Saddlebags

Tom Wolfe door Edward Sorel
Er zijn twee soorten schrijvers: zij die research doen voor hun werk, en zij die dat niet doen. Dan heb je nog twee schrijfstijlen, de zuinige en de wijdlopige. Tom Wolfe behoorde tot de eerste soort schrijver en hanteerde de tweede stijl. Zo'n combinatie heeft dikke boeken tot gevolg. De hard back van A man in full neemt in mijn boekenkast evenveel plek in als de bijbel. The bonfire of the vanities heb ik in pocket, maar dan telt die nog steeds 690 pagina's. Wie dat boek willekeurig openslaat leest ellenlange alinea's die eigenlijk uit een zin hadden moeten bestaan. Bonfire eindigt met een – lang! - fictief nieuwsbericht uit de New York Times. Een schrijver die geen research doet en zich bedient van de zuinige schrijfstijl, zou zijn roman nooit eindigen met een fictief nieuwsbericht.
Thematiek? Wolfe bedreef social satire. Dat is een genre dat in Nederland nauwelijks voorkomt; Hermans, bijvoorbeeld in Onder professoren, komt in de buurt; Voskuil wellicht ook. Wolfe is uit op het neerzetten van bepaalde sociale lagen van de bevolking, en mikt daarbij op de lach. In Bonfire schildert hij gedetailleerd en geloofwaardig het arrogante, verwende Wall Street wereldje van geldwolven en advocaten, maar hoewel Sherman McCoy van racisme wordt beschuldigd, wordt het nergens verontrustend. In A Man in Full wordt een self made zakenman in Atlanta onvergetelijk geportretteerd. Ik zal het woord 'saddlebags' nooit meer kunnen horen of lezen zonder te denken aan de oksels van Charlie Croker, als hij weer onder handen wordt genomen voor een financial work out. Toch bijt zijn tragiek niet.
Jay McInnerney en misschien Martin Amis horen denkelijk tot dezelfde school van schrijvers die zich uitleven in beschrijvingen. Soms lijkt het alsof ze daarmee willen laten zien hoe goed ze zijn ingevoerd in de materie. Maar dat is precies het probleem. Ze zijn zo druk bezig met het opbouwen van het decor, en het aankleden van hun karakters, dat ze voorbijgaan aan het drama.

Auto's



De achtjarige van weleer is niet meer; gisteren werd hij negen. Ik vind negen een magischer getal dan acht en tien, maar ik weet niet waarom. Is er iets veranderd? Jawel. De negenjarige heeft een obsessie met auto's. Ik moet hierbij aantekenen dat hij door zijn bijna tienjarige vriendje uit de buurt is aangestoken. Die kwam met autotijdschriften aanzetten, wist een Ferrari van een Lamborghini te onderscheiden en gaf mijn negenjarige het idee dat auto's eigenlijk het enige zijn wat er in het leven van een negenjarige toe doet. Nu is hij ook helemaal om. Op weg naar school worden alle merken opgesomd. 'Kijk pap, de auto van Mr. Bean. Een Mini! En daar: een Audi, een Volvo, een Volkswagen, een Renault, een Peugeot! Pap, kijk dan, een Porsche!' Met dat vriendje uit de buurt is hij onlangs alle geparkeerde auto's op de kade gaan registeren, inclusief topsnelheden, en beoordelen. Onze auto kwam er niet zo best vanaf. Then again, van de vette Jaguar (met  t w e e  uitlaatpijpen) van de buurman waren ze ook weinig onder de indruk. Tesla kwam als winnaar uit de bus. Dat viel te verwachten. Tesla wordt niet zozeer vereerd vanwege zijn uiterlijk, geloof ik, of zijn energieverbruik, maar gewoon, omdat het een Tesla is. Tesla heeft, kortom, de beste brand marketing. Maar gelukkig heeft mijn negenjarige ook nog een eigen mening. Want de auto waar hij verliefd op is, is de Citroën Cactus, die zich onderscheidt door plastic versiering op de portieren. Een vriendin van ons heeft zo'n ding, in een, laat ik er niet omheen draaien, foeilelijke kleur, en toen is de verliefdheid ontstaan. Een paar dagen geleden kwam hij trots vertellen dat hij een Citroën Cactus een kus had gegeven. Ik kan me niet herinneren dat mijn autoliefde destijds zover ging, en je vraagt je als ouder af waar dit eindigt.

Filosofie

Anone in De Groene Amsterdammer


Op mijn reportage over het Dortmundse poppenbordeel kreeg ik veel, en opvallend
lovende reacties, van lezers die zich bevonden in Hongkong, Londen, Boston en New Jersey, behalve van een vrouw, die me in een email berispte voor mijn 'slappe verhaal'. Eerst dacht ik, toegegeven, misschien nogal gretig-hysterisch: een hatemail. Een hatemail is voor een schrijver in deze ontlezen tijden toch een soort verzetsmedaille. Daarna dacht ik, mede gezien haar toevoeging 'Kom dat maar eens uitleggen, dan,' hier te maken te hebben met een vrouw in de business om zo te zeggen. Al met al nogal cryptisch, dus ik stuurde haar een verzoek om zich nader te verklaren en toen bleek dat deze Jannah vond dat ik niet diep genoeg op de materie in ging.
Filosofisch, bedoelde ze.
Van alle bezwaren die met name vrouwelijke lezers tegen mijn verhaal zouden kunnen hebben, was dit er een die ik niet had zien aankomen. De lezeres in kwestie vond dat mijn verhaal thuishoorde in de Consumentengids, of anders bij een reisverhaal, 'net zoiets als een restaurantrecensie'.
Ik begrijp de behoefte aan diepgang heden ten dage, maar ik vrees dat de troost die de filosofie kan bieden beperkt is. In dit verband verwacht ik meer van de primatologie.

Vriendelijke boekrecensie

Een oude vriend van me, Oliver Reps, heeft een lean en mean boek geschreven over een jongen die graag gitaar speelt, van science fiction houdt, van gedachte-experimenten, en van sadistische spelletjes. Vrienden heeft hij niet. Na schooltijd hangt hij het liefst met zijn zieke zusje, en Polly, zijn verliefde fantasie. Polly wants a cracker, inderdaad. De P. uit P.J. Harvey. Dit boek wemelt van de pop-culturele verwijzingen. De verteller doet zijn verhaal aan zijn psychiater. Aan zijn ouders heeft hij niets.
Ik las De dag die nooit komt in een paar uur uit, en was onder de indruk van de vaart van de vertelling, het soepele springen in de tijd, maar vooral de ontknoping. Die kwam als een mokerslagje bij mij aan. Dat is bedoeld als compliment. Elke schrijver wil zijn roman, maar vooral het slotakkoord ervan als een mokerslagje laten aankomen bij de lezer; hij wil haar een beetje verpletteren, vermorzelen, verpulveren. Reps slaagt hierin niet door literair of literair-aandoend geneuzel, maar door de strop steeds strakker aan te trekken tot aan zijn onverbiddelijke einde. Als elke goede roman te lezen is als het afscheidsbriefje van een zelfmoordenaar, dan is dit een bijzonder puntig afscheidsbriefje.
Er staan mooie, zwart-romantische overpeinzingen in dit boek. Typische adolescenten-overpeinzingen, maar dat zijn de mooiste overpeinzingen. Is er leven na de puberteit? Wat ooit een psychische en emotionele rollercoaster was, wordt een invuloefening. Groots en meeslepend leven – dat kan na je 21ste eigenlijk niet meer, misschien al niet meer na je 17e.
Mij deed De dag die nooit komt in de verte denken aan Die Leiden des jungen Werthers en aan de adolescentenromans aller adolescentenromans, The catcher in the rye. Lezen dus, die Reps. Laat je niet afschrikken door het kinderachtige omslag. Laat je verleiden door de titel (geleend van Metallica).

De organisatie van het geluk

William Wegman

Veere, maandag 7 mei, 2018. Het gezelschap bestaat uit vier volwassenen en vier kinderen. Het doel is lunchen bij het restaurant aangeraden door culinaire kennissen en dat weliswaar geen ster heeft, maar dat wel is opgemerkt door Guide Michelin, zo blijkt uit plakkaten aan de gevel, en volgens weer andere plakkaten door Misset is uitgeroepen tot hebbende het op een na mooiste terras van Nederland. Probleem: er is niet gereserveerd. Het geaccidenteerde, zonovergoten terras met uitzicht op het St Tropez-achtige haventje zit vol. Het dienstdoende personeel is welwillend, maar er is geen plek. Hoog boven op het terras, in de weldadige schaduw, verzamelt zich een gezelschap dat  w e l  heeft gereserveerd. Omkeren? Dat ware verstandig geweest, minder stressvol ook, maar de jarige doesn't take no for an answer. We parkeren onszelf en de kinderen aan drie aaneen geschoven tafeltjes in de schaduwloze rookhoek. De kinderen klagen over hitte en worden ten minste drie keer verplaatst naar andere stoelen. 'Verzeihung für die Stuhl Tanz,' mompel ik tegen de Duitsers achter ons. Als voor het gemak vier dezelfde drankjes voor de vier kinderen worden besteld beginnen twee van hen te steigeren en te jammeren over zoveel onrechtvaardigheid, enzovoorts enzoverder tot in de eeuwigheid amen. Ondertussen blijkt er elders, onder de parasols, ruimte vrij te zijn gekomen, naast een hevig getatoëerd stel met twee mastiffs ter grootte van kalveren, die liggen te slapen op de koele tegels. We verhuizen. Nu begrijp ik de kommen met water die her en der over het terras staan; dit is een hondvriendelijke tent. Als ze opstaan, de mastiffs bedoel ik, reik ik met mijn hand naar hun bekken, terwijl ik bij een van de baasjes informeer 'of de mastiffs ook handen lusten'. Dit blijkt niet het geval. Toch krijg ik een uitbrander van een lid van het gezelschap wegens roekeloos gedrag; ik snauw terug. We eten en het smaakt, maar de sfeer was ooit beter. Nadat we betaald hebben, lopen we om het haventje terug naar onze auto's. Onder de ruitenwisser van de mijne vind ik een parkeerbon à €109.

Vijfentwintigste werkdag



Op de trap naar de oud-bibliothecaresse stuit ik op een zorgteamlid dat ik nog niet eerder heb ontmoet: een in het wit geklede, stralende vrouw met weelderige krullen, zo opgewekt en zo opgeruimd, dat je haar onmiddellijk zou inhuren voor je eigen oude dag. Hoe goed ze is, ook voor de oud-bibliothecaresse, blijkt wel als ze op mijn vraag hoe het met de wanen is gesteld, antwoordt dat mevrouw niet meer bang is voor de krokodil op het dak omdat er geen krokodil op het dak meer is. 'Ik heb meteen gevraagd aan de mensen die daar wonen of ze die drie planken even van het dak wilden halen, en toen was het probleem opgelost.' Vanochtend hebben ze al een terrasje aan de gracht gepakt, ijsje gegeten, enzovoorts, ze laat me de foto's op haar iPad mini zien – héérlijk was het.
'Nou, dan kan ik wel weer naar huis.'
'Nee, jôh! Ga lekker naar boven!'
Ouderen die worden verwaarloosd krijgen alle aandacht, maar zij die te maken hebben met een onophoudelijke stroom mantelzorgers, bezorgde buurtbewoners, schrijvers, enzovoorts, worden niet gehoord. Hebben ouderen geen recht op tijd voor zichzelf?
Nu omkeren zou jammer zijn, dus ga ik toch maar naar boven. De oud-bibliothecaresse verklaart nogal plichtmatig dat ze blij is me te zien. Ze is bezig in Volkskrant Magazine. Mijn stuk over Liebespuppen in Dortmund heeft ze overgeslagen, maar als ik terugblader naar de foto waarop de schrijver door twee van zulke poppen wordt geflankeerd, zegt ze dat mijn gezicht haar wel bekend was voorgekomen. Ik lees het stuk voor. Ze hoort het met opgetrokken wenkbrauwen aan. Pas bij de pop die door midden brak, hoor ik een grinnik.
We gaan een biertje drinken. Na een schuifelwandeling door de bomvolle Jordaan belanden we op een terras op de Westerstraat. De oud-bibliothecaresse wil graag pal in de zon zitten; ik zet mijn zonnebril over haar bril heen op haar neus.
Na een lange stilte zeg ik: 'Jij wilt nooit in een verpleegtehuis, hè?'
'Nee. Als ik in een verpleegtehuis moet, duik ik onder.'
'Bij mij mag je altijd onderduiken. Ik ben dol op onderduikers.'
'Daar houd ik je aan, Viktor.' Glunderend trekt ze aan haar shaggie.