Zeventiende werkdag

De oud-bibliothecaresse zit voorovergebogen bij de kachel, alsof ze haar veters strikt. Ik overhandig haar een brief uit Canada die ik van de deurmat heb geraapt. 'Mooi dat je nog brieven krijgt. Ik krijg nooit brieven.'
'Zal ik jou eens een brief schrijven?'
'Graag.'
Ze had me bij binnenkomst niet herkend, maar nu is ze weer bij. 'Wat ben je vrolijk,' zegt ze.
'Somberheid brengt een mens ook niet veel verder,' riposteer ik.
Dat kan ze beamen.
Als ik in de keuken een peer klaarmaak, zegt ze vanuit haar leunstoel: 'Viktor, ik hou veel van je.'
Ik overhandig haar bordje en zeg dat ik ook van haar hou. 'Ik kom hier niet omdat het moet,' voeg ik er nog aan toe, hetgeen eigenlijk weer iets afdoet aan mijn liefdesverklaring.
'O, een peer, in stukjes, met een vorkje erbij, wat heerlijk,' zegt ze. En: 'Die peer is perfect rijp. Verrukkelijk.'
'Er schijnen vierhonderd perensoorten te zijn,' zeg ik vanuit de keuken, want ze wil ook nog een eitje, 'en ik ken er maar twee.'
'Jodenman,' mompelt de oud-bibliothecaresse.
Nooit van gehoord.
Als we uitgekoffied zijn vraag ik: 'Vind je het goed dat ik op zolder nog wat ga werken en dan later weer wat koffie zet?'
'Ik vind alles goed wat jij doet.'
'Dat is liefde.'
Ze straalt.
Als ik weer beneden kom, is er een pianoconcert van Rachmaninov op de radio. Dat hele romantische, uit Brief encounter.
'Hou je van romantisch,' vraagt de oud-bibliothecaresse, met ogen waarin toch wel een zeker verlangen valt te bespeuren.
'Soms,' red ik me uit de situatie, zonder te hoeven liegen.
Als ik aankondig dat ik alweer moet gaan om de kinderen van school te halen, zegt ze: 'Ik wou nooit kinderen.'
'Omdat je dat zo'n gedoe vond?'
Ze knikt. 'Dan weer is er een ziek, dan weer dit dan weer dat.'
Nu knik ik.
Later dringt het besef tot me door dat niet het gebrek aan een geliefde de oorzaak vormt van haar kinderloosheid, maar juist andersom.