Dertiende werkdag

Omdat vakantie hard werken is, en werk een vorm van vakantie, neem ik mijn kleintjes mee naar de oud-bibliothecaresse in de Jordaan.
Ze is niet alleen; een man met een grijze Chriet Titulaerbaard komt van zolder naar beneden met de was. 'Ah, de schrijver,' zegt hij toonloos.
'Ben jij van Cordaan?' vraag ik.
'Nee. Ik ben van niemand.'
De oud-bibliothecaresse staart ondertussen mijn kleintjes aan vanuit haar verstelbare stoel alsof het buitenaardse wezens zijn, creaturen uit een ander universum, ontsnapt uit een onvermoed wormgat. Gebiologeerd kijkt ze toe hoe ze aanvallen op de donuts die ik in de keuken aantrof. Ik kijk mee. Het is ook een schouwspel. Beter dan televisie, zoals hun moeder pleegt te zeggen.
Op hun beurt verbazen de kleintjes zich over de manier waarop de oma die geen oma is smult van een kiwi die ik voor haar in partjes heb gesneden. 'O, o, o, wat lekker is dit, zeg!'
Dan is het stil. Ik nodig de acht-jarige uit om wat moppen te tappen.
'Wat is het tegenovergestelde van framboos? Framblij!'
De oud-bibliothecaresse lacht hard. Te hard.
'Hoe noem je een skelet in een kast? Iemand die honderd jaar geleden heeft gewonnen met verstoppertje!' Ik vind hem wel aardig, maar de oud-bibliothecaresse kan er niet om lachen.
Nog niet.
De moppen raken op. De oud-bibliothecaresse grijpt naar haar shag; wij gaan op zolder kijken.
Als we weer beneden zijn, en nog even getuige zijn van haar ouderdom, barst ze ineens opnieuw in lachen uit. Weer die harde lach. De lach van een krankzinnige. De drie-jarige klimt verschrikt op mijn schoot. De achtjarige is alleen verbaasd dat het zolang duurde.