ding verfoeiend, waarom moet kinderpret tegenwoordig zo luidruchtig zijn?, enzovoorts, totdat de zwembadmedewerker haar – koude – spuit ineens op mijn lijf richt.

Kan ze gedachten lezen?

Er zit niets anders op dan met een pokergezicht een fikse aanloop nemen en mij op de worst storten. Ik kom een heel eind.

Snel Naar De Bel heet deze attractie maar er is geen bel. Wel is er een badje aan het eind, waarin de buikschuiver geacht wordt een zachte landing te maken.

De kinderen joelen. Ze willen nu ook. Meteen staat er een rij.

Het roetsjen doet me goed. Alle vooruitgang is vooruitgang, de rest is stilstand.

Gesprekken met mijn schildpad (7)



Pfoe! Dat was een close call.

Ja, sorry.

Die aaibare moordenaar van je had me bijna in zijn klauwen. Hij was gewoon aan het vissen. Zoals een beer in de rivier vist naar zalm.

Ik weet het, ik heb hem net op tijd aan zijn nekvel gepakt. Ik beloof dat ik het anti-katten-rooster beter zal installeren.

En die vitaminen die je op mijn vishapjes druppelt...

Vind je vies?

Ja.

Alweer sorry. Er zit niks anders op. Die vitamines, heb ik me laten vertellen door Mark, zijn van essentieel belang. Eigenlijk moet ik je een met vitaminedruppels doordrenkt stukje vis met een pincet voeren.

Met een pincet?

Anders trek je de vis mee het water. Weg vitamines.

Je hebt het er maar druk mee... Wie de hel is trouwens Mark?

Mark de Vissenman. Die hebben we leren kennen in de dierenwinkel. Die heeft achthonderd vissen, naar schatting, maar ook zes moerasschildpadden, veel ouder en groter dan jij. Hij vertelde over een vriendin met een schildpad van 89 jaar oud.

Mooie leeftijd.

Dat kun je wel zeggen. Die vriendin had de schildpad van haar biologieleraar van school overgenomen die er vanaf wilde.

Geadopteerd dus.

Inderdaad... Jij wordt geloof ik niet zo oud Koos, maar de kans dat je mij overleeft is vrij groot, zeker in deze tijden.

Daar verheug ik me op.

Hoe kom jij zo cynisch?

Op maandag ben ik altijd cynisch. Naarmate de week vordert word ik minder cynisch.

Mark vertelde ook nog over hoe wij jou kunnen seksen.

I beg your pardon?

Hoe wij kunnen zien hoe jij een mannetje of een vrouwtje bent.

Je doet je best maar.

Bij het mannetje zit het geslachtsorgaan vlakbij het staartje. Bij een vrouwtje zit het iets verderop, en goed verborgen.

Niks nieuws dus. Zeg, ik moet verder. En hou die moordenaar van je in de gaten.

Will do.

(zwemt weg)


Dear Halina Reijn,


Vergeef me dat ik je film Instinct net pas zag op NPOStart en niet toen hij uitkwam in de bioscoop. Vergeef me ook dat ik vooral benieuwd was naar de manier waarop je de dierlijke scenes had vormgegeven in je film. Niet alleen tussen de forensisch psycholoog in het verhaal (Carice van Houten) en haar Vlaamse collega (Pieter Embrechts), maar ook en vooral de balts die de psychologe uitvoert met haar patiënt 'veroordeeld wegens de meest extreme seksuele delicten' (Marwan Kenzari die mij meer doet denken aan iemand van de buitenschoolse opvang).

Om met die laatste te beginnen. Ik heb zelden twee acteurs gezien tussen wie zo weinig chemie was. Noch Carice, noch Marwan vond ik geloofwaardig in haar/zijn rol (maar dat is een casting probleem), en hun samenspel ontbeerde iedere spanning, terwijl het gegeven – psychologische oorlogsvoering tussen de seksen en de aantrekkingskracht van het beestachtige – juist zo veelbelovend zijn.

Als in aanleg geëmancipeerde man vond ik het jammer om te zien dat de vrouw toch weer de ondergeschikte rol leek te spelen in dit machtsspel. Had het eens omgedraaid, had de therapeut de dominatrix laten zijn over de patiënt en de patiënt zich ondanks zichzelf laten meeslepen (en op het gevaar af zijn vrijheid te verliezen). Dat was kinky'er geweest, maar misschien ben ik een masochist.

'Vrouwen hebben meer verkrachtingsfantasieën dan mannen,' heet het, in je film. Wat bewijst dat?

Nu vond ik de therapeute vooral weerloos in de handen van de psychopaat. Dat hij haar een likje van zijn beplaste vinger aanbiedt is mooi, maar zij had hem daarop ten antwoord haar slipje in zijn mond kunnen proppen, of aan zijn tepels of ballen door de duinen kunnen trekken (ik noem maar wat).

Dan de one night stand tussen de twee collega's – zij sleurt hem mee na een avondje uit. Casual sex tussen consenting adults: altijd leuk zou je denken, vooral omdat jouw script voorziet in de hongerige geilheid van de vrouw (die, weten we, helaas voortkomt uit een dysfunctionele en onbedoeld lachwekkende verhouding met haar moeder).

Twee mooie mensen seks zien hebben is saai, tenzij de een als een konijntje op haar buik gaat liggen in de gang en met haar kontje omhoog wipt. Hij weet er geen raad mee.

 

Vuilnisbelt



Denk je dat je een diepte investering doet in het huishouden, meer in het bijzonder de kookbenodigdheden door een friteuse aan te schaffen, een Belgisch geval van het merk FriFri, semi-professioneel ook nog, is het weer niet goed.

Allereerst: een extra apparaat. Kan niet, mag niet, moet niet, in een poppenwoning als de onze, meent A.. Op zich heeft ze daar wel een punt, maar ja, vooruitgang enzovoorts. De vraag is niet of we ons leven machinaliseren, maar hoe en wanneer.  'Waar wou je dat ding laten?'

'In de tuin.' Daar wilde ik ook gaan frituren, opdat de aldus vrijkomende geur, ook wel stank genaamd, wordt prijsgegeven aan de buitenlucht, in plaats van aan de binnenlucht waardoor wij er 24 uur of langer in leven. Hoe lekker de friet ook, zo lang wil je er niet aan worden herinnerd.

'Als je dat ding maar niet in het zicht laat staan, de tuin is geen vuilnisbelt.'

Ook een goede. De tuin is thans wel een vuilnisbelt maar met artefacten die zij er heeft neergezet. Als ik er iets neerzet is het meteen fout.

Vanavond wil ik mijn gezin verbijsteren met perfect gebakken zoete aardappelfriet, ik wil A. overbluffen en aftroeven zodat ze zag zeggen, onderuitgezakt, met haar buikje rond: 'Ik ben blij dat we eindelijk een semi-profi FriFri-friteuse hebben en dat je niet meer zo primitief frituurt in een gietijzeren pan zoals je de afgelopen tien jaar hebt gedaan of langer met alle gevaren voor onze gezondheid van dien.' Maar dit zegt ze niet. Ze zegt niets.

'Lekker krokant toch?' probeer ik nog.

Mijn eega haalt haar schouders op.

Na het eten probeer ik een plek te vinden op de vuilnisbelt, ik bedoel in de achtertuin, voor de FriFri om af te koelen. Over een opbergplek heb ik nog niet nagedacht.

Ik heb heel lang over deze aanschaf gedaan, ik doe altijd heel erg lang over een aanschaf, en sloeg 'dus' mijn slag toen het ding in kwestie bij Duikelman onlangs een tientje in prijs naar beneden was gegaan, van 120 naar 110 euro.

'Op Marktplaats, schampert A., 'zag ik precies dezelfde voor zestig euro. Nieuw.'



Christina †



'Viktor. Wat goed je te zien. Wat zie je er geweldig uit. Je vrouw en kinderen ook. Jullie zijn echt een prachtig stel bij elkaar... en je nieuwe boek dan, wanneer komt dat uit? Ik kan echt niet wachten... Anders heb ik niets te lezen. Je voorgaande boeken – god o god wat heb ik daarvan genoten.' Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen.

En dat dan uitgesproken met een doorrookte, door de leeftijd lager geworden stem, door een vrouw met roodgeverfd haar, en dikwijls blauw gelakte nagels aan altijd mooi gebleven, slanke vingers.

Nee, niet tot in de eeuwigheid, want Christina, mijn grootste fan, van wie bovenstaande woorden kwamen, zonder uitzondering als ik haar op de kade tegenkwam, al dan niet met mijn gezin in mijn kielzog, wordt vandaag begraven.

Haar dochter en kleindochter kwamen van de week haar dood aanzeggen. Zevenenzeventig jaar jong, maar ziek en op. Ik zal haar missen.

Zeker nu, zeker nu is er enorme behoefte, niet alleen bij schrijvers, maar ook en vooral bij uitvoerend kunstenaars, wier hele of halve beroepspraktijk door de plee wordt gespoeld, aan complimenten zoals Christina die kon geven. 

Complimenten zonder mitsen, maren, echters, evenwellen en goedbedoelde kritiekpunten. Gewoon lekkere, zuivere lof, en niets dan lof. En niet heel eventjes tussendoor. Nee: lang en uitgebreid en met veel herhalingen.

Er zou een markt voor zijn, denk ik: een Lofstraat. Eventueel meteen na of naast de Teststraat, waar je complimenten kan tanken. Je hoeft er niet eens voor uit je auto te komen, maar het helpt wel. Als er meer van je te zien is, valt er ook meer te complimenteren.

Christina hield van haar wietje en haar wijntje – op weg naar haar stamkroeg De Rijnbar was ze een stuk helderder en stond ze een stuk steviger op haar benen dan op de terugweg – maar haar complimenten waren altijd gemeend. Tenminste dat wil ik graag geloven, daar hangt mijn eigenwaarde van af.

Ik complimenteerde haar zoveel mogelijk terug. Hopelijk is daarvan ook iets bij haar blijven hangen.

Yo




Tussen de diverse aanbieders van voedsel op Den Haag Centraal, met namen als Smullers en Julia's, kies ik voor Yo, een Japanse variant.
Ik dacht dat Yo Spaans was voor 'ik', of anders een Amerikaanse variant op 'yeah', maar misschien betekent het in het Japans ook iets. (Google: 'Yo indicates the speaker's assumption that the listener doesn't share the speaker's opinion or information. Yo is used when the speaker wishes to emphasize new information.')
Juist.
Uit het menu van Yo kies ik de vegetarische gyoza (dumplings). Terwijl ik wacht krijg ik een klein bakje, zo'n plastic kuipje waarin ook wel gari (ingemaakte gemberlapjes) wordt geserveerd, met sake, om te proeven. Misschien wil ik daarna een flesje kopen.
Ik open het bakje. 'Beetje Haags bakje,' klaag ik tegen de vrouw achter het spatscherm op de toog. Ze glimlacht en geeft me een vol bakje.
Zoet, dit spul. Te zoet naar mijn smaak.
'Niet zo zoet als de meeste sake,' zegt de vrouw achter het spatscherm. 'Ik kan het weten want ik werkte jarenlang in een drankzaak.'
Ik waag dit te betwijfelen. Alles moet tegenwoordig zoet, denk ik, anders is er geen markt voor.
Ondertussen zie ik vanuit mijn ooghoek dat mijn trein over 'enkele minuten' vertrekt. Ik zie hem staan, op hemelsbreed honderd meter, maar ik zit er 'dus' niet in.
Terwijl ik toekijk hoe de man in de keuken bezig is met mijn dumplings – alles wordt vers bereid hier; wij vragen uw geduld, lees ik op een bordje – rekt de tijd zich uit, lijkt het. De secondes worden langer, alles gaat in slow motion. Nog steeds is mijn Gyoza niet klaar. Waarom heb ik ook weer voor iets ingewikkelds gekozen? Ook de vrouw achter het spatscherm wordt ongeduldig, kijkt de man in de keuken bijna verwijtend aan. Ondertussen vertelt ze dat ze bang is dat haar jaarcontract dat afloopt in december niet wordt verlengd, hoe deze keten is overgewaaid uit Engeland, hoe zij en haar medewerkers een spoedcursus sushi rollen kregen van een meneer uit de Philipijnen, maar ik wacht nog steeds op mijn Gyoza. 'Ik heb er een extra dumpling in gedaan,' zegt de man in de keuken, 'eentje ging stuk.'
Yo. Ik ren naar mijn trein en zit ruim op tijd in de lege stiltecoupe, als een uitgehongerde rat, mijn hapje op te peuzelen.
Lekker.



Heb ik ooit mijn handen gewassen?


Ik ben in een overheidskolos te 's Gravenhage. De maatregelen zijn strikt en worden hier zelfs op directeursniveau afgedwongen. Het zal mede verklaren waarom er bijna niemand is en dat je zelf aan de beveiliging moet uitleggen welke afdelingen er in dit gebouw zoal te bezoeken zijn.

Op de WC  een handenwas-instructie.

Eindelijk! Volgens mij hebben mijn ouders/verzorgers op dit punt wat steken laten vallen. Ik kan mij bijvoorbeeld niet herinneren dat ze hamerden op wassen na wc-bezoek (wel voor het eten, trouwens). Of ik betuigde me ook op dat punt ongehoorzaam, dat is mogelijk.

1. Gebruik zeep. Dit kan ik volgen. Doe ik ook.

2. Palm tegen palm. Idem. Tot hier geen vragen. Dit is wat ik handenwassen zou noemen. Spoelen en klaar.

3. Rug tegen rug. What the? Dit voelt alsof je twee willekeurige pubers opdraagt elkaar te zoenen. Waar is de winst, Vendor? Palm tegen rug: ja. Rug tegen rug is geen hygiëne maar poëzie.

4. Tussen je vingers. Kan ik inkomen en heb ik, bij grondige besmeuring, ook heus wel eens beoefend.

5. Je hele duim. Pervers!

6. Schrob je nagels. Goeie, maar hoeveel virus zich doorgaans onder de nagels schuilhoudt weet ik niet.

7. Polsen. Vendor, wat denk je dat ik uitspook op de WC?

8. Spoel je handen. Je hebt me weer. Dit pas ik zelf ook vaak toe (zie 2).

9. Droog ze goed. Een leermoment. Ik ben dikwijls te ongeduldig om de droging der gewassen handen tot het eind toe af te wachten, waardoor ik toch weer met natte jatten terugkeer naar waar ik vandaan kwam, ze onderweg afdroog aan mijn broek of aan het jasje van een passant, en dat kan niet de bedoeling zijn.


Zijn mondkapjes sexy?

Is het al toegestaan, of is het ooit opportuun, om mondkapjes sexy te vinden? Ik vroeg me dit af, toen N. en ik bij de lunch werden bediend door een serveerster met een knotje wier neus, mond, wangen en kaak achter een masker schuilgingen, en ik, ook al zag ze er verder gewoontjes uit, enige titilation voelde. Mijn verbeelding werd geprikkeld. Was deze serveerster misschien sexier met, dan zonder mondkapje?

Als ik zelf een mondkapje draag heeft dat in elk geval als voordeel dat mijn gebit, waar ik niet trots op ben (de zegeningen van het Orthodontistisch Industrieel Complex zijn aan mij voorbijgegaan), alsmede mijn tong, die A., wanneer zij hem in de smiezen krijgt, zelden nalaat te bekritiseren, aan het oog der buitenwereld onttrokken blijven.

Een niqab kan sexy zijn, een sluier kan sexy zijn, om nog maar te zwijgen van maskers. Er bestaat een hele (sub)cultuur rondom het idee dat partiële onzichtbaarheid een meerwaarde heeft, juist iets toevoegt, in plaats van in mindering brengt.

Zo zou ik ook weinig bezwaar aantekenen tegen de permanente afdekking van het smoelwerk van Trump. Dat verontwaardigde apebekje. Hooguit Macron heeft volgens mij een neus en mond die het waard zijn om te tonen.

Hoeveel kan een gemondkapte zeggen met zijn of haar ogen? In een gemondkapte wereld worden we teruggeworpen op de zeggenschap van onze blik. 

De serveerster in het lunchrestaurant deed het ding niet één keer af, hing hem ook niet op half zeven terwijl ze in het keukentje espresso stond te brouwen. Nadat N. en ik het restaurant hadden verlaten, werd ik gebeld omdat ik mijn pinpas had laten liggen. (De serveerster had mijn nummer dankzij het contactonderzoekformulier.) Naomi heette ze, wist ik nu, maar ik wist nog steeds niet wat er onder dat mondkapje zat.

'Naomi?' zei ik, toen ik binnenkwam in het lege restaurant.

Ze schrok. Dat leidde ik af aan het knotje, dat op en neer bewoog. Leuk.



 


Eigenwijze moeders


Weduwe M., de moeder van mijn raadsman, die opmerkelijke overeenkomsten vertoont met mijn eigen moeder, kwam het café binnen voor de afterparty van Marieke Smithuis' boekpresentatie van De Koning van de flat met een gelaatscherm op.

Wat of wie komt ze lassen, dacht ik. De tweede: ben ik wel verstaanbaar, want haar kon ik niet horen, het is toch een beetje alsof je tot een loketmedewerker spreekt zonder spreekgaatjes of microfoon, totdat M. haar stem verhief en zei: 'Jawel, hoor, je bent prima te verstaan.'

Ik ben een beetje doof (dat heb ik dan weer met mijn moeder gemeen).

'Is dat jouw date?' vroeg ze, wijzend op een blonde vrouw aan een belendend tafeltje.

'Dat is mijn vrouw.'

Toen M. haar bril wilde opzetten, moest ze het spatscherm vijfenveertig graden openklappen, en dan nog ging het vrij onhandig. Een glas wijn naar je mond brengen en er een slok uitnemen is al helemaal een uitdaging.

Je kunt je niet tot de tanden toe wapenen tegen een pandemie, lijkt het, en tegelijk van het leven genieten.

Eindelijk zette M. het ding af en kwam ze naast me zitten, op ik schat minder dan een meter. Net zoals mijn moeder zou kunnen doen, plukte ze tijdens het gesprek aan mijn schouder en arm. Ze heeft die handtastelijke manier van spreken die de Fransen zo mooi frotti frotta noemen. Ik houd er wel van. Het virus ook.

Corona had ze desgevraagd in het stadje waar ze woont niet zo gek veel van gemerkt. Ze kende niemand die het had of heeft gehad. Wel had ze een vriend bij wie een been moest worden afgezet nadat hij vier dagen voor pampus had gelegen achter de voordeur. (Ik wees haar niet zonder trots op het artikel van Medische Broer in NRC van vorige week over diens prothese kunst, misschien had hij er wat aan.)

'Een goede reden om een touwtje met een alarmknop om te doen,' zei ik. 'Om te voorkomen dat je zelf vier dagen achter de voordeur ligt.'

Ze keek om zich heen met een air alsof ze dat advies lekker in de wind ging slaan.

Ik keek naar mijn raadsman. Wij rolden met onze ogen. Eigenwijze moeders. Maar ze worden 'dus' wel oud, in goede gezondheid bovendien. Een raadsel.

Gesprekken met mijn schildpad (6)


Koos, hoe gaat het.

Naar omstandigheden goed.

Die indruk kregen wij ook... hoezo naar omstandigheden?

Nou, die pandemie enzovoorts.

Maar jij hebt toch helemaal geen last van de pandemie?

Ik merk dat jullie gespannen zijn. Ik word er meer uitgevist dan vroeger, ik word uitgebreid bepoteld, jullie zijn meer dan normaal op mij gefocust.

Maar Koos, we houden van je! Dat wat jij ziet, dat is liefde!

Ik krijg sterk het idee dat ik jullie troostmeisje ben. Ik herinner jullie aan een mooie, onschuldige wereld of zoiets. Ja weet ik veel, ik ben ook maar een psycholoog van de koude grond.

(Schept viezigheid uit het water) Verder alles naar de zin in de bak?

Ik ben erg blij met het anti-kattenrooster dat je hebt geïnstalleerd, maar...

Maar wat?

Het is niet groot genoeg, er blijft een stuk open. Daar steekt hij zijn poot doorheen. Als ik even niet oplet, plukt hij mij zo van het eilandje. Ik ben al eens voor hem op de vlucht geweest toen jullie er niet waren. Geloof me, dat waren angstige momenten.

Katten zijn bang voor water. Water is jouw redding. Wat me trouwens doet denken aan een gruwelijke anekdote.

Hè ja... Ja, nu moet je hem vertellen. Ik laat je niet gaan voordat je hem hebt verteld.

Een rijke man, die in een groot huis woonde, kocht een schildpad voor zijn dochtertje. Ze speelde er leuk mee.

En?

Na een paar maanden bewoog de schildpad niet meer. Het dochtertje was verdrietig. De man deed de schildpad weg.

Ik voel hem al aankomen.

De man kocht een nieuwe schildpad. Zelfde liedje. Weer terug naar de dierenwinkel. Toen dacht die man, misschien moet ik toch eens informeren of ik iets niet goed doe. Weet je wat hij kreeg te horen?

Ik weet het wel, maar zeg jij het maar, ik vind het te erg.

Uw schildpad hield een winterslaap.

Ach ja, de domheid van de mens. Die is oneindig. Telkens als je denkt dat je alle domheid hebt gezien, komt er weer nieuwe domheid bij. Salut!

(zwemt weg)




Restaurant Conserve


Vanaf Eindhoven 'Centraal' loop ik dwars door het ghetto naar Résidence Hemelpoort. Mijn ouders zouden me tegemoet komen. Halverwege hoor ik mijn moeder roepen: 'Hé, hallo!'

Ze zit op zo'n bankje waar je eerder lokale dronkelappen zou verwachten. Stalend. Mijn vader heeft zich verschanst in zijn scootmobiel, – een nieuwigheid –, met zijn pet op en geeft geen kik.

Ik complimenteer mijn vader met zijn nieuwe vervoermiddel en mijn moeder met haar geheel uitgegroeide, zilvergrijze haar. Ware ik een filmregisseur, zou ik haar casten.

Mijn moeder is nog niet opgestaan of mijn vader scoot er vandoor. 'Hé, wacht nou even!' roept ze. Pappa scoot toch niet zo snel wil ik zingen. 'Kleine motormuis,' zegt mijn moeder, hoofdschuddend.

Bij het stoplicht wachten we weer samen. Bij groen schiet mijn vader weer weg. Hoe traag deze negentiger ook is geworden, qua motoriek, met dit ding heeft hij zijn oude snelheid terug. Niet meer duwen of hoeven te worden geduwd: hoe bevrijdend!

Als we ons eenmaal op de bank hebben genesteld met een drankje gaat de telefoon. Het is de keuken, waar we blijven. Mijn moeder heeft gereserveerd in Restaurant Conserve, beneden. Die reservering was om 17.30, en het is nu 17.33.

Wij haasten ons naar beneden. We worden begroet, of nou ja toegeknikt, door een zee van zwijgende eters, keurig tegenover elkaar opgesteld op anderhalve meter aan een rechthoekige tafel.

Wij mogen aan een ronde tafel. Het voorgerecht bestaat uit een bakje champignon-ragout. Mijn vader en ik bestellen er een glas rode wijn bij. Het hoofdgerecht is kippenpoot, erwtjes-mais met ongare pommes dauphine. 'Lekker hoor,' zegt mijn moeder. 'Hoe vinden jullie het?'

'Alles is lekker voor wie niet zelf hoeft te koken,' zeg ik.

Een vrouw die klaar is met eten draait zich om naar ons tafeltje en zegt tegen mijn moeder: 'Uw dochter lijkt sprekend op u.' Ik ben vereerd.

Een eindje verderop zit een man alleen in een rolstoel met gigantische oren. Zulke grote oren heeft mijn vader (nog) niet, hoewel zijn vader, mijn grootvader, op die leeftijd wel grote oren had.

Als de gasten van tafel opstaan maken de over de vloer schurende stoelpoten een geluid dat nog het meest lijkt op iemand die zijn neus heel hard ophaalt. Viltjes lijkt de oplossing, maar ik woon hier niet.

'Omdat jullie zo aandringen zal ik nog wat piano spelen.' Ik zou Satie spelen, maar ik ben mijn Satie-boek vergeten, dus speel ik Beatles, altijd goed. Ook minder kans dat het publiek in slaap valt. Het is al tien voor zeven.




Zij Die De Wereld Besturen Hebben Haast

Toyin Ojih Odutola


Het was laat op de avond, we waren moe, er was drank en we hadden behoefte aan een gespreksonderwerp (dit was voordat Donald 'Covid' Trump zijn opwachting maakte in de nieuwscyclus).

Tot zover de verzachtende omstandigheden.

Want wat de nieuwe vriendin van Nieuwe Vriend P. –  gestudeerd, belezen en gezond van lichaam en geest – te berde bracht was en bleef een samenzweringstheorie.

'De Grote Bedrijven,' je hoorde de kapitalen in haar stem, 'zijn er op uit om de kleine bedrijven weg te vagen. Dat is de hele reden van al die coronamaatregelen.'

'Maar dat gebeurt toch sowieso?'

'Ja, maar nu sneller.'

Zij die de wereld besturen hebben haast.

Ja, ze wist het ook niet hoor, maar ze had het van haar geleerde zuster, de infectioloog. 'Mondkapjes werken helemaal niet, die geven alleen maar schijnveiligheid. Ze verergeren het in zekere zin, omdat mensen met een mondkapje dichter bij elkaar komen.'

Samenzweringstheorieën zijn besmettelijker dan het virus zelf. Ze vullen een leegte, ze nemen de functie over van religies, die het ernstig laten afweten. We leven in complexe tijden; zelfs de wetenschappers zijn het niet met elkaar eens, niemand weet of hij of zijn dierbaren over drie maanden nog leven – ziedaar de vruchtbare voedingsbodem voor uitzinnige theorieën, die datgene bieden waaraan wij angstigen thans erg veel behoefte hebben: helderheid.

Meer nog dan religie geeft zo'n complottheorie, juist omdat hij geen hoop geeft maar doem voorspelt, een perverse bevrediging. Noem het masochistisch leedvermaak.

We gaan samen ten onder, daar is geen twijfel over mogelijk, en wij complot-theoretici weten hoe. Heerlijk.



Invaltrainer


Er werd me gevraagd in te vallen als trainer voor het teampje waarvan mijn dochter (7) ook deel uitmaakt. Ik had gewaarschuwd dat ik, als gediplomeerd filosoof, niets van voetbal weet, nooit voetbal kijk en moeilijk aan iets anders kan denken dan de Monty Python-sketch waarin de Grote Filosofen het tegen elkaar opnemen (met desastreus effect). Ze wilden me nog steeds hebben.

Coronavoordeel: de ouders mochten er niet bij zijn, dus mijn voetbalkundige adviezen konden ook niet door deszelven worden belachelijk gemaakt, alleen nog door de collega trainers en de voetballertjes zelf.

Een trainingspak had ik niet aangetrokken, niet alleen omdat ik er geen heb, maar ook omdat ik niet te hoge verwachtingen wilde scheppen.

Dat de wereld er voor de dochter van de invaltrainer anders uitziet dan voor de invaltrainer zelf, bleek toen ze bij aanvang trots tegen een teamgenootje riep: 'Mijn vader is trainer!' Er kwam geen reactie.

Er waren vijf jongetjes – lees: vijf ongeleide projectielen die opvallend hard kunnen schoppen – plus mijn dochter. Ik probeerde er het beste van te maken. Orde houden bleek al een te hoog gegrepen doel.

Lastig om je eigen kind niet voor te trekken, en toch ook niet onnodig kort te houden. Niet te discrimineren, met andere woorden.

Toen ik had bedacht klein kopballetjes te oefenen (met een zachte bal), ging het mis. Ik wierp de bal met een klein boogje op. De jongetjes durfden te koppen, op één na, die liever in het gras bleef liggen. Mijn dochter ging er klaar voor staan, maar zodra ik de bal opwierp week ze naar achter waardoor de bal niet op haar voorhoofdje landde, maar op haar handen.

Hands!

'Je kunt het wel!' zei ik. En even leek het daar ook op.

Een van de andere trainers had me zien aanmodderen en zei: 'Koppen moet je niet aan beginnen.'

Weer wat geleerd.

Penishaar



Keurig op anderhalve meter afstand zit ik aan tafel met een groepje mensen te praten over discriminatie. Welkom bij mijn workshop De Ander, Dat Ben Ik. Het is een van mijn eerste workshops, ik moet er nog een beetje in komen.

Een van mijn stokpaardjes is dat ik denk dat iedereen wel eens is gediscrimineerd, dat ook witte mensen wel eens zijn afgeschreven op eigenschappen waar ze niets aan kunnen doen (toegegeven, dat is een nogal brede definitie). Als mensen beter begrijpen hoe het voelt om gediscrimineerd te worden, is de gedachte, begrijpen ze ook beter hoe anderen zich gediscrimineerd kunnen voelen.

Witte mensen die zich niets kunnen voorstellen bij discriminatie, – niet alleen als zender niet, maar ook niet als ontvanger –, nodig ik uit om terug te denken aan het schoolplein. Op het schoolplein wordt iedereen doorgaans genadeloos beoordeeld, ingedeeld, achtergesteld of voorgetrokken op basis van eigenschappen waar hij of zij niets aan kan doen. De meesten van ons hebben op het schoolplein wel gevoeld hoe het is om afgeserveerd te worden, of om iemand af te serveren.

En inderdaad, een van de deelnemers aan mijn workshop, een sympathieke man met rossig-blond halflang haar, vertelt desgevraagd dat hij zich herinnert hoe hij werd bejegend op het schoolplein. 'Ze maakten me uit voor rooie omdat ik peentjeshaar had.'

Ik frons mijn wenkbrauwen. 'Penishaar?'

'Peentjeshaar,' corrigeert hij me.

Ik weet niet of mijn blos zichtbaar is, misschien niet door mijn van nature rode huid, maar ik schaam me voor mijn verspreking. Verhoring eigenlijk. Ik hoorde hem niet. Wijt het maar weer aan de anderhalve meter.

'Stoplicht, zeiden ze tegen me, wanneer spring je eens op groen?'

Later liet deze man weten dat hij goddank wat gehad had aan de workshop.


De like-button


Twee verontrustende docu's achter elkaar, de ene wat verontrustender dan de andere: een aflevering van Tegenlicht, waarin de schaduwzijde van het online shoppen werd getoond (nieuwe kleren door de shredder, afgekeurde nagelnieuwe produkten in bulk naar Jordanië).

In The Social Dilemma werd duidelijk dat de mensen aan wie we de 'sociale media' (een oxymoron if there even was one) te danken hebben, zelf ook langzaam beginnen in te zien dat onze mobiele telefoonverslaving meer kapot maakt dan ons lief is.

Die tegenlicht-docu zou je eigenlijk samen moeten zien met Sorry we missed you, de vernietigende film van Ken Loach over uitwassen in de pakket-bezorgingsindustrie.

'Gratis', 'anoniem' en 'gemak' maakt kennelijk het beest in ons los. In het geval van online shoppen: gratis retourneren. De eigenares van een kleine webshop klaagde over kleren die kapot, of met de stank er nog in, worden teruggebracht met de toevoeging: 'We zien er toch maar van af.' De verkoopster zit met de gebakken peren. Van alle Europese landen stuurt Nederland de meeste pakketjes terug. Kijken kijken kopen gebruiken terugsturen is het devies.

Ik moest lachen toen Jason Rosenstein, een van de tech-nerds uit The social dilemma, trots vertelde dat hij de 'like'-button had uitgevonden op de Facebookpagina.

'Wat doet je vader?'

'Hij is nu een criticus van de sociale media, maar...'

'Maar wat?'

'Voorheen werkte hij bij Facebook.'

'Echt waar?'

'Hij heeft de like button uitgevonden.'

'Wauw. In zijn eentje?'

'Nou, hij en zijn team. Om precies te zijn is hij co-inventor van de like-button.'

Die like-button vat mooi samen wat er mis is. We dachten dat de wereld er alleen maar mooier door zou worden, aldus Rosenstein, zonder een spoor van ironie, maar het pakte anders uit.


Geachte kreunende vrouw om 23u40,

Max Walter Svanberg


U komt wat sneller ter zake dan uw voorgangster en dat is winst – tenminste, vanuit het standpunt van uw toehoorders, ik schat zo'n hemelsbreed vijf meter onder u.

Als ik me niet vergis hoorde ik u om 23u00 de trap op stampen. En de rest is geschiedenis.

Eenmaal aan het werk, breidde u er ook sneller een eind aan. Of dit de verdienste was van uw minnaar, onze bovenbuurman, laat ik even in het midden – het zal samenspel zijn geweest. Er zat een opbouw in. Ik zal niet zo ver gaan om uw gekreun als een compositie te kenschetsen, als een suite of iets dergelijks, à la Sofia Goebajdoelina of Luciano Berio, daarvoor klonk het toch wat te geïmproviseerd, wat rommelig en ad hoc, maar het ging ergens naar toe, en dat kon van uw voorgangster niet gezegd worden.

Wij zaten toch nog wel met een paar vragen.

1. Halverwege uw gekreun meenden wij het geluid van een machine te horen. Nu is onze vraag: was dit een machine in de seksueel genotsopwekkende sfeer en had u een en ander voor dit doel met vooruitziende blik medegebracht? Of was dit een poging van uw minnaar, onze bovenbuurman, om het geluid dat u produceerde als het ware te maskeren?

2. U bleef slapen. Dat weet ik, omdat ik u vanochtend laat de deur uit zag komen, in een autootje stappen en wegrijden. Met een tasje. Natuurlijk, ik redeneer hier op basis van onvolledige informatie, ik heb u niet om uw beweegredenen gevraagd, noch heb ik mijn bovenbuurman u zien uitwuiven, maar ik had u nog niet eerder ons pand zien verlaten. Nu luidt onze vraag: hoe was het? Overweegt u een reprise? Indien ja, mogen wij u dan verzoeken dit te plannen in de vroege middag, of bij u thuis, desnoods in de auto?

Onze dank is groot en lang leve de liefde,

Enz.



Ama / pro




Wat onderscheidt de amateur van de professional? En, in het verlengde hiervan: is dit onderscheid in het huidige tijdsgewricht nog relevant?

Ik stelde deze vragen nadat ik me opnieuw had laten strikken door Mark van het Bruggehuisje (het kleinste kinderverteltheater van de stad), om deel te nemen aan zijn project om poëzie te laten weerklinken (omlijst door wat levende muziek), op enkele 'pleintjes' bij mij in de buurt.

Ik was om vijf uur aan de beurt op het Meerhuizenplein. Bij aankomst, met mijn zevenjarige op sleeptouw, voelde ik toch nog plankenkoorts.

Ex-oom Louk, die aan dit plein woont, had ik ingeseind, maar hij antwoordde dat hij een afspraak had. Jammer, dan werd het dus toch weer een halve man en een paardenkop. 'De kunstenaar,' smste hij, 'is een roepende in de woestijn van steen. Wen er aan.'

Bij het openingslied 'Poëzie op pleintjes', 'meerstemmig' gezongen door Mark en twee andere amateurs, wilde ik door de grond zakken. Waarom was ik alweder bezig mijn ruiten in te gooien? Immers, het meest in het oog springende onderscheid tussen een ama en een pro is nog altijd dat de tweede betaald wordt, en de eerste alleen met aandacht; daarom zou de pro moeten bedanken voor dit soort optredens. Maar wat konden mij, zijnde TOZO'er, die valuta schelen? Ik droeg mijn twee gedichten voor – precies op het juiste moment kwam A. aanwandelen, zodat ik na afloop bij haar kon schuilen.

Een uur later werd ik verwacht op het pleintje voor de Tolbar voor de 'finale'. De mensen die nietsvermoedend op het terrasje borrelden, vluchtten niet toen zij vergast werden op PoP. Sterker, er begon daadwerkelijk een ambiance te ontstaan die enigszins deed denken aan die van een echt podium.

Een vrouw in het publiek genaamd Rogeria, die ik vagelijk ken, zei dat ze was gecharmeerd van Herfstverlangen, een gedicht dat ik waarschijnlijk niet had geschreven als Mark er niet om had gevraagd.

Misschien moest de conclusie luiden dat deze zelfbenoemde pro zich vooralsnog zonder amateurisme niet kon redden.

 

Brandend-huis droom


Ik droomde dat ik een brandend huis probeerde te ontvluchten. Het was niet zomaar een brandend huis, iemand had het aangestoken. Misschien ikzelf, dat weet ik niet zeker. Het was aangestoken, meen ik me te herinneren, met frauduleuze doeleinden, maar het ging dus mis want de brand woedde al hevig en iedereen behalve ik sliep nog, en er was geen uitweg.

Is dat het grootste inferno? Wakker worden in een brandend huis, waar je niet meer uit blijkt te kunnen ontsnappen? Samen met ten onder gaan in een schip dat langzaam zinkt terwijl jij je kamer niet uit kunt (het waterpeil stijgt langzaam totdat je met je hoofd schuin tegen het plafond zit en geen adem meer kunt halen), – die scène zit in Titanic – denk ik dat het brandend huis-scenario vrij hoog scoort.

Maar wat heeft het allemaal te betekenen?

'Als je in je droom in vlammen opgaat,' aldus Droominfo.nl, 'betekent dit dat je temperament de overhand krijgt.'

En: 'Wanneer je droomt dat je huis in brand staat, suggereert je droom dat je een verandering moet ondergaan.'

Tja. De verandering die ik graag zou willen ondergaan is die van something seller-auteur naar better seller auteur maar ik begin me zo langzamerhand af te vragen of ik hier zelf nog enige invloed op kan uitoefenen, behalve een zo goed mogelijk manuscript af te leveren.

Een interessant artikel in Nature lijkt iets te bewijzen over dromen dat elke dromer al wist: dat er geen 1 op 1 verband is tussen je dromende staat en je wakende staat, maar dat de inhoud van je droom wel iets zegt over hoe je je voelt. Zo zou mijn brandend-huis droom toch kunnen wijzen op een bepaalde mate van emotioneel tumult.

Een andere theorie stelt dat je in dit soort angstdromen oefent voor mogelijk gevaar.

Werd ik krijsend, of in elk geval met een schreeuw wakker? Nee, hoewel ik wel eens op die manier uit een nachtmerrie ben ontwaakt. Het bleef beschaafd. Ik herinner me dat ik vroeg in de ochtend wakker werd uit de brandend-huis droom, en daarna vergeefs probeerde in slaap te komen om terug te keren naar de droom en alsnog samen met mijn dierbaren te ontsnappen.


Louisville, Kentucky


Jaren geleden was ik in Louisville, Kentucky, op bezoek, uitgenodigd als NRC-correspondent, om een theaterfestival bij te wonen. Een soort Holland Festival, maar dan in Kentucky. Althans, dat was de gedachte van de organisatoren, dat moet het idee zijn geweest. Je hoort het de initiatiefnemers zeggen, tijdens de oprichtingsvergadering: 'This should put Kentucky in general on the map, and Louisville in particular.'

Hoe doe je dat, een plek op de kaart zetten? Nou, door ervoor te zorgen dat mensen die bijvoorbeeld in New York wonen, zich gaan afvragen: waar ligt dat eigenlijk, Louisville, en hoe kan ik er heen? In die tijd, zeg twintig jaar geleden, deed je dat door de media uit te nodigen. Tot de media van Nederland toe, dus. Waarschijnlijk weet de gemiddelde Kentucky'er evenveel over Nederland als... de gemiddelde Nederlander over Kentucky, maar dat was kennelijk geen bezwaar. Daar wilden ze juist verandering in brengen, net zoals het HF dat wil.

Waar ik naar toe wil, is dat ik, als buitenlandse gast, werd uitgenodigd bij een familie thuis. Een rijke familie, hoewel je dat er misschien niet meteen aan af zag. Een invloedrijke familie, moet ik misschien zeggen. Zo'n familie die al sinds jaar en dag bepaalt wat er in Louisville Kentucky gebeurt. Het was een uiterst genoeglijk diner. Geen klachten.

Was die familie zwart? Waren er zwarte acts op dat festival? Het was de organisatie gelukt Louisville op de kaart te zetten, maar niet zo goed als de politie dat nu net is gelukt.

Wat mij deed huiveren was de 'no knock'-warrant. Dit huiszoekingsbevel wil zoveel zeggen als: de politie kan waar ook, om wat voor reden ook, op welk tijdstip ook, bij wie ook binnenvallen.

Kafka in het kwadraat.

Hij is onmiddellijk afgeschaft, die warrant – te laat voor Breonna Taylor.

Zeeman o zeeman


Ik rijd door Maarssen en verbaas me, want ik ben nog nooit door Maarssen gereden, tenminste ik kan het me niet herinneren, over de witheid van de mensen op de fietsen, de scholieren die bij het stoplicht staan, de voetgangers, de mede-mobilisten, iedereen. Dubbelblank, mompel ik bij mezelf. Maar ik ben niet naar Maarssen gekomen om de raciale opbouw van de lokale bevolking van dichtbij te bestuderen.

Ik passeer verpleeghuis Snavelenburg – verpleeghuizen herken je onmiddellijk, het is moeilijk te zeggen waaraan, maar een deel van de verklaring is de steeds teleurstellende architectuur, een verpleeghuis ziet eruit zoals het er van binnen nogal eens ruikt – en vang, omdat ik mijn raampje open heb staan, een flard op van een lied dat met nogal wat volume ten gehore wordt gebracht, kennelijk buiten, met begeleiding. Ik zie niemand, maar ik hoor:

Zeeman, o zeeman/ Ga toch niet weer heen / Zeeman, o zeeman / Laat ons niet alleen

Een coronaconcert, ongetwijfeld. Ik wil stoppen om het bij te wonen. Het lied, een schlager moet het zijn, ken ik niet, maar klinkt me toch bekend in de oren.

Bij thuiskomst zoek ik het op. Zeeman o zeeman, van The Ramblers, maar natuurlijk, uit 1958. Nee, niks maar natuurlijk, ik kende dat orkest helemaal niet want het is ruimschoots voor mijn tijd. Het bestaat bijna honderd jaar. Het is het orkest van mijn ouders, maar mijn ouders heb ik er nooit over gehoord, ik moet ze er eens naar vragen.

Wie is Loesje? is een van hun all time hits.

Wie is Loesje/ Wie is toch dat snoesje? / Loesje is het meisje van de drummer van de band.

Het liedje is geïnspireerd op Liesje, dat was inderdaad de vrouw van de drummer van de band.

Onschuldig, deze muziek, in zijn eenvoud, maar misschien is het valse onschuld.

Nog iets: Snavelenburg beschikt over een crisisbed. Ik wil ook een crisisbed.


De verering van mijn voet



Ik zit in het zwembad, of meer precies bij het zwembad, naar de eeuwige zwemles van mijn dochter te kijken, of eigenlijk niet te kijken maar vooral met een vader te kletsen van een ander zwemleskind, die ook nog een zoontje voor zich op de grond heeft gezet, een mannetje van twee, Mo, en die ruikt aan mijn voet.

Hij was begonnen met aaien. Mijn blote linkervoet – schoenen en sokken moeten uit bij het zwembad – die voor zijn neus hing te bungelen (ik had mijn linkerbeen over mijn rechterbeen geslagen). Met zijn nog enigszins worstige vingers streek hij over de rug van mijn tenen, over mijn wreef, en langs mijn hiel.

'Heb je er last van,' vroeg de zwembadvader. 'Dan haal ik hem weg.'

'Helemaal niet.'

Dat ruiken is misschien toch wel enigszins vreemd. We kletsen verder. Het geval wil dat de zwemlesvader net Zalig uiteinde heeft gelezen (op mijn instigatie, dat wel) en gewag maakt van het in zijn woorden taboedoorbrekende aspect van de seksualiteit onder jongens in dat boek. Ik wil mezelf niet op de borst slaan, maar ik ken weinig niet-homo-erotische romans waarin dit soort seksualiteit een rol speelt (ik hou me aanbevolen voor titels). Tegen de zwembadvader hoor ik mezelf zeggen dat in geen van de recensies die dat boek destijds kreeg, hier ook maar een woord aan werd vuilgemaakt. Misschien kwam het omdat alle recensenten vrouwen waren. Op één na.

'Herman Brusselmans zou Zalig uiteinde recenseren, maar aangekomen bij de scene waarin de ik-persoon de tenen van een van zijn vriendjes in zijn mond neemt, wilde hij niet meer verder lezen.'

Mo is inmiddels overgegaan tot het kussen van mijn voeten. Het maakt mij niet uit wie mijn voeten kust, als ze maar worden gekust. Gek genoeg antwoordt Mo op zijn vaders vraag of hij mijn voet aan het kussen is: 'Nee. Ruiken.'

'Hij zegt graag nee,' legt de vader uit.

'Nee fase,' verbetert Mo.

Ik hoop dat hij er volgende week weer is.




Dun meisje


Terwijl N. en ik zwijgend de troostende nazomerse zonnestralen op een terrasje aan de gracht opvingen, zat, een tafeltje verderop, had ik al gezien (zijnde professioneel waarnemer, voyeur mag ook) een bleek, dun meisje. Ze had haar rugzak bij haar voeteneinde gestald. Ze had ook een laptop bij zich, maar die gebruikte ze niet. Ze lunchte. In haar eentje. Op zich al een bezienswaardigheid. Toen ze aanstalten maakte om te vertrekken en daarbij tamelijk ostentatief aarzelde, zei ik, bij gebrek aan een beter woord: 'Hallo.'

Ze zei hallo terug, maar daar bleef het niet bij. Ze deed haar verhaal. Ze was net afgestudeerd psycholoog en zat nu op de filmacademie. Een mooie combinatie leek me, bijvoorbeeld voor het maken van indringende, maar ook wetenschappelijk goed onderbouwde documentaires over het menselijk denken en gedrag, dat nooit nalaat te verbazen.

Ze stond op een tweesprong. Ze wilde naar het buitenland, maar moest ze dat ook doen? Op Amsterdam was ze uitgekeken. Geen stad waar veel creativiteit van uitging, vond ze. Niet zoals Parijs en Berlijn en zelfs Bangkok, waar ze ook langere tijd was.

In Amsterdam heeft iedereen alles al, zei ik. Succes, geld, vrienden, familie. Amsterdam is een stad voor gearriveerden. Kijk om je heen. Wie kan hier wonen? Alleen mensen die al ruimschoots geslaagd zijn. Dat is al vier eeuwen zo. Deze mensen zijn nergens meer naar op zoek. Misschien in Amsterdam Noord, zo oreerde ik verder, kun je nog iets van de scheppingsdrang en experimenteerdrift vinden die bijvoorbeeld ook Rotterdam ooit kenmerkte, en die me aan Brooklyn deed denken toen ik daar twintig jaar geleden woonde.

Het dunne meisje dacht erover naar LA te verhuizen.

Ik heb niets tegen LA, zei ik, maar dan moet je wel een auto hebben. Je kunt beter naar New York gaan.

Maar New York is toch heel duur?

Valt mee. En wat heeft een mens nodig? Minder dan je denkt.

Een goed boek, vulde N. aan. Ze glimlachte vanonder haar baseball-cap naar het dunne meisje.

In de East Village, of anders in Queens, kon je vroeger voor 5 à 10 dollar heel behoorlijk Indiaas eten, zei ik. Misschien is dat nog steeds zo.

Nou, ik denk dat ik dan maar ga, zei het dunne meisje.

Ik zou het doen. Straks ben je zo oud als wij en dan doe je niets meer, dan kun je alleen nog maar wachten op de dood.

Ze ging.


Eén meter is beter



Anderhalve meter is teveel van het goede. Ik geef toe, ik ben nogal laat tot dit inzicht gekomen, namelijk gisteravond, toen ik met A. over een compleet verlaten Van Baerlestraat liep en we op de stoep gekalkte anderhalve meter maatstaven tegenkwamen en ik zei: 'Ga jij eens aan die kant staan, dan ga ik aan deze kant staan. Eens kijken hoe die anderhalve-meter-samenleving in de praktijk uitpakt.'

A. deed voor een keer wat van haar gevraagd werd. Daar stond ze, aan gene zijde van de door de gemeente Amsterdam (veronderstel ik) aangebrachte pijlen op het trottoir, ter adstructie van de sociale distantie die we tot elkaar schijnen te moeten bewaren om gevrijwaard te blijven van besmetting.

Ze zag er goed uit, vond ik, A. Ze droeg een glitterende donkerblauwe jas, een vrij strakke spijkerbroek en grappige schoentjes. Hoewel bang voor kou, had ze het nog niet nodig gevonden om sjaals uit de kast te trekken, en mutsen en handschoenen en wat dies meer zij. Ze keek niet op haar nieuwe telefoon, want die had ze thuisgelaten.

'Kunt u me misschien de weg vertellen naar het Stedelijk Museum?'

'Wablief? Kunt u wat harder praten? Of anders gebarentaal.'

Gebarentaal ben ik slecht in, bovendien was het al laat, mijn gebaren zouden verdwijnen in de nacht. Rooksignalen zou kunnen, dat had een dramatisch effect gegeven, maar ik had niets te roken bij me. Het was allemaal academisch, want het SM was allang dicht.

'Deze afstand is toch niet te doen?'

'Het is de lengte van onze zoon. Stel je voor dat onze zoon op de grond tussen ons in ligt.'

Leuke meetlat. Conclusie van een burger: anderhalve meter is misschien weer een geval van het te goed willen doen, waardoor het tegenovergestelde wordt bereikt. Niemand, niet alleen de minister van justitie niet, gaat zich aan die anderhalve meter houden. Zeker, ik heb wel eens twee obese honden-uitlaters op leeftijd op flinke afstand met elkaar zien praten, dat zal ook wel anderhalve meter of misschien meer zijn geweest, maar verder heb ik de afgelopen maanden niemand dergelijke afstanden zien aanhouden, waar dan ook, niet in winkels en niet in restaurants, en al helemaal niet onder jongeren die op boten, in parken en waar dan ook op alle mogelijke wijzen samenklonteren.

Als we net zoals de Fransen één-meter afstand houden, zeg maar een ruime armlengte, dan heeft dit veel meer kans van slagen, niet alleen in coronatijden, maar als nieuwe maatstaf voor de Brave Nieuwe Wereld. Wel de andere kant op niesen, zingen en hoesten graag.

Dat is het wrede




De schoonbroer van mijn broer, ofwel de broer van mijn schoonzus, is een paar dagen geleden gestorven en ik wil dat niet onopgemerkt laten passeren. Hij was niet oud. Ik kende hem niet goed, maar de keren dat ik hem zag was hij goedgeluimd. Een levensgenieter, zoals dat heet. Hij was met een mede-levensgenieter getrouwd en woonde in Diemen.

Ik fietste toevallig door Diemen met mijn elfjarige een paar weken geleden, en we hadden net het nieuws gehoord dat hij ernstig ziek was, er was niet minder dan een medisch doodvonnis over hem geveld, en wij waren in een ouderwetse snoepwinkel in het centrum van Diemen en dachten: is het een idee om iets lekkers bij hem langs te brengen? Zo vaak is mijn elfjarige niet op ziekenbezoek geweest. Je moet wat. Niets doen is een optie, maar alleen voor een nihilist. Ik vind nihilisme als idee interessant, niet als lifestyle.

'Heeft geen zin meer,' zei mijn schoonzus toen ik haar belde vanuit de snoepwinkel. 'Lief bedoeld, maar nee.'

Ik heb een kaartje gestuurd. Als een schrijver zich van nut kan maken, dan met het sturen van kaartjes aan doodzieken. Toen ik het kaartje op de bus had gedaan, vroeg ik me af of het leesbaar was (ik heb het handschrift van een huisartsenzoon), maar misschien deed dat er niet toe.

Er valt niets te zeggen, dat is het erge.

Een week of twee geleden belde mijn broer om een update te geven over de status van de man die ik een kaartje had gestuurd. Het zag er nog steeds niet goed uit voor hem, maar toch minder niet goed dan aanvankelijk. Hij leefde nog.

Nu is hij dood. Vreemd hoe de diagnose – hij ging naar de huisarts met buikklachten en kreeg vervolgens te horen dat hij onder de kanker zat –, zo inslaat als een bom dat je daarna, als de zieke niet meteen sterft, weer hoop krijgt. Dat is het wrede, de dood laat nog even op zich wachten, lang genoeg om dingen te denken als: misschien valt het mee, misschien is er nog tijd. Dan slaat hij toe.

Een paar maanden geleden, vertelde mijn broer, was zijn schoonbroer bij de 102de verjaardag van zijn schoonvader en had toen opgemerkt: 'Dit zou wel eens de laatste verjaardag kunnen zijn die ik meemaak.'

Hij kreeg gelijk om de verkeerde reden.

'Though lovers be lost, love shall not,' dichtte Dylan Thomas. 'And death shall have no dominion.'




Protest song


In de music store op mijn telefoon stuit ik op drie recente hiphop tracks getiteld Lockdown.

'Corona tijden? Help jezelf. Zieke man.'

En: 'Ik ben aan het rennen met die Fabienne. Zij geeft me zo lang hoofd, ik voel me haar migraine. Ik ben aan het slangen buiten quarantaine, ik voel me spitser dan een antenne.'

'Zieke man, zieke zieke man.'

Deze straatpoëtica hebben we te danken aan Mula B.

Een grimmige beat eronder. C, Cis Dis C. Dat is alles. Alsmaar door. Drie minuten lang. Grote passen gauw thuis, zullen we maar zeggen.

Dan: Lange Frans. Ook al een woordkunstenaar, Lucebert kan wel ophouden. 'Welkom op het allerleipste festival. Je hebt geen kaartje nodig want je bent er al.' Geniaal, in een woord. En dat op een o zo simpele riffje F Bes F, B Fis. Mooi werk, Louis Andriessen is er niets bij. 'En ineens is het duidelijk dat wij getuige zijn/ Van de matrix die verkruimelt.'

En ook nog thuis in zijn complottheorietjes: 'Een pedonetwerk wereldwijd vraag niet hoe/ via Hillary Clinton tot de Oranjes aan toe.'

Lekker. Bedankt Frans. Herstel Lange Frans. Move over Eminem, here's Long French, from Amsterdam. Remember de Mikmak? Ik bedoel Long Frans! Robert Long? Nee, Frans Lang. Lang Lang? Nee, Lange Frans. Enzovoorts. Vul zelf aan, in de geest van de lyricus zelve.

Gelukkig – ernst alert! – is daar ook nog Lockdown, de echte, courtesy Anderson Paak. Niet grimmig, deze track, hoewel de lyrics daar alle reden toe geven, want het is een protest song, the people are rising, maar een hoopgevende protest song. Opwekkend.

Een lekker nummer kun je het ook noemen. Ik mag er graag in de keuken op swingen als niemand kijkt. Een hip hop track, zeker, maar wel een met een kop en een staart en een refrein en een couplet. En een verdomd fijne verbale solo, als ik het zo mag noemen, van Jay Rock over kale piano-akkoorden.

Fijne hese stem, die Paak. Amerika op zijn best dit





Italiaanse film


Met zijn zoon die vandaag vier wordt in de kinderwagen rent de tandarts uit Milaan naar banketbakker Blommestein om taarten te kopen in opdracht van de moeder die vannacht om twee uur taart heeft staan bakken omdat ze toch niet kon slapen maar die nu vreest dat die misschien is mislukt en die sowieso denkt dat één taart te weinig is, maar hij gaat de verkeerde kant op.

'Ik heb ook niets aan hem, hij zit de hele dag op zijn telefoon!' De moeder, onze buurvrouw, sjouwt op en neer naar het parkje om alles in gereedheid te brengen voor het feest. In de verte hoor ik luchtballonnen uit elkaar knallen. 'Het lijkt wel een Italiaanse film!'

Het is makkelijk leedvermaak hebben om ouders met stress over hun kinderfeestje.

Ik help mee de loodzware tuintafel te verplaatsen naar een plek in de zon. Als ik door mijn rug ga zijn de rapen gaar, maar ik ga niet door mijn rug. Alleen, als ik even later terugkeer, nu als gast, staat de tuintafel weer in de schaduw. De vier oversized kaarsjes op de zelfgebakken taart waaien uit. De genodigden, maar ook de tandarts uit Milaan, kijken zwijgend toe hoe de moeder de taarten aansnijdt. 'Hier, voor het feestvarken,' zegt ze tegen de jarige, die het bordje aanneemt met de woorden: 'Ik ben geen varken!' en de taart dan op de grond laat vallen. Hij rent naar de speeltuin en gaat schommelen.

'Heerlijke taart,' zeg ik tegen de buurvrouw. Hij is een beetje plat, maar er zit een framboos op en twee partjes mandarijn.

De buurtkinderen staan in de rij voor de langwerpige vouw-ballonnen die ik met een pompje opblaas. Maar dat zint de jarige niet. De vader pakt hem op om hem te troosten. De tranen springen spectaculair uit zijn ooghoeken.

Hoe je het uithoudt als ouders op een kinderfeestje? Met wijn.

'Wat een goed idee,' zegt de moeder. De tandarts uit Milaan haast zich naar de Albert Heijn en zo wordt het toch nog echt gezellig. De kinderen spelen, de ouders borrelen. De Italiaanse film krijgt een happy end.

Buitenveldert


N. en ik lunchen in Buitenveldert – niet bij een typische lunchplek, of nou, ja, eigenlijk wel bij een typische lunchplek. Dat wil zeggen, een restaurant dat heel erg zijn best doet om niet in een grauw bedrijventerrein te liggen, maar dat is dus wel het geval. La Brochette doet net alsof we aan de Côte d'Azur aan het lunchen zijn (het weer is ernaar), of op zijn minst in een of andere nouveau riche-badplaats, maar we worden 'gewoon' omringd door non descripte laagbouw die je in vrijwel iedere buitenwijk van Nederland vindt.

'Ik vind dat iets, dat Buitenveldert,' zegt N. tussen twee happen van een overigens zeer smakelijke gerookte zalm-sandwich (ook over de Cola Zero geen klachten) door. 'Eigenlijk begrijp ik er helemaal niets van.'

Niet zo gek misschien, N. komt uit Den Haag. Aan de andere kant...

Ik vertel over mijn tante van achtentachtig, die gerieflijk in een appartementencomplex resideert in Buitenveldert – maar goed, dat is dan aan de uiterste zuidelijke rand, zeg maar tegen Amstelveen aan. Die tante is daar neergestreken nadat ze op veel andere plekken had gewoond, maar toen ik kind was, woonde ze ook al in Buitenveldert, ook al gerieflijk, toen nog met mijn oom, en wel in een bungalow aan de Cannenburg (in Dagboek van een postbode beschrijf ik hoe ik een van mijn eerste diensten draai in die straat en mij gelukkig prijs dat mijn tante mij daar niet in die hoedanigheid aantrof).

Een andere associatie die ik met Buitenveldert heb is Joop den Uyl. ik weet ook niet waarom. Ja, hij woonde er, maar niet in een bungalow volgens mij. Ik wil graag denken in een doorzonwoning.

Als N. en ik op straat staan te wachten op onze uber, parkeert voor onze neus een oudere heer en dame in een sportwagen met open dak. We kunnen vrijelijk naar binnen kijken bij dit duo. Ze zien er patent uit.

Typisch Buitenveldert, denk ik.



Porno voor de hele familie



Avond alleen thuis. Komt niet zo vaak meer voor. Wat te doen? Tijd vermorsen. Rommelen. Rotzooien. Alles behalve mijn nieuw hervonden vrijheid op soevereine wijze invullen.

Hermans zei het al en velen zeiden het met hem: de mens is slecht geëquipeerd om haar vrijheid ten volle te benutten. Liever verzint hij structuren om die vrijheid meteen weer kwijt te raken.

Vroeg of laat komt dit in mijn geval neer op zappen. Ik zap altijd achteruit, ik bedoel ik blader terug, omdat ik op zoek ben, ik heb het eerder gezegd, naar het vreemde. Ik ben een xenofiel.

Op kanaal 791 (ik denk trouwens niet dat er 791 kanalen beschikbaar zijn, dus daar heb je het al) val ik in My Sister Is A Whore.

Secret Circle heet het kanaal; logo hierboven. Nooit gezien zeker.

Wat me opviel aan My Sister Is A Whore was dat alles was zoals je zou verwachten behalve dat één stukje huid – het cruciale stukje huid, zou je kunnen zeggen – bij zowel man als vrouw nooit in beeld verscheen.

Familie-porno, dacht ik, porno voor de hele familie. Maar daarna dacht ik: wacht eens even, zou dit ook weer een fetisj zijn, preutse porno, die juist niet laat zien waar en hoe het gebeurt, steeds om de hete brij heen draaien? Knap camerawerk overigens, mijn complimenten. Misschien maken deze producenten gebruik van Japanse cameramensen. Bij Japanse porno, tenminste zo was het een tijdje geleden, heerste een verbod op het tonen van schaamhaar. (De boel afscheren was volgens mij geen optie. Het ging de Japanse censor niet om dat schaamhaar, maar om wat dat schaamhaar verhulde.)

Ondertussen ligt er een jongen, die eerst nog alleen aandacht had voor zijn computergame, maar allengs de strippende zus ontdekt, tegen haar kruis aan te humpen. Met zijn broek aan, eerst. Daarna trekt hij zijn broek uit. The old in and out blijft niet alleen onzichtbaar, maar ook hoogst onwaarschijnlijk, maar misschien ben ik een pietje precies. Daarna sluit een andere computergamer zich bij het gezelschap aan, die van de hoererende zuster een 'blow job' krijgt.

Al met al vroeg ik me af, zoals altijd, hoelang dit doorging. Lang zo bleek. Preutse porno kun je heel lang volhouden, denk ik, omdat er 'dus' nix gebeurt.

Afijn. Vandaag kijk ik op 791 en zit alles weer vrolijk achter slot en grendel. Jammer. Ik had mijn elfjarige misschien wat seksuele voorlichting kunnen geven of, nog beter, hij zichzelf.


Dear Ankie Broekers-Knol,



Mogen wij bij u twee of drie Moriaatjes bestellen? Weesjes, graag, als het kan. Lijkt ons wel gezellig. Geeft weer wat gespreksonderwerpen aan tafel. Doe maar zo tussen de acht en de twaalf. Liever niet ouder, we hebben geen zin in extra gepuber (ook niet jonger; wel zindelijk graag, of luiers meegeven). Niet meteen. Straks wel, maar eerst even inkomen. Het is toch een reverse culture shock voor ons.

Wat betreft geslacht: anything goes. Of er nou een slangetje aanhangt of een sneetje in zit, weet ik innmiddels, ze willen maar een ding en dat is zo snel mogelijk achter een scherm. Ik laad ze alvast op. Wat, u wilt graag dat hun schermtijd beperkt blijft? Prima, maar mogen wij dan een vergoeding voor de linkse hobby's waar we dan op moeten terugvallen? Nemo, Artis, Voorlinden...

Mevrouw Broekers-Knol, weet u wat ik zo vervelend vind? Dat ik de term aanzuigende werking maar niet uit mijn hoofd krijg. Wie heeft die verzonnen? U niet, maar dan toch wel iemand uit uw partij, of een andere partij die lijdt aan milde of niet zo milde vormen van xenofobie, en, dat is het 'mooie', daar ook voor durft uit te komen.

Wees gerust, we lijden allemaal aan xenofobie, ik durf te beweren dat niemand volkomen vrij is van xenofobie. Angst voor de vreemde is angst voor de onbekende. Maar let op: wij hier in huize Vrijheid zijn xenofiel, zo niet xenomaan. Het kan ons niet vreemd genoeg zijn. Dus graag uw vreemdste vreemdelingen hierheen zenden. Lichamelijk gebrek welkom.

Nog een klein verzoek, mede namens mijn vrouw. Of u wilt kijken of er rugzakjes van Yes We Carry aan die weesjes vastzitten. Zo ja, dan zouden we graag onze voorkeur voor hen willen uitspreken. We zouden die rugzakjes namelijk graag terughebben. Noem het circulaire economie.

Dank voor de moeite, en keep our borders safe,

enz.



Temperament



'Heeft jouw moeder ooit wel eens 'sorry' gezegd,' vraag ik A. toen ik uit de douche kwam. 'Wat is sorry in het Noors?'

A. was al aangekleed. 'Hoezo?'

'Nou, ik kan me zo voorstellen dat ze als moreel superieur wezen daar nooit reden toe heeft gezien.'

A. reageert verbaasd. 'Maar er was toch ook helemaal geen reden toe! Jij was een etter.'

'Je moeder reageerde nogal fel. Ik vond het buiten proportie.'

Achter mij hoor ik de hotelkamerdeur hard in het slot vallen.

De emotionele afwikkeling van de confrontatie met de ideale schoonmoeder boeit me bovenmatig. Het eerste wat gebeurde nadat ze mij terecht had gewezen op het veldje op de Hoge Veluwe? Mijn dochter die partij voor me koos. Ze kwam onmiddellijk op me af, rennend bijna, om haar steun te betuigen aan haar in het nauw gedreven vader. Hartverwarmend.

'Stom hè,' mompelde ik. Ze knikte hevig.

De rest van de dag probeerde ik mijn hoofd koel te houden, hoewel ik zoals elke (onheus) terecht gewezene, zon op wraak. Maar hoe wreek je je op je schoonmoeder? Ik besloot tot, – hoewel, een besluit kan het lastig worden genoemd, ik merkte dat ik ertoe over was gegaan, zoals dat wel vaker gaat met wraakgevoelens – passieve agressie. Ik meed haar. Ik merkte dat zij mij ook meed. Wij meden elkaar. Maar we wisten ook dat we dit niet eindeloos konden volhouden.

Bij de borrel kwam de verzoening. Ze lachte charmant maar ook een heel klein beetje beschaamd naar me. En gaf toe dat ze toch wel wat boos op me was geweest vanmiddag, maar ja...

Ik houd van temperament. Liever ontploffingen op zijn tijd, tranen en teleurstellingen, maar ook echte euforie (probeer het maar eens), dan een gevoelstemperatuur die altijd rond dezelfde middellijn schommelt.

Ondertussen moet ik me misschien toch afvragen waarom ik het kennelijk nodig vind om te stangen, te plagen, te sarren. Bij mijn dierbaren, nog wel. Ja, omdat ik niet tegen al te gezellige bijeenkomsten kan, denk ik, waarin iedereen het juichend met elkaar eens is. In dat soort gezelschappen voel ik een sterke aandrang tot oppositie. Maar dat is begging the question, ik weet het.

Misschien is het tijd voor therapie, voor ons allemaal.


Uitje met de schoonfamilie



Als we aan tafel gaan zitten voor het eerste diner van het uitje met de schoonfamilie, doe ik een mondmasker op en verklaar plechtig: 'Ik zeg niets meer. Praten jullie maar.'

Het blijft een uitdaging om het met een schoonfamilie uit te houden, aan de andere kant geloof ik dat wie niet geïnteresseerd is in zijn schoonfamilie, eigenlijk niet geïnteresseerd is in zijn geliefde. Schoonfamilie is een gratis cadeau dat je vroeg of laat moet uitpakken, om niet als ondankbare hond te worden versleten.

De condities hadden niet beter kunnen zijn. Op de fiets door de Hoge Veluwe, windstil, zomers warm, iedereen in een opperbest humeur. Als je even alle andere mensen die op hetzelfde idee waren gekomen wegdacht, en zo moeilijk was dat niet, dan hield je een idylle over.

We streken neer bij een weilandje genaamd De Bunt om te picknicken. Ik moet erbij zeggen, er waren al enkele kleine en iets minder kleine botsinkjes geweest aangaande de te volgen route (een klassieker), de te verorberen versnaperingen (idem), en opvoedkundige onenigheden.

Maar de vetste confrontatie vond plaats op het picknickkleed. Let wel: nadat we, qua wilde dieren (toch waar je voor komt) een zwart slangetje hadden gevonden (levend), en de schedel van wat ik dacht dat een zwijntje was of een reetje of een hertje (dood). Afijn. Er moest een foto worden genomen. Natuurlijk moet er een foto worden genomen tijdens een uitje, maar met een (portret)fotograaf in het gezelschap gespecialiseerd in groepen, en een voorliefde voor familie, moet er ongeveer bij elke boom een familiefoto worden genomen.

Het te fotograferen gezelschap, waaronder A. en mijn ideale schoonmoeder, had zich opgesteld, en de elfjarige zou de foto nemen. Ik stond erbij en telkens als hij een foto wilde nemen, gaf ik hem een duwtje.

Schoonmoeder ontplofte. 'Daar heb ik zo'n hekel aan! O wat heb ik daar een hekel aan! Jouw soort mannen, ja, zouden ze achter het behang moeten plakken!'

Ik had haar wel eens eerder geïrriteerd gezien, maar nog nooit ziedend.

Het uitje kon als een succes worden beschouwd.

Documentaire als betoog


Jammer dat we van Michael Moore ook niet meer op aankunnen, ook zijn morele compas is kapot. Althans, dat leid ik af uit Fahrenheit 11/9, gisteren bij de VPRO. De centrale vraag die hij probeert te beantwoorden in deze documentaire uit 2018, is hoe het in godsnaam mogelijk is dat Donald J. Trump in het Witte Huis terecht is gekomen. Antwoord: het Amerikaanse kiesstelsel deugt niet. Systematisch worden niet de kandidaten verkozen die de meeste stemmen krijgen (de popular vote), maar zij die de meeste kiesmannen voor zich laten uitkomen. Terwijl Amerika steeds progressiever wordt – de meerderheid, blijkt uit opiniepeilingen, is tegen wapens, voor gay marriage, voor algemene zorgverzekering enzovoorts – wordt de kandidaat van de establishment-partijen (Democraten en Republikeinen lijken meer op elkaar dan je zou denken) steeds conservatiever. Trump is hiervan het meest extreme voorbeeld.

Als Moore het hierbij gelaten had, en nog wat grappen had uitgehaald met de siliconen nep Trump die hij in het begin van de film laat zien, dan had ik hem kunnen volgen, maar dit is hem niet genoeg. Dus wordt er een verband gelegd met een schandaal rondom de drinkwatervoorziening in Michigan, waar Moore vandaan komt. Ook dat kan ik nog volgen. Althans, ik kan zien hoe dat schandaal aantoont hoe financiële belangen in de VS prevaleren boven de volksgezondheid (in Europa waarschijnlijk ook, maar minder zichtbaar).

Dan springt Moore op de 'Trump is de nieuwe Hitler'-trein, en daarmee doet hij een groot deel van zijn eerdere betoog (want zijn docs zijn altijd opgebouwd als betogen) teniet. Wie Trump met Hitler vergelijkt heeft volgens mij weinig van Hitler begrepen. Trump kun je vergelijken met Berlusconi, dat is een zinvolle vergelijking, beiden zijn narcistische kapitalisten die handig gebruik maken van de media. Misschien zou je hem zelfs nog kunnen vergelijken met Mussolini, maar daarvoor weet ik te weinig van het fascisme.

Maar Moore kiest voor het zwaarste geschut denkbaar om President Twitter uit te schakelen, waarmee zijn eerdere valide argumenten ten aanzien van de erosie van de Amerikaanse democratie makkelijk door Trump-aanhangers naar de prullenmand kunnen worden verwezen. Zo verandert er nooit iets.