Vijftiende werkdag

In tegenstelling tot vorige week verkeerde de oud-bibliothecaresse in optima forma. Ik had haar zelden zo opgeruimd gezien. Ze las aan de salontafel de krant, ze herkende me, en ze was aangenaam verrast mijn roman in ontvangst te mogen nemen.
'Wat ziet het er prachtig uit.' Meteen begon ze de achterflap grondig te bestuderen.
Uit automatisme had ik in de keuken een appeltje voor haar geschild, maar toen ik dat voor haar neerzette, zei ze: 'Word ik geacht dat op te eten?' Verse koffie bliefde ze ook niet; het ouwe, lauwe bakje dat ze met haar magere vingers bepotelde en aan haar mond zette, was goed genoeg voor haar.
'Geef mijn portemonnee eens,' zei ze, vastbesloten. 'Ik wil je voor je boek betalen.'
'Dat vind ik heel aardig van je, maar de vorige keer dat ik in je portemonnee keek voor boodschappengeld was hij helemaal leeg.'
Demonstratief stond ze op en schuifelde naar het dressoir om haar portemonnee te pakken, en verdomd, ze haalde er een twintigje uit, dat ze voor me op de salontafel deponeerde.
'Weet je hoeveel ik overhoud aan mijn boek als je het in de boekhandel zou kopen?' viste ik naar haar verontwaardiging. 'Twee euro. Minus de commissie voor mijn agent.'
'Tsss... Je had beter uitgever kunnen worden. Zelf je boeken uitgeven.'
'Dat ligt inderdaad voor de hand. En toch is het niet verstandig.'
Ze was nog steeds niet klaar het omslag te bekijken. Het leek wel alsof ze het zichzelf niet gunde aan het boek te beginnen.
'Zal ik een stukje voorlezen?' vroeg ik.
Ja hoor, dat leek haar wel wat, dat ik een stukje voorlas, zei ze op een toon alsof ik haar nog nooit had voorgelezen, maar al op de eerste bladzijde ging de bel. Een korte, penetrante tring, als een electrokutie. Ik werd afgelost. Het voorlezen zou moeten wachten. Of, nee, het zou helemaal niet meer nodig zijn, omdat de oud-bibliothecaresse mijn boek waarschijnlijk die nacht nog uit zou lezen.