Twaalfde werkdag

Ik klop aan, en meestal hoor ik dan wel een zwak 'ja?' maar dit keer: niks. Dan ga je je toch zorgen maken. En je vraagt je af: moet ik degene zijn die de oud-bibliothecaresse ... aantreft? Maar dat blijkt allemaal academisch, want als ik de deur open, zie ik haar kiplekker rondlopen door de kamer. Ze schrikt zich een hoedje, maar ze weet heel goed wie ik ben.
'Wat een leuke vader ben jij!' roept ze uit, als ze in haar stoel is geploft en ik een eitje en kopje koffie voor haar heb bereid en heb verteld over mijn vakantieplannen.
'Hoezo?'
'Wij gingen nooit op vakantie.'
'Je vader had geen zin?'
'Nee. Mijn moeder ook niet.'
Ik pingel een stukje Ravel op de piano; het adagio uit een pianoconcert, bewerkt voor liefhebbers. Moeilijk, maar niet te moeilijk, geloof ik. Mijn vingers passen maar net, of eigenlijk niet, tussen de zwarte toetsen. Achter mijn rug hoor ik de oud-bibliothecaresse rommelen met de kranten die ik voor haar heb meegenomen van de trap.
Als mijn recital wordt overstemd door bouwvakkers die bezig zijn waarde toe te voegen aan het huis van de overburen, sluit ik de ramen. Tijd voor Poesjkin. De sneeuwstorm is een romantisch verhaal over een verboden liefde. De geliefden, een begeerlijk meisje en een militair, besluiten de afkeuring van hun ouders te omzeilen door in het geniep, in de nacht, in een naburig kerkje te trouwen. Maar als ze, ieder apart, vertrekken van huis komen ze in een sneeuwstorm terecht. Hij verdwaalt. Een dag later durft hij haar niet meer onder ogen te komen; uiteindelijk gaat hij naar het front, waar hij eerst gewond raakt, en vervolgens sterft. Drie jaar later is het meisje, nog mooi maar verbitterd en alleen, verhuisd. In haar nieuwe dorp komt ze een charmante man tegen. Iedereen zegt dat hij en zij voor elkaar gemaakt zijn. Langzaam raakt ze er zelf ook van overtuigd, maar hij doet haar maar geen aanzoek. Tenslotte, in een mooie scene, dwingt ze hem, door te volharden in haar stilzwijgen, tot een liefdesbetuiging. Die krijgt ze dan ook, maar hij bekent haar dat hij onmogelijk met haar kan trouwen, omdat...–  en hier houden de oud-bibliothecaresse en ik allebei onze adem in –... hij al getrouwd is. Dat zit zo. Op een nacht, drie jaar geleden, tijdens een sneeuwstorm was hij erop uitgegaan, hij was bij een kerkje aangekomen, naar binnen gegaan, de kerk was slecht verlicht, en daar had hij zich in de echt laten verbinden met een meisje dat flauwgevallen was omdat ze zo lang had moeten wachten op haar bruidegom. Hij schaamde zich voor zijn 'wrede grap'. 'O, dus jij was het!'
Schitterend, in al zijn onwaarschijnlijkheid.