Muziek uit de Wereldliteratuur



Achteraf, een bundel columns die Karel van het Reve eind jaren tachtig, begin negentig in Het Parool publiceerde, is verbazingwekkend leesbaar. Die stukjes blijven ook na een kwarteeuw nog fier overeind, omdat Van het Reve schrijft over dingen, meestal verband houdend met Russische literatuur – waarvan hij immers als slavist en oud-correspondent te Moskou het meest afwist –  die nog niet (of niet meer) algemeen bekend zijn. Kom daar eens om in huidig columnistenland. Vraag je af wat er overblijft van je lievelingscolumnist over vijfentwintig jaar... Ik voorspel minder dan een gedachtenstreepje. De meeste columnisten maken het zichzelf te gemakkelijk. Je steekt er weinig van op, dat morgen ook nog geldig is; je kunt ze, kortom, net zo goed niet lezen.
Van het Reve stopte uit zichzelf met zijn columns (dat zul je ook weinig columnisten zien doen), hij was toen vijfenzeventig, omdat hij, zo schrijft hij in zijn laatste column, niet zeker meer is van zijn geheugen. Dat getuigt van zelfkennis en bescheidenheid. Dat hij vaak een slag om de arm nam wat zijn geheugen betrof, is zijn veelvuldig gebruik van de zinsnede geloof ik, dat toegegeven, soms wat pedant kan zijn.
De reden dat ik Van het Reve aanhaal is trouwens dat hij in een column getiteld De heuvels van Mantsjoerije schrijft hoe frustrerend het is om over muziek te lezen (bijvoorbeeld in een roman) zonder te kunnen achterhalen hoe die muziek klinkt. Herkenbaar. 'Wat ik eigenlijk wil,' schrijft Van het Reve in zijn column, 'is dat iemand een serie cd's of cassettes maakt met Muziek uit de Wereldliteratuur.'
Voor mensen onder de twintig een onbegrijpelijk sentiment, want alles is thans te vinden op YouTube. Het was dus een kleine moeite om alsnog een compilatie te maken, van althans de nummers die Van het Reve, in zijn column noemt (en die mij allemaal onbekend waren, afgezien van misschien nr. 3, 9, 10).

1. De heuvels van Mantsjoerije
2. Donder der overwinning, klink!
3. Brother, can you spare a dime
4. Marching through Georgia
5. Sambre et Meuse
6. The British Grenadiers
7. Sabinchen war ein Frauenzimmer
8. Son geloso
9. La ci darem
10. Mira la bianca luna

Het lied, Broeders, het uur heeft geslagen, kennelijk bekend in communistische kringen, kon ik niet vinden. Wel Broeders Verheft u ter Vrijheid. De song En Cuba, waarvan de melodie door een personage wordt gefloten in Dashiel Hammett's The Maltese Falcon (een boek dat Van het Reve naar eigen zeggen elk jaar las) kon ik niet vinden. Walter?

Door de mand

Op luchthaven Fiumicino

'En, weer beter?' vraagt de juf met milde spot aan mijn negenjarige in de deurpost van het klaslokaal. 'Of heb je het leuk gehad bij opa en oma?' Waarna ze mij aankijkt: 'Dacht je dat wij jullie helemaal niet doorhadden?'
Ik kijk schuldbewust naar de grond. 'Ai. Hier valt geloof ik iemand door de mand.'
De juf lacht. 'Het begon ermee dat je eerst had gezegd dat je zoon aanstaande vrijdag niet mee zou gaan naar Artis. Maar wij  g i n g e n   vrijdag helemaal niet naar Artis.'
Ik knik. 'Mijn  d o c h t e r  zou naar Artis gaan,' corrigeer ik mezelf met terugwerkende kracht, en volkomen zinloos bovendien. Wie door de mand valt kan maar het beste zijn armen tegen zijn lijf aangedrukt houden, dan gaat het vallen sneller.
'We hadden al onze twijfels over de ziekmelding van jouw zoon, vrijdagochtend,' gaat de juf meedogenloos verder, 'maar toen wisten we  z e k e r  dat het een leugen was.'
'Ai.' Ik voel me als een passagier op de luchthaven die zijn pistool moet inleveren. 'Geef me je rekeningnummer, dan zal ik mijn liegboete voldoen. Jullie onderwijzers hebben het toch al zo zwaar.'
'Dat wordt dan een maandelijks terugkerend bedrag. Ha ha.'
Het schoolplein aflopend, ga ik in gedachten terug naar de bewuste vrijdagochtend waarop Het Grote Complot zijn hoogte-, dan wel dieptepunt beleefde. Sowieso is het ingewikkeld om een leerpichtige (de negenjarige) en een nog niet-leerplichtige (de vierjarige) te managen op dezelfde school, maar vooral waar het hun verzuim betreft. Die van vier neem je zo mee, daar kun je eerlijk vertellen dat de kids naar opa en oma gaan voor een logeerpartij, opdat de ouders eindelijk ook eens een weekendje kinderloos naar Rome kunnen om het intimiteitsdeficiet terug te dringen, maar die van negen, ja daar moest, dachten wij, nog even een Kleine Witte Leugen voor worden verspreid. Hetgeen nog niet meeviel, telefonisch vanaf het vliegveld. 'Wat zijn dat voor geluiden daar op de achtergrond?' stelden we ons voor dat de conciërge zou denken. Of: 'Bellen ze vanaf de WC?' Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen.
Wat blijkt? We hadden gewoon kunnen zeggen dat we 'iets speciaals' hadden. (Vroeger noemde mijn moeder dat in haar excuusbriefjes aan de school dat 'wegens omstandigheden'.)
Eerlijk duurt niet alleen het langst, de meeste leugens zijn niet eens nodig.



Exit Roth





Om Philip Roth te eren schrijf ik staand. Ik kan het iedereen aanbevelen. Zitten is het nieuwe roken (wacht even, dat was vlees eten; oké, dan is staan het nieuwe joggen). Het werkt, omdat je gedwongen bent om je aandacht te houden bij wat je aan het doen bent, in mijn geval schrijven, en niet een beetje kan gaan 'zitten' lanterfanten, snelschaken, met je joystick spelen enzovoorts. In een stoel achter een computer zak ik onderuit en neem ik alleen nog foto's en filmpjes en ander makkelijk te verteren geestelijk voedsel tot me met als gevolg dat ik verzand in een semi-depressieve lethargie.
Is staand schrijven – ik zie Roth voor me achter zijn schrijfgestoelte in zijn schrijfkamer in Connecticut, die lange, knappe, kalende man, die wel iets wegheeft van een Italiaanse filmacteur, met die minieme sardonische glimlach die niet van zijn gezicht is af te wassen en die hij op foto's volgens mij probeert te onderdrukken – zinnen aaneenrijgen, plotten plotten, dialogen polijsten, woorden uitspuwen. Hij noemt zich graag écouteur, las ik in een van de necrologieën. As opposed to raconteur, I presume. Hij luistert graag. Hij is verslaafd aan talk. En, toegegeven, hij is geniaal in het weergeven van die talk. Ik moet denken aan Sabbath's Theatre, – de roman die hij zelf zijn beste vond, geloof ik, waarin de hoofdpersoon in een lange voetnoot telefoonseks bedrijft (als mijn geheugen me niet in de steek laat). Maar je kunt talk ook breder trekken. Roth práát tegen je. Hij kietelt je. Kietelen met woorden, liefst op verschillende niveau's tegelijk, dat is toch wat literatuur is of zou moeten zijn.
Portnoy's complaint kietelde mij in het bijzonder. Mij staan de scènes bij waarin Alexander Portnoy zich opsluit in de WC voor zijn privézaakjes, terwijl zijn vader, die aan obstipatie lijdt, op de deur bonkt. En zijn moeder natuurlijk, die bovenop hem zit, hem smoort met haar liefde. Ik zou liegen als ik zou zeggen dat dit boek géén inspiratie voor mij is geweest. Ik leefde zelfs in de veronderstelling dat iemand wel op het idee zou komen om Zalig uiteinde een katholieke Portnoy's complaint te noemen, maar die veronderstelling is onjuist gebleken. Ik moet ophouden met in veronderstellingen te leven.
Met Roth's latere, bejubelde werk, zoals The Plot Against America, heb ik minder affiniteit. Ik snap het idee van een counterfactual history, en het consequent doorvoeren van een nazistisch Amerika is een interessante oefening, maar ik lees misschien toch liever een factual history. Geschiedenis is niet zelden vreemder dan fictie, zeker in Amerika.
Ik ben trouwens geen Jood en zal er ook nooit een worden – een neef van mij heeft het geprobeerd en kwam van een kouwe kermis thuis – dus Roths riedel over de Joodse gemeenschap, en dan in het bijzonder die in de jaren vijftig/zestig in New Jersey (hoe vaak heeft hij daar in zijn werk niet naar verwezen?), is niet aan mij besteed. Als je Roth leest vergeet je nooit dat hij een Jood is, maar zijn Joods-zijn is niet wat hem zo goed maakt. Wat hem zo goed maakt is zijn genadeloosheid en zijn stijl, die op de beste momenten nog het meest wegheeft van een onstuitbaar, exuberant, cynisch-vrolijkmakend taalfontein.
Even zitten.

Overklassen



Vanaf de hoogste verdieping van de Mondriaan-toren belde ik mijn raadsman, die een eindje verderop op de Zuidas kantoor houdt, – dat kluitje wolkenkrabbers zag er nu, hoe zal ik het zeggen, enigszins petieterig uit –, om te melden dat ik voor het eerst in mijn leven met recht op hem neer kon kijken (hij is tegen de twee meter, of daar net overheen). Ik bel hem wel vaker met zulke mededelingen. Ik kan me herinneren dat ik eens om twaalf uur 's nachts over de A10 reed, en meende op zijn verdieping het licht nog te zien branden. 'Ik ga je nu met honderd kilometer per uur voorbij,' luidde toen de boodschap. Vrijdag verheug ik me erop hem te kunnen berichten dat ik op enkele honderden meters over hem heen vlieg.

'Til death do us part

Ben E. King

Op verzoek van de vierjarige gebruiken we de avondmaaltijd voor het eerst weer eens op het bankje voor het huis, ik probeer mijn kinderen linzen te laten eten, met wisselend succes – thans steppen ze een blokje om –, als er een Ford vrij haastig voor mijn neus parkeert. Twee mannen voorin. Een van hen voert een telefoongesprek via de handsfree, veronderstel ik, want hij schreeuwt tegen iemand die zich niet in de Ford bevindt. 'Kuthoer!' roept hij. 'Kankerhoer!' Ik betwijfel of de man zich bewust is van mij, of van de reikwijdte van zijn woorden, maar ik betwijfel eveneens of hem dat iets kan schelen. 'Ik ga je helemaal kapot maken!' Dat gaat zo nog een tijdje door, inmiddels zijn mijn kinderen terug van hun step-ronde, maar ze hebben niets in de gaten, gelukkig. De tere kinderziel enzovoorts, maar ook: geen zin om uit te leggen wat daar aan de hand zou kunnen zijn, in die Ford en daarbuiten. We hebben immers nog geen twee dagen geleden The Royal Wedding bijgewoond, via de tizie dan, waarvan vooral de betoverende gospelversie door het Kingdom Choir van Ben E. Kings Stand by me me was bijgebleven, maar toch ook de eloquentie van de verschillende geestelijken. Mooi dat mannen nog steeds de dienst uitmaken bij zo'n huwelijksceremonie, verbaal dan, terwijl er natuurlijk veel meer redenen zijn, in het licht van Weinstein, Spacey, Cosby et al., om een en ander door een vrouw te laten doen. Als voormalig reverend van de Universal Life Church, in welke hoedanigheid ik luttele huwelijken heb mogen inzegenen, op mijn ritueel-romantische-recalcitrante manier, was ik met name geïnteresseerd in de formule die zou worden gebruikt op het moment suprême. 'Waarschuw me als het zover is,' zei ik tegen lieftallige, die een grotere huwelijksjunkie is dan ik, terwijl ik weg van de tizie andere dingen ging doen (linzen opzetten bijvoorbeeld). 'Ja nu! Komen!' Ik kwam. En daar waren ze weer: 'in sickness and in health' enzovoorts. Til death do us part'. Ik hoorde de bruid niet beloven de bruidegom te gehoorzamen. Dat 'obey' stukje in de huwelijksbelofte is door Lady Di geschrapt, las ik. Noem het vooruitgang.

Saddlebags

Tom Wolfe door Edward Sorel
Er zijn twee soorten schrijvers: zij die research doen voor hun werk, en zij die dat niet doen. Dan heb je nog twee schrijfstijlen, de zuinige en de wijdlopige. Tom Wolfe behoorde tot de eerste soort schrijver en hanteerde de tweede stijl. Zo'n combinatie heeft dikke boeken tot gevolg. De hard back van A man in full neemt in mijn boekenkast evenveel plek in als de bijbel. The bonfire of the vanities heb ik in pocket, maar dan telt die nog steeds 690 pagina's. Wie dat boek willekeurig openslaat leest ellenlange alinea's die eigenlijk uit een zin hadden moeten bestaan. Bonfire eindigt met een – lang! - fictief nieuwsbericht uit de New York Times. Een schrijver die geen research doet en zich bedient van de zuinige schrijfstijl, zou zijn roman nooit eindigen met een fictief nieuwsbericht.
Thematiek? Wolfe bedreef social satire. Dat is een genre dat in Nederland nauwelijks voorkomt; Hermans, bijvoorbeeld in Onder professoren, komt in de buurt; Voskuil wellicht ook. Wolfe is uit op het neerzetten van bepaalde sociale lagen van de bevolking, en mikt daarbij op de lach. In Bonfire schildert hij gedetailleerd en geloofwaardig het arrogante, verwende Wall Street wereldje van geldwolven en advocaten, maar hoewel Sherman McCoy van racisme wordt beschuldigd, wordt het nergens verontrustend. In A Man in Full wordt een self made zakenman in Atlanta onvergetelijk geportretteerd. Ik zal het woord 'saddlebags' nooit meer kunnen horen of lezen zonder te denken aan de oksels van Charlie Croker, als hij weer onder handen wordt genomen voor een financial work out. Toch bijt zijn tragiek niet.
Jay McInnerney en misschien Martin Amis horen denkelijk tot dezelfde school van schrijvers die zich uitleven in beschrijvingen. Soms lijkt het alsof ze daarmee willen laten zien hoe goed ze zijn ingevoerd in de materie. Maar dat is precies het probleem. Ze zijn zo druk bezig met het opbouwen van het decor, en het aankleden van hun karakters, dat ze voorbijgaan aan het drama.

Auto's



De achtjarige van weleer is niet meer; gisteren werd hij negen. Ik vind negen een magischer getal dan acht en tien, maar ik weet niet waarom. Is er iets veranderd? Jawel. De negenjarige heeft een obsessie met auto's. Ik moet hierbij aantekenen dat hij door zijn bijna tienjarige vriendje uit de buurt is aangestoken. Die kwam met autotijdschriften aanzetten, wist een Ferrari van een Lamborghini te onderscheiden en gaf mijn negenjarige het idee dat auto's eigenlijk het enige zijn wat er in het leven van een negenjarige toe doet. Nu is hij ook helemaal om. Op weg naar school worden alle merken opgesomd. 'Kijk pap, de auto van Mr. Bean. Een Mini! En daar: een Audi, een Volvo, een Volkswagen, een Renault, een Peugeot! Pap, kijk dan, een Porsche!' Met dat vriendje uit de buurt is hij onlangs alle geparkeerde auto's op de kade gaan registeren, inclusief topsnelheden, en beoordelen. Onze auto kwam er niet zo best vanaf. Then again, van de vette Jaguar (met  t w e e  uitlaatpijpen) van de buurman waren ze ook weinig onder de indruk. Tesla kwam als winnaar uit de bus. Dat viel te verwachten. Tesla wordt niet zozeer vereerd vanwege zijn uiterlijk, geloof ik, of zijn energieverbruik, maar gewoon, omdat het een Tesla is. Tesla heeft, kortom, de beste brand marketing. Maar gelukkig heeft mijn negenjarige ook nog een eigen mening. Want de auto waar hij verliefd op is, is de Citroën Cactus, die zich onderscheidt door plastic versiering op de portieren. Een vriendin van ons heeft zo'n ding, in een, laat ik er niet omheen draaien, foeilelijke kleur, en toen is de verliefdheid ontstaan. Een paar dagen geleden kwam hij trots vertellen dat hij een Citroën Cactus een kus had gegeven. Ik kan me niet herinneren dat mijn autoliefde destijds zover ging, en je vraagt je als ouder af waar dit eindigt.

Filosofie

Anone in De Groene Amsterdammer


Op mijn reportage over het Dortmundse poppenbordeel kreeg ik veel, en opvallend
lovende reacties, van lezers die zich bevonden in Hongkong, Londen, Boston en New Jersey, behalve van een vrouw, die me in een email berispte voor mijn 'slappe verhaal'. Eerst dacht ik, toegegeven, misschien nogal gretig-hysterisch: een hatemail. Een hatemail is voor een schrijver in deze ontlezen tijden toch een soort verzetsmedaille. Daarna dacht ik, mede gezien haar toevoeging 'Kom dat maar eens uitleggen, dan,' hier te maken te hebben met een vrouw in de business om zo te zeggen. Al met al nogal cryptisch, dus ik stuurde haar een verzoek om zich nader te verklaren en toen bleek dat deze Jannah vond dat ik niet diep genoeg op de materie in ging.
Filosofisch, bedoelde ze.
Van alle bezwaren die met name vrouwelijke lezers tegen mijn verhaal zouden kunnen hebben, was dit er een die ik niet had zien aankomen. De lezeres in kwestie vond dat mijn verhaal thuishoorde in de Consumentengids, of anders bij een reisverhaal, 'net zoiets als een restaurantrecensie'.
Ik begrijp de behoefte aan diepgang heden ten dage, maar ik vrees dat de troost die de filosofie kan bieden beperkt is. In dit verband verwacht ik meer van de primatologie.

Vriendelijke boekrecensie

Een oude vriend van me, Oliver Reps, heeft een lean en mean boek geschreven over een jongen die graag gitaar speelt, van science fiction houdt, van gedachte-experimenten, en van sadistische spelletjes. Vrienden heeft hij niet. Na schooltijd hangt hij het liefst met zijn zieke zusje, en Polly, zijn verliefde fantasie. Polly wants a cracker, inderdaad. De P. uit P.J. Harvey. Dit boek wemelt van de pop-culturele verwijzingen. De verteller doet zijn verhaal aan zijn psychiater. Aan zijn ouders heeft hij niets.
Ik las De dag die nooit komt in een paar uur uit, en was onder de indruk van de vaart van de vertelling, het soepele springen in de tijd, maar vooral de ontknoping. Die kwam als een mokerslagje bij mij aan. Dat is bedoeld als compliment. Elke schrijver wil zijn roman, maar vooral het slotakkoord ervan als een mokerslagje laten aankomen bij de lezer; hij wil haar een beetje verpletteren, vermorzelen, verpulveren. Reps slaagt hierin niet door literair of literair-aandoend geneuzel, maar door de strop steeds strakker aan te trekken tot aan zijn onverbiddelijke einde. Als elke goede roman te lezen is als het afscheidsbriefje van een zelfmoordenaar, dan is dit een bijzonder puntig afscheidsbriefje.
Er staan mooie, zwart-romantische overpeinzingen in dit boek. Typische adolescenten-overpeinzingen, maar dat zijn de mooiste overpeinzingen. Is er leven na de puberteit? Wat ooit een psychische en emotionele rollercoaster was, wordt een invuloefening. Groots en meeslepend leven – dat kan na je 21ste eigenlijk niet meer, misschien al niet meer na je 17e.
Mij deed De dag die nooit komt in de verte denken aan Die Leiden des jungen Werthers en aan de adolescentenromans aller adolescentenromans, The catcher in the rye. Lezen dus, die Reps. Laat je niet afschrikken door het kinderachtige omslag. Laat je verleiden door de titel (geleend van Metallica).

De organisatie van het geluk

William Wegman

Veere, maandag 7 mei, 2018. Het gezelschap bestaat uit vier volwassenen en vier kinderen. Het doel is lunchen bij het restaurant aangeraden door culinaire kennissen en dat weliswaar geen ster heeft, maar dat wel is opgemerkt door Guide Michelin, zo blijkt uit plakkaten aan de gevel, en volgens weer andere plakkaten door Misset is uitgeroepen tot hebbende het op een na mooiste terras van Nederland. Probleem: er is niet gereserveerd. Het geaccidenteerde, zonovergoten terras met uitzicht op het St Tropez-achtige haventje zit vol. Het dienstdoende personeel is welwillend, maar er is geen plek. Hoog boven op het terras, in de weldadige schaduw, verzamelt zich een gezelschap dat  w e l  heeft gereserveerd. Omkeren? Dat ware verstandig geweest, minder stressvol ook, maar de jarige doesn't take no for an answer. We parkeren onszelf en de kinderen aan drie aaneen geschoven tafeltjes in de schaduwloze rookhoek. De kinderen klagen over hitte en worden ten minste drie keer verplaatst naar andere stoelen. 'Verzeihung für die Stuhl Tanz,' mompel ik tegen de Duitsers achter ons. Als voor het gemak vier dezelfde drankjes voor de vier kinderen worden besteld beginnen twee van hen te steigeren en te jammeren over zoveel onrechtvaardigheid, enzovoorts enzoverder tot in de eeuwigheid amen. Ondertussen blijkt er elders, onder de parasols, ruimte vrij te zijn gekomen, naast een hevig getatoëerd stel met twee mastiffs ter grootte van kalveren, die liggen te slapen op de koele tegels. We verhuizen. Nu begrijp ik de kommen met water die her en der over het terras staan; dit is een hondvriendelijke tent. Als ze opstaan, de mastiffs bedoel ik, reik ik met mijn hand naar hun bekken, terwijl ik bij een van de baasjes informeer 'of de mastiffs ook handen lusten'. Dit blijkt niet het geval. Toch krijg ik een uitbrander van een lid van het gezelschap wegens roekeloos gedrag; ik snauw terug. We eten en het smaakt, maar de sfeer was ooit beter. Nadat we betaald hebben, lopen we om het haventje terug naar onze auto's. Onder de ruitenwisser van de mijne vind ik een parkeerbon à €109.

Vijfentwintigste werkdag



Op de trap naar de oud-bibliothecaresse stuit ik op een zorgteamlid dat ik nog niet eerder heb ontmoet: een in het wit geklede, stralende vrouw met weelderige krullen, zo opgewekt en zo opgeruimd, dat je haar onmiddellijk zou inhuren voor je eigen oude dag. Hoe goed ze is, ook voor de oud-bibliothecaresse, blijkt wel als ze op mijn vraag hoe het met de wanen is gesteld, antwoordt dat mevrouw niet meer bang is voor de krokodil op het dak omdat er geen krokodil op het dak meer is. 'Ik heb meteen gevraagd aan de mensen die daar wonen of ze die drie planken even van het dak wilden halen, en toen was het probleem opgelost.' Vanochtend hebben ze al een terrasje aan de gracht gepakt, ijsje gegeten, enzovoorts, ze laat me de foto's op haar iPad mini zien – héérlijk was het.
'Nou, dan kan ik wel weer naar huis.'
'Nee, jôh! Ga lekker naar boven!'
Ouderen die worden verwaarloosd krijgen alle aandacht, maar zij die te maken hebben met een onophoudelijke stroom mantelzorgers, bezorgde buurtbewoners, schrijvers, enzovoorts, worden niet gehoord. Hebben ouderen geen recht op tijd voor zichzelf?
Nu omkeren zou jammer zijn, dus ga ik toch maar naar boven. De oud-bibliothecaresse verklaart nogal plichtmatig dat ze blij is me te zien. Ze is bezig in Volkskrant Magazine. Mijn stuk over Liebespuppen in Dortmund heeft ze overgeslagen, maar als ik terugblader naar de foto waarop de schrijver door twee van zulke poppen wordt geflankeerd, zegt ze dat mijn gezicht haar wel bekend was voorgekomen. Ik lees het stuk voor. Ze hoort het met opgetrokken wenkbrauwen aan. Pas bij de pop die door midden brak, hoor ik een grinnik.
We gaan een biertje drinken. Na een schuifelwandeling door de bomvolle Jordaan belanden we op een terras op de Westerstraat. De oud-bibliothecaresse wil graag pal in de zon zitten; ik zet mijn zonnebril over haar bril heen op haar neus.
Na een lange stilte zeg ik: 'Jij wilt nooit in een verpleegtehuis, hè?'
'Nee. Als ik in een verpleegtehuis moet, duik ik onder.'
'Bij mij mag je altijd onderduiken. Ik ben dol op onderduikers.'
'Daar houd ik je aan, Viktor.' Glunderend trekt ze aan haar shaggie.