Drieëntwintigste werkdag

Picomodi, The cure for sleep

'Viktor, wat leuk dat je belt. Gaan we uit?' De oud-bibliothecaresse was pas na tig keer overgaan aan de lijn gekomen omdat de dienstdoende mantelzorgster het geluid niet herkende. Ze dacht dat er iemand aan de deur was. Ik had eigenlijk langs willen gaan, want het gaat niet zo goed met de oud-bibliothecaresse, las in de zorgmail, – met name is ze aan het spoken 's nachts, ze heeft zelfs een brandje gesticht om aandacht te trekken; inmiddels is nachtbewaking ingeschakeld –, maar dat lukte niet meer.
'We gaan zeker uit. Naar de centrale OBA. Daar kun je ook eten.' Ik heb haar een uitje naar de 'nieuwe' bibliotheek beloofd, dat moet wat zijn voor iemand die niet beter weet of de Prinsengrachtbibliotheek is nog de plek waar het allemaal gebeurt. 'Hoe gaat het? Ik hoor dat je slecht slaapt.'
'Ja,' zegt ze met een stemmetje dat me nog het meest aan dat van mijn vierjarige doet denken.
'Omdat je bang bent.'
'Ja.'
'Maar daartegen moet je een pil slikken.'
'Ja. Een keer, na het eten.'
'Maar dat doe je niet, omdat je een hekel hebt aan medicijnen.'
'Ja.'
'Heb ik ook. Maar als een pil werkt, en hij heeft geen nare bijwerkingen, zou ik hem maar nemen.'
Ze belooft beterschap. Maar ze moet opschieten met die belofte, anders wordt ze haar huis uitgehaald.
'Ik ga morgen met vakantie,' zeg ik, na een stilte. 'Met het vliegtuig. Heb jij wel eens gevlogen?'
'Nee.'
'Je hebt zeker ook een broertje dood aan vakantie.'
'Ja.'
'Ik ook, maar je ontkomt er niet aan, met kinderen. Kinderen geven maar om drie dingen: vakantie, verjaardagen en snoep.'
Die opsomming ontlokt aan de oud-bibliothecaresse een proestlach. 'Wij hadden nooit snoep vroeger,' zegt ze.
'Ook geen koekjes?'
'Nee.'
'Nou ja, het zou ook raar zijn voor een tandarts, als hij meewerkte aan het tandbederf van zijn kinderen.'
'Inderdaad... Zeg, Viktor, ik...'
'Moet door?'
'Ja.'
Dat treft. Ik ook.