Tweeëntwintigste werkdag

Afbeeldingsresultaat voor piano peinture
Le piano et le peinture

Op weg naar de oud-bibliothecaresse fiets ik langs Dijkman. Er schiet mij te binnen dat ik mijzelf had beloofd voor haar een pianolampje te kopen, aangezien zij nog steeds speelt, ook van blad, maar altijd in het donker. Ik koop het goedkoopste model, made in China, à €12,50, en het eerste wat ik doe als ik binnen ben, is dat ding aansluiten, de snoer moet achterlangs de vooroorlogse stoffige boekenkast, die daardoor bijna, maar gelukkig niet helemaal voorover tuimelt, en dan... verdomd, er zij licht.
'Geweldig!' roept de oud-bibliothecaresse, 'precies wat ik nodig heb!'
'Wat ken ik je toch goed, hè.' Onmisbaar is niemand, maar nuttig zijn voor iemand is ook wat waard.
De memoires van Casanova staan pontificaal op tafel. 'Ik heb vannacht helemaal niet geslapen. Ik ben alsmaar aan het lezen. Maar ik ben pas op pagina 500 van deel 1.' Dat is verder dan ik. 'Wat vond je van die passage over die Griekse slavin,' overhoor ik haar niet helemaal onbewust, omdat ik benieuwd ben hoeveel er is blijven hangen van deze driehonderd jaar oude tekst in het brein van deze zesentachtigjarige. 'Mooi toch, dat hij haar minnekoost door een gat in het balkon.' Ze knikt. Dat kan ze zich ook nog herinneren. 'Maar wat wordt er veel gehuild in dat boek zeg! Er hoeft maar dit te gebeuren of er is weer iemand aan het huilen.'
Ik lees een passage voor, waarin Casanova verliefd wordt op Cristina, het nichtje van de pastoor. Hij gelooft aanvankelijk niet dat haar zwarte ogen echt zijn. Hij is ervan overtuigd dat zij ze geverfd heeft. Zij is hevig beledigd door die aantijging, want ze zijn wel degelijk echt. Er bestaat een manier om achter de waarheid te komen, zegt hij: 'Ze met lauw rozenwater wassen, en verder moet de kunstmatige kleur helemaal verdwijnen als het meisje huilt. (...) En huilen deed zij, maar van het lachen.'