Zestiende werkdag

De oud-bibliothecaresse zat op de bank met haar jas aan voor zich uit te staren. Radio4 sijpelde uit de vooroorlogse radio op de kast. Ze was blij me weer te zien. Het gevoelen was wederzijds. Nadat ik haar een kus had gegeven voor haar 86ste verjaardag, die vorig week plaatsgreep, liep ik door naar de keuken om koffie te zetten en pannenkoeken te bakken (lees: ouwe zemen op te warmen) in een steelpan zonder steel.
'Ik heb je boek uit,' riep ze vanaf de bank.
'En?'
'Een gruwelijk verhaal. Wat er gebeurt met die Mulder!'
'Je bent de eerste die dat zegt. En je hebt ook gelijk.'
'Is het waargebeurd?'
'Nee, maar ik beschouw het als een compliment dat je dat denkt. Wat wil je op je pannenkoek?'
'Niks.'
In twee stokoude, versleten kandelaars op tafel, viel me op, waren gloednieuwe kaarsen gestoken. Cadeau voor haar verjaardag, die kaarsen, van wie wist ze niet meer. Die kandelaars waren nog van haar moeder geweest.
Ik probeerde de kaarsen aan te steken, zonder succes.
'Er zit geen pit in,' zei ze, kauwend op haar pannenkoek.
Ik terug naar de keuken om de pit die er toch wel in bleek te zitten uit te graven met een mes.
Niet veel later stonden de kaarsen fel en vurig te branden alsof dat was wat ze het liefste deden.
'Willem vindt dit vast niet goed,' zei de oud-bibliothecaresse.
Ik wist dat ze eens een bijna-brand had veroorzaakt met de gaskachel en om die reden niet meer op gas mocht koken en geen vuur mocht hebben en dus eigenlijk ook niet meer mocht roken, en overwoog nu dat de pit in die kaarsen misschien opzettelijk was weggeknipt door Willem of een andere bezorgde verzorger.
'Leuk om naar te kijken toch?' vroeg ik naar de bekende weg. Wie in een goede bui is, zoekt geen informatie, maar bevestiging. Zij was ook in een goede bui.
'Doet me denken aan kerst,' mijmerde ze. 'Vroeger bij ons thuis.'
'Goede herinneringen?'
'Nee! Mijn broer wist niet hoe snel hij alle kaarsen moest doven tussen zijn vingertoppen. Alleen maar om te laten zien dat hij het kon, met speeksel.'
Ik laat ze nog maar even aan.