Voorafgaand aan de ochtend VII



Als betrof het hier een eeuwenoude traditie, werden in stilte alle tafeltjes en stoelen aan de kant geschoven en ontblootten alle mannen hun ruggen, de ene na de andere werd zichtbaar, en stelden ze zich zodanig op, dat Timeu en Inzig, maar vooral Timeu, er makkelijk bij kon. De vrouw achter de bar, Zenu heette ze, ging van de weeromstuit, omdat ze niet dacht binnenkort nog bestellingen te ontvangen, de toog schoonmaken, waarbij ze de neusvleugels van haar haviksneus, waarschijnlijk een of andere tic, wijdopen zette. Inzig keek uit over de zee van mannenruggen en verbaasde zich erover, dat zij allen behaard waren, maar daarvoor waren het mannenruggen. En zij waren niet alleen behaard, maar ook bespikkeld, beschadigd, gekloofd, gehavend, en wat dies meer zij, en er zouden, gegeven de geestdrift waarmee Timeu de zweep hanteerde, vermoedelijk nog meer oneffenheden op deze blote mannenhuiden ontstaan. Timeu deelde de eerste klap uit, zonder ook maar een woord of gebaar van ceremonie, aan een kleinere, oudere man die als een gebalde vuist op de koude stenen vloer lag en die, voordat hij ineen was gedoken, en zijn neus naar zijn knieën had gebracht, Inzig een blik had toegeworpen van intense tevredenheid, onder zijn niet te missen want volstrekt detonerende haarstuk. IJdelheid was, ook in C, een factor om rekening mee te houden. De man gaf een korte gil, na Timeu's zweepslag, maar dat leek geen uiting van pijn, maar van ontzetting, omdat Timeu zijn haarstuk eraf had gezweept. Het sneue lapje was aan het uiteinde van de zweep blijven hangen.

Voorafgaand aan de ochtend VI



'Waarom draag je eigenlijk een berenvel en zwarte schmink op je huid,' vroeg Inzig aan Timeu, terwijl ze, na een kopje zeer sterke koffie samen richting C hobbelden, waar ze, zo hadden ze gemakshalve besloten, op zoek gingen naar mensen die graag de zweep over de rug gelegd wilden hebben. 'En, now we're at it, waarom draag je een dozijn koebellen op je rug? Zo maak je het hele dorp wakker.'
'Het hele dorp is al wakker,' zei Timeu, met zijn zweep voor zich uit knallend naar een zwerfkat. Dit was niet dezelfde zwerfkat als dewelke Inzig had gevolgd door het landschap; dit was een andere, met een hoek van bijna 90 graden in zijn staart. De kat gaf een klagelijke miauw.
'En die vermomming, wat moet ik daarvan maken?'
'Wat jij wil,' sprak Timeu, en hees het koord waarmee het berenvel bij elkaar gehouden werd nog eens aan. 'Mensen denken dat ze niet vermomd zijn, maar dat zijn ze wel degelijk. Ze dragen de vermomming der middelmatigheid.'
Inzig bekeek zichzelf in het licht van de straatlantaarns die bungelden in de wind. Zoals gezegd droeg Inzig te weinig kleren, maar straalden zij middelmatigheid uit? Dat was niet meteen duidelijk. En trouwens, ging het, ceteris paribus, niet om het innerlijk? Deze overwegingen hield Inzig echter voor zich.
Ze bereikten een piepklein, licht hellend, pleintje. In een grotachtige, helverlichte bar was, Timeu had gelijk gehad, een grote uitsnede van de bevolking van C was samengepakt rondom kleine formica tafeltjes. Zo naar hun vermomming te oordelen alleen mannen; alleen achter de toog stond een vrouw, met een haviksneus en meer horloges om haar polsen dan strikt noodzakelijk. De mannen, die woeste, roodbruine koppen hadden, dronken donkerpaarse drankjes. Ze vielen en masse stil toen Timeu en Inzig binnenkwamen.
'Het zal me benieuwen,' dacht Inzig bij zichzelf, 'wie van deze mannen behoefte voelt om zich Timeu's zweep over de rug te laten leggen.'

Voorafgaand aan de ochtend V



Uren was Inzig nu al onderweg, uren die dagen leken, misschien zelfs weken, maar een bordje "C: x km" was nog niet gezien, en dat kwam niet door de duisternis. In dit landschap was men niet scheutig met naamborden, afstandsborden, of wat voor borden dan ook. Alles sprak voor zich voor wie hier al eeuwen woonde; voor de buitenstaander, zoals Inzig, bleef er weinig anders over dan gokken. Culturen hadden de neiging zich af te sluiten voor de buitenwereld; een open cultuur tekende in zekere zin zijn eigen doodsvonnis. Maar dat was allemaal academisch voor Inzig. Er was een doel, sort of, en dat doel diende, sort of, te worden bereikt. De ochtend was nog altijd niet aangebroken, de dag had nog altijd geen verlichting gebracht, toen Inzig eindelijk aankwam bij een vervallen loods aan de rand van het bergdorp, waar Timeu, gekleed in een wollen berenpak, en helemaal zwart geschminkt, drukdoende was om zweepslagen te oefenen. Verfijning of precisie was kennelijk niet Timeu's belangrijkste oogmerk; het maakte een hels kabaal. Timeu keek nauwelijks op toen Inzig de vochtige, slechts door enkele flikkerende TL-buizen verlichte loods betrad, liet alle plichtplegingen achterwege en kwam meteen terzake. 'U wenst dat ik de zweep over uw rug leg, over die van mijzelf, of dat wij op zoek gaan naar andere ruggen waaroverheen ik de zweep zou kunnen leggen?' De vraag werd meer gegromd, dan gesteld. Inzig moest hier even over nadenken; ontbraken er trouwens niet enkele opties, bijvoorbeeld dat Inzig de zweep over Timeu's rug zou leggen? Niet dat Inzig daar nu de energie voor had, maar toch. Het ging om het idee. Waarom zou Timeu een monopolie moeten hebben op het toebrengen van lichamelijke pijn?

Voorafgaand aan de ochtend IV



De professionele zaklantaarn was leeg, maar Inzigs nacht was nog niet ten einde; het verhaal moest zich afspelen in natuurlijke duisternis, die dankzij de hemellichamen, altijd relatief is. Het spoor liep steeds steiler omhoog, C was nog altijd niet bereikt, hoewel er in de verte zweepslagen klonken, hetgeen op menselijke bedrijvigheid wees. Rustige, beheerste zweepslagen, met een interval van negen seconden – zonder bijbehorende pijnschreeuw, evenwel. 'Wat een vreemd tijdstip voor zweepslagen,' dacht Inzig, opkijkend naar de maan, die lui als een banaan op zijn rug in het grote zwart hing. Inzig had nog meer gedachten, en ze gingen niet uitsluitend over de vraag of Timeu een rol speelde bij het toedienen, dan wel ondergaan van voorgenoemde zweepslagen. De gedachte die telkens weer terugkeerde bij Inzig, was een oude, namelijk die van de nietigheid van het menselijk bestaan, volgend uit de grootte van het heelal, zowel qua omvang als qua leeftijd, en de vergeefsheid van het menselijk streven, dat immers altijd zou eindigen in de dood. Inzig werd niet somber van deze gedachten, die op een bepaalde manier met elkaar verband schenen te houden, maar opgetogen. Ja, er ging een troostende werking van uit. Het maakte niet uit, tot op zekere hoogte, wat je deed in de beperkte tijd die gegeven was; alle verrichtingen, pogingen en al dan niet tijdelijke betekenissen zouden vroeg of laat wegspoelen in het doucheputje van de kosmos – en juist dáárom had Inzig er zin in, of zoiets.

Voorafgaand aan de ochtend III



Eindelijk stuitte Inzig op een weg. Of een pad. Eigenlijk niet meer dan een spoor. Iemand was hier eerder door het landschap gegaan, zei dit spoor – hoewel het niet sprak, het getuigde alleen maar, maar dat was voor Inzig genoeg. Wie op een spoor stuit, heeft een nieuw probleem, namelijk welke kant het op te volgen, maar Inzig wist: omhoog. Inzigs weg was altijd omhoog gegaan, nooit omlaag. Alles wat de moeite waard was, lag in de hoogte. Inzig was niet van ambitie gespeend, maar de ambitie had vooralsnog weinig teruggegeven.
Honger was ondertussen een factor die de koude, moede en donkerte begon te overtreffen. Het weinige dat in het licht van de zaklantaarn eetbaar leek, prikte. Aan een plant had Inzig een felle artisjok zien hangen, ter grootte van een handgranaat, maar hieraan haalde de hongerige de vingers open. Rauw viel er eigenlijk aan deze vrucht geen lol te beleven. Eindeloos kauwen kon Inzig ook op de vijg van de vijgencactus, waarvan het hier wemelde, maar het viel niet mee die los te werken zonder de weerhaakvormige stekels te incasseren. Het blad van de cactus zelf leek op een pingpongbatje en smaakte navenant. Geduld moest Inzig hebben. In C, dat boven aan de berg zou moeten liggen, moest er van alles te eten en te drinken zijn. In C zou Inzig zich kunnen warmen, voeden en troosten, mits Timeu zich liet zien.
Even dacht Inzig de zwerfkat te hebben afgeschud, maar die volgde hem nog steeds, op gepaste afstand. Gezelschap was gezelschap. Wie zich verloren voelde kon niet te kritisch zijn.

Voorafgaand aan de ochtend II



Het begon te motregenen, maar er bewoog meer dan lichte regendruppels in beweging konden zetten. Inzig had het gevoel dat de achtervolging was ingezet. Dat gevoel werd bevestigd toen, nadat de motregen was opgehouden en de sterren eindelijk zichtbaar werden, een zwerfkat vanachter een struweel verscheen, Inzig in de ogen keek, met doordringende, zij het verveelde, blik, en pas weer begon te lopen toen Inzig liep. Omdat er verder niemand was om gesprekken mee te voeren, voerde Inzig gesprekken met het pluizige dier. Veel wijzer werd Inzig daar niet van, de zwerfkat ook niet; uiteindelijk namen ze genoegen met zwijgen. Toen ze bij een rommelige wei kwamen waar langharige schapen lagen te slapen, nam ook Inzig van de gelegenheid gebruik om zichzelf te rusten te leggen. Inzig schakelde de zaklantaarn uit en vergaapte zich aan het uitspansel, maar vergiste zich in de grond. De koude trok langzaam Inzigs lijf binnen. Zoals gewoonlijk droeg Inzig te weinig kleren, alleen het noodzakelijke – maar wat is noodzakelijk, in this day and age? De koude infiltreerde, als een idee, in de rug, in de benen, in de armen, in de longen. Toen de koude bij het hart kwam, stond Inzig weer op en liep verder, op de voet gevolgd door de zwerfkat, die grijnsde.

Voorafgaand aan de ochtend I



Alle opsluiting is relatief, dacht Inzig, met een professionele zaklantaarn op de grond voor zich uit schijnend, onder een inktzwart wolkendek dat zich traag als kauwgum uit elkaar liet trekken. Het landschap was onregelmatig, voor zover Inzig kon beoordelen, maar niet vijandig; nat maar niet doorweekt of zompig; steenachtig maar niet meedogenloos. Inzigs reisdoel was beperkt en daardoor haalbaar: telkens lukte het Inzig een stap vooruit te zetten, zonder een stap terug te hoeven doen. Een keer loodste Inzig zichzelf weliswaar in een doodlopende hoge strook, die uitkwam op iets dat op een ravijn leek, maar het niet kon zijn; toch maakte Inzig toen voor de zekerheid een U-turn rondom een reusachtige distel, waarop Inzig voldaan ademhaalde. Dat was goed afgelopen: Inzig leefde nog en had zich niet bezeerd. Niets was hier eetbaar, of zelfs maar vruchtbaar. Nergens werd iets verbouwd. Gebouwen en huizen en parken en wegen en voertuigen waren zeldzaam, hooguit in contouren of theoretisch aanwezig, en toch voelde Inzig dat op een plek, zeg C, mensen moesten leven die verwachtingen koesterden ten aanzien van Inzig. Inzig meende zelfs zeker te weten dat Inzig op weg was naar C, hoewel niemand Inzig dat had gevraagd en er zelfs voorzover bekend niets voor Inzig in zeg C te halen was; het viel zelfs niet uit te sluiten dat zeg C Inzigs eindpunt voorstelde, the point of no return zogezegd, omdat Timeu daar wachtte, maar dat betekende allerminst dat Inzig  verlangde  naar C, of naar Timeu, wat dat aanging, of wie of wat dan ook. Inzig wist allang niet meer wat verlangen was. Inzig was het verlangen verleerd, ja, dat was het, maar dit betekende niet dat Inzig was opgehouden te bewegen, o nee. 'Wie het eerst beweegt, sterft het laatst,' herinnerde Inzig zich ooit ergens te hebben gelezen. Hieruit putte Inzig hoop.

Drieëntwintigste werkdag

Picomodi, The cure for sleep

'Viktor, wat leuk dat je belt. Gaan we uit?' De oud-bibliothecaresse was pas na tig keer overgaan aan de lijn gekomen omdat de dienstdoende mantelzorgster het geluid niet herkende. Ze dacht dat er iemand aan de deur was. Ik had eigenlijk langs willen gaan, want het gaat niet zo goed met de oud-bibliothecaresse, las in de zorgmail, – met name is ze aan het spoken 's nachts, ze heeft zelfs een brandje gesticht om aandacht te trekken; inmiddels is nachtbewaking ingeschakeld –, maar dat lukte niet meer.
'We gaan zeker uit. Naar de centrale OBA. Daar kun je ook eten.' Ik heb haar een uitje naar de 'nieuwe' bibliotheek beloofd, dat moet wat zijn voor iemand die niet beter weet of de Prinsengrachtbibliotheek is nog de plek waar het allemaal gebeurt. 'Hoe gaat het? Ik hoor dat je slecht slaapt.'
'Ja,' zegt ze met een stemmetje dat me nog het meest aan dat van mijn vierjarige doet denken.
'Omdat je bang bent.'
'Ja.'
'Maar daartegen moet je een pil slikken.'
'Ja. Een keer, na het eten.'
'Maar dat doe je niet, omdat je een hekel hebt aan medicijnen.'
'Ja.'
'Heb ik ook. Maar als een pil werkt, en hij heeft geen nare bijwerkingen, zou ik hem maar nemen.'
Ze belooft beterschap. Maar ze moet opschieten met die belofte, anders wordt ze haar huis uitgehaald.
'Ik ga morgen met vakantie,' zeg ik, na een stilte. 'Met het vliegtuig. Heb jij wel eens gevlogen?'
'Nee.'
'Je hebt zeker ook een broertje dood aan vakantie.'
'Ja.'
'Ik ook, maar je ontkomt er niet aan, met kinderen. Kinderen geven maar om drie dingen: vakantie, verjaardagen en snoep.'
Die opsomming ontlokt aan de oud-bibliothecaresse een proestlach. 'Wij hadden nooit snoep vroeger,' zegt ze.
'Ook geen koekjes?'
'Nee.'
'Nou ja, het zou ook raar zijn voor een tandarts, als hij meewerkte aan het tandbederf van zijn kinderen.'
'Inderdaad... Zeg, Viktor, ik...'
'Moet door?'
'Ja.'
Dat treft. Ik ook.


Dopje



Vlak voor de finale van het ABN/AMRO tennistoernooi, dat ik met mijn vader bijwoon, om hem, namens Medische Broer, die dit uitje eigenlijk had bekokstoofd maar zelf niet kon omdat hij moest skiën, Roger Federer in levende lijve aan het werk te laten zien, de oudste nummer 1 van de wereld ooit, ga ik een flesje spa halen, maar ik krijg het dopje niet mee.
'Mag ik niet meegeven,' verontschuldigt de barjuffrouw zich.
'Het is voor mijn vader.'
Ze blijft nee schudden en haalt haar superieur erbij, een vlotte jongen met een kuif. 'Kunnen we niet aan beginnen, meneer.'
'Het is voor mijn 88-jarige vader,' leg ik nog eens uit, 'die wil graag een dopje op zijn flesje. Misschien wil je een uitzondering maken.'
'Sorry,' zegt hij, 'als ik voor iedereen een uitzondering ga maken –'
'– dan zou het geen uitzondering meer zijn,' onderbreek ik hem, maar hij houdt voet bij stuk. 'Mag ik vragen w a a r o m  het flesje doploos moet blijven?'
'We willen niet dat mensen met doppen gaan gooien. Ik begrijp dat dat risico bij uw vader misschien niet bestaat, maar ik kan er helaas ook niets aan doen.'
Ik ben net op tijd terug voor de pre-game show met Afrojack, die letterlijk uit de lucht komt vallen, onder luid discogedreun en met zwaailichten. 'Verschrikkelijk,' zegt mijn vader.
De aangekondigde droomfinale tussen Federer en Dimitrov is binnen een uurtje gepiept; na de eerste paar ballen weet je dat Federer de tien jaar jongere, in het roze geklede Bulgaar met weinig games naar huis gaat sturen. 'Wie gaat er dan ook in het roze de baan op?' zegt mijn vader.
Recht voor ons zit een Federer-fan, die het hardst klapt op momenten dat zijn tegenstander een (onnodige) fout maakt.
Als ik een dopje had gehad had ik het naar zijn hoofd gegooid.

Lunch in Antwerpen



Lunch in Antwerpen: research voor mijn nieuwe roman. Klinkt als een snoepreis. Is het ook. In de trein, als om mij heen het landschap in glitterend zonlicht aan me voorbijtrekt, bedenk ik dat Antwerpen toch eigenlijk wel soort van in een ander land ligt, en dat Europa, Schengen of zelfs maar de Benelux nog niet dermate geïntegreerd zal zijn dat je daar OV-kaartmatig heen kunt chippen. Dit blijkt inderdaad het geval. Ik kan in Rotterdam een retourtje Roosendaal – Antwerpen kopen maar dan mis ik mijn trein. Online een kaartje kopen blijkt niet zo ingewikkeld, als je het installeren van een app, online bankieren, en wat niet al niet als ingewikkeld beschouwt. Leven is wandelen door een zee van stroop, maar als het openbaar vervoer meewerkt, is er heel wat gewonnen.
Waarin verschilt Antwerpen van Amsterdam en waarom vind ik die stad daarom leuk(er)? De blinkende, gruizige diamantairs rondom het station. Den Botaniek (zie hierboven). Op de Groenplaats drink ik een Westmalle Tripel in de zon, maar aan pinnen doen ze niet – alleen zwart geld. In een shopje gerund door een hipster met sik, knoopsgaten in zijn oorlellen en een vierkante zonnebril op valt mijn oog op Moet just niks. Zo'n t-shirtlijn kan ik ook beginnen, en ik zou het ook moeten doen, moneywise, maar ik heb het niet gedaan. Bij Leonidas, dat, hoe krijgen ze het voor elkaar, nog steeds een monopolie heeft, hoor ik in het Frans bestellen waardoor ik het ook wil, maar ik doe het niet, want dat zou onzin zijn, en ik zou denkelijk onmiddellijk worden gecorrigeerd. Bij het wisselgeld vind ik drie centjes, aandoenlijk op een hoopje. 'Die zijn bij ons allang afgeschaft.' 'Zulks heb ik gehoord ja,' zegt de winkeldame die een opmerkelijke overeenkomst vertoont met de vrouw van Abraracourix.

Fees



Uitgeput, maar ook opgeladen en aangenaam rozig, meldden we ons bij de receptie om het dagje bij de sauna af te rekenen. Een nieuwe sauna, moet ik erbij zeggen, waar we nog niet eerder waren geweest.
‘Was alles naar de zin?’ vroeg de goedverzorgde blondine met de getrainde blik en de paardenstaart terwijl ze de bon uitprintte.
Wij knikten. Lieftallige haalde een portemonnaie tevoorschijn. Ik zocht naar een pepermuntje op de balie, maar er was geen pepermuntje. Wel een assortiment aan cosmetica-, massage- en aanverwante artikelen.
‘75 euro bovenop de reservering?’ riep lieftallige uit. ‘We hadden toch het verjaardagsarrangement?’
‘Dit totaal is met aftrek van het verjaardagsarrangement.’ De blondine draaide behulpzaam de monitor naar ons toe. ‘Er zijn een paar extra fees bijgekomen.’
‘Fees?’ zei ik, als schrok ik wakker uit een fee-loze droom. ‘Waarvoor?’
‘Kijkt u maar even mee... Tien euro per persoon voor een handdoek is samen 20 euro…’
‘Maar we hadden ieder een handdoek!’ wierp lieftallige tegen.
‘Dat kan wel zijn, maar die gebruikte u niet. U bent tot tweemaal toe gespot op de bankjes in de sauna zonder de om hygiënische redenen verplicht gestelde handdoekjes.’
‘Beweert u hiermee,’ sputterde ik tegen, ook al wist ik dat ik dit argument ging verliezen, ‘dat wij onhygiënisch zijn? En trouwens, al waren we onhygiënisch, dan kunnen anderen zich daartegen toch beschermen door zelf een handdoek te gebruiken?’
De blondine negeerde glimlachend mijn verweer en wachtte totdat lieftallige een volgende kostenpost had ontcijferd. ‘Wat is dit? Dertig euro voor intimiteiten?’
‘U bent een keer in het bubbelbad gesignaleerd in een innige omhelzing. Dat is tien euro. En een keer in de stoomcabine lag u boven op elkaar, en raakten uw vier lippen elkaar zodanig, dat van een kus op de mond kan worden gesproken. Voor op de mond kussen rekenen wij een fee van twintig euro. Samen dertig euro.’
Onze ogen rolden als aardbeien in een fruitautomaat. Ondertussen had zich achter ons een kleine rij gevormd van mensen die ook wilden afrekenen maar tegelijkertijd het tafereel met een zeker genoegen gadesloegen.
‘En deze laatste vijfentwintig euro, hoe zit het daarmee?’
‘Ik wil de manager spreken,’ zei lieftallige.
De blondine wees met haar beige gelakte nagel op het reglement dat achter haar aan de muur hing en dan in het bijzonder op de regel: ‘Zowel gewenste als ongewenste intimiteiten worden niet getolereerd.’
‘Ongewenste intimiteiten?’ gilde ik. ‘Wat probeert u daarmee te suggereren?’ Ik klonk bozer dan ik daadwerkelijk was, maar ik was toch wel een beetje boos. In een wereld waarin geen enkele plaats meer is voor intimiteit wens ik niet te leven, en ik denk lieftallige ook niet.
‘U weet donders goed wat ik daarmee probeer te suggereren, meneer.’
‘Heeft u een klacht gehad of zo?’
Ze schudde zo fel haar hoofd, dat haar paardenstaart de uitgestalde cosmetica op de balie bijna omverzwiepte. ‘Het gaat om ongewenste intimiteiten tussen u beiden. Bij het afdouchen belaagde u mevrouw met een hoofd vol shampoo, en zij was daar niet van gediend. Wilt u de videobeelden terugzien of gelooft u het zo ook wel?’

Light verse on Wednesday


Sterilisatie (man)

Vintage mexicaanse vingerhoed

In de wachtkamer van mijn lijfarts – mijn nieuwe, de oude nam na 30 + jaar afscheid; en trouwens het zijn er drie – hangt een papiertje met informatie over sterilisatie (man). Zo'n papiertje heb ik daar nooit eerder zien hangen. Mannen kunnen zich bij de huisarts laten steriliseren, lees ik, dan wordt de ingreep door de verzekering vergoed. Een reden om je als man te laten steriliseren, lees ik vervolgens, is dat je je vrouw de anticonceptie uit handen wil nemen. Allemaal goed nieuws. Maar  w i l  ik me laten steriliseren? Een existentiële kwestie. Op de vraag: kinderen? zou ik geneigd zijn naar mijn voorhoofd te wijzen, maar aan de andere kant: who knows? Nobody knows anything. Ik weet nog niet eens wat ik morgen zal  e t e n , laat staan of ik volgend jaar misschien niet toch een sterke behoefte voel om me voort te planten omdat ik dat beter acht voor de mensheid en lieftallige en ik onze nieuwsgierigheid naar wat onze genetische mix nu weer voortbrengt niet langer kunnen bedwingen. En dan nog iets: mijn bijgeloof. Op het papiertje staat dat de ingreep 'geen gevolgen heeft voor de seksualiteit'. Dat haal je de koekoek. Dat zeiden ze van besnijdenis ook. Je maakt mij niet wijs dat een dam opwerpen in een natuurlijk systeem waardoor een deel van het sperma doodloopt, – het belangrijkste deel, mind you –, de 'lustbeleving' (vooral die in je hoofd) niet op enigerlei wijze beïnvloed. Allemaal veel gedoe voor een vingerhoedje stijfsel trouwens, om nog maar eens met de Klisjeemannetjes te spreken, maar toch. God zit in de details.

Oude wijn in nieuwe zakken



Baudet was nog niet geboren toen de Tegenpartij werd opgericht, 1981, en de mode is ook niet helemaal 1 op 1 te vertalen, – eigenlijk willen zowel Hiddema als Baudet meer een Jacobse zijn, dan een Van Es –, maar het idee is hetzelfde. Opblazen van het partijkartel, dat had de Tegenpartij kunnen verzinnen. Ook: een Surinamer onfrisse uitspraken laten doen over Surinamers. Toen ik las dat Baudet is gestopt met masturberen, 'omdat hij anders zijn vriendin tekort zou doen', werd ik even teruggeworpen naar de Klisjeemannetjes, live in de Houtrusthallen, 1977.
'Zeg, Van Kooten, ploer jij nog wel eens?'
'Ploeren? Ik? Nee, jôh, alang niet meer. Zie ik zo bleek soms? Nee hoor, ploeren... Mij niet gezien.'
'Hoezo dan, vroeger ploerde je toch dat je scheel zag?'
'Dat was toen.'
'Nu niet meer?'
'Nee jôh, schei toch uit. Sinds ik een vriendin heb ploer ik niet meer.'
'Echt waar?'
'Echt waar.'
'Maar je ken toch met dat ploeren een beetje de stoom van de ketel blazen als het ware? Een beetje ontluchten? Beetje de pijpleiding schoonvegen, van binnen dan hè? Voor en na het echte werk, zeg maar?'
'Nee, jôh, dan moet je die vriendin van mij zien. Dat is dood- en doodzonde. Ploeren is je reinste verspilling van liefde.'

Kantinedienst



Lieftallige heeft zich laten strikken voor kantinedienst op de voetbalclub, en ik prijs haar om haar vrijwilligheid, maar ze heeft mij ook opgegeven blijkt, voor de tweede helft. Ik kom ietsje eerder, om in te worden gewerkt. Hoewel ik al zeker vijf jaar (voor mijn gevoel vijftig jaar) voetbalclubs frequenteer, en dus op zijn tijd dien te worden ingedeeld in het kantinerooster, heb ik mij hiervoor altijd weten te drukken.
Lieftallige laat zien dat de ontroerend in boterhamzakjes voorverpakte zakjes snoep vijftig cent kosten, hoe de tosti's uit het tosti-ijzer te halen en welke knoppen in te drukken om zowel de kassala open te krijgen, als te zorgen dat de kassa de juiste berekeningen maakt. Niet op LA OPEN drukken, bijvoorbeeld, tenzij het niet anders kan.
En niet op OK drukken op het mobiele pinautomaat aan de praat te krijgen, maar op COR/on.
Weer wat geleerd.
Ik begin er zowaar plezier in te krijgen, hoewel, als ik op de klok kijk, zie ik tot mijn niet geringe teleurstelling dat ik slechts 15 minuten aan het werk ben.
Nadat ik diverse mensen van hun natje en droogje heb voorzien, veroorloof ik me een klein beetje kantinehumor.
Een vermoeide en verwaaide moeder verschijnt met haar zoontje aan de bar, ze houdt haar grote portemonnaie in de aanslag zoals een overvaller zijn automatisch wapen. 'Eén snoepzakje, graag,' zucht ze.
'Hier,' zeg ik. 'Goed voor de tandarts.'
'Sorry?'
'Goed voor de tandarts... Een poging tot humor, vergeef me.'
'Wát zeg je?'
'Laat maar.'

Dwepen

Afbeeldingsresultaat voor charlie chaplin
Chaplin in The Great Dictator



Motto
Wie niet liefheeft wordt gezien
Wie niet liefheeft wordt gezien
Herhaal de gedachte elke dag
Wie niet liefheeft wordt gezien
Lucebert

Ziehier het motto uit de debuutroman van kunstvriendin Persis Bekkering, getiteld Een heldenleven, net verschenen bij Prometheus. Toen ik dat motto las, dacht ik: ah, maar natuurlijk, Lucebert. Welke Nederlandse schrijver dweept niet met Lucebert? Ikzelf, in mijn eigen debuutroman FAKE, in 2008, liet de vermeende weduwe in de overlijdensadvertentie die ze had gezet voor de hoofdpersoon, pagina 238, eveneens dwepen met Lucebert:

Eindelijk de lege weg
De eindeloze lege weg

Let op de overeenkomsten tussen die twee Lucebert-citaten. Herhaling als een bezwering, van een eenvoudig beeld of een eenvoudige gedachte. (Net zoals in de reclame te doen gebruikelijk. Alles van waarde is weerloos zit even diep in mijn brein geëtst als Miele, er is geen betere, U moet de groenten van Hak hebben en thee heeft zoveel charme en toch blijft thee heel gewoon.)

Het dwepen met Lucebert zal denkelijk iets afnemen na de onthulling dat hij er als negentienjarige nazistische, inclusief anti-semitische, ideeën op nahield, en zijn brieven ondertekende met Sieg heil – lang geleden, uiteraard, en: jeugdzonde enzovoort (waar ligt de cut off age voor jeugdzondes?), maar toch.

Een vraag die zich bij mij opdringt is: nu we weten dat hij er nazistische ideeën erop nahield, verandert dat iets aan zijn werk? Ga je anders naar zijn werk kijken? Natuurlijk ga ik anders naar zijn werk kijken. Daarom vind ik de conclusie van Lucebert biograaf Wim Hazeu, dat hij het werk van Lucebert tegen het licht heeft gehouden, en in zijn duizenden dichtregels geen nazistisch, dan wel nationaal-socialistisch gedachtengoed tegenkwam, nogal simplistisch.

Lees die citaten hierboven nog eens over. Zonder nu te willen scherpslijpen en Lucebert meteen maar bij het grofvuil te zetten, geven deze teksten, in the light of what we know, toch een vreemde smaak in de mond.

Het absolutistische zit erin, de verheerlijking van iets (maar wat dat iets is, blijft geheim; of toch: de dood, of, zou het kunnen?, de haat), dat lijdt geen twijfel. In die zin is de poëzie van Lucebert misschien wel zwart-romantisch. Het ware leven of de dood – zoiets. Maar wat is dat ware leven dan?  De socialistische heilstaat? Een leven zonder Joden?

Of ben ik nu aan het hineininterpretieren?

Je zou eigenlijk op je hoede moeten zijn voor iedere tekst, en daarmee iedere schrijver, die niet op enigerlei wijze spot drijft met zichzelf.

Puntdicht op donderdag



Schoonheid

Afbeeldingsresultaat voor portret auden in 51
W.H. Auden

'Welk een lelijkheid!' schijnt Pierre Boulez in 1951 te hebben geschreven aan John Cage over Stravinsky's opera The Rake's Progress, lees ik in 'De rest is ruis'het standaardwerk over twintigste eeuwse klassieke muziek. Ook de pers, meewaaiend met de mode, was niet te spreken destijds over deze neo-klassieke opera.
Na afloop van de voorstelling van de opera die Nieuwe vriend P. en ik gisteravond bijwoonden, 67 jaar na dato, courtesy of De Nederlandse Opera, zeiden wij ongeveer tegelijk tegen elkaar: 'Welk een schoonheid!' En ook critici buitelden de afgelopen week over elkaar heen in loftuitingen.
Hoe is dit verschil in receptie te verklaren? Ik heb er een theorie over die verband houdt, zoals zo vaak in de kunsten, met ego. Boulez was in 1951 de veelbelovende jonge hond. Stravinsky was de oude leeuw, die nog één keer van zich liet horen (daarna liet hij nog een paar keer van zich horen, trouwens, maar dat kon Boulez niet weten). Stravinsky had in 1913 de wereld versteld doen staan met zijn Sacre, maar was daarna ingehaald door Schönberg. Dus dat Stravinsky, die kosmopoliet met die prachtige kop, het bijna veertig jaar later wéér zou flikken – dit keer niet met polyfonische spektakelmuziek gebaseerd op oude Russische volksmelodieën maar met een kittige update van Mozart's Don Giovanni – dat kón eenvoudigweg niet waar zijn. Boulez c.s. waren nu eindelijk eens aan de beurt, met hun seriële, twaalftoons, of in elk geval nieuwe muziek. Stravinsky was passé! Weg met Igor!
Rustig... Het libretto, opgeschreven door Auden naar een idee van Stravinsky op basis van acht schilderijen van Hogart (als u er nog bent), gaat over een rake (losbol) die, in een pact met de duivel, zijn ware liefde verloochent teneinde rijkdom te vergaren en zijn driften na te jagen, en uiteindelijk belandt in het gekkenhuis. Ik vind dat een mooi thema. De regie en aankleding van de opera waren spits en geestig, maar toch ook tragisch – zoals het hoort dus. En hoewel de dirigent volgens Nieuwe Vriend P., die er verstand van heeft, hier en daar wat steken liet vallen, was de muzikale uitvoering, zang plus koor, nou ja, heel erg fijn. Misschien niet ieders cup of tea, maar lelijk?
Boulez' ideeën over muziek stonden destijds zijn appreciatie deszelven in de weg. Je kunt ook zeggen dat hij bevooroordeeld was. Of gewoon doof. Je vraagt je af wat hij er nu van gevonden zou hebben.

Twee prachtige aria's uit de opera, door Barbara Hannigan. Gratis en voor niks.

Verwend



Ik verkeer in de vreemde hoedanigheid dat ik nagenoeg geen inkomsten heb en mij toch kan veroorloven om gewone wijn, die ik dus niet goed genoeg vind, maar dat durf ik degene die mij die wijn geschonken heeft niet te zeggen want dat klinkt zo verwend, op mijn beurt weer wegschenk aan buren en andere toevallige voorbijgangers. Die laatste categorieën konden gisteravond vrij letterlijk worden genomen, aangezien ik mijn bovenbuurman, die mij enige maanden geleden een fijne wintermantel doneerde, en bij wie ik voor mijn gevoel nog steeds in het krijt sta, zo'n fles gewone wijn (GW) wilde doen toekomen (hij is minder verwend), maar toen hij na drie keer bellen nog steeds niet reageerde (terwijl ik wel zeker meende te weten dat hij thuis was, getuige de geruchten van boven), gaf ik de GW aan een net op dat moment toevallig voorbijkomende, ietwat morsige man met een baard die volgens mij wel een borreltje lust. Hij keek me enigszins verbouwereerd aan. Meteen dacht ik: het aanbieden van GW aan een willekeurige voorbijganger kan ook verkeerd worden uitgelegd. De GW kan theoretisch, of niet zo theoretisch, worden stukgeslagen op je hoofd. Maar de ontvanger legde het niet verkeerd uit – hoewel ik hem, besefte ik ineens, door de war haalde, ik word een ook een dagje ouder, met een andere morsige baarddrager uit de buurt van wie ik wel zeker weet dat hij van een borreltje houdt, omdat hij dikwijls zwalkend, zo niet tollend uit de buurtkroeg komt. Welaan, deze geschiedenis is nog niet ten einde, want de morsige baarddrager vraagt, met een zwaar accent (nu weet ik zeker dat ik hem door de war haal), of ik kinderen heb. Ik knik. Vervolgens snelt hij weg, met medeneming van de GW, om niet veel later terug te keren met een doos. Voor de kinderen. In de doos zit een eenhoorn.

Vurrukkulluk

Afbeeldingsresultaat voor 1961 concertgebouw amsterdam



Ik was, na het zien van de film, benieuwd of Het leven is vurrukkulluk, de debuutroman van Remco Campert uit 1961, de tand des tijds nog kon doorstaan. Ik dacht dat ik het boek al gelezen had, maar wat ik zeker weet is dat ik het derde deel uit de sixties-trilogie, Tjeempie! of Liesje in Luiletterland lang geleden, ik denk dat ik vijftien of zo was, heb gelezen (het andere deel heet Liefdesschijnbewegingen). Die Tjeempie-vertelling scheen mij destijds nogal melig toe; nu heb ik niets tegen meligheid, maar ik kon me er ook weinig meer van herinneren dan dat Liesje op bezoek gaat bij enige schrijvers (het meerendeel herkende ik niet), al dan niet uit de kleren gaand, en dat de double entendres je om de oren vliegen.
Vurrukkulluk (4 u's!), dat zich afspeelt gedurende één dag in het leven van een stel vrienden, en een 'grijsaard' (een vervelende bijrol die ik in de film ook bijna niet kon aanzien zonder kromme tenen) in en rond het Vondelpark, blijkt achter de meligheid en de woordspelingen en fonetische spellingwijze (vaak samen: "seksjuweel", "viesziek"), gelukkig ook een interessante roman schuil te gaan, die nog steeds goed leesbaar is. Campert is hier en daar op dreef. 'Verhoudingen moeten kort zijn, anders zet verveling in, en uit verveling trouwen mensen.' En: 'Iedereen die in geluk gelooft is ongelukkig.' De intrige van het boek is minder strak dan die van de film; de vergelijking met een jazz-improvisatie is niet vergezocht. Knap hoe Campert de dikwijls zinloze (dwang)gedachten weergeeft die zijn personages hebben, bijvoorbeeld tijdens (zinloze) gesprekken, en hoe de vergeefsheid van alles overal doorheen sijpelt.
De film is een romantische comedy zonder randje, maar het boek wil meer zijn dan dat. Camperts roman is een op virtuoze wijze losjes gecomponeerde en geschreven, spot on weergave van de tijdgeest, waarin vrije liefde nog lang niet geaccepteerd was, maar wel werd afgetast (de seksscènes zijn naar huidige maatstaven ronduit braaf; die uit de film komen in het boek helemaal niet voor), en waarin 'jongvolwassenen' wellicht voor het eerst in de geschiedenis openlijk durfden anders te leven dan hun ouders hadden gedaan. Hedonistisch, nihilistisch, vurrukkulluk.

Campert vond het boek zelf bij herlezing in 2011 ook meevallen. (vanaf minuut 43).

Tweeëntwintigste werkdag

Afbeeldingsresultaat voor piano peinture
Le piano et le peinture

Op weg naar de oud-bibliothecaresse fiets ik langs Dijkman. Er schiet mij te binnen dat ik mijzelf had beloofd voor haar een pianolampje te kopen, aangezien zij nog steeds speelt, ook van blad, maar altijd in het donker. Ik koop het goedkoopste model, made in China, à €12,50, en het eerste wat ik doe als ik binnen ben, is dat ding aansluiten, de snoer moet achterlangs de vooroorlogse stoffige boekenkast, die daardoor bijna, maar gelukkig niet helemaal voorover tuimelt, en dan... verdomd, er zij licht.
'Geweldig!' roept de oud-bibliothecaresse, 'precies wat ik nodig heb!'
'Wat ken ik je toch goed, hè.' Onmisbaar is niemand, maar nuttig zijn voor iemand is ook wat waard.
De memoires van Casanova staan pontificaal op tafel. 'Ik heb vannacht helemaal niet geslapen. Ik ben alsmaar aan het lezen. Maar ik ben pas op pagina 500 van deel 1.' Dat is verder dan ik. 'Wat vond je van die passage over die Griekse slavin,' overhoor ik haar niet helemaal onbewust, omdat ik benieuwd ben hoeveel er is blijven hangen van deze driehonderd jaar oude tekst in het brein van deze zesentachtigjarige. 'Mooi toch, dat hij haar minnekoost door een gat in het balkon.' Ze knikt. Dat kan ze zich ook nog herinneren. 'Maar wat wordt er veel gehuild in dat boek zeg! Er hoeft maar dit te gebeuren of er is weer iemand aan het huilen.'
Ik lees een passage voor, waarin Casanova verliefd wordt op Cristina, het nichtje van de pastoor. Hij gelooft aanvankelijk niet dat haar zwarte ogen echt zijn. Hij is ervan overtuigd dat zij ze geverfd heeft. Zij is hevig beledigd door die aantijging, want ze zijn wel degelijk echt. Er bestaat een manier om achter de waarheid te komen, zegt hij: 'Ze met lauw rozenwater wassen, en verder moet de kunstmatige kleur helemaal verdwijnen als het meisje huilt. (...) En huilen deed zij, maar van het lachen.'

Puntdicht op vrijdag




Nenglish



'Tenk you voor comming hier today to my master tesis, I would like to start my presentation wid a copple of slides... Hier can you see dat de problem is really seveer, bud dere are ways to solve de problems. Dis is a challenge.'
'Wat? Alles in het Engels?' reageerde mijn moeder terecht nogal verbaasd, in de collegebanken gistermiddag, toen onze neef, die examen deed als civiel ingenieur aan de Technische Universiteit Delft, een verhaal hield in het Engels voor een 100% Nederlandstalig publiek. 'Maar in de NRC heb ik net gelezen,' praatte mijn moeder vrolijk door het afstuderen heen, 'dat heel veel hoogleraren terug willen naar het Nederlands!'
Ik maande haar tot stilte, omdat ik de master thesis probeerde te volgen, maar ze heeft gelijk. Natuurlijk heeft ze gelijk. De totale uitverkoop van de Nederlandse taal aan Nederlandse universiteiten is ab-so-luut schandalig en iets om de barricaden voor op te gaan als het niet zo'n pisweer was. Ik durf te beweren dat er geen landje is op de wereld dat zijn hoogste culturele goed (de taal), zo gretig de vergetelheid in wenst te duwen als ons landje. Gekoppeld aan onze illusie dat we vloeiend Engels spreken, begint deze neiging cultureel-suïcidale trekjes te vertonen.
Ik wil van deze gelegenheid gebruik maken om een nieuw woord te munten: Nenglish. Dit is het curieuze mengsel van Amerikaans televisie-Engels en Nederlands, dat voor academisch Engels moet doorgaan, en waarmee onze academici moeten concurreren met hun vakbroeders aan Princeton, Berkeley, Oxford en Sydney. Succes daarmee.