Twintigste werkdag

'Voor mij is elke dag oud en nieuw,' antwoordt de oud-bibliothecaresse, op mijn vraag naar haar beleving van de jaarwisseling.
Ze zit met een kop lauwe koffie achter een opengeslagen krant aan tafel. Ze ziet er fris uit. Natuurlijk, de sanitary pads op alle beschikbare zetels in de ruimte herinneren aan een minder fris aspect van haar bestaan, maar gelukkig hoef ik me daar niet om te bekommeren.
'Ik ben mijn bril kwijt,' zegt ze. 'Zou jij eens willen kijken? Zonder bril kan ik hem niet vinden. Ik zou eigenlijk twee brillen moeten hebben.'
'Een bekend probleem, waar mijn vrouw ook last van heeft.' Niet de enige overeenkomst tussen deze twee vrouwen. De oplossing is een bril aan een touwtje om je nek, maar ja, dat is ook weer zo wat.
Ik zoek in en onder de bank, waarop de oud-bibliothecaresse tegenwoordig zichzelf te slapen legt (want: dichter bij de kachel), – hoewel ze naar eigen zeggen vannacht niet geslapen heeft ('Ik zat oude kranten te lezen. Het was ochtend voor ik er erg in had. Toen dacht ik, dan kan ik net zo goed opblijven.'). In haar koude slaapkamertje aan de straatkant vind ik alleen een stapel boeken en een notitieblokje. Ik sla het open, lees de zinsnede 'op een zuipen gezet', iets over Menno en R.W., en sla het weer dicht. Geen bril hier.
In de 'badkamer' achter het keukentje? Neen. Op het dressoir? Bij de piano (waar ze wonderwel nog wel eens wat op pingelt; zij het zonder pianolampje, het wordt mijn levensdoel om haar een pianolampje te bezorgen)? In een zak van haar jas? Neen, neen, en nog eens neen. Ik geef het op.
Ik haal mijn leesvoer voor vandaag uit mijn tas, deel 1 van de schitterend uitgegeven en vertaalde memoires van Giacomo Casanova.
'Ga je lezen?'
'Als jij leest, ga ik ook lezen. Zal ik wat voorlezen?'
Als ik voorlees mis ik niets, omdat ik niet wil dat mijn gehoor iets mist. Het gaat langzamer, maar wie begint aan mémoires van 4000 pagina's kan beter geen haast hebben.
Het fragment gaat over Casanova's pogingen om op vijftienjarige leeftijd prediker te worden in Venetië, die worden gefrustreerd door een vreselijke priester die vroeg in de ochtend bij hem naar binnen sluipt om zijn lange krullen af te knippen omdat hij vindt dat hij te ijdel is. Hij wil de priester terugpakken, maar dat hoeft niet meer als zijn haar wonderlijk trendy wordt bijgeknipt. Zijn eerste preek, die hij uit zijn hoofd wil houden, eindigt in een drama omdat hij zich vooraf heeft bezat bij een vriend. Ik stop met voorlezen als Giulietta, een bekende courtisane, ten tonele verschijnt. Casanova bekritiseert in bedekte termen haar uiterlijk, misschien omdat zij hem te weinig aandacht schenkt.
'Prachtig,' zegt de oud-bibliothecaresse, terwijl ze een nieuwe sigaret rolt.
'Ja.'